DAGBOEKHOUDER
Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam 2017

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010–2011–
2012–2013–2014–2015–2016-2017


Om naar het begin van de pagina te gaan: klik op =0=


Februari

Meel

Iets te kiezen

Interpretatiemening

Toonvoorbeeld

Gouden bergen

Wiens taal men eet

Taalgestuurd

Reclame-inkomsten

Nut en noodzaak

Generatie-frame


Januari

Grimmige nonsens

Verdrongen

Een betere zaak

Plafond

Verdringing

Een malicieuze charlatan

Examen

Onbevooroordeeld

Lezing

Op herhaling

Liquide middelen

Verloochenen

Verplichte bewegingen

Vijftig miljoen

Te duur

Bazelen

Druppelen


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 55
november - december 2016

Dagboekhouder 54
september - oktober 2016

Dagboekhouder 53
juli - augustus 2016

Dagboekhouder 52
mei - juni 2016

Dagboekhouder 51
maart - april 2016


Dagboekhouder 50
januari - februari 2016

Dagboekhouder 49
november-december 2015

Dagboekhouder 48
september-oktober 2015

Dagboekhouder 47
juli - augustus 2015

Dagboekhouder 46
mei - juni 2015

Dagboekhouder 45
maart - april 2015

Dagboekhouder 44
januari - februari 2015

Dagboekhouder 43
november - december 2014

Dagboekhouder 42
september - oktober 2014

Dagboekhouder 41
juli - augustus 2014

Dagboekhouder 40
mei - juni 2014

Dagboekhouder 39
maart - april 2014

Dagboekhouder 38
januari - februari 2014

Dagboekhouder 37
november - december 2013

Dagboekhouder 36
september - oktober 2013

Dagboekhouder 35
juli - augustus 2013

Dagboekhouder 34
mei - juni 2013

Dagboekhouder 33
maart - april 2013

Dagboekhouder 32
januari - februari 2013

Dagboekhouder 31
november - december 2012

Dagboekhouder 30
september - oktober 2012

Dagboekhouder 29
juli - augustus 2012

Dagboekhouder 28
mei - juni 2012

Dagboekhouder 27
maart - april 2012

Dagboekhouder 26
januari - februari 2012

Dagboekhouder 25
november - december 2011

Dagboekhouder 24
september - oktober 2011

Dagboekhouder 23
juli - augustus 2011

Dagboekhouder 22
mei - juni 2011

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Meel

Een journalist van de Volkskrant heeft een poging gedaan met hoogopgeleide PVV-ers in gesprek te komen. Vandaag doet hij er verslag van (Olaf Tempelman, Slimme PVV-stemmers, 180217).

Hoogopgeleiden zijn, als ik de media en de geleerden goed begrijp, een soort volksstam die zich er vele jaren lang in bekwaamd heeft om de anderen, de anders-opgeleiden, te bestuderen en die nu met dank aan de ondemocratische democratisering van de sociale media zelf aan de beurt zijn. Nee, vanzelf gaat het niet, ze sputteren, ze spartelen, ze stribbelen tegen en het zal ze niet helpen. Gelukkig dat Tempelman er een aantal aan het spreken heeft gekregen. Niet veel, de wereld is tegen hen en alles wat ze zeggen wordt toch verdraaid, zeker in de Volkskrant, maar desondanks. Sommigen offeren zich op en ondank is ’s werelds loon.

Schrikken is het wel. Wie de gesprekken volgt die Tempelman had zal opvallen dat die hoogopgeleide PVV-stemmers net mensen zijn en dat het verschil tussen hen de anders-opgeleiden alleen maar gradueel is, niet principieel. Of anders-opgeleiden, ik bedoel natuurlijk het beeld dat zij en wij van anders-opgeleiden hebben, want die anders-opgeleiden zijn ook in dit verhaal niet meer dan een soort decor. Nou vooruit, bloemetjesbehang. Ook leuk, maar zelf willen we het niet hebben. Toch? Het is niet denigrerend bedoeld hoor, hou me ten goede en ik ken mensen met bloemetjesbehang die best in orde zijn, ook al zou ik ze niet op m’n verjaardag willen hebben. Om een lang verhaal kort te maken, anders-opgeleiden zijn nodig omdat je zonder hen de schrik van de tegenwoordig hoogopgeleiden niet goed op papier krijgt. Of in de media.

Er zijn sinds jaar en dag hoogopgeleiden die dat doorhebben en er een markt in hebben gezien. Die zijn gemakkelijk te herkennen aan hun overdadige en niet geheel en eigenlijk geheel niet consistente gebruik van het woord ‘elite’. Dat is een eclatant succesvolle strategie gebleken. Tegenwoordig gebruikt iedere boerenlul het woord en trekt er het bijpassende gezicht bij van iemand die iets bedorvens heeft gegeten. Kortom, de aanval op de hoogopgeleiden is het product van andere hoogopgeleiden, niet van de anders-opgeleiden. De anders-opgeleiden zijn het voetvolk, hun functie is het veelvuldig versterken van de echoput van de sociale media. Meer.Schreeuwen.Is.Het.Nieuwe.Normaal. Meer is beter. Schreeuwen is beter.

Hoogopgeleiden? Er was ooit een burgerlijk vormingsideaal waarover Adorno al in 1959 opmerkte dat het zo verkommerd was dat het daar niet goed mee was gegaan, dat het alleen nog ‘halfvorming’ wist te genereren. Geen wonder, een beetje vorming kost tijd en blijft tijd kosten en tijd – ja meneer, tijd is uitverkocht maar we hebben nog wel snibbigheden, kribbigheden, platitudes, oneliners en jij-bakken op voorraad. Komen altijd van pas. Kijk naar Martin Bosma en verdere uitleg is overbodig. Kijk naar Geert Wilders en de eetlust vergaat je. Zij zijn de voorhoede van een groeiend segment ‘hoogopgeleiden’ dat, net als Trump, elk vuiltje als een vuiltje dat van buiten komt beschouwt, als een aanval op henzelf, als een poging hen de mond te snoeren, als een complot om alles wat ze zeggen te verdraaien en in het tegendeel te laten verkeren. De meest bedreigde mensensoort in Nederland is, nu ik er even over nadenk, de hoogopgeleide die z’n soortgenoten niet meer kan vertrouwen en die gedwongen is met meel in de mond te spreken.

Het is de kwaal van deze tijd. Zeg dat je rechts bent en je krijgt in academische kringen minder onderzoeksgelden, zeg dat je PPV-er bent en je wordt geschaad in je carrièrebelangen, je wordt met de nek aangekeken, je krijgt ruzie met je kinderen, je vrienden laten je links liggen, de ellende is onafzienbaar. Van VVD-Kamerlid Duisenberg tot en met de hoogopgeleide PVV-stemmer is het huilie-huilie: een fatsoenlijk rechtsmensch kan niet vrijuit spreken, een fatsoenlijk rechtsmensch kan niet eens uitspreken dat hij niet vrijuit kan spreken. Is het gek dat het zo moeilijk is een PVV-er met naam en toenaam tot een gesprek te verleiden? Nee, dat is niet gek en het bewijst, het demonstreert, het illustreert hoe groot en hoe wijdvertakt en hoe erg het probleem is. Het is godgeklaagd en erger dat de media aan dit schandaal voorbijgaan, deze aanval op het vrije woord, een aanval die zo omvattend is dat wij, hoogopgeleide PVV-stemmers, er het zwijgen toe doen. Nou ja, meestal dan en Geert en Martin niet te na gesproken en sommigen van ons staan vandaag in de Volkskrant.

De hoopgeleide PVV-er en de rechtse wetenschapper mogen graag op de gevaren van de islamisering wijzen, en de arme moslima’s beklagen die zich nou eens nooit echt kunnen uiten over alles dat hen wordt ontzegd. De PVV-stemmer overkomt precies hetzelfde.

Rechts is een onderdrukte moslima.

18 februari 2017

=0=


Iets te kiezen

De overheidsbegroting laat het toe en dus is er weer wat te kiezen. Laura van der Geest, directeur van het CPB, zei het en de media namen het over. Iets te kiezen. Ik zal er mevrouw Van der Geest niet op aanvallen maar media die menen dat er in 2012 niets te kiezen was en nu in 2017 wel zijn niet alleen niet goed bij de les, die media produceren en verspreiden gebakken lucht. In dit geval zelfs voorgebakken lucht maar nogmaals, niets ten nadele van mevrouw Van der Geest. Mevrouw Van der Geest dacht een handzaam stijlkenmerk naar voren gebracht te hebben, en dat de media dat vervolgens niet als stijl maar als de kern van de inhoud oppikten – ach, dat geeft slechts aan dat de media beter op hun omzet letten dan op hun onderwerp, wat het onderwerp ook mag wezen.

In 2012 was er kennelijk niets te kiezen. Er is geen alternatief, je hoort het de VVD en de PvdA nog zeggen, keer op keer, brave leerlingetjes van de IJzeren Dame als het zijn (TINA: there is no alternative). Ze moesten eerst de economie er bovenop helpen, ze hebben de economie er bovenop geholpen, nu willen ze dat alle burgers dat gaan ervaren, dat alle burgers gaan voelen dat het weer beter gaat en manier waarop de burger dat mag voelen, nu daar heeft de burger zelf ook enige invloed op. Want: er is wat te kiezen. Vadertje staat en moedertje overheid blijven de huishoudpot bestieren maar als jullie meer zakgeld willen hebben, nou dan valt daar over te praten.

Mag iedereen meer zakgeld hebben of mogen we de burgers die te beroerd, te sloom, te onmachtig zijn geweest zelf ook iets bij te dragen, zelf ook hun quotum aan te verkopen lootjes te halen, mogen we die burgers niet uitsluiten van meer zakgeld of hen op z’n minst wat minder laten meedelen, zodat er voor ons, dus voor de ijverigen, dus voor de hardwerkenden, dus voor de typische Nederlanders wat meer overblijft? Tja, zegt het CPB, nu je het me vraagt.

Als ik de verkiezingsprogramma’s bekijk dan valt op dat alle partijen het hier wel een beetje mee eens zijn en dat sommige partijen het er meer mee eens zijn dan andere partijen. De partijen die het er hartgrondig mee eens zijn noemen we rechts, de partijen die het er maar een beetje en een beetje beschaamd ook nog mee eens zijn noemen we links, en alle partijen die er tussen in zitten, die partijen noemen we middenpartijen. Er is wat te kiezen.

Nederland verschilt zo bezien niet van FC Bladella, de voetbalclub uit Bladel (goeie naam trouwens) die als belasting van ieder lid jaarlijks 125€ wil hebben en die daarnaast van ieder lid verwacht nog eens 25€ te mogen incasseren, als opbrengst van de verkoop van lootjes. Dat heeft het bestuur van de club besloten.

Een geniaal voetbalbestuur, een bestuur dat feilloos begrijpt hoe het tegenwoordige vrijwilligerswerk in elkaar steekt, een bestuur dat snapt dat je belastingen wel kunt veranderen maar nooit kunt verminderen en dat linksom of rechtsom er geen bal toe doet zolang de begroting maar sluit, een bestuur dat handhaaft en dat houdt een bestuur in dat zijn onderdanen inpepert dat wie buiten het speelveld niet echt meedoet op het speelveld echt niet mee mag doen.

De verkiezingen worden, zegt men dezer dagen, beslist in ‘middenland’. U, stadsbewoner, telt wel maar toch ook weer niet want u telt hooguit mee, maar de inwooners van middenland, die tellen. Worden de verkiezingen in middenland beslist? Dat worden ze niet, dat hebben de media beslist en de media hebben het beslist omdat ze dwars door alle peilingen heen geen idee meer hebben waar ze nog peil op kunnen trekken. Middenland is de oplossing voor een mediaprobleem.

Bladel is de hoofdstad van middenland. Zouden de media dat al weten?

17 februari 2017

=0=


Interpretatiemening

Die opvatting, zei Kees van der Staay gisteravond bij Jinek, is niet meer dan een mening over een interpretatie van de grondwet. Om in de geest van Kees te spreken, het klonk me als de aankondiging van het einde der tijden in de oren. Een mening, een interpretatie, de grondwet. Zelfs bij de SGP is alles vloeibaar geworden, is niets nog in marmer gebeiteld, is alles een mening geworden die voor bijna iedereen vrij is, is elke mening geen overtuiging maar een interpretatie en viert de SGP Valentijnsdag (ik geef toe, mijn geschoktheid daarover evenaart die over de interpretatiemening).

Dat de katholieken ruim baan geven aan Valentijn, het hoort bij een kerk die aan elkaar hangt van christelijke bewerkingen van heidense mythen en sagen, maar dat de gereformeerden het nu ook doen kan alleen maar betekenen dat hun gretigheid de moslims de pas af te snijden vele malen groter is geworden dan hun trouw aan hun anti-paapse geschiedenis en, ik gebruik het woord maar eens, hun anti-paapse identiteit. En inderdaad, als je als gereformeerde zo opportunistisch te werk gaat is elke exegese van elke grondwet ook maar een interpretatie en elke interpretatie ook maar een mening, die voor bijna iedereen vrij is (bijna: voor iedereen, onder aftrek van de moslims).

‘Het gaat er niet om waar je vandaan komt, maar de wederkerigheid van vrijheid dien je te respecteren’. Dat zegt Gert Jan Segers van de CU, vandaag in de Volkskrant. De CU is de enige partij (van dertien onderzochte partijen) die volgens de Nederlandse Orde van Advocaten de rechtsstaat ten volle respecteert. Alle andere partijen nemen het zo nauw niet met de rechtsstatelijkheid (inclusief de SGP waar ze ongetwijfeld denken dat kennis van de rechtsstaat hetzelfde is als rechtsstatelijkheid) of schieten de rechtsstaat aan gort (zoals PVV en VNL). Wederkerigheid van vrijheid: welke alternatieve feiten, welke meningen, welke intepretaties, welke falsificaties moet Van der Staay nu weer verzinnen om in de theorie helemaal van de wederkerigheid te zijn en in de praktijk de wederkerigheid met voeten te blijven treden?

VVD, CDA, SGP, PVV en VNL gaan over de randen van de rechtsstaat; in het geval van PVV en VNL gaan ze er ver overheen. Bij elkaar vertegenwoordigen ze een rechts blok dat naar alle waarschijnlijkheid een numerieke meerderheid haalt bij de komende verkiezingen. Laten we aannemen dat het CDA niet nog een keer met de PVV begint. Laten we aannemen dat de plek van het CDA, om de meerderheid te behouden, wordt ingenomen door 50Plus.

Het worden, naar mijn interpretatiemening, spannende verkiezingen.

15 februari 2017

=0=

 

 

Toonvoorbeeld

Het dienstdoende radiomeisje bedacht voor ons, rond een uur of elf vanochtend op radio 1, het woord ‘toonvoorbeeld’. Die houden we erin.

Een toonvoorbeeld van hoe het niet moet is het gejeremieer over de zzp-er die door de ‘wet’ z’n opdrachten zou kwijtraken. Blijkbaar hebben we een wet (de wet DBA: Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) die het opdrachtgevers verbiedt zzp-ers in te huren. Die wet hebben we niet, we hebben een wet die voor het eerst sinds jaren van opdrachtgevers vraagt geen misbruik van hun machtspositie te maken.

In de wereld van de arbeidsrelatie wordt misbruik bemoeilijkt door het arbeidsrecht, in de wereld van de opdrachtrelatie was het enige recht het recht van de sterkste en nu we een wet hebben die de opdrachtgever eraan herinnert dat de overheid ook daar grenzen aan wil stellen, is de wereld te klein. De opdrachtgever protesteert, legt de zzp-er de duimschroeven aan door geen opdrachten meer uit te delen, verwacht dat de zzp-ers wel gaan piepen, de zzp-ers piepen ook, de staatssecretaris en de minister slaan niet terug door de opdrachtgever de wacht aan te zeggen maar schrikken terug en proberen heel laf tijd te kopen door met de opdrachtgevers mee te liften: we gaan het arbeidsrecht door de mangel halen. Daar was het de opdrachtgever ook om te doen. Het arbeidsrecht moet op de schop, of beter, de bescherming die het arbeidsrecht biedt moet op de schop.

Driekwart van alle zzp-ers hebben geen product maar alleen zichzelf in de aanbieding. Van dat driekwart werkt weer ruim tweederde op basis van een ‘inspanningsverplichting’ (als onderscheiden van een ‘resultaatverplichting’. Bron: KvK, februari 2017: Zzp-ers en hun opdrachten). Kortom, zzp-ers werken in meerderheid net zoals de werknemers met hun eigen arbeidsvermogen aan een product (een ‘resultaat’) waar ze niet op worden afgerekend: ze worden net als werknemers afgerekend op hun ‘inspanning’. Dan moet je van goeden huize komen om aan te tonen dat je als zzp-er niet onder het gezag van de opdrachtgever valt en een beetje verstandige opdrachtgever weet ook dat als je eenmaal een goeie zzp-er hebt die goed past in het geheel van bedrijfsvoering en bijbehorende arbeidsverdeling het niet prettig is als die zzp-er vandaag zelf komt, morgen een vervanger zendt en overmorgen weer een andere vervanger. Wat daarover op papier is afgesproken is in dit verband minder belangrijk dan de feitelijke aanwezigheid/afwezigheid van de zzp-er.

Het ligt voor de hand dat de belastingdienst in alle gevallen van ‘inspanningsverplichting’ en een feitelijke ‘aanwezigheidsplicht’ voor de zzp-er niet het ‘ondernemerschap’ maar de ‘arbeidsrelatie’ als default-optie moet hanteren. De opdrachtgevers hebben dat best door en hebben daarom een stop op de inhuur van zzp-ers gezet. Ze zijn er lang mee weggekomen en nu komen ze er alleen nog meer weg door de wet in hun voordeel aan te passen. Dat duurt nog even maar het aantal parlementariërs dat een handje wil helpen is aanzienlijk. Nu maar hopen op een nieuw kabinet dat net als VNO-NCW vindt dat niet de correctheid van de wet maar de moderniteit ervan de doorslag moet geven. Wat staat er in de wet? Dondert niet, de wet is te oud! Is de wet niet toepasbaar? Welnee, de wet is uitstekend toepasbaar maar ons bevalt de toepassing niet en bovendien, de wet is te oud!

De heibel die wordt getrapt over de ‘onwerkbare’ arbeidswet produceert rare en overbodige ketelmuziek. En het gaat ook helemaal niet direct om de arbeidswet, het gaat over de doorwerking van de arbeidswet in de sociale zekerheid. Een echte markt biedt geen zekerheid, dus wat zullen we nou hebben?

Zekerheden bieden valse verwachtingen, het zijn illusies en kostbare illusies ook nog. Het is per slot óók een ordinaire centenkwestie en we weten dat als het om de centen gaat de echte straatvechters bij VNO-NCW te vinden zijn, dezelfde werkgeversclub die ondernemers, werkgevers en opdrachtgevers bedient en die de arbeidswet ‘verouderd’ en ‘uit de tijd’ vindt. Het gros van de zzp-ers is eigenlijk werknemer?

Nee meneer, dat zit precies omgekeerd. Het gros der werknemers is eigenlijk zzp-er. Ze weten het niet, maar geef ons de kans het arbeidsrecht te herschrijven en ze zullen er snel genoeg achterkomen dat ze eigenlijk altijd al zzp-er waren, dat ze het toonvoorbeeld van de zzp-er waren, en dat ze alleen door die malle sociale zekerheid enige tijd in slaap zijn gesust. Wordt wakker!

14 februari 2017

=0=

 

 

Gouden bergen

Een paar dagen geleden hoorde ik, ik weet niet meer of het radio of tv was, dat de levensverwachting die de pensioenfondsen hanteren hoger is dan die van het CBS. Volgens het CBS gaan we drie jaar eerder dood dan volgens de actuariële rekenaars van de pensioenfondsen.

Als het CBS gelijk heeft steken de fondsen mooi drie jaar pensioen in hun zak, als de fondsen gelijk hebben is het CBS een onverantwoordelijke raadgever. Wat ervan aan is weet ik niet, ik heb niet verder geluisterd/gekeken. Ik geloof het zo langzamerhand wel, ik geloof zo langzamerhand wel dat als garanties niet meer gegeven kunnen worden, niets meer gegarandeerd is, tot en met de accuratesse van eerbiedwaardige instituties als het CBS en het pensioenfonds aan toe. Wat is de kwaliteit van de voorspelling van de jaren die je nog resten, al dan niet in goede gezondheid? Tja, dat hangt er vanaf, en hoe meer we weten, des te meer het er vanaf hangt. We kunnen wel een voorspelling doen, maar u weet, aan garanties doen we niet meer.

Een voorspelling is nooit beter dan de veronderstellingen of ‘aannames’ toelaten en over de veronderstellingen (in dit geval: over ziekmakende respectievelijk gezondheidsbevorderende factoren en maatregelen) kun je beter een boom opzetten dan dat je er een verantwoorde voorspelling op los kunt laten. Dat weten we en daarom zou een goede voorlichting erin moeten bestaan om het betrekkelijke en onvermijdelijk altijd enigszins willekeurige van elk algoritme te onderstrepen – en niet het aantal voorspellingen te laten exploderen omdat het zo gemakkelijk is geworden om uit elk vermoeden dat je hebt een profiel te toveren en van elk profiel een voorspelling te maken wanneer de drager ervan uit de band gaat springen, een alcoholverslaving zal opdoen, openstaat voor terrorisme of, waarom ook niet, zal overlijden. We weten het en we handelen er niet naar. We handelen anders omdat we de data hebben, steeds meer data, big data, data die dorsten naar ‘analyse’, data wier aanbod vanzelf wel een vraag ernaar schept, data die een wetenschap nodig hebben om het nog bij te benen.

Den Bosch, in een samenwerkingsverband van de universiteiten van Eindhoven en Tilburg, had de primeur maar ook Amsterdam gaat (deze lente) beginnen met een School of Data Science – ik heb in de aankondigingen wel iets over zoekmachines (in de ‘focus areas’) gezien maar niets over de beperkingen van het uitbundige gebruik van profielen of over de gevolgen van zelfs maar een minuscule wijziging in de prioriteiten die in een algoritme beslag krijgen.

Nassim Nicholas Taleb heeft er uitgebreid over bericht, inclusief over de reacties van de ‘modelbouwers’, de mensen die soms heel duidelijke, soms buitengewoon onnavolgbare beslissingen nemen die wij alleen tegenkomen in de uitkomsten van hun algoritmes. Zet daar een vraagteken bij en je kunt heel wat verwachten. In volgorde van opkomst: dat weten we allemaal al; niets is volmaakt; de aannames zijn redelijk; de aannames doen er niet toe; de aannames zijn conservatief; u kunt niet bewijzen dat de aannames onjuist zijn; we doen slechts wat anderen ook doen; de beslisser is beter af met ons dan zonder ons; de modellen zijn niet totaal nutteloos; je moet het maximale uit de data halen; je moet aannames formuleren om vooruit te komen; je moet de modellen het voordeel van de twijfel geven; modellen kunnen geen kwaad’ (bron: Nassim Nicholas Taleb, Over robuustheid. Amsterdam, Uitgeverij Nieuwezijds 2010: 94).

Het is alsof ik Jeroen Dijsselbloem hoor over de voordelen van het laten doorrekenen van verkiezingsprogramma’s door het CPB. Gouden bergen kun je beloven, die de dag na de verkiezingen waardeloos zijn geworden, omdat de wereld van na de verkiezingen een andere is dan die van voor de verkiezingen en het model daar uiteraard vooraf geen rekening mee had kunnen houden.

Desondanks, Dijsselbloem gelooft er in en hij gispt de partijen die dat niet doen. Die, zegt hij, durven de confrontatie met de ‘harde werkelijkheid’ niet aan. Dat is, in een notendop, de malligheid van de modellenfetisjist: het geloof dat het model de wereld is.

13 februari 2017

=0=

 

 


Wiens taal men eet, diens woord men spreekt

Men vergeve mij de vrijpostigheid brood door taal te vervangen. Te mijner verdediging wil ik naar voren brengen dat het brood ons lijf in stand houdt, maar dat de taal onze gemeenschap in stand houdt en daar is ook wat voor te zeggen.

Ook het brood, overigens, is een uitspraak over de gemeenschap, maar dan een gemeenschap die we niet meer willen. Toch, het brood hield ons lijf in stand en het hield onze afhankelijkheid in stand. We waren onderdanig en onderdaan.

Tegenwoordig (ik citeer een moderne neoliberale leugen) zijn we onafhankelijk, we verdienen ons eigen brood en menen daarom, met een beroep op onze vrijheid van meningsuiting, onze eigen woorden te kiezen binnen onze eigen taal. We zijn noch onderdanig, noch onderdaan, we zijn autonome vrije burgers.

Verabsoluteer die vrijheid en je hoeft alleen nog je eigen woorden te spreken in je eigen taal. Waar haal je die taal vandaan? Uit verhalen, uit gesprekken met mensen die jou verstaan en die jij verstaat, gesprekken die het resultaat zijn van een gedeeld verleden, een gedeeld heden en wensen over een gedeelde toekomst, gesprekken met en verhalen van gelijkgestemden. Dat was nooit zo, ook dit is een leugen, maar je hebt de vrijheid van de onafhankelijkheid en die houdt in dat je de vraag of het al dan niet ooit zo was of nooit zo was kunt beantwoorden met de vaststelling dat jouw mening niet minder is dan elke andere mening, in het bijzonder niet minder dan de mening van de zichzelf noemende deskundigen. Met hen heb je niets te maken en überhaupt heb je met anderen niets te maken, je hoeft je van hen niets aan te trekken.

Als ik zeg dat het zo was, al was het maar omdat ik het zo beleef, omdat ik het zo heb ervaren, dan is het zo. Als ik zeg dat we vroeger wel een gemeenschap hadden, iets dat we allemaal deelden en iets dat er voor zorgde dat we meer zaken hadden die we deelden dan zaken hadden die ons verdeelden, dan is dat zo. Het is niet zo maar als ik vind dat het wel zo is dan heb ik daar recht op en knappe jongen die me tegenhoudt gebruik te maken van mijn recht om het te zeggen ook en gebruik te maken van mijn recht om ieder ander die er anders tegenaan kijkt een belediging/verwensing/banvloek naar het hoofd te slingeren.

Het resultaat is dat het gesprek dat gemeenschap heet (het geheel dat de jouwen én de anderen omvat) onmogelijk wordt. De anderen spreken jouw taal niet, jij vindt dat zij jouw taal maar moeten leren spreken en dat jij je van de hunne niets hoeft te weten. Elke gespreksdeelnemer denkt, eenmaal in gesprek met de ander en als het überhaupt nog tot een gesprek komt, dat een gesprek alleen nog zin heeft als hij het elk moment kan afbreken – en dat is een vergissing, de zin van een gesprek is de voortzetting ervan.

In plaats van een samenleving te zijn worden we afgescheept met parallelle samenlevingen, die elkaar ten diepste wantrouwen en steeds meer bereid te zijn elkaar te verketteren en de tent uit te vechten. U doet daar niet aan mee, zegt u? U houdt uzelf voor de gek en erger nog, u houdt mij voor de gek en daarmee bevestigt u perfect het wantrouwen dat ik jegens u koester. U spreekt mijn taal niet, ik spreek de uwe niet en als u niet bereid bent water bij de wijn te doen, en met mij de dingen te benoemen zoals ik zeg dat ze zijn, dan ben ik niet langer gediend van uw gezelschap. Tja, denk ik dan, kom daar nog maar eens uit.

Ik schrijf dit naar aanleiding van het kleine essay van Bas Heijne (Staat van Nederland Amsterdam, Prometheus 2017), die er ook niet uitkomt. Nu ja, hij heeft ‘optimisme’ in de aanbieding (optimisme is, in een vrije omschrijving die ik ontleen aan Heijne o.c.: 65, dat ook als het er beroerd uitziet je de hoop niet moet laten varen), net als destijds Johan Huizinga, de voornaamste bron van inspiratie voor Heijne’s essay. De vraag is niet, schrijft Heijne, wie we zijn, de vraag is wie we willen zijn (Heijne, o.c.: 47). Volgens hem is die vraag de vraag die onder al het hedendaagse ge-emmer begraven ligt en die weer opgegraven moet worden. Ik vind het geen sterk bod en ik vraag me af wie bereid is hiervoor van de barricaden af te komen. De inzet is ook hoger dan de vraag die Heijne stelt. De inzet is geen vraag, de inzet is een oproep, door Heijne (o.c.: 45) als volgt verwoord: ‘Het is tijd voor een nieuwe taal. Pas als die taal weer echt wil communiceren, in plaats van enkel ‘zenden’, is publiek debat weer mogelijk’.

Ik zou willen voorstellen om twee keer het woordje ‘weer’ in bovenstaand citaat te schrappen want dat zet ons op het verkeerde been, het been van een verleden dat er ooit geweest zou zijn en dat, als het er al was, van de pap alleen de krenten nog wil kennen. Zoals Heijne (o.c.: 72) in een interview zegt (dat als bijlage bij het essay is afgedrukt): ‘[a]ls je aan een kind vraagt: teken een huis, dan krijg je een huis met een puntdak, hoewel huizen allang niet meer zo worden gebouwd. Zo kijken we ook naar de samenleving’.

Een mooi thema voor een publiek debat?

Il faut être absolument optimiste

9 februari 2017


Taalgestuurd

Taalsturing is een ander woord voor framing. Noem iets vraaggestuurd en je denkt dat jij, als vrager, aan het stuur zit. Dat valt tegen. De zorg is, met dank aan de marktwerking, vraaggestuurd en dan stuurt de verzekeraar en niet jij. Dat zou te denken moeten geven.

Vraagsturing tast de positie van het aanbod aan en dat dan ten gunste van een ander aanbod, in ons voorbeeld het aanbod van verzekeringen op kosten van het aanbod van de dokter, het ziekenhuis, de verpleging. De gedachte is dat de verzekeraar de andere aanbieders bij de les houdt. Uit zichzelf zullen die het niet doen. Het volgende probleem is wie dan de verzekeraars bij de les houdt. Dat raadsel is nog niet opgelost.

Met vraagsturing sturen wij de vraag niet maar wij worden, omgekeerd, door de vraag gestuurd, door een vraag die geen vraag is, die alleen een vraag is door de onbeschaamde veronderstelling (die er door het ministerie in is gepompt) dat de verzekeraar namens ons, de vragers, opereert en daarom de vrager is waar wij om gevraagd zouden hebben. De blijkens een recente enquête geuite wens van heel veel kiezers om nu eens op te houden met die poppenkast van marktwerking en vraagsturing is misschien minder een wens naar een hernieuwd publiek bestel, dan een afwijzing van de leugenachtige newspeak die in het zorgveld domineert.

We komen er langzamerhand achter dat wat als markt wordt aangeprezen een speelveld is voor aanbieders van zorg aan de ene, en aanbieders van verzekeringen aan de andere kant – en dat het kabinet heeft bedacht dat hen het verzekeringsaanbod wel smaakte en dat dat aanbod dan voortaan als vraag mocht optreden want zeg nou zelf, zonder vraag en met alleen maar aanbod heb je wel degelijk een markt maar niet helemaal de markt die de kiezer verwacht, niet helemaal de markt die je in een verkiezingsprogramma van harte kunt aanbevelen.

Nu, vervang vraag door vraagsturing en je hebt een markt die dan wel geen markt is maar die in ieder geval niet lijdt onder ‘aanbodsturing’ want dat is zo erg, dat is zo erg dat het te erg voor woorden is. Aanbodsturing is de sturing die door de dokter en de patiënt gezamenlijk is bedacht en dat is natuurlijk veel te duur. Vraagsturing is beter en daarom is de vraag, die heel gewoon een vraag naar goede zorg is, veranderd in een vraag naar het meest aantrekkelijke verzekeringsaanbod en dat heeft met goede zorg even veel te maken als de dekkingsgraad van de pensioenfondsen met de kwaliteit van hun beleggingen en de kijkcijfers met de kwaliteit van het tv-programma.

Vraagsturing is taalsturing is framing. En wij ons maar afvragen welk nieuwtje je kunt vertrouwen want nieuwtjes, zo gaat dat nu eenmaal, blijven slechts plakken als ze van een aantrekkelijk frame zijn voorzien en een aantrekkelijk frame komt niet zomaar uit de lucht vallen. Jammer is alleen dat frames niet op juistheid worden getest maar op, inderdaad, hun plakkerigheid. Wat trekt de aandacht, dat is de enige vraag die telt.

En, ook, de vraag hoe je er weer van afkomt als de mensen het niet meer aardig vinden, als het plakken overgaat in jeuk. Moet er dan iets veranderen? Welzeker, dan moet er iets veranderen. Bijvoorbeeld door vraagsturing te vervangen door maatwerk. Wie wil er nou geen maatwerk? Maatwerk is een beter frame dan dat logge woord van de vraagsturing. Je kunt er zo een enquête op loslaten: vindt u niet dat de tijd gekomen is de vraagsturing in te wisselen voor waar het al die tijd eigenlijk om ging, voor het maatwerk? De antwoorden kun je differentiëren naar leeftijd, opleidingsniveau, stad of land, herkomst van de ouders, inkomensniveau en voor je het weet heb je een prachtig speelterrein ontwikkeld voor even veel soorten maatwerk als er categorieën beschikbaar zijn. De VVD, lees ik vandaag in dagblad Trouw, wil niet meer praten over marktwerking in de zorg. Het is een ‘ondankbaar frame’, zo laat de partij weten.

Ik las gisteren in de krant (Trouw) dat de herkomst van de ouders weer mee moet gaan tellen bij de beslissing of en hoeveel extra geld scholen krijgen voor achterstandsleerlingen. Tot dusver was je automatisch achterstandsleerling als je ouders niet meer dan basisschool en twee jaartjes mavo hadden gehad (of nog minder) maar nu blijkt dat bijvoorbeeld kindertjes van hoogopgeleide Oost-Europese en Syrische ouders ook, volkomen onverwacht en tegen alle predestinatie in, taalachterstanden hebben. Reteslim die kinderen van die slimme ouders en toch spreken ze geen of slechts gebrekkig Nederlands.

Het CBS (!) ontwikkelt zelfs een nieuw model waarin behalve herkomst ook zoiets als schuldsanering, verblijfsduur in Nederland en het gemiddelde opleidingsniveau ‘van de moeders van klasgenootjes’ zijn verwerkt. Aan alles wordt gedacht, tot er weer aan wat anders moet worden gedacht, want denken zal flexibel zijn of het zal niet zijn. Nou, dat wordt maatwerk, jongens en meisjes en het mooie is ook nog, zo heeft het ministerie laten weten, dat het zo gemakkelijk is: ‘de criteria zijn allemaal uit overheidsdatabanken te halen, en scholen hoeven het papierwerk voor de aanvraag niet meer te doen’.

Wat je als ouder te doen staat als je zelf superhoog bent opgeleid, helemaal in Nederland bent geboren en getogen, en je kind zo stom als het achtereind van een varken is, dat staat er weer niet bij. En dat is ook begrijpelijk want de budgetteringsregel dat de opleiding van de ouder bepaalt hoe snugger het kind wordt aangeslagen is van een idiotie die alleen bedacht kan zijn door een verveelde ambtenaar die toch ook eens met wat nieuws wou komen. Hoe gaat dat, je leest nog eens in Michael Young’s essay over de meritocratie, je veert op bij de passages over het erfelijk worden ervan, besluit dat het opleidingsniveau van de ouder daar een goede proxy voor is – en voilà, de budgetteringsregel is gereed. Later komen er dan weer andere ambtenaren die uitvinden dat Young het niet helemaal en eigenlijk helmaal niet zo cru had bedoeld en we keren terug naar onze oude hobby van het opsporen van steeds nieuwe subcategorieën en sub-subcategorieën zodat er een mooi model op geënt kan worden.

Alles om te voorkomen dat we het probleem (achterstand aan het begin van een schoollopbaan) zouden benoemen. Daar willen we het helemaal niet over hebben. Er zijn geen problemen, er zijn slechts probleemgevallen en die brengen we in kaart, alstublieft dankuwel. Een probleem stuurt niet, een probleemgeval des te meer en daar gaat het om.

PO-Raad, VO-Raad en VNG vinden het allemaal prachtig – op voorwaarde dat er geld bij komt natuurlijk. Dat het allemaal in het belang van de leerlingetjes is neem ik onmiddellijk aan en ook dat de mensen die over dat belang overheidsbeslissingen nemen geen flauw idee hebben wat dat belang is. Het is gewoon maatwerk, dat is het. Het belang van het kind als maatwerk – weer een geslaagd voorbeeld van geslaagde taalvraagsturing.

8 februari 2017

=0=

 


Reclame-inkomsten

In het FD van vandaag een klein berichtje over een nieuwe WRR-verkenning. De verkenning gaat over flexibiliteit en zekerheid van werkenden en de samenstellers ervan hebben een divers gezelschap onderzoekers uitgenodigd hun gedachten op papier te zetten. Juist vanwege de diversiteit zijn verkenningen soms aardiger dan de rapporten aan de regering van de WRR. De rapporten gaan in naam van de WRR over tafel, de verkenningen in naam van de deelnemende auteurs en dus niet van de WRR zelf. In het FD wordt de verkenning een rapport genoemd, wordt over de verkenning gesproken als was het de mening van de WRR en wordt geconcludeerd dat de WRR vindt dat flex wel wat minder flex mag. Dat zijn drie opvallende fouten in een berichtje van welgeteld acht zinnen plus een kop over wat de WRR wel vindt.

Ook kleine artikeltjes moeten gelezen worden, denkt het FD, en hoe vaker een artikel is gelezen, des te beter dat is voor de reputatie van de krant en des te aantrekkelijker (elke krant heeft tegenwoordig een rubriekje ‘meest gelezen’) de krant dan voor adverteerders wordt. Waar het voor kranten om draait is niet of het klopt wat ze schrijven maar of het genoeg de aandacht trekt en of ze ermee wegkomen. Tegen deze achtergrond is het al minder raar dat het FD in een berichtje van niks zo ongeveer elk denkbare fout maakt. Ik hoorde in het radionieuws van 10 uur vanochtend overigens precies dezelfde fouten gemaakt worden – hetgeen weer eens bevestigt dat media geen media zijn maar echo’s. En echo’s selecteren niet op juistheid, echo’s selecteren op hoorbaarheid.

Een hoorbare leugen is beter dan een bedeesde waarheid. Hoeveel beter? Dat lezen we af aan de reclame-inkomsten, de inkomsten die in tv-land altijd enigszins indirect en omfloerst worden aangeduid als ‘kijkcijfers’. Zoals de pensioenwereld wordt geregeerd door dat ene kengetal van de ‘dekkingsgraad’ (een kengetal waar de pensioenfondsen zelf weinig greep op hebben) wordt de tv-wereld geregeeerd door dat ene kengetal van het ‘kijkcijfer’ (een getal waar de programmakers zelf weinig greep op hebben). Pensioenfondsen proberen verstandig te beleggen, programmamakers proberen verstandige programma’s te maken. Wat is het effect van verstandige beleggingen op de dekkingsgraad? Eigenlijk heel weinig, meneer. Wat is het effect van verstandige programma’s op het kijkcijfer? Eigenlijk heel weinig, meneer en net als in het vorige geval is het effect onder omstandigheden (en daar kunt u weinig aan veranderen, meneer) ook nog eens averechts.

Wat denkt u, wordt het nog wat met die publieke omroep van u?

7 februari 2017

=0=

 


Nut en noodzaak

Over het waarom van de komst van de verzorgingsstaat wordt verschillend gedacht. Een traditioneel functionele analyse legt de nadruk op de onderhoudskosten van een moderne economie – de verzorgingsstaat zou er de uitwerking van zijn. De meer conflicttheoretische benadering verlegt het gewicht naar de arbeidersbeweging – de verzorgingsstaat is de sociaal-economische erkenning én de sociaal-politieke en ideologische acceptatie van de ‘factor arbeid’. De historisch-sociologische benadering beziet ‘verzorgingsarrangementen’ als enerzijds een oplossing voor de externe effecten van de economische ontwikkeling en anderzijds als een uitwerking van steeds complexere maatschappelijke figuraties. De meer moderne functionele analyse, ten slotte, vraagt niet in eerste instantie naar de functie van de verzorgingsstaat maar naar de functionele equivalenten voor bestaande regelingen met betrekking tot onderhoudskosten, erkenning en acceptatie.

Ik heb de indruk dat over nut en noodzaak van een basisinkomen op vergelijkbare manieren wordt nagedacht. Je kunt zeggen dat een basisinkomen weinig anders is dan de erkenning van de onderhoudskosten van de geldeconomie waarin alles buiten die economie een beetje verdacht is en je geen zekerheid biedt dat wat je vandaag bij elkaar sprokkelt morgen weer zal gebeuren. Geld moet rollen, is de gedachte, en het moet een beetje voorspelbaar rollen om het vertakte en gecompliceerde netwerk van betalingen dat onze economie is in stand te houden, en dan scheelt het als iedereen over althans enig geld beschikt om dat te laten rollen en het scheelt als dat geld ook inderdaad wordt uitgegeven en niet wordt opgepot.

De bescheiden hoogte van het basisinkomen in de verschillende voorstellen die de ronde doen zal er voor zorgen dat het inkomen van alle mensen die het met dat basisinkomen moeten doen inderdaad zal worden besteed – en het zal voor hen een uitnodiging zijn om zich in te zetten voor alle zaken die voor hen echt van belang zijn, welke dat ook zijn.

Bovendien, het basisinkomen maakt ook de informele economie minder nodig, en minder verleidelijk. In een meer progressieve variant van het basisinkomen zou de hoogte ervan de keuzemogelijkheden van de burgers moeten vergroten (doet het dat niet dan kunnen we het net zo goed laten): het zorgt ervoor dat niemand slecht werk hoeft te accepteren, het vergemakkelijkt het bestaan als zzp-er, het vergemakkelijk combinaties van eigen tijd en werktijd, van scholen en werken, van zorgen en werken, van het nu nog niet kiezen voor een bepaalde combinatie. Hier plaats ik ook het onderscheid tussen linkse en rechtse varianten van het basisinkomen: voor rechts is het een kans de verzorgingsstaat te ontmantelen, voor links is het een kans ‘echte vrijheid voor iedereen’ (Philippe van Parijs) te realiseren. Het basisinkomen zorgt ook, na enkele decennia van kaalslag van de verzorgingsstaat, voor de wederopkomst van het ‘sociaal burgerschap’, het type burgerschap dat door de reductie van burgerschap tot arbeidsparticipatie vrijwel is vernietigd en dat door het basisinkomen misschien wel aan een tweede leven kan beginnen.

De verzorgingsstaat verbond arbeid en arbeidsmarkt (de productie van een brave, gezonde en competente beroepsbevolking) met sociale zekerheid. Onze AOW week van dit beeld af, tot enkele jaren geleden ook de AOW-leeftijd van een demografische eenheid (‘u krijgt uw AOW vanaf uw 65ste levensjaar’) werd omgetoverd in een arbeidseenheid (‘u krijgt uw AOW vanaf uw 67ste levensjaar, tenzij u eerder met werken bent gestopt, dan krijgt u minder’), merkwaardig genoeg met demografische argumenten (‘we worden allemaal steeds ouder’) in plaats van arbeidsargumenten (‘wie veertig jaar heeft gewerkt heeft genoeg gewerkt, wie in een beroep werkzaam is met gezondheidsgevaren mag eerder stoppen’). De baisisregel van de AOW lijkt wel dat de ongelijkheden in de samenleving gehandhaafd moeten worden en zeker niet verzacht.

De AOW was een soort basisinkomen voor ouderen. Het was het nooit helemaal omdat de uitkering niet geïndividualiseerd was en omdat de financiering (door premieheffing op de werkenden) en de uitkeringen (aan iedereen van 65 jaar en ouder en onafhankelijk van de vraag of de ontvanger ooit gewerkt had) uiteenliepen. De AOW was echtpaargericht en hield uitdrukkelijk rekening met de geschiedenis, de praktijk en de gevolgen van de kostwinnereconomie. Kostwinners zijn er nog steeds, zij het steeds minder en dat heeft gevolgen voor de AOW, want ook daar is het kostwinnneridee zo ongeveer afgeschaft en opgevolgd door een arbeidscriterium. De AOW is met het nieuwe arbeidscriterium de oude niet meer. Het aanlengen van een demografisch omschreven trekkingsrecht in het kader van een kostwinnerseconomie met een aan arbeid ontleend trekkingsrecht in het kader van een geïndividualiseerde economie is minder een verbetering dan een complicering.

Ook de andere regelingen met betrekking tot arbeid in de verzorgingsstaat hebben de collectiviteit laten verwateren; ze bevinden zich in een ongemakkelijke en weinig stabiele spagaat tussen een individualiserende en segmenterende bedrijvenmarkt (verzekeringen en voorzieningen) en een uniformerende en disciplinerende arbeidsstaat (voor alles waar de markt in faalt of gewoonweg geen brood in ziet). Op dat vlak zien we eveneens een groeiende complicering van regelingen (bijvoorbeeld doordat wat op publiek en collectief niveau wordt bedacht ook privaat kan worden uitgevoerd, zij het dat er dan voor verschillende categorieën verschillende regimes gelden met verschillende kosten en baten, en leidend tot cumulatieve, dan wel polariserende, dan wel afschrikwekkende en ontmoedigende effecten).

In plaats van belastingstelsel te ontwerpen met het oog op een serieus te nemen basisinkomen zien we een overheid ontstaan die met belastingmaatregelen een aanval op de AOW doet om de ‘arbeidsparticipatie’ te bevorderen – om daarna te klagen over de ‘onbetaalbare’ AOW en een uit de hand gelopen belastingdienst waar men in het woud van kerstballen de kerstboom niet meer weet te vinden. De AOW is op weg van een recht een voorziening te worden, zoals ook andere rechten van de verzorgingsstaat voorzieningen zijn geworden, onaangename kostenposten waarbij het garanderen van het recht in de schaduw komt te staan van het streven de kosten in de hand te houden. En om de ketelmuziek van dit duizelingwekkende labyrinth te begeleiden zien we een overheid die krampachtig elke poging te experimenteren met een basisinkomen in de kiem smoort – het basisinkomen is een valse noot in het orkest van de arbeidsrede en daar willen we niet van horen. Het zou eens mogen lukken.

Ik streef met deze opsomming geen volledigheid na. De opsomming is er om aannemelijk te maken dat de verzorgingsstaat met en door al z’n compliceringen de nodige irriterende effecten heeft opgeroepen die bij tal van mensen het verlangen oproepen naar, inderdaad, een basisinkomen. Met een basisinkomen vervalt de behoefte aan en de afhankelijkheid van een leger aan ambtenaren en beambten die erop toe moeten zien dat een eventuele uitkering terecht is en dat misbruik wordt bestraft, dat een uitkering vooral ook niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk is enzovoorts. Een basisinkomen als een vorm van sociale zekerheid die de verzorgingsstaat overbodig maakt. Heb je een hekel aan de verzorgingsstaat (rechts vanwege de geldverslindende en ineffectieve bureaucratie, links vanwege de knellende koppeling aan elk voorbijkomend baantje in plaats van een lossere koppeling met het oog op zinvolle arbeid), omarm dan het basisinkomen.

Het onderscheid tussen links en rechts zegt met dat al weinig over voor- en tegenstanders van het basisinkomen. Ook voorspellingen over de toekomst van de arbeid differentiëren amper tussen voor- en tegenstanders. Het onderscheid treedt pas naar voren bij het antwoord op de vraag welk inkomensniveau nodig is om de belofte van een vrije keuze (inclusief Bartleby’s keuze om ‘liever niet’ te zeggen, en inclusief Oblomov’s keuze het moment waarop hij zou moeten kiezen steeds opnieuw voor zich uit te schuiven) waar te maken. Leidt het baisinkomen tot meer innovativiteit, tot meer gemeenschapszin, tot meer vrijwilligerswerk? Dat moeten we maar afwachten. Het basisinkomen is geen alternatieve verzorgingsstaat, de staat die innovativiteit aan de markt uitbesteedt en de staat die gemeenschapszin en vrijwilligerwerk aan de uitkeringsafhankelijke opdringt.

Met een basisinkomen weet je niet wat zal gebeuren. Je moet het afwachten. Misschien dat de tegenstanders van het basisinkomen daar nog wel meer van schrikken dan van de vraag wie het gaat betalen. Stel je voor, je hebt een heel leger van nuttige mensen in het leven geroepen die andere mensen in het noodzakelijke gareel mogen schoppen en dan schaf je dat leger af?

De discussie over het basisinkomen is een discussie over vrijheid.

4 februari 2017

=0=


Generatie-frame

In een interessante bijdrage aan de Groene beschreef econoom David Hollanders vorige week de manier waarop pensioenen van een arbeidsvoorwaarde zijn getransformeerd in een financieel product. Zoals bekend worden voornamelijk banken en verzekeraars beter van financiële producten, de zogenaam de klanten of consumenten veel minder. Men zou verwachten dat de overheid daar attent op zou zijn. Het tegendeel is het geval.

Hollanders schrijft dat in plaats van de gevaren van financialisering te onderzoeken en waar nodig te bestrijden de overheid ervoor heeft gekozen het generatie-frame weer eens op te poetsen: ‘[o]uderen zouden tegenover jongeren staan, werkenden tegenover gepensioneerden en premieplichtigen tegenover uitkeringsgerechtigden. Dit frame wordt gefaciliteerd door het ministerie van Sociale Zaken en het CPB’. Hij voegt eraan toe: ‘[h]et generatie-frame versluiert een belangrijker proces dat al decennia gaande is: het pensioendomein is in handen gevallen van de financiële sector. Deze financialisering van het pensioendomein is het werkelijke probleem’.

Zoals bij vrijwel elk sociaal-economisch en economisch-financieel thema geldt ook hierbij dat de bedoelde transformatie een jaar of dertig geleden is ingezet. Dat is van belang omdat we vanaf die tijd constateren dat de langdurige arbeidsovereenkomst op de schopstoel is beland, en de vanzelfsprekende medewerking van de werkgever aan de effecten van die lange duur, waaronder op de allereerste plaats het pensioen, al evenzeer.

Dit zijn de gevolgen: ‘de bijstortverplichting voor werkgevers, waarmee tekorten werden aangevuld, is stilaan vervangen door de onzekerheid van financiële markten. En inmiddels worden uitkeringen en premies niet meer op de eerste plaats door de sociale partners bepaald, maar door de in één kengetal samengebalde informatie van financiële markten: de dekkingsgraad’. Met dat laatste wapen in de hand beschikt de overheid, met de DNB als uitvoerder, over een wapen om de pensioenuitkeringen te knevelen door er, bijvoorbeeld, een generatie-frame overheen te leggen.

Dat kenden we al, dat frame. Bij de discussie over ontslagbescherming en flexibilisering zagen we hetzelfde: hoe een nieuwe liefde van de werkgevers werd verdoezeld door er een probleem tussen jong en oud van te maken. Voor mij betekende dat het einde van de linkse politiek, anderen noemden het een derde weg. Ik noem het bedrog. En ik noem het roof, roof van zekerheden, een roof waarvoor je volgens het generatie-frame je jonge buurman of je oudere collega moet aanspreken, maar zeker niet de overheden, en de werkgevers al helemaal niet.

Intussen gaat de financialisering vrolijk verder. Financialisering komt volgens Hollanders neer op (lees zijn artikel en neem daarna je afstand van luie politici en van opportunistische politieke partijen die in het generatie-frame meer politieke winst zien dan in een kritische houding ten aanzien van de genoemde transformatie van arbeidsvoorwaarde in financieel product): een onduidelijke relatie tussen fonds en pensioenuitvoerdersorganisatie, een groeiende afhankelijkheid van beleggingen in aandelen en daarmee van belegginsgexperts die inmiddels – zonder aantoonbare hogere aandelenrendementen maar met wel aantoonbaar toenemende ‘volatiliteit’ en dus onzekerheid – 1/5de van de ingelegde premies naar zich toeharken, en een proces van toenemende uitbesteding met als gevolg steeds meer commerciële partijen in een collectieve voorziening, partijen die uiteraard elk iets van het pensioenresultaat af mogen romen en, alweer, met stijgende kosten tot resultaat.

In het generatie-frame vinden alle partijen zich, alsof ze voor de ‘jongeren’ dan wel de ‘ouderen’, voor de ‘huidige generatie’ dan wel de ‘toekomstige generatie’ moeten zijn. Ga zo door, denk ik dan, de financialisering doet hezelfde, dus waar zit het probleem?

2 februari 2017

=0=


Grimmige nonsens

Er is een specifiek Amerikaanse variant van het fundamentalisme, die ‘originalisme’ wordt genoemd. Originalisme houdt in dat je de Grondwet letterlijk moet nemen en dat houdt weer in dat je ofwel de intenties van de makers letterlijk moet nemen ofwel de betekenis van de grondwet zoals je die redelijkerwijs mag veronderstellen geldig te zijn geweest in de tijd van het opstellen en aannemen van de Grondwet. Het laatste is gebruikelijker dan het eerste. Voor beide invullingen van originalisme geldt dat ze in het bijzonder bij conservatieve rechters in de smaak vallen.

Het is overigens niet onmogelijk de Grondwet te wijzigen. Daarvoor moet een amendement aangenomen worden, met een procedure die wel wat lijkt op de onze met betrekking tot grondwetswijziging. Het is maar goed ook dat de mogelijkheid van amendementen bestaat, anders zouden de Amerikanen nu nog opgescheept zijn met een grondwetsbepaling die elke beperking op de import van slaven uitdrukkelijk verbood. Aan de andere kant roept het (bij mij, niet bij alle Amerikaanse rechters) de vraag op hoe je dan nog van ‘originalisme’ kunt spreken, tenzij, en dan ben je de grens overgestoken die van originalisme fundamentalisme maakt, je de grondwet zo begrijpt dat de verandering ervan al in de oorpsronkelijke versie is geïmpliceerd – om erop het juiste moment uitgehaald te worden en in een amendement te worden verwerkt. Inderdaad, het lijkt op predestinatie.

Het lijkt op heilige teksten die alles bevatten en niet alles direct prijsgeven. Wat zal gebeuren is al gebeurd, alleen nog niet opgetreden. Desondanks, als je de tekst goed leest op de tekens die erin zitten, tekens die voor velen aan het oog onttrokken zijn en zich alleen voor een select gezelschap van geoefenden kenbaar maken, dan kan aan de tekst niet worden getwijfeld maar weer wel aan de adequaatheid van de ontdekte tekens en ook die laatstgenoemde twijfel raakt niet aan de tekst inclusief tekens, die twijfel betreft slechts de feilbare tekstuitlegger. Een exegeet oefent een eerzame én een kwetsbare activiteit uit; een exegeet pendelt gedurig heen en weer tussen de lof der openbaring en de blaam van het verraad.

Een goede twintig jaar geleden maakte Alan Sokal gehakt van de gedachten (die hij ‘postmodern’ noemde) volgens welke de wetenschap een tekst was, een tekst onder teksten, een tekst vergelijkbaar met elke andere tekst, kortom: een tekst. Dat zijn gedachten die verrassend dichtbij de gedachte staan dat alles een tekst is en dat, indien alles een tekst is, alles ook in die tekst zit opgesloten, hooguit nog wachtend om eruit te mogen om dan, geopenbaard en wel, het gelijk van de tekst te bewijzen en tegelijk te illustreren.

Sokal had het met zijn postmodernisten nog slechts over ‘modieuze nonsens’, nu, gegeven het postfeitenstadium waarin we terecht zijn gekomen, lijkt de tijd aangebroken van ‘grimmige nonsens’.

De kans dat Trump vandaag of morgen een originalist voordraagt voor benoeming in het Hooggerechtshof is groot.

31 januari

=0=

 

 

Verdrongen

De verdrongen waarheid van de concurrentie is dat concurrentie verdringing is. Daarin verschilt concurrentie van competitie. In een competitie krijgt de verliezer de tijd om te herstellen: nieuwe ronde, nieuwe kansen. Het eindpunt van een competitie is een nieuwe competitie, het eindpunt van concurrentie is monopolie. Het is mogelijk om concurrentie en competitie te mengen. Je moet daar wel mee oppassen. Dat zien we in het voetbal en we zien ook dat naarmate het financiële gewin zwaarder weegt de concurrentie de competitie sterker beïnvloedt. Clubs kopen spelers, al was het maar omdat de andere clubs die spelers dan niet hebben. Het gaat niet om de competitie maar om de prijs aan het eind van die competitie en je kunt je kansen op de prijs vergroten door op de spelersmarkt je concurrenten buiten spel te zetten. Als het ware en zo.

Competitie heeft in de regel positieve externe effecten (sportiviteit, gezondheid, gezelligheid), concurrentie negatieve (onsportiviteit, doping, hooligans). Voetbal is steeds meer concurrentie en steeds minder competitie. De concurrentie verdringt de competitie, zoals slecht geld goed geld verdringt, zoals plofkippen andere kippen uit de schappen verdringen, zoals kinderarbeid arbeid van volwassenen verdringt, zoals nepcontracten serieuze contracten verdringen, zoals nepnieuws betrouwbaar nieuws verdringt, zoals manipulatie toetsbaarheid verdringt, zoals wetteloosheid de wet verdringt. Deze lijst is verlengbaar – de lijst is de afgelopen decennia steeds langer geworden en ik ben bang dat we nog niet bij het eindpunt zijn aangekomen.

In het product zie je de herkomst niet, dus of het een product van kinderarbeid is of dat er geen kind aan te pas is gekomen – aan het product zien we het niet. De producenten zullen pas fastoenlijke informatie over herkomst geven als het echt niet anders kan en wat dat betreft is elke extra schakel in de productieketen een kans erbij om verantwoordelijkheden onzichtbaar te maken. Wie iets wil weten moet kosten maken – kosten die door de producent worden vermeden, die als het lukt ook de consumenten deels worden bespaard en dus kosten waar derden maar achter moeten zien te komen en die, linksom of rechtsom, moeten worden opgehoest door de zwakste schakel in de keten, de arbeid. En nogmaals, ook bij arbeid geldt dat hoe groter het aantal schakels, des te meer kansen we zien op uitbuiting over de rug van de arbeid.

Dat arbeid een competitief spel kan zijn (wiens arbeid levert het mooiste, beste, duurzaamste enz. product?) is een waarheid die naar de achtergrond wordt gedrongen door van arbeid een concurrentiestrijd te maken, een strijd die niet op de kwaliteit van het resulterende product wordt beoordeeld maar op de laagste kosten voor de producent.

We hadden ooit een CAO om concurrentie op arbeidsvoorwaarden te beteugelen, maar daar is niet veel van over. Een effectieve CAO biedt de producent weinig andere mogelijkheden dan te sturen op kwaliteit, een ineffectieve of zelfs afwezige CAO biedt de producent mogelijkheden de kwaliteit te vervangen door reclameboodschappen die kwaliteit moeten suggereren en de klant moeten verleiden – en scherp op prijs te concurreren.

Op loonkosten dus, de kosten die met behulp van de CAO nu juist uit de gure wind van de concurrentie gehouden moesten worden. Ik geloof dat ondernemers het resultaat van de aanval op de CAO ‘flexibiliteit’ noemen, een newspeakwoord van fabelachtige en tegelijk verleidelijke leugenachtigheid. Ik geloof dat het woord vanaf zo ongeveer en ruwweg en om en nabij maar in elk geval nog van voor de val van de Muur die aan de wieg heeft gestaan van meer muren dan we ooit eerder hadden, vanaf 1984 dus, in zwang is gekomen. Dat kan geen toeval zijn.

Ik geloof dat zelfs D66 heeft bemerkt dat het met de flexibilisering van de arbeidsmarkt niet allemaal hosanna is geworden. Of ze daarmee op het boemeltje van PvdA, GL en SP springen is onduidelijk. D66 was erg voor flexibiliteit en toen flexibiliteit werd opgesierd met ‘zekerheid’ was D66 er nog meer voor.

Ze zijn er achter gekomen dat het met de zekerheid niet erg wil vlotten en na vele jaren zijn ze er ook achter gekomen dat dit wel eens aan de flexibiliteit kon liggen. Dat is een kleine revolutie voor D66. Tot dusver dacht D66 (met GL) dat het met de zekerheid niet lukte omdat sommigen te veel zekerheid hadden en anderen te weinig en, ze dachten het echt, dat dit tevens inhield dat sommigen te veel flexibiliteit moesten opbrengen en anderen te weinig. Nu zijn ze daar niet zo zeker meer van en dan, het moet gezegd en ere wie ere toekomt and all that, lijkt nu het moment gekomen – het moment van de verkiezingsgunsten, dat weer wel – om flink te zijn en te zeggen dat de werkenden al te vaak koekjes van eigen deeg hebben moeten slikken, al te vaak sigaren uit eigen doos hebben moeten roken en dat het nu tijd voor wat anders is. Over dat ‘wat anders’ blijft D66 vaag, maar dat geldt voor de andere partijen eveneens.

Geen partij durft uit te spreken dat de ondernemers veel meer hebben gepakt dan fatsoenlijk is – en dat de ondernemers moeten betalen. In plaats daarvan wordt gesproken over ‘lastenverlichting’, zodat meer ‘arbeid’ aan het werk kan. Zolang partijen geen afstand durven nemen van de klassieke ondernemers- en werkgeversnewspeak dat het hen niet om de centen maar altijd om de werkgelegenheid te doen is, zolang blijft de concurrentie winnen van de competitie.

Flexibiliteit als newspeak (en sinds ruim dertig jaar kennen we geen andere invulling van flexibiliteit dan die van de neoliberale newspeak) maakt van competitie concurrentie – op kosten van de competitie. En willen de politieke partijen de competitie terug dan zou ik een ferm, eenduidig en koppig standpunt verwachten over zzp-ers en niet alleen over de arbeidsmigranten die maar al te gemakkelijk misbruikt worden om stoer te doen over een progressief nationalisme (Klaver) of een progressief patriottisme (Asscher) en om een electoraal graantje mee te pikken van anti-gevoelens die onveranderlijk de meest kwetsbaren treffen. Heeft Bolkestein nu alles wat van kwaliteit getuigde in de wereld van de arbeid opgeofferd aan de wereld van de concurrentie waar elke kwaliteitsoverweging wordt verdrongen door financieel gewin of hebben de migranten dat gedaan? Ik lees het antwoord op deze vraag niet in de plannen van de genoemde partijen maar ik kan het antwoord wel raden, en daar word ik niet vrolijk van.

Wat hebben die partijen daarnaast over de zpp-er te melden? Nu, ik geloof dat de partijen vinden dat de zegeningen van de steeds armoediger wordende sociale zekerheden ook over de zpp-er uitgestrooid mogen worden, of de zpp-er dat nu leuk vindt of niet. Over het kwalitatieve verschil tussen werknemer en zzp-er hoor ik ze niet en dat verontrust me. De wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) bracht dat verschil onder de aandacht – daarom tekenden opdrachtgevers en werkgevers ook zoveel verzet aan, genoeg verzet om het huidige laffe kabinet er toe te brengen diezelfde wet in de ijskast op te bergen.

Wat is dat verschil? De wet DBA lokaliseerde het verschil in de aspecten van het gezag (de werknemer staat onder gezag van de werlgever, de zzp-er werkt op eigen gezag) en van de vervangbaarheid (de werknemer mag zichzelf niet laten vervangen, de zzp-er mag dat wel). Met beide bepalingen wordt tamelijk stelselmatig de hand gelicht en de wet DBA kondigde aan dat het daarmee afgelopen moest zijn. Dat pikten de opdrachtgevers en de werkgevers niet. Hun belang is allen, werknemers zowel als zzp-ers, in één concurrerende vijver te kieperen en als dat betekent dat het arbeidsrecht dan uit de weg moet worden geruimd, het zij zo.

De wet DBA is gebaseerd op de eenvoudige gedachte dat werknemers en zzp-ers niet in dezelfde competitie spelen, en dat we dus ten minste met twee vijvers te maken hebben. Ondernemers mogen in beide vijvers vissen, maar ze mogen de inhoud van beide vijvers niet bij elkaar gooien. Ze willen het wel en, ook daar word ik niet vrolijk van, de genoemde politieke partijen hebben het daar niet over, ze kiezen daar geen positie in – terwijl ze dat wel zouden moeten doen. Er wordt daar iets verdrongen. Wat?

29 januari 2017

=0=


Een betere zaak

Een minister moet de Kamer informeren. De Kamer is niet hetzelfde als een commissie en een minister mag het ook niet laten aankomen op een commissie om zijn informatieplicht te vervullen. Het is aan de minister, en niet aan de Kamer, om te bewijzen dat hij aan zijn plicht heeft voldaan. De minister dacht daar, kennelijk, anders over en dat wou de Kamer hem inpeperen. Zo ver kwam het niet. De minister, gesouffleerd door zijn eigen partij die eerder electoraal dan ‘waardig’ reageerde en hem met het oog op de aanstaande verkiezingen liever kwijt dan rijk was, de minister trad af.

Wij zijn nu verlost van een minister die van mening was dat zolang de Kamer niet had bewezen dat hij had gelogen, hij recht aan zijn informatieplicht had gedaan. De Kamer was het daar niet mee eens. Vervolgens toonde de minister zich zeer bedroefd en aangedaan en trad af omdat hij zich onterecht beschuldigd voelde en omdat hij voelde dat de Kamer hem al had veroordeeld nog voordat hij de kans had gehad de Kamer uit te leggen dat die hem fatsoenshalve alleen zou mogen wegzenden als de Kamer het bewijs had geleverd dat hij schuldig was geweest aan het desoriënteren van de Kamer. Wat een energie – het had een betere zaak verdiend, maar bij de VVD zijn ze al lang het zicht kwijt op wat een goede zaak is, laat staan op wat een betere zaak is.

De Kamer leverde dat bewijs niet – de minister ging zijnerzijds wijselijk niet in op de vraag wat ‘bewijs’ in dit verband moest betekenen – en tenzij de minister betrapt was toen hij dingen niet deed die hij wel had moeten doen, waarmee het onzichtbare zichtbaar zou zijn geworden, waarmee het niet-gedane toch gedaan zou zijn gebleken, en tenzij de minister zelf op een ander tijdstip kenbaar had gemaakt dat hij de dingen niet deed die hij niet deed en die hij achteraf heel graag wel had gedaan (een gedachtenspinsel dat de minister in de korte periode van zijn ministerschap al herhaaldelijk had gebruikt maar afgelopen week even niet), was dat bewijs ook niet leverbaar. Of beter, het was en is ‘wettig’ niet leverbaar, het is daarentegen wel degelijk ‘overtuigend’ geleverd, maar daar wil de minister niet aan, aan die overtuiging. En met hem willen ook de premier, de minister van Defensie en de VVD-Kamerfractie er niet aan. Ze zijn collectief en unisono van mening dat de minister niet echt de kans heeft gekregen de ‘aantijgingen’ aan het adres van de minister te weerleggen en ze vinden het ‘waardig’ dat de minister de ‘eer’ aan zichzelf heeft gehouden.

Daarmee geeft de VVD blijk van een denkstijl die, of het nu gaat om bonnetjes, om veranderde teksten, om het juiste adres om aan je informatieplicht te voldoen, er totaal op is ingericht dat je iets pas hoeft te erkennen als de ander in staat is het onweerlegbare bewijs te leveren dat jij iets hebt gedaan dat niet door de beugel kan. Noem me maar een leugenaar – die stijl. Dat is het recht en het voorrecht van de kiezer, de meeste politici zijn te bescheten om het aan te durven. Van die beschetenheid maakt de VVD uitgebreid en principieel misbruik. De VVD had op dit vlak een tijdje een achterstand op Wilders, maar de VVD loopt in, loopt snel in. Van der Steur is niet door de Kamer weggestuurd, Van der Steur is ook niet door Van der Steur weggestuurd, Van der Steur is door de VVD weggestuurd. Iedereen weet het en iedereen weet dat de VVD het ontkent. Nee, de VVD was het niet en als je wat anders vindt moet je het maar bewijzen.

De VVD heeft in de gehele bonnetjesaffaire zijn ziel en zaligheid verkocht aan de normalisering van ‘alternatieve feiten’. De VVD wordt er steeds beter in.

28 januari 2017

=0=

 

Plafond

Mij bereikte onlangs het bericht dat VVD Kamerlid Pieter Duisenberg lid is van een fractie waar denken verboden is. Sinds die tijd, zo pikte ik en passant ook nog op, spreken de leden van die fractie uitsluitend identieke en homogene, altijd baarlijke, nonsens.

Ik sta daar niet alleen in, Duisenberg zelf wordt ook bereikt door berichten. Zo zei hij, 25 januari, in de Tweede Kamer dat ‘hem “verschillende berichten bereikten” dat er bij universiteiten te veel sprake is van één politieke kleur’. Zou hij de VU bedoelen, de Radboud Universiteit, de rechtse ballen van de Universiteit Leiden, of – ik werp maar een balletje op – de rooie rakkers van de UvA, de alma mater van zijn vader? Ik denk dat hij ze allemaal bedoelt, zij het de ene universiteit wat meer dan de andere en hoe dan ook, het is onwenselijk, wat zeg ik, het is volgens Pieter zeer onwenselijk. Want (ik citeer nogmaals het Digitaal Ublad van gisteren): ‘[h]et zorgt ervoor dat de uitkomsten van onderzoek op elkaar lijken en bovendien worden bepaalde wetenschappers buitenspel gezet: sommigen van hen zeggen een ‘glazen plafond’ te ervaren.’

Tja, je zult maar zo stom zijn om, net als VVD Kamerlid Helma Neppérus, te twijfelen aan de juistheid van het onderzoek naar de opwarming van de aarde en vervolgens merken dat je niet serieus wordt genomen. Toch, de mensen van het klimaatonderzoek wijzen allemaal met de beschuldigende vinger naar de industrie, de veeteelt en naar ons, de arme consumenten, en die lieden zijn alleen al daarom verdacht links en dacht u nou dat die linkse gezindheid niet zou meespelen in de uitkomsten van hun onderzoek die niet voor niets allemaal ‘op elkaar lijken’? Durf het niet met hen eens te zijn en je zul merken dat niet alleen de plafonds van glas zijn maar ook dat de deuren voor jou niet meer opengaan. Dat is zorgelijk, zegt het Kamerlid, want is de wetenschap niet gebaat bij ‘diversiteit’?

Wetenschap is volgens Duisenberg toegepaste politieke voorkeur. En hij weet waar zo’n voorkeur toe kan leiden, tot ministers en staatssecretarissen bijvoorbeeld die allemaal van VVD-huize moeten komen, zelfs als blijkt dat ze het niet kunnen en zelfs als Duisenberg zo consequent was geweest om naar diversiteit te verlangen. Maar nee, het moet VVD blijven en dan krijgen we VVD, geen dikke VVD-er deze keer maar een magere, zij het wel een VVD-er die zo van marktwerking overtuigd is dat ik benieuwd ben of hij in de korte tijd dat hij minister van V&J mag spelen er nog in slaagt om de opsporing te privatiseren of de tenuitvoerlegging van straffen, of – ambitie moet er zijn – wettelijk vast te leggen dat alle wetten marktconform moeten zijn. Er wacht Stef Blok een schone taak.

Van universiteiten en hogescholen wordt al verwacht dat ze marktconform zijn. Geen wonder dat we tal van buitengewone en bijzondere hoogleraren hebben die in hun commerciële werkkring de geleerde uithangen en in hun wetenschappelijke werkkring de praktijkdeskundige. Sommigen vrezen dat daardoor de onafhakelijkheid van het wetenschappelijk onderzoek op de tocht is komen te staan. Over de tentakels van de farmaceutische industrie hoeven we ons geen illusies meer te maken, maar hoe zit het, ik noem maar wat, met de lange arm van de financiële instellingen?

Nog vandaag kwam ik in de kolommen van Trouw een artikel tegen waar ook de voortreffelijke Barbara Baarsma, hoogleraar in van alles en ook nog directeur kennis bij de Rabobank, haar naam onder zet. Ze pleit voor een minister van Voeding en Gezondheid en suggereert daarbij dat het in dat geval aanbeveling verdient om het met elkaar te doen: ‘Wetenschappers, zorginstellingen, verzekeraars en bedrijfsleven zullen met elkaar moeten vernieuwen. De overheid kan dit aanjagen en waar nodig wet- en regelgeving aanpassen waar die belemmerend werkt. Het laten lonen van preventie met gezonde voeding is een belangrijke taak voor een minister van voeding en gezondheid. Ook kan deze minister de Nederlandse land- en tuinbouw erbij betrekken. Het is een innovatieve sector die hoogwaardige voedingsmiddelen produceert, maar niet altijd zelf de brug naar de gezondheidszorg kan slaan.’

Zou het een bezwaar zijn dat Rabo en land-en tuinbouw graag dingetjes samen doen? Een aandeel in elkaar, dat is de Rabobank en moeten we dan nog verbaasd zijn over de schalkse opmerking van Barbara dat, omdat goede voeding ook zorgkostenbesparend en arbeidsproductiviteitverhogend werkt, een minister van voeding en gezondheid ‘ook een beetje minister van economische zaken is’? Ik schreef het een tijdje geleden al en nu weer: Barbara is echt aan het solliciteren naar dat ministerschap.

Pieter Duisenberg maakt zich er geen zorgen over. Hem gaat het niet om een al te innige band van bedrijfsleven en academie, hem gaat het om de insinuatie dat als je hem de politieke kleur van de wetenschapper geeft hij de uitkomst van diens onderzoek kan voorspellen. Dat is de bijl aan de wortel van de wetenschappelijke beschaving.

27 januari 2017

=0=




Verdringing

Werken met behoud van uitkering is werken voor een uitkering. Normaal (het trefwoord voor de aanstaande verkiezingen) krijg je voor werk betaald, het nieuwe normaal van de aanhangers van doe eens normaal is dat je het recht om voor je werk betaald te krijgen moet verdienen door als je een uitkering hebt eerst je uitkering te verdienen.

In het oude normaal hadden we sociale zekerheid, in het nieuwe normaal hebben we participatie en participatie is de handen uit de mouwen steken ook al verdien je er niets mee. Wie zulke onzin kan bedenken moet wel tegen het basisinkomen zijn. Een inkomen zonder verplichtingen is de bandeloosheid ten top – als PvdA en VVD het ergens over eens zijn dan wel daarover. In de reactie op het basisinkomen vinden we de beste illustratie van hoe de burger over de medeburger denkt. Bij VVD en PvdA wantrouwen ze burger niet maar de medeburger des te meer. De medeburger is, op de keper beschouwd, een soort medelander. Hij telt wel mee maar nog niet echt aan. Helemaal toevallig is het daarom ook weer niet dat VVD en PvdA het, als Ard het niet verprutst, een hele kabinetsperiode met elkaar hebben volgehouden.

In het oude normaal was er een recht op uitkeringen, in het nieuwe normaal is er een plicht tot participeren. En daar zit een markt in, want de overheid kan dat en moet dat niet zelf regelen, dat moeten private ondernemers doen. Die doen dat beter, niet omdat ze het beter doen maar omdat de overheid nu eenmaal niets kan en als de overheid nog wat kan dan verzuipt de zaak binnen de kortste keren in bureaucratie en ondoelmatigheid. Privatiseren dus, die participatieplichtmarkt, net zoals de inburgering enkele jaren geleden werd geprivatiseerd en zoals begin van deze eeuw de deurwaarders werden geprivatiseerd. De samenhang met afnemende kansen voor je inburgeringsexamen te slagen en toenemende kansen nooit meer van je schuld-op-schuld-op-schuld af te komen, en met een exploderende schuldhulpverlening, dat ook, die samenhang is bekend – en de reactie is dat als het niet goed is er niet genoeg geprivatiseerd is. Kunnen we die participatie niet privatiseren?

Er is een participatieplichtmarkt in opkomst. Zo hebben we sinds een paar jaar het bureau Flextensie dat uitkeringsgerechtigden aan werk helpt waarvoor ze niet betaald krijgen. Met zulk werk verdring je vergelijkbaar werk waarvoor nog wel betaald wordt, tot dat laatste zichzelf uit de markt heeft geprijsd natuurlijk, maar dat was helemaal en eigenlijk en eerlijk gezegd helemaal de bedoeling niet. Het is een soort neven-effect, zoiets als bijkomende schade, van het type dat waar gehakt wordt spaanders vallen. En eigenlijk is het ook dat niet want verdringing is overal.

Dat gaat zo (ik citeer een oprichter van een bureau dat in die markt is gesprongen, het bureau Flextensie, Volkskrant 25 januari 2017): ‘[e]igenlijk is elke vorm van re-integratie een vorm van verdringing. Iemand krijgt een baan die iemand anders niet krijgt.’ Als wij van Flextensie het niet doen doet iemand anders het wel, verdringen doen we allemaal, ook al neemt niemand zich voor te gaan verdringen. Daar klinkt een slecht geweten in door. Raar maar waar, maar dat siert haar, het siert haar dat ze de schaamte van het debiteren van een argument waar de willekeur en de inconsistentie vanaf druipt nog niet voorbij is. Toegegeven, het is een schaamlap maar juist bij schaamte zijn we vaak maar al te dankbaar voor een schaamlap. Vergeleken daarmee heeft het kabinet niet meer dan de nieuwe kleren van de keizer, de nieuwe kleren van het nieuwe normaal.

Bovendien, zij van Flextensie kletst in commissie. In haar argument (in parafrase: ‘eigenlijk is elk argument een vorm van verdringing. Iemand beweert iets wat iemand anders dan niet meer kan beweren’) spreekt ze de waarheid van de Participatiewet uit. Zij probeert er een slaatje uit te slaan, net zoals de gemeenten er een slaatje uit proberen te slaan en net zoals SZW er een slaatje uit probeert te slaan.

De leugen van de Participatiewet roept onwaarachtige markten op en verdringt de waarheid van de zorgplichten van de overheid. Dat is de kwalijke kant van het nieuwe normaal.

26 januari 2017

=0=


Een malicieuze charlatan

Dries van Agt is, zegt hij, in de loop van de tijd steeds linkser geworden. Geen idee wat de man ermee bedoelt. Een eenvoudige toetssteen zou te vinden moeten zijn in zijn mening over grondpolitiek. Toch, Van Agt is de man die het kabinet Den Uyl in 1977 pootje haakte door zijn eerdere handtekening onder het wetsvoorstel dat de grondpolitiek nieuw moest regelen terug te trekken en daarmee een bom te leggen onder het kabinet. In het voorstel werd aan de gemeenten een voorkeursrecht op grondaankoop gegund en, bij onteigeningen, zou de grond op basis van de gebruikswaarde en niet op grond van de ruilwaarde moeten worden gewaardeerd. In het bijzonder dat laatste was tegen het zere been. Men kan wel zeggen dat de geboorte van het CDA, ook dat speelde in 1977, is gekocht met de moord op het kabinet Den Uyl. Had Van Agt het hierover, in het interview met het AD waarin hij het volk kond deed van zijn linkse gezindheid? Nee, daar had hij het niet over.

In de keuze voor gebruikswaarde gaf het kabinet destijds aan dat grond geen gewoon goed was dat bij prijsverhoging zou reageren met een groter aanbod en bij prijsverlaging met een kleiner. De grondmarkt is, net als de geldmarkt en de arbeidsmarkt, een rare markt. Het eigene van de grondmarkt is precies het inflexibele van het aanbod. Wie meer betaalt lokt daarmee geen nieuw aanbod uit, die verdrijft degene die het niet kan betalen. Waarderen op basis van gebruikswaarde zou dat tegen moeten gaan. Dat heeft Van Agt voorkomen. Het werd ruilwaarde. Daarmee dien je wel de grootste portemonnee maar niet het beste gebruik. De grootste portemonnee heeft gewonnen en wint nog steeds. Grondpolitiek en hypotheekrenteaftrek hebben er gezamenlijk voor gezorgd dat de woningnood in Nederland, in tegenstelling tot de ons omringende landen, nooit is opgelost. Integendeel, ze hebben het erger gemaakt. In Amsterdam hebben VVD, D66 en SP gekozen voor het zoveel mogelijk verpatsen van de grond en landelijk wil minister Blok dat de woningbouwcorporaties hun betere huurwoningen op de markt gooien om zodoende buitenlandse beleggers te verleiden de Nederlandse huurwoningmarkt te betreden. En, zegt de man, dan kunnen de corporaties met hun nieuwe miljoenen weer investeren. Een geniale gedachte van een malicieuze charlatan. De vraag is alleen: zitten de corporaties verlegen om geld?

Nee, de corporaties zitten niet om geld verlegen. In het FD van vandaag lees ik dat de corporaties een gebrek aan locaties hebben, en geen gebrek aan geld. De corporaties laten, alweer volgens het FD, ook weten dat privatisering van hun woningbezit niet gaat helpen om locaties te verwerven. Voor locaties heb je grond nodig, maar nu de grondwaarde afhankelijk is van de marktwaarde en de gemeenten, al was het maar vanwege hun chronische geldgebrek – product van door de landelijke politiek op hun bord gekieperde en ondergefinancierde taken én van hun eigen megalomane plannen die wetmatig alle budgetten overschrijden –het onderste uit de financiële grondkan willen hebben, nu het gebruikswaardecriterium verder weg dan ooit is, nu heb je inderdaad aan geld niet genoeg.

Blok is de besmuikte opvolger van Van Agt. Links? Nee. Malicieus? Ja. Charlatans? Zeker. Waarin een klein land groot kan zijn.

24 januari 2017

=0=

 

Examen

Er gaan, sporadisch maar toch, stemmen op om het actieve kiesrecht te koppelen aan een of ander examen, zodat we er gerust op kunnen zijn dat de kiezer niet uit onwetendheid zijn stem verprutst. Uit slechtheid mag, daar is nou eenmaal niets tegen te beginnen, uit onwetendheid mag niet, en daarom richten we een examen in. Inburgering is nooit afgelopen, het hoort gewoon bij de noodzaak van een leven lang leren. Klinkt bekend, toch? Wie de examinatoren examineert is een kwestie van later zorg, hoewel een streng meritocratische selectie voor de hand ligt. De gedachte van het examen zelf is, overigens, een voorbeeld van een meritocratische natte droom.

Meritocratie (‘verdienste regeert’) is de bestuurlijke toepassing van een eenvoudige optelling: verdienste = IQ plus inspanning. Dat ontleen ik aan de bedenker van die rare term meritocratie, Michael Young, die er in 1958 een essay over publiceerde, een essay dat zo was opgezet dat hij vanuit het jaar 2034 terugkeek op en rapporteerde over aanleiding, opkomst, zegetocht en ondergang van het verdiensteprincipe.

De aanleiding is eenvoudig: de heersende klasse houdt het heersen slechts vol indien de recrutering van afkomst en overerfd privilege verschuift naar aanleg en talentontwikkeling. Het leven wordt er niet eenvoudiger op, het heersen ook niet en je moet overal voor leren. Dan zijn we bij de opkomst.

De opkomst van de meritocratie wordt in de hand gewerkt door de openstelling voor iedereen van het onderwijs, door het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs door beter gekwalificeerde en beter betaalde docenten en door een rigoureuze selectie en, en dan zijn we al bij de overgang naar de zegetocht van de meritocratie, door gestaag betere tests in een gestaag vroegere selectie van de beste leerlingen die daarom ook steeds vroeger in een leeromgeving werden ondergebracht die hun prestatie tot het uiterste stimuleert.

Het eindresultaat is een scheiding der geesten die uiteindelijk al vanaf het derde levensjaar z’n beslag krijgt. Klinkt bekend, toch? En niet alleen een scheiding der geesten, ook een scheiding der lichamen want de getalenteerden worden apart gezet van de minderen en van de minderen wordt verwacht dat zij het de getalenteerden naar de zin maken door hen van de onaangenamere en saaiere taken van het leven te ontlasten. Klinkt, alweer, bekend, toch?

Het traditionele verzet tegen dit soort segregatie kwam van de arbeidsderklasse maar omdat die hun beste kinderen al lang was kwijtgeraakt aan de meritocratie stelde verzet steeds minder voor. Het eindresultaat is een meritocratie die genoeg aan zichzelf heeft, die zichzelf in een biologische kaste omtovert, een kaste waarbinnen hoogopgeleiden met andere hoogopgeleiden verkeren, met hen trouwen en voor een nageslacht zorgen dat een statistisch zeer grote kans maakt de wereld van de hooopgeleiden te verversen en te versterken, en dat alles ook nog eens in een omgeving ingericht voor en afgestemd op hoogopgeleiden. Het meritocratisch principe is, meer nog dan het afkomstprincipe en priviligeprincipe dat het aflost, tendentieel een erfelijkheidsprincipe en zie: in 2034 durft men daar eindelijk weer eens luid en duidelijk voor uit te komen. Dat was niet het einde van het verzet, trouwens.

Het verzet, zo schreef Young, kwam uiteindelijk niet van links, het kwam van de Populisten, aangevoerd door vrouwen die zich verzetten tegen het ééndimensionale van het verdienstecriterium en die zich sterk maakten voor de waarde van iedereen, voor de waarde van het verschil, voor de waardigheid van elk individu. De Populisten, overigens, betitelden hun meritocratische tegenstander niet als de elite, maar als de hypocrisie.

Huichelachtigheid of elite, ik zou geen probleem hebben te kiezen, al lijkt het bijna voor de hand te liggen dat als ik m’n tegenstander als huichelaar betitel ik hem niet zomaar aan de verkiezingen zou laten deelnemen. Daarom, wat als de huichelachtigheidspartij zowel als de Populistenpartij beide voor het afnemen van een examen zijn, voordat mensen mogen kiezen (en in het verlengde daarvan: gekozen mogen worden)? In mijn wereld zouden zijzelf van verkiezingen moeten worden uitgesloten. In de hunnen niet. In mijn wereld is onwetendheid geen bezwaar, zolang het althans niet ontkend wordt, zolang de mensen weten dat ze op de meeste gebieden en ten aanzien van de meeste onderwerpen onwetend zijn. Dat lot treft ons allemaal. Daarom, wie hier exameneisen stelt ontkent z’n eigen onwetendheid – ergerlijker komen ze niet.

Toch bespeur ik enige inconsistente in het prachtessay van Young. Ik doel op de omstandigheid dat in de jacht op steeds jongere getalenteerden veel talent wordt verspild en dat daarom, nog steeds volgens Young, de staat moet ingrijpen om het altijd schaarse talent daar te krijgen waar het het meest gewenst is. De markt kan het niet, dus wat doet de staat? Weinig, wat Young daar ook over zegt. Wat wij nu zien – dat het talent wordt gekocht door de financiële instellingen – is strijdig met een landsbelang dat datzelfde talent nodig heeft om, zeg, cybermisdaad tijdig op te sporen en uit te schakelen. Young neemt aan dat de staat ook zo handelt en daarmee de private sector zo nodig de pas afsnijdt. Ook dat moet logischerwijs steeds vroeger plaatshebben en de vraag is heel simpel: welke staat is daar nog toe in staat, verondersteld dat die staat het niet alleen zou kunnen maar ook zou willen? Bijvoorbeeld: een paar particuliere bedrijven met beveiligingsexpertise hebben de Nederlandse overheid hulp aangeboden om met gezamenlijke inspanningen de aanstaande verkiezingen vrij te houden van cybergevaren. Dat is de vraag opnieuw: wil de overheid dat en kan de overheid dat, kan de overheid die samenwerking aangaan en tegelijkertijd de regie over die samenwerking opeisen en competent uitoefenen? Misschien dat daar nog een examentje tegenaan moet worden gegooid?

22 januari 2017

=0=

 


Onbevooroordeeld

De toespraak van Trump, zo had hij ons beloofd, zou persoonlijk en filosofisch zijn. Ik denk dat hij het dichtst in de buurt van die belofte kwam bij deze opmerkelijke volzin in zijn toespraak: ‘Wanneer je je hart openstelt voor vaderlandsliefde, is er geen plek voor vooroordelen’. Vaderlandsliefde en vooroordeel zijn net zo verbonden als tang en varken – niet dus. Maar Trump plakt ze op elkaar. Dat zegt iets over de persoon Trump die ongetwijfeld geen vooroordelen kent (een nooit eerder vertoonde en simpelweg onmogelijke truc, die daarom alleen met succes door Trump kan worden uitgevoerd) en het zegt iets over zijn begrip van filosofie waarin vaderlandsliefde de plaats van denken mag innemen. Het begint met vaderlandsliefde. Voor een politicus, en los van filosofie, zo gek nog niet.

Wat is vaderlandsliefde? Koop Amerikaanse waar en geef alleen werk aan Amerikaanse arbeiders, dat is vaderlandsliefde. Daar wordt iedere Amerikaan blij van en wanneer iedere Amerikaan blij is, rust ook Gods zegen op die liefde (‘[d]e Bijbel leert ons hoe goed en fijn het is wanneer Gods volk samen, verenigd leeft’).

Wat is vaderlandsliefde? Dat is Trump die op het moment dat hij de presidentiële macht overneemt die macht onmiddellijk aan het volk teruggeeft (‘[w]e dragen de macht van Washington DC over, en geven die terug aan u, het volk … 20 januari 2017, zal de geschiedenis ingaan als de dag waarop de burger weer de bestuurder van dit land werd’). De politieke filosofie van Trump is de politieke filosofie van GeenPeil. De meeste stemmen gelden. Koop Amerikaanse waar, stel Amerikaanse mensen aan, en de meerderheid beslist.

Dat is waar ‘Amerika eerst’ op neerkomt, binnenslands en buitenslands en een dikke vinger voor allen die het er niet mee eens zijn. De mensen die het er wel mee eens zijn, Trumps mensen, zijn de tot dusver ‘vergeten mensen’. Hun beurt is nu gekomen. Ze zijn te lang vergeten en Trump gaat dat rechtzetten en ja, dat zal sommigen pijn doen, het zal de profiteurs pijn doen, de mensen die alleen aan zichzelf dachten en het volk vergaten: ‘[a]l te lang heeft een kleine groep mensen in de hoofdstad van ons land profijt gehad van de regering, terwijl het volk de prijs betaalt. Washington gedijde, maar het volk deelde niet in deze rijkdom. Politici hadden succes, maar de banen verdwenen en de fabrieken sloten’.

In vorige verkiezingen speelde de tegenstelling tussen Main Street en Wall Street een rol, met Wall Street in de ondankbare rol van de vampier die het het volk uitzoog, de politici aan de leiband had en voor de banen en toekomstkansen van de mensen geen belangstelling had. Die tegenstelling is door Trump vervangen door de tegenstelling tussen Amerika en Washington DC. De financiële kapitalist is vervangen door de federale politicus.

Het is geschiedsschrijving als vooroordeel. En daarmee kom ik uit bij de kern van Trumps persoonlijke filosofie (en nooit eerder was het persoonlijke zo politiek en het politieke zo persoonlijk): wanneer je je hart openstelt voor het financiële kapitaal, is er geen plek voor federale politici.

Die plek, claimt de Donald, is voor mij.

21 januari 2017

=0=

Lezing

We kennen het grimmige grapje over de partijgenoot die kameraad Stalin goedemorgen wenste. Wat er goed was aan deze morgen? - luidde de riposte van de grote leider. De partijgenoot wist daarna dat hem ofwel het executiepeloton wachtte ofwel de goelag. Als we daarnaast overwegen dat als de partijgenoot geen goedemorgen had gewenst zijn lot hetzelfde was geweest, krijgt de grimmigheid van het grapje pas het juiste reliëf. Zo gaat dat als er maar één lezing van de wereld is die voor iedereen geldt enerzijds, en als je er juist daardoor niet onderuit komt om bij elke gelegenheid je eigen lezing van die lezing kenbaar, en dus leesbaar, te maken anderzijds. Dan is een goede morgen pas een goede morgen als jouw morgenlezing bevestigd wordt door de spreekbuis van de enige echte lezing, de lezing die waarheid en werkelijkheid in één pacht heeft.

Dat brengt me bij een stelling: wanneer er slechts één lezing is, wanneer iedereen het erover eens is dat er slechts één lezing is en wanneer iedereen moet lezen, dan kan elke lezing minus één worden aangeklaagd vanwege willekeur, en wie die ene is hangt niet af van de kwaliteit van de lezing, het hangt af van de macht om concurrerende lezingen uit te schakelen. Een dergelijke leespraktijk verenigt het stalinisme, de islam en, iets minder totaliserend en totaal, de economische wetenschap. Drie keer een leer waarin het juiste standpunt beslissend is voor begin, proces en afsluiting, waarin het uitgangspunt is dat wie a zegt ook b moet zeggen, dat er geen omwegen en uitvluchten toegestaan zijn en dat iedereen moet bewegen en zich dus aan de blikken en het oordeel van de enige gelegitimeerde openbaarheid moet blootstellen. Het prachtige Normal Accidents (gepubliceerd in het bijzondere jaar 1984) van Charles Perrow is minder een boek over ongelukken dan over het normale en over de gevaren van een afwijking van het normale. Het normale is de norm van elk ‘hoog-risico-systeem’ dat hij beschrijft, de afwijking ervan is het potentiële en als we sloom zijn actuele ongeluk en de afwijking is daarmee per definitie een gevaar voor datzelfde systeem – en dient te worden uitgeschakeld.

De definitie is die van een zo strakke koppeling (indien a dan b en ook nog eens zonder dralen en, eenmaal in werking getreden, niet meer terug te draaien) dat er, eenmaal begonnen, geen weg terug is, en van een zo complexe interactie tussen de diverse samenstellende delen van het systeem (van chemische processen en interacties tot en met uit hun slaap gewekte terroristen die elkaar zo spaarzaam mogelijk en uitsluitend met telkens nieuw gecodeerde berichten benaderen) dat we die communicatief pas in de greep krijgen als het kwaad al geschied is. Onder de salafisten vinden we nogal wat voormalige jonge marxisten van de jaren negentig, laat Michiel Leezenberg optekenen in Trouw (19 januari 2017, katern De Verdieping: 6-7). Leezenberg wijst erop (ik zie dat als een relativerende en ook welkome, zij het door Leezenberg in het interview niet benoemde, voetnoot bij De Erecode; Hoe Morele Revoluties Plaatsvinden van Kwame Anthony Appiah) dat het strenge en rigide islamisme dat dezer dagen ons beeld van de islam bepaalt sterk beïnvloed is door morele concepties uit het Europa van de negentiende eeuw, de concepties van de Victoriaanse moraal, de concepties die bevestigden dat seksuele dwingelandij, knechting en minachting van vrouwen, en de woede op seksuele relaties tussen mensen van gelijk geslacht een onverbrekelijke eenheid waren, concepties die wij in de twintigste eeuw hebben afgezworen en die in islamitische landen de nieuwe zedelijkheidsnorm zijn geworden.

In de visie van Leezenberg zijn het marxisme (als de ideologie van het communisme) zowel als het salafisme (als de ideologie van het islamisme) varianten van het redeneren met strakke koppelingen en (met voor elke buitenstaander) overbodig en onnavolgbaar complexe interacties. Ik ben bang dat Leezenberg dat te beperkt ziet. Het geldt voor elke monocultuur. Zelf moet ik dan altijd aan de spannende film Margin Call denken, een film met een hard oordeel over de financiële en vergiftigde vruchten van de vigerende economische monocultuur. In die cultuur grijpt ook alles plaats omdat zodra de teerling geworpen is het niet anders meer kan, het gaat zoals het moet gaan, en het grijpt ook plaats omdat de interacties tussen actoren, kennis en voorkennis, goederen- en geldstromen, en steeds snellere financiële media voor een complexiteit zorgen die niemand kan beheersen maar die sommigen, zeggen zij, kunnen bezweren – op voorwaarde dat wij doen wat zij zeggen. En meer dan dat, want waar kwam de mantra van TINA ook weer vandaan? Ook die mantra wijkt niet veel af van de leer die de juiste leer wil zijn, die daarom de enige leer is die we moeten willen, en die ons allen dwingt in de positie die leer voor onszelf waar te maken, die leer bij elke nieuwe gebeurtenis aan onszelf uit te leggen, zodat we zelf kunnen handelen – en als dat slecht afloopt dan zijn we gezakt voor het examen in de leer, een steeds vaker afgenomen examen, en als dat optreedt kunnen we ook alleen bij onszelf te rade gaan omdat we zelf verantwoordelijk zijn voor onze lezing van de leer en dus ook zelf op de blaren moeten zitten.

Het is een genade in alles te mogen geloven en in niets te hoeven geloven.

20 januari 2017

=0=

Op herhaling

In de jaren tachtig van de vorige eeuw waren het Reagan en Thatcher, in de jaren tien van deze eeuw zijn het Trump en May. Toen bedachten ze dat wat goed was voor de onderneming goed genoeg voor iedereen was, nu hebben ze bedacht dat wat goed voor hun staat is goed genoeg voor elke staat is. Toen bedachten ze de neoliberale deregulering, nu bedenken ze de neoconservatieve reregulering.

Alles bij elkaar heeft het neoliberalisme 3½ decennium mogen uitrazen. Nu het de landen bereikt die het uitdachten verandert de stemming en veranderen ook de zeloten van stemming. Vrijhandel is er niet voor iedereen en dat China de nieuwe kampioen van de vrijhandel wordt is meer het cynisme dan de ironie van de geschiedenis. En nee, het cynisme schuilt niet in de Chinese vrijhandel, het cynisme schuilt in de naïeve veronderstelling dat de VS en het VK ooit principes hadden, vrijhandelsprincipes bijvoorbeeld, in het trotse gezelschap van een principieel verzet tegen protectionisme. Men zegt dat de waarheid het eerste slachtoffer van de oorlog is, ik denk dat de waarheid het eerste slachtoffer van elke belangenpositie is die wordt verdedigd door hen die aan de consolidatie van hun eigen belang als het erop aankomt de absolute voorrang geven. Trump denkt altijd dat het erop aankomt en May moet wel denken dat het erop aankomt, nu ze met de tenenkrommende erfenis van haar al te luchthartige voorganger is opgescheept. Voor Trump is trappen en natrappen op een gering faseverschil na precies hetzelfde en May dreigt het verschil tussen blazen en opblazen uit het oog te verliezen.

In ons land schijnt men te hopen dat men grote gebeurtenissen met irrelevante kromspraak kan bestrijden. Ik denk aan Koenders’ opmerking over de ‘kardinale fout’ van Trump. En uiteraard denk ik aan Rutte die voor Nederland nog wat vrijhandelgraantjes hoopt mee te pikken en dat vooral wil bewerkstelligen door goed samen te werken. Met wie? Nu, met de VS en het VK natuurlijk. Wij doen alles om de EU in het neoliberale dwangbuis te houden en handelen onze zaakjes desnoods liever bilateraal af dan te vertrouwen op de kracht van de EU waar we dan ook zelf iets aan zouden moeten bijdragen.

Doet het er iets toe, wat wij verzinnen? Ik hoorde op de radio dat het toch wel een probleem was dat we met Wilders ook zijn kiezers ‘uitsluiten’. Ik geloof dat in coalitieland altijd miljoenen kiezers worden uitgesloten maar bij ons is het nu eenmaal zo dat je zowel overtuigd voorstander van coalities kunt zijn als ook overtuigd tegenstander van uitsluiting. Het is gewoon een kwestie van fasering, net zoals trappen en natrappen een kwestie van fasering is en blazen en opblazen een kwestie van fasering is. Onze volksaard, wat zeg ik: onze identiteit, is drassig genoeg om na een korte periode van woelen en wroeten onze positie te hervinden die we eigenlijk al altijd hadden en alleen nog een eigentijds accent miste, dat we nu gelukkig hebben aangebracht.

In ons land kan alles en ik ben er zeker van dat we Trump en May binnen de kortste keren even verstandig, begrijpelijk en navolgenswaard zullen vinden als voorheen Reagan en Thatcher. Ja toch?

19 januari 2017

=0=

 

Liquide middelen

Vooruitgang, zo stelt Zygmunt Bauman (1925-2017), is geen kwaliteit van de geschiedenis, het is het zelfvertrouwen van het heden (Liquid Modernity, 2000: 132). In het moderne ‘liquide’ heden is het met dat zelfvertrouwen niet heel goed gesteld. Dat komt, we hebben plannen zat en we hebben tegelijkertijd een schreeuwend tekort aan mensen die zich erop vastleggen, die er de verantwoordelijkheid voor nemen. Wat moet gebeuren is tegenwoordig eenvoudiger gezegd dan wie het moet doen en daarom ook gelooft niemand nog in de verkondigers van wat zou moeten gebeuren. Desondanks, wie een terug naar de stabiliteit in het land van ooit belooft komt daar goed mee weg – tot op het moment dat er geleverd moet worden. In de eeuw van de liquiditeit kan de belofte van stabiliteit alleen maar in vruchtbare aarde vallen als het een belofte blijft, als het niet wordt omgezet in de imaginaire stabiliteit die het rijk van de belofte vooral niet moet verlaten.

De gehele moderniteit staat in het teken van liqiditeit maar, zo Bauman, in de tijd van het ‘sterft gij oude vormen en gedachten’ was het vloeibaar worden van het oude nog de aankondiging van het nieuwe, het nieuwe dat nieuwe stabiliteit beloofde (in de Internationale klonk dat zo: ‘[w]ij zijn ‘t moe naar and‘rer wil te leven. Broeders! hoort hoe gelijkheid spreekt: geen recht waar plicht is opgeheven, geen plicht leert zij waar recht ontbreekt’), en in de huidige tijd volgt op het vloeibaar, het liquide, worden van alles – banen, relaties, woonplaatsen en behuizingen, ja zelfs van wat ooit ‘loyaliteit’ werd genoemd – geen nieuwe stabiliteit. De toekomst van liquiditeit is meer liquiditeit, en geen stabiliteit. U zocht een vaste baan? Dan bent u in de foute eeuw aangeland meneer, vaste banen hebben we niet meer.

Maak vooral geen plan A zonder een plan B ter beschikking te hebben. Voordat je het weet is plan A machteloos en als je dan plan B niet bijhanden hebt gaat je machteloosheid over in onmacht en dan zijn de rapen gaar. Daarom, zorg ervoor dat je zo nodig met de voeten kunt stemmen, zorg ervoor dat je altijd in de positie verkeert dat jouw stem ertoe doet en zorg er vooral voor niet in de situatie terecht te komen dat je een beroep moet doen op loyaliteit om je eigen huid te redden.

Enzovoorts, voeg ik eraan toe. Bauman was een man van de grote streken, de wijdse gebaren, de overdonderende vergezichten. Hij ontwikkelde gedachten, generaliseerde ze en schreef daarmee eerder gedachtengeschiedenis dan geschiedenis. Hij signaleerde, meer dan hij onderzocht, en daarmee staat het onderzoek zelf nog grotendeels open. Dat is geen kritiek, eerder dankbaarheid. Kritiek verdient het soms opvallende gemak waarmee de uitspraken van Bauman voor reële ontwikkelingen worden aangezien. Het is de paradox van beroemdheid: je uitspraken circuleren als waren het liquide middelen en over de vraag of je uitspraken wel door de stabiliteit van stevig sociaalwetenschappelijk onderzoek geschraagd zijn wordt luchtig heengestapt.

11 januari 2017

=0=



Verloochenen

Feiten moeten betwist worden. Dat zou je een grondregel van de wetenschap kunnen noemen. Feiten zijn constructies waarover op gecontroleerde wijze ruzie gemaakt kan worden. Mensen die zich op feiten beroepen en menen daarmee iets te hebben gezegd hebben een fout begrip van feiten.

Niemand heeft de feiten in pacht maar met de wetenschap dat we over feiten beargumenteerd en gecontroleerd van mening kunnen verschillen in een gezamenlijke zoektocht naar zekerder, betrouwbaarder en betere feiten kunnen we verder, zeker nu we weten dat de zoektocht gezamenlijk is en het doel van de zoektocht al evenzeer. Niemand, overigens, die verplicht is mee te zoeken en niemand die verplicht is het doel te onderschrijven. Wie z’n eigen feiten kan scheppen en daarmee z’n eigen doel dient, staat het vrij dat te doen. Net zoals het mij vrij staat tegen te werpen dat particuliere feiten geen feiten zijn maar verzinsels van een meer of minder overspannen geest. Ik sta er elke keer weer verbaasd van dat ik dit soort vanzelfsprekendheden, over het vele water dat door de Rijn heeft moeten stromen voordat we – het gezelschap dat zich ertoe bekent – het erover eens zijn geworden dat je je met een beroep op de feiten voor genoemd gezelschap hebt verplicht je bronnen en je argumenten aan de openbaarheid prijs te geven, toch weer opschrijf.

Het kan natuurlijk nog erger. Gisteravond zag en hoorde ik bij DWDD Claudia de Breij beweren dat het woord ‘stroom’ net zo ‘dehumaniserend’ was als het woord ‘plaag’. Een vluchtelingenstroom is voor mevrouw De Breij van hetzelfde laken en pak als een vluchtelingenplaag, net zoals voor De Telegraaf een asielzoekersstroom een asielzoekersplaag is. Neerlandicus Matthijs van Nieuwkerk had bedacht dat het geinig zou zijn om Marianne Zwagerman te laten botsen op Dolf Jansen. Jansen had zo zijn twijfels bij de plaag van de Telegraaf en Zwagerman vond de plaag van de Telegraaf geen plaag omdat het maar de kop van een artikel was en niet het artikel zelf en verder had zij op haar beurt twijfels bij iedereen die het niet met haar eens was. De interventie van De Breij (‘ik ben het eens met Marianne’) was een mooie bonus op een verward en verwarrend getouwtrek tussen twee snelsprekers – tot ze met haar gelijkheid van stroom en plaag kwam. Dehumaniserend. Hoe verzin je het. In dit land schept niet alleen iedereen z’n eigen feiten, in dit land schept iedereen z’n eigen taaltje. Het lijkt wel cabaret.

Feitenverloochening begint bij taalverloochening.

10 januari 2017

=0=

 


Verplichte bewegingen

Potsierlijk, een ander woord heb ik er niet voor over. We hebben een minister die vier jaar lang het grootbedrijf heeft bediend door in Europa gemene zaak te maken met Juncker, en die nu, bij het scheiden van de markt, het grootbedrijf wil gaan ‘belasten’. We hebben een andere minister die vier jaar lang tegelijk gas wou geven en op de rem gaan staan, die dat uitstekend is gelukt met als resultaat dat we niet opschieren maar wel energie verbruiken, en die nu, bij het scheiden van de markt en in reactie op zijn collega-minister, roept dat meer belasting voor het grootbedrijf slecht voor de werkgelegenheid is. En we hebben een staatssecretaris, die elk dossier dat hij heeft aangeraakt in een puinhoop heeft veranderd, die van mening is dat de bedrijfsbelastingen te hoog zijn en verlaagd moeten worden. De staatssecretaris beheert een belastingdienst die zich van de staatssecretaris niets aantrekt en de staatssecretaris belooft dat hem dit niet nogmaals zal overkomen. Hem valt de treurnis van zijn beleid niet eens meer op, en het valt ook het kabinet niet meer op, want dat verplaatst de misère in de tijd – tot na de verkiezingen.

Het kabinet spreekt met één mond, tenzij het kabinet dat niet doet. Dit kabinet heeft zelden met één mond gesproken. Het zegt wat omdat het denkt dat wij verwachten dat het wat zegt en dan zegt het wat om wat te zeggen, niet om wat het zegt. Wat het zegt heeft niets te maken met wat gezegd moet worden maar alleen met het publiek dat bereikt moet worden en dat publiek is afhankelijk van de inschatting van het publiek dat in beweging komt als gevolg van gebeurtenissen en van de gretigheid van de heren en dames politici om dat publiek te behagen, door het ongewenste publiek te vernederen en te versieren met fraaie taalklassiekers zoals die over het tuig van de richel of die over pleur op, en we hadden al rot op en etnische monopolies – en dan weten wij wel welk publiek bedoeld is.

Het zijn verplichte bewegingen en tegen de tijd dat er verkiezingen komen zien we wat meer bewegingen, de één nog voorspelbaarder dan de andere. De VVD is voor de werkgelegenheid, en dus voor de winst, de PvdA is voor de werkgelegenheid en vindt dat je dan niet alleen de arbeid moet belasten want die wordt dan te duur en dat kost werkgelegenheid en daarom moeten de winsten worden belast waarvan de VVD dan weer vindt dat zulke plannen de investeerders afschrikken, dat die het ondernemingsklimaat killer maken en dat je dat niet moet willen als de werkgelegenheid je lief is. Beschaafde meningsverschillen waar we op een beschaafde manier wel uitkomen en waarvan het grootste probleem is geworden ze zo te debiteren dat de kiezer er weer een keertje intrapt en denkt dat het ergens over gaat dat voor de kiezer belangrijk is. Dat probleem is op dit punt onoplosbaar, met dank aan dezelfde partijen die er nu een punt van maken. Het is onoplosbaar omdat die partijen zelf het probleem zijn en omdat zij weigeren dat te erkennen. Partijen doen niet aan problemen, partijen doen aan oplossingen van problemen en daarom kunnen partijen het probleem niet zijn. Het is niet anders en anders is er niet.

Dat laatste is een grote vergissing. Het afgelopen jaar hebben we gezien wat er kan gebeuren wanneer de burger het niet meer gelooft. Dat het kan gebeuren is geen garantie dat het ook zal gebeuren maar de kans dat het zal gebeuren wordt groter, in elk geval wanneer politici in hun gewoonte blijven hangen er met hun gebruikelijke verplichte bewegingen, met hun gebruikelijke verplichte kür, wel te zijn.

9 januari 2017

=0=

 


Vijftig miljoen

‘50.000.000 Elvis fans can’t be wrong’ las ik ooit op een LP (Elvis’ Gold Records, Vol. 2) van Elvis Presley. Ik was fan van Elvis in die dagen (de LP is van 1959) en toch twijfelde ik aan het getalsargument dat – zo dacht ik dan ook wel weer – vast niet van Elvis zelf afkomstig was maar ongetwijfeld van zijn inhalige manager ‘kolonel’ Tom Parker. Bij het schrijven van dit stukje luister ik naar die gouden hits – het vermindert noch vermeerdert mijn twijfel. Tijdloos, mijn Elvis. Overigens kwam in 1982 een LP uit met als titel Elvis’ Greatest Shit, 50.000.000 fans can be wrong, maar dat waren allemaal opnamen die door Elvis en de zijnen waren afgekeurd en langs slinkse wegen, de wegen van de bootlegger, op vinyl terecht zijn gekomen.

Dat ik zo geïnteresseerd ben in die vijftig miljoen komt door Ruud Koopmans. Hebben vijftig miljoen moslims het bij het rechte eind? Het is heel wat, vijftig miljoen, maar op een totale populatie van 1 miljard toch niet zo indrukwekkend als al die miljoenen in eerste instantie lijken aan te kondigen. Nee, vijfhonderd miljoen, dan heb je wat. Vijfhonderd miljoen moslims vinden de Koran belangrijker dan de grondwet, zegt Ruud Koopmans en onder die vijfhonderd miljoen zijn er weer vijftig miljoen, nog steeds Ruud Koopmans, die bereid zijn om geweld te accepteren om de islam te beschermen. Het zijn beide somber stemmende aantallen en omdat Ruud Koopmans een serieus onderzoeker is neem ik de dreiging die van die aantallen uitgaat ook serieus.

Ruud Koopmans is een optimist. Had hij vergelijkbare aantallen opgespoord van niet-moslims die hun kont met de grondwet afvegen (‘who don’t know their ass from a hole in the ground’, zingt Randy Newman), die denken dat de grondwet hun particuliere eigendom is dat ze met het geweld van hun wapens moeten verdedigen, en die bereid zijn, en die bereid zijn gebleken, geweld te accepteren om hun manier van leven te beschermen – hij zou er somber van geworden zijn. Daar kunnen die lullige miljoenen moslims niet tegen op. Hij heeft ons de aantallen bespaard. Dat is mooi van hem. De andere kant van het verhaal is dat ook in Berlijn de lunches niet gratis zijn en dat ik nu nog niet veel te weten ben gekomen over de kans op geweldsincidenten, hier, daar en ook daar en daar ook. Daar zou ik op z’n minst de data over de niet-moslims voor nodig hebben. Ik heb ze niet, en toch denk ik dat de gelijkvormigheid in de antwoorden de kans op geweld groter maken, niet kleiner. Maar: hebben die vijftig en die vijfhonderd miljoen nou gelijk of ongelijk? De vraag is zinloos en Elvis is dood.

6 januari 2017

=0=

 

Te duur

In Zweden is twee jaar lang geëxperimenteerd met een zes-urige werkdag. Het experiment is beëindigd, de kosten waren te hoog, en dat waren ze omdat het loon hetzelfde bleef en er nieuwe mensen moesten worden ingehuurd om de bezetting op peil te houden. Zelfs als we verdisconteren dat de kosten van ziekteverzuim omlaag gingen en de uitkeringskosten van de werklozen die nu aan het werk waren ook, dan nog was het te duur. Het experiment speelde zich af in een verzorgingshuis, dus je vraagt je af: wat waren de baten van de mensen die daar verzorgd werden en wegen die dan niet op tegen de extra kosten? Welke baten dat waren? Nu, kwaliteit van leven bijvoorbeeld omdat er meer tijd was voor, meer ruimte om en meer deelname aan ‘sociale activiteiten’ en sociale activiteiten zijn goed voor mensen in een verzorgingshuis. Het is ook niet uit te sluiten dat niet alleen de kwaliteit maar ook de duur van het leven is toegenomen in die twee jaar. Nog meer baten dus.

Dure baten, dat wel. Te dure baten, eigenlijk. Hoeveel te duur zullen we nooit weten want om dit type baten te meten is een tijdsbestek van twee jaar veel te kort. Voor een verzorgingshuis dat door budgettaire regels nooit verder mag kijken dan één jaar is twee jaar al heel erg lang, voor de baten in kwestie is het te kort om er een stevig oordeel over uit te spreken. Meer dan een vermoeden heb ik dus niet, maar ik heb best vertrouwen in mijn vermoeden. Het neemt niet weg dat ik het graag wat zekerder zou weten en het neemt ook niet weg – en dat vind ik griezelig – dat iedereen voor wie de bewoners van een verzorgingshuis een kostenpost is het absoluut niet wil weten, omdat elke verbetering aan de batenkant van de verzorgden een vergroting van de kostenpost voor anderen is. Blijven ze nog langer leven ook! Dat willen we niet weten. Dat hoeven we niet te weten. Het is al duur genoeg.

Ik denk dat het experiment in Zweden een groot succes is geweest. Ik denk dat het experiment is afgeblazen omdat als het nog twee jaar had mogen duren de evidentie van de baten zo groot was geweest dat niemand het voordeel van het experiment nog had durven ontkennen – en dat iedereen was gaan nadenken over de volstrekte waanzin van een kosten/baten systeem waarbij de belangrijkste baten buiten haken moeten worden geplaatst. Waarom? Omdat, in dit geval, de baten van de verzorgden als maatschappelijke kosten worden gezien en voor die kosten wil niemand opdraaien. Daar moeten we het niet over willen hebben. Toch?

We mogen wel blij zijn dat we ons in ons land dit geëxperimenteer bespaard hebben.

5 januari 2017

=0=

 

 

Bazelen

Eén manier om het verschil in politiek tussen landen te bepalen is te letten op de afstand die de politicus van de bankier scheidt. Een bankier is, sinds de deregulering, altijd een bankier maar onder politici vinden we veel meer smaken. Zij zijn het die bepalen wat deregulering inhoudt en zij zijn het die bepalen wanneer de deregulering de pan uit rijst. Of niet, en daar zit het verschil. Deregulering is het verlenen van toestemming aan de slager z’n eigen vlees te keuren, regulering en reregulering komen neer op het onthouden van die toestemming, direct (door een verbod) dan wel indirect (door het aanstellen van een niet uit de slagersbranche afkomstige toezichthouder).

In de VS is de dereguleringstoestemming voor het bankwezen op belangrijke punten ingetrokken. Wat heeft u op de balans staan? Activa met nogal wat risico? Wat zegt u? Weinig risico? En heeft u dat zelf bepaald? Wat knap, maar vindt u het heel erg als wij dat risico bepalen en niet u? Het is recent nog heel erg fout gegaan, weet u nog wel, met al die risico’s die u door S&P had laten schatten en waarvoor de belastingbetaler een onbeschoft hoge rekening kreeg aangeboden – wij willen zo’n grap niet nog een keer, begrijpt u? In de VS begrijpen ze dat, in Basel begrijpen een aantal mensen het ook, maar in de EU begrijpen ze er niets van.

Basel? In Basel wordt nu gemarchandeerd over de buffers die banken moeten aanhouden om een nieuwe ramp te voorkomen. De noodzakelijke omvang van de buffers is sterk afhankelijk van de inschatting van de risico’s van de activa die op de bankbalansen voorkomen. In de EU wil men die inschatting aan de banken zelf overlaten, in de VS is men van dat schadelijk gebleken waarderingsgebeuren afgestapt. In de VS heb je nog politici, in de EU hebben we alleen nog loopjongens van bankiers. Komt ‘Basel 3’ er? Met dank aan de eeuwig tegenstribbelende EU wordt het initiatief voor de beantwoording van die vraag nu bij Donald Trump neergelegd.

In ons land wordt over de pensioenfondsen gewaakt alsof het op apegapen liggende vermolmde instellingen zijn die bij het minste of geringste zuchtje wind omgeblazen zullen worden. Daarentegen wordt over banken amper gewaakt, vertrouwend op het door de banken zelf aangewakkerde sprookjesverhaal dat het allemaal best gaat en zo en dat banken al onder te veel regels en beperkingen zuchten en dat het hen afnemen van hun eigen risicotaxatie toch echt een brug te ver is, en bovendien een breuk in het vertrouwen is dat zich net weer zo aardig aan het herstellen was en, echt waar, van zo’n vertrouwensbreuk, of zelfs alleen al van de gedachte eraan, hebben de banken de buik vol. Onze politici knikken, begrijpend. Het is, vinden ze, een technische kwestie, een kwestie waar je aan populisme niets en aan expertise alles hebt. Zelfs Wilders zegt er niets over, dus dan weten we dat het geen populistisch vraagstuk is. Gelukkig maar, het is zo al lastig genoeg.

Gebazel. Onze politici plooien zich naar gebazel. Dat hebben ze sinds de financiële crisis steeds gedaan en nu hebben ze al helemaal geen reden een ander gedrag aan te nemen. Er komen verkiezingen aan en ze willen de kiezer niet nog meer angst aanjagen, toch, met alle gevaren en bedreigingen en onruststokers die er al zijn en waarmee ze het al moeilijk genoeg hebben. In verkiezingstijd spreek je over de kansen die mensen moeten verleiden in te stappen en niet over risico’s die de mensen ertoe aanzetten om bij de eerste de beste halte uit te stappen.

Onze politici beloven door hun stilzwijgen nu dat ze ook in de komende periode de bankiers en hun eigen methodieken van vleeskeuring braaf zullen volgen. Ze hebben er alle vertrouwen in. Dat is een politiek schandaal.

4 januari 2017

=0=


Druppelen

En nu is oom Lodewijk boos op tante Barbara omdat tante Barbara in de Telegraaf oom Lodewijk heeft beschuldigd van het aanwakkeren van populisme en omdat oom Lodewijk dat niet pikt en op zijn beurt tante Barbara beschuldigt van het aanwakkeren van populisme. Tante Barbara had eerder, samen met de voorzitter van de raad van bestuur van de Rabo, ook Jeroen Dijsselbloem al van populisme beschuldigd. Tante Barbara en de PvdA, dat wordt geen goed huwelijk. Maar tante Barbara en het D66 van pater Alexander? Zou zo maar kunnen. De mensen die het met pater Alexander niet eens zijn, zijn dat niet ook populisten? Ik denk, nu we het er toch over hebben, dat iedereen die het niet met tante Barbara eens is een populist is. Ik beken. Je suis Populiste.

Tante Barbara is behalve tante Barbara ook nog een tante van de Rabobank, zij ontwikkelt daar kennis, en wie bank zegt, zegt boze bedrogen burger en wie boze bedrogen burger zegt, zegt kennis, zegt kennis over burgerklanten en wie het bij een bank over klanten heeft bedoelt natuurlijk muppets, en die komt daarmee gevaarlijk dicht in de buurt van het populisme van de hoon en van de schaterlach, en daarmee is dan maar mooi bewezen dat tante Barbara en het populisme via de bank verbonden zijn.

Oom Lodewijk, op zijn beurt, is van de politiek, is van de PvdA en is ook nog een beetje van het kabinet, en dit kabinet en ook de PvdA zijn van mening dat het nu toch echt tijd wordt dat ook de burger iets merkt van de grote voorspoed die zij het land hebben gebracht, en ze hopen maar dat de burgerkiezer van hen wil geloven dat hij nu echt aan de beurt is, en nu is al heel snel, heel snel na de verkiezingen dan, en ze hopen daarmee het populisme de wind uit de zeilen te nemen, ze hopen dat de burger zich niet boos en bedrogen voelt, en ze vergissen zich daarin en daarmee is dan maar mooi bewezen dat oom Lodewijk en het populisme via het kabinet en de PvdA verbonden zijn.

Populisme is veel dingen en onder die dingen bevindt zich de overtuiging dat alle lieden, met de bankiers en de politici voorop, die beweren dat de genoegens van de globalisering ooit wel eens bij iedereen zullen neerdalen, dat ze druppelsgewijs van boven naar beneden zullen doorsijpelen, dat die lieden leugenaars zijn en soms ook nog zakkenvullers. Ik houd niet van populisme – ik houd van diversiteit in veel vormen dus van diversiteit en pluriformiteit en daar houdt het populisme al helemaal niet van en daarom houd ik niet van het populisme – maar op dit punt kon het populisme niet vroeg genoeg komen en ik ben zelfs bang dat het populisme te laat is. Ik ben niet eens verbaasd over de aanstaande regering Trump, zal ik maar zeggen.

Tante Barbara en oom Lodewijk zijn het over meer dingen eens dan oneens en dat is, vanuit populistisch standpunt bekeken, een situatie die met de nodige argwaan dient te worden bejegend. Tante Barbara heeft met haar interview in de Telegraaf van afgelopen zaterdag een heuse sollicitatiebrief geschreven, pater Alexander heeft hem van de deurmat gepakt, heeft hem al geopend en gelezen en oom Lodewijk heeft de zijne al een paar weken eerder op de post gedaan, heeft hem aan zichzelf geadresseerd en heeft hem zelf geopend en gelezen. Zo worden, met dank aan de populisten, de verkiezingen toch nog spannend.

3 januari 2017

=0=