DAGBOEKHOUDER
Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam 2016

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010–2011–
2012–2013–2014–2015–2016


Om naar het begin van de pagina te gaan: klik op =0=


December

Wegkomen

Bijgeloof

Subcultuur

Represaille

Winnen


November

Achtertuin

Benoemd

Vanzelfsprekend

Bestwil

Oplichten

Richting

Temmen

Ego

Teken

Tijdperk

Betreurenswaardig

Verstand

Communisme

Pesten

Eenvoud


Oktober

Te veel

Pikorde

Popdem

Gezellig

Ontwerp

Bijsluiter

Vastklampen

Overwoekerd

Voltooid

Een hiërarchie

Geschiedenis

Toeval bestaat niet

Nuttige idioten

Verschuldigd

Dromen

Zwarte doos

Irrelevant

Netjes

Ervaring


September

Zwarte gaten

Loos alarm

Gebruikswaarde

Oculair

Brokkenpiloot

Pech

Omslag

Nee vandaag

Album

Gezelschap

Foto's

Barsten in de spiegel

Hoek

Als de lamp uitgaat

Stampvoetend

Glimlach

Differentiëring

 

 

 


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 53
juli - augustus 2016

Dagboekhouder 52
mei - juni 2016

Dagboekhouder 51
maart - april 2016


Dagboekhouder 50
januari - februari 2016

Dagboekhouder 49
november-december 2015

Dagboekhouder 48
september-oktober 2015

Dagboekhouder 47
juli - augustus 2015

Dagboekhouder 46
mei - juni 2015

Dagboekhouder 45
maart - april 2015

Dagboekhouder 44
januari - februari 2015

Dagboekhouder 43
november - december 2014

Dagboekhouder 42
september - oktober 2014

Dagboekhouder 41
juli - augustus 2014

Dagboekhouder 40
mei - juni 2014

Dagboekhouder 39
maart - april 2014

Dagboekhouder 38
januari - februari 2014

Dagboekhouder 37
november - december 2013

Dagboekhouder 36
september - oktober 2013

Dagboekhouder 35
juli - augustus 2013

Dagboekhouder 34
mei - juni 2013

Dagboekhouder 33
maart - april 2013

Dagboekhouder 32
januari - februari 2013

Dagboekhouder 31
november - december 2012

Dagboekhouder 30
september - oktober 2012

Dagboekhouder 29
juli - augustus 2012

Dagboekhouder 28
mei - juni 2012

Dagboekhouder 27
maart - april 2012

Dagboekhouder 26
januari - februari 2012

Dagboekhouder 25
november - december 2011

Dagboekhouder 24
september - oktober 2011

Dagboekhouder 23
juli - augustus 2011

Dagboekhouder 22
mei - juni 2011

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Wegkomen

Vice-voorzitter Donner van de Raad van State is van mening dat GeenPeil een bedreiging is voor de rechtsstaat. GeenPeil maakt een farce van de regel dat parlementariërs ‘zonder last’ dienen te spreken en stemmen en wat GeenPeil van plan is, is om uitsluitend op last van de kiezer te stemmen. De parlementariër als levend stemkastje, dat is het beeld dat GeenPeil van zichzelf schetst. Daar moeten we GeenPeil dankbaar voor zijn. Het is de hoogste tijd dat de zaak eens op scherp wordt gezet. We hebben al de Leider die in naam van het Volk spreekt en stemt, dus waarom GeenPeil de bedreiging zou zijn die Wilders kennelijk niet is ontgaat me. Willekeur is willekeur.

Merkwaardig is bovendien dat de het summum van spreken en stemmen op ‘last’, de fractiediscipline, ongenoemd blijft bij Donner, zeker nu gisteren door de Tweede Kamer is besloten de afsplitsingen van fracties het leven zuur te maken, de mensen te bestraffen die het wat al te gortig vonden om zich te blijven voegen in de hen opgedragen last om dit te doen en dat te laten, die zich, ongetwijfeld om hen moverende redenen, plotseling weer hun grondwettelijke taak herinneren. Applaus verdienen ze, en ze oogsten ondank. Het is willekeur.
Zijn ze eindelijk zzp-er geworden en nog of zelfs juist worden ze gestraft door hun voormalige opdrachtgever – die uiteraard ontkent opdrachtgever te zijn. Willekeur is in opmars.

Willekeur, ben ik bang, wordt het nieuwe recht en nergens beter kan ik dat controleren dan aan de hand van het gemier over de wettelijke positie van de zzp-er. Let wel, de zzp-er heeft helemaal geen wettelijke positie, de werknemer heeft die wel en het heeft er alle schijn van dat de Tweede Kamer van plan is de wettelijke positie van de werknemer gelijk te schakelen met de positie van de zzp-er, en dat dan het nieuwe arbeidsrecht te noemen. Mocht de Tweede Kamer in deze opzet slagen dan sanctioneert de Kamer contracten die zelfs als schaamlap voor de feitelijk te verrichten arbeid het papier niet waard zijn waarop ze geschreven worden. Dergelijke contracten worden dan de nieuwe wet die het staande arbeidsrecht aan de kant zal schuiven. Kijk Jansen, zegt de opdrachtgever, ik wil dat je je precies houdt aan alle instructies maar we zetten in het contract dat er van een gezagsverhouding geen sprake is, dat je geen loon krijgt maar een voorschot op het factuurbedrag dat je maandelijks in moet sturen (maak je geen zorgen Jansen, wij bereiden dat helemaal voor je voor en voorlopig brengen we je er ook geen kosten voor in rekening), en dat je zelf beslist over je eventuele vervanging. Snap je? Dan komt het allemaal in orde, en er kraait geen haan naar.

De commissie Boot heeft vorige maand een paar criteria aangegeven om te kunnen vaststellen wanneer sprake is van zzp-schap. Onwerkbare criteria die, zouden ze worden ingevoerd, de zaak nog overzichtelijker zullen maken. Ik noem er eentje: volgens Boot mogen we aannemen dat als we in een bedrijf een professional aantreffen die 50% boven het cao-loon krijgt uitbetaald, we te maken hebben met een zzp-er. Ligt het eronder dan is er sprake van een dienstbetrekking en ben je dus geen zzp-er. Ik vraag me af: hoe verzin je het? Een percentage dat is losgezongen van schaarsteverhoudingen? Een percentage dat ervoor zorgt dat het eerbiedwaardige leerstuk van de ‘efficiënte lonen’ naar de ratsmodee zal gaan? Nee, doe het vooral zo en je draagt, met de beste bedoelingen ongetwijfeld maar toch, bij aan de verdere complicering van de kwestie.

Toch, ik lees al voortdurend dat het zeer gecompliceerd is om vast te stellen of er sprake is van gezag, loon en vrije vervanging. Dat is een leugen. Het is misschien gecompliceerd om te achterhalen wat die en die, dan en dan, en daar en daar en voor wie heeft gedaan en hoe zich dat verhoudt tot het contract, maar het is slechts gecompliceerd omdat de opdrachtgever het zo gecompliceerd voor de Belastingdienst kan maken als hem goed uitkomt en de opdrachtnemer lang niet altijd in de positie verkeert om bezwaar te durven maken.

De Belastingdienst is er niet bij als het contract wordt opgesteld en ook niet als de arbeid wordt verricht en is dus afhankelijk van de eerlijkheid van de opdrachtgever. Omdat de opdrachtgever er alle belang bij heeft om de Belastingdienst te laten geloven dat hij alleen maar zzp-ers is dienst heeft, is de kans dat de geleverde informatie is bijgekleurd levensgroot. Een uitgebreide en regelmatig en vooral ook onaangekondigd optredende Inspectie zou het de opdrachtgever minder aantrekkelijk moeten maken te liegen, maar die Inspectie hebben we nooit gehad en tegenwoordig is die Inspectie kleiner en ineffectiever dan ooit. Je zult er de opdrachtgever niet over horen klagen. De Tweede Kamer ook niet. De staatssecretaris van Financiën evenmin. En de minister van SZW? Wordt hij de minister die de geschiedenisboeken ingaat als de man die het arbeidsrecht moderniseerde of afschafte?

Dat staat vandaag op de agenda van de Tweede Kamer. Voor modernisering is het aan de late kant. Voor afschaffing is het, mijns inziens, niet alleen veel te vroeg, maar ook worden er volstrekt oneigenlijke argumenten voor gebruikt. De vraag is hoe hebberig de VVD is. Als de VVD meegaat met D66 en nog wat partijen ontstaat er een kamermeerderheid, heeft de PvdA het nakijken en komt die partij voor de beslissing te staan om de ontrouw van de VVD te pareren met het, op een veel te laat en extreem ongunstig moment, opblazen van de coalitie.
Het zou zo maar kunnen dat de PvdA in die positie wordt geplaatst. Dan nog denk ik dat het niet tot het opblazen van de coalitie leidt en dat de VVD ermee wegkomt.

8 december 2016

=0=

 

Bijgeloof

Aan het begin van de oratie van Gerrard Boot (Zzp-ers: flexibiliteit, bescherming en zekerheid, 2012) tref ik een anecdote aan. Einstein bezoekt Bohr en ziet boven de deur van diens zomerhuisje een hoefijzer. Niels, zegt hij, daar geloof jij toch niet in? Nee hoor, is het antwoord, maar ik heb gehoord dat het ook werkt als je er niet in gelooft. Het is een mooie anecdote, en heel goed gekozen in een verhandeling over zzp-ers. Zet een bordje ‘gelijke beloning voor gelijk werk’ boven de toegangspoort tot de arbeids- en de opdrachtenmarkt en je weet dat je met bijgeloof bezig bent. Niemand die het gelooft en toch werkt het. Hoe? Omdat het academisch is. Doordat er geen sprake van gelijk werk is. Niemand gaat onder die poort door. Waarom werkt een hoefijzer boven de deur? Omdat er nooit een duivel onderdoor gaat.

Er is geen sprake van gelijk werk, omdat een zzp-er moet werven voor elke klus, en een werknemer wel moet werven voor een baan maar als gevolg daarvan een serie klussen krijgt opgedragen die hij maar heeft uit te voeren. Daarom noemen we een zzp-er ‘vrij’. Hij betaalt voor die vrijheid met acquisitiekosten, die de werknemer niet heeft, en met de kosten van het zenden van een rekening en het bijhouden van een administratie, kosten die de werknemer ook al niet heeft. Om het niet te gek te maken heeft de zzp-er van overheidswege recht op een aantal fiscale voordelen waarvan de zelfstandigenaftrek de bekendste is. De aftrek is natuurlijk ook bedoeld om de gevolgen van de onregelmatigheid in de inkomsten van de zpp-er te verzachten.

Maar dan zijn we er nog niet. We kunnen niet zeggen dat zonder de acquisitiekwestie en zonder de inkomensonregelmatigheid de zzp-er en de werknemer gelijk werk verrichten. Er zijn dan nog twee beertjes op de weg: de vervangbaarheid en de gezagsrelatie. De beertjes bij elkaar staan voor de grote beer van het arbeidsrecht, het recht dat ooit bedoeld was om de arbeidsmarkt in te kaderen, het recht dat nu op de schopstoel moet om plaats te maken voor nieuw recht, voor het nieuwe recht dat de arbeidsmarkt niet inkadert maar bedient. Het ontslagrecht en de loondoorbetaling bij ziekte zijn voorbeelden van inkadering, het afschaffen van beide zijn voorbeelden van een de markt dienend arbeidsrecht. Men ziet in de Tweede Kamer al partijen die voorsorteren op een nieuw kabinet dat dit varkentje wel even zal wassen: VVD, CDA, D66, Groen Links, CU en SGP zijn van mening dat flexibiliteit (geen juridisch maar een economisch criterium) de doorslag moet geven.

Asscher heeft het vizier op de buitenlandse werknemer gericht. Gelijk loon voor gelijk werk is zijn leuze. Die leuze deel ik. Tegelijkertijd vind ik de leuze ‘gelijke beloning voor gelijk werk’ op dit moment urgenter. Wat Asscher aan de kant van een eerlijker Europese arbeidsmarkt hoopt te winnen gaat hij verliezen aan de kant van een arbeidsmarkt die door de flexmarkt wordt opgepeuzeld. Nu staat het arbeidsrecht nog in de weg maar dat zal er na volgend jaar anders uit gaan zien. Wiebes heeft de wet DBA tot 2018 geparkeerd, dus voor die tijd moet er wat geregeld worden. Met de genoemde partijen moet dat geen al te groot probleem zijn. Iedere werknemer een werkondernemer, en wie heeft er dan nog behoefte aan zoiets ouderwets als gezag en het neefje daarvan, de vraag over wie beslist over wie wie mag vervangen? Hans de Boer niet, en als hij het vindt vinden alleen al daardoor tal van politici het ook.

Gelijke beloning voor gelijk werk zal er niet komen. Met de zzp-er als de toekomstige modelwerknemer vervalt de relevantie van een minimumloon, van een cao, van de avv. Markten belonen geen inspanning, geen hard werk, geen onderlinge vergelijkingen, geen voor wat hoort wat. Markten belonen alleen succes en succes heb je als je iets doet waar anderen op aanslaan. Dat weet je alleen achteraf.

Als je hard werkt en je krijgt niks dan moet je niet zeuren, dan moet je beter je best doen. Het worden tijden voor VVD-tegeltjeswijsheden. Geen hoefijzers meer in ons verlichte land, wel tegeltjes. Daar kun je niet onderdoor en het hoeft ook niet. Binnenkort. Met een nieuw kabinet.

7 december 2016

=0=

 

 

Subcultuur

Ik kom uit de tijd van de subcultuur. Tegenover de subcultuur stond geen supercultuur, wel een dominante cultuur. Dat dominant werd niet massapsychologisch geduid maar eenvoudig statistisch: subculturen zijn qua omvang kleiner dan dominante culturen.

Of daar iets van klopte weet ik niet, maar omdat subcultuur meestal werd beschouwd als iets van je jeugdjaren maakten weinig mensen zich er zorgen over. Het zou wel overgaan en dan moesten we een nieuwe subcultuur verwachten, geleefd door een nieuwe generatie jongeren. Dat samenvallen van jeugdcultuur en subcultuur heeft het inzicht in jeugd noch cultuur bevorderd (zo denk ik dat motorclubs een eigen subcultuur hebben en dat je in die clubs voornamelijk jongeren vindt is onzin en zo denk ik dat de jazz lange tijd een eigen subcultuur representeerde die weinig met leeftijd te maken had).

Het aardige van de subculturen was dat je je bij verschillende ervan kon aansluiten en dan ook goeie maatjes kon blijven met de ‘dominante’ cultuur, en dat kon je omdat je je zo kon gedragen dat je ook daar bij hoorde. Dat station hebben we inmiddels wel achter ons gelaten. We hebben van het cultuurbegrip een etnisch begrip gemaakt en daarmee bedoel ik niet alleen dat een etniciteit een eigen subcultuur kan hebben, ik bedoel er voornamelijk mee dat cultuur als zodanig etnisch is geworden.

De discussie over Zwarte Piet is een voorbeeld. Daarmee zijn subculturen geen subculturen meer maar minderheidsculturen binnen een meerderheidscultuur – en als je dat zegt, zeg je tegelijkertijd dat cultuur politiek is en dat daaruit voortvloeit dat de meerderheid de minderheid op z’n nummer mag zetten. Dat doe je natuurlijk alleen als je je als meerderheid bedreigd voelt, dat je je aangevallen voelt door minderheden en dat je dat misschien een tijdje hebt getolereerd maar dat je nu vindt dat het afgelopen moet zijn. Ook een meerderheid heeft rechten en kan, bovendien, die rechten doen gelden, hoezeer ook de kosmopolieten hen daarvan af willen houden en hen imprenten dat het helemaal fout is wat de meerderheidscultuur wil. Eerder omgekeerd zou je daaruit mogen afleiden dat het alleen al daarom, alleen al vanwege die kosmopolieten met hun oikofobie, juist zo nodig is om de meerderheidscultuur te redden.

Meerderheidscultuur verdient ook alle steun, kopt de Volkskrant van 3 december boven een artikel van Ruud Koopmans. Het combineert het gebruikelijke huilie-huilie van de rechterkant, het slachtofferachtige van de schreeuwlelijks die zoveel kabaal maken dat ze zichzelf niet meer verstaan en die daarna gaan klagen dat ze niet gehoord worden met de reële zorgen over kleine talen in grote eenheden zoals de EU die naar een voertaal op zoek zijn, en zoals in een geglobaliseerde wereld die, talig, een geatrofieerd en levenloos Engels bevoordeelt en in dezelfde beweging andere talen marginaliseert. Die combinatie stuit me tegen de borst, net zoals me de etnicisering van de cultuur tegen de borst, net zoals me de politisering van de cultuur tegen de borst stuit.

En het staat me tegen dat de aanvankelijk zo hoopvolle culturele impuls van het Europese project door Koopmans moeiteloos op één hoop wordt gegooid met ‘onze’ Zwarte Piet. Of is dat de prijs van een etnisch en politiek gepolariseerd cultuurbegrip, dat zich, net als de nationale politiek, gemakkelijk neerlegt bij de commerciële globalisering van alles en struikelt over een onbekende kiezel in het eigen voortuintje?

4 december 2016

=0=

 


Represaille

‘Als een elite ergens uit bestaat, dan uit mensen die kunnen zeggen wat ze vinden, zonder te hoeven vrezen voor represailles, omdat een represaille het belang van haar of zijn werk bevestigt. Een kunstenaar die de mond wordt gesnoerd, ziet het belang van zijn werk toenemen. De politicus die Vrijheid als motto heeft, leest in elke vrijheidsbeperking het belang van zijn programma.’ Deze zinnen tref ik aan in een column, gisteren, van Simone van Saarloos, in Vrij Nederland. Sommige represailles zijn schadelijk, andere represailles zijn profijtelijk. Een werknemer die op Facebook wat onaardig over zijn chef meldt wordt ontslagen, een politicus die meent dat het rechtsstelsel er voor zijn vrijheid is en niet voor die van de anderen spint goed garen bij zo’n mening. Zo’n politicus is elite en als dat vijfduizend euro kost geeft dat precies aan hoe goed je het hebt als je bij de elite hoort. Zeker ook in tijden dat het bon ton geworden is om vanuit de elite de elite te beschimpen. Simone van Saarloos heeft het bij het rechte eind.

Met het elitecriterium van Van Saarloos weet je als lid van de elite onmiddellijk wat je te doen staat. De elite leeft bij de gratie van het voorrecht van de profijtelijke represaille en dat moet je in een rechtsstaat en in een democratie niet willen hebben, dat voorrecht. Of niemand dat voorrecht of iedereen. In het geval van niemand (verreweg de eenvoudigste variant) zou ons dat in elk geval het eindeloze gemier besparen over de vraag of een proces tegen Wilders een proces tegen de rechtsstaat en de democratie is. Dat is het niet, en omgekeerd is het niet vervolgen van Wilders een belediging van de rechtsstaat en de democratie. In het geval van iedereen zitten we bij de ingewikkelde variant. Het komt erop neer dat iedereen die een werknemer ontslaat omdat die zijn mond opendoet om zijn chef, zijn werkgever, zijn werk belachelijk te maken of, nog bedreigender, om zijn chef te belagen met de verontwaardiging van de klokkenluider, dat iedereen die zo’n werknemer ontslaat zelf ontslagen moet worden. Op staande voet en zonder enigerlei compensatie. Ik hoor er de verdedigers van de vrijheid van meningsuing zelden over.

Iedereen dezelfde vrijheid van mening toestaan, waar die iedereen zich ook bevindt en bij welke gelegenheid dan ook onze iedereen iets meent te moeten zeggen – ook al vinden, enerzijds, talloze mensen dat het toppunt van smakeloosheid, en ook al maakt het, anderzijds,  het liegen in ondernemingen en andere bestuursorganen moeilijker – is een libertaire droom waartoe slechts weinigen zich durven bekennen. In theorie misschien nog wel een paar, en in de praktijk: waar vind ik ze? Liever het recht van de grote bek, het recht om anderen te overschreeuwen, het recht op verbale intimidatie en beledigende kleinering, liever dat dan een voor iedereen toegankelijk en feitelijk ook bereikbaar en dus realiseerbaar recht op vrije meningsuiting: dat is het credo van een elite die ontkent elite te zijn en die te kortzichtig is om dat niet als een zelfontkenning te begrijpen maar die de ontkenning begrijpt als het recht om anderen te ontkennen.

2 december 2012

=0=

 

 

Winnen

Een paar regels over een probleem dat me al lange tijd bezighoudt. Een puzzel waar ik maar niet helemaal en waar ik zeker niet afdoende uitkom. Niet dat de wereld er anders, laat staan: beter, van wordt als ik die puzzel weer eens voorleg, maar iets dat blijft intrigeren is alleen al daarom de moeite van die enkele regels waard. Bij deze.

Dit is het probleem of de puzzel: waarom wint het kapitaal van de arbeid? Ik geef het antwoord dat John Roemer geeft en zal uiteen proberen te zetten dat hij een slecht antwoord geeft. Dus, waarom? Omdat, zegt John Roemer, ‘capital is scarce relative to the available supply of labor, and workers must bid for the right to use that scarce capital, which provides them with a wage’ (John Roemer, “socialism; new perspectives”. The New Palgrave Dictionary of Economics. Basingstoke and New York, Palgrave MacMillan 20082).

Niet alle arbeiders kunnen op het kapitaal worden losgelaten, ze moeten zich aanbieden, niet elk aanbod is acceptabel – en daarom is kapitaal schaars. Sommige arbeiders moeten buiten blijven en omdat dat geldt voor elk kapitaal kunnen we afleiden dat kapitaal en werkloosheid tweelingen zijn. Schaars? Wat is schaars? Laat ik uitgaan van de gangbare economische omschrijving van schaars (een omschrijving waar Roemer, en met hem de gehele groep van het ‘analytische marxisme’, bij aan zal sluiten) en dan betekent schaarste dat kapitaal meer gebruiksmogelijkheden heeft dan arbeid.

Schaars is iets als er meer gebruiksmogelijkheden dan bronnen zijn, meer investeringsmogelijkheden dan leenkapitaal, meer wenselijkheden dan middelen. Dat is waar, ook in dit verband, ‘schaars’ op neerkomt. Met een hamer kun je op van alles en nog wat slaan, maar een timmerman moet timmeren, anders wordt het niets. Het aantal gebruiksmogelijkheden van de hamer is groter (een hamer hebben we bij gelegenheid allemaal nodig) dan het aantal gebruiksmogelijkheden van de timmerman (de timmerman hebben we niet vaak nodig en als we hem al nodig hebben dan slechts voor een enkel klusje). Zou Roemer daar op doelen?

Ik denk van niet. Roemer beschrijft zijn overwegingen in termen die van arbeiders en kapitalisten intentionele actoren maken, actoren die hun eigen geschiedenis schrijven, zij het binnen een merkwaardig script, een script dat uitgaat van een ‘wat anders’ redenering. Het kapitaal moet wel schaars zijn want anders zou arbeid schaars moeten zijn en dan hebben we geen kapitalisme meer, of in elk geval geen kapitalisten: ‘[w]ere labor scarce, then capital would have to bid for labor, and profits would be bid down to a minimal level, at which capitalists were indifferent between continuing to own capital and becoming workers’. Dus als arbeiders met hun arbeidskracht van alles kunnen en daar door de kapitalisten van af gebracht moeten worden om in plaats daarvan alleen nog te doen wat de kapitalist uitkomt (en omdat anders de kapitalist alles zelf moet doen), ja dan is arbeid schaars en kapitaal niet of althans minder schaars dan arbeid. Dat is raar.

Bij Marx omsluit het kapitaal in het kapitalisme zowel het constante als het variable kapitaal, dus zowel de productiemiddelen als de arbeidskracht en dat houdt in dat de arbeid zonder dat kapitaal (dus zonder het voorschot van het loon en zonder toegang tot productiemiddelen en in de loop van het kapitalisme ook nog zonder de aanwijzing en het toezicht van de kapitalist) helemaal niets kan. Er is geen arbeid zonder kapitaal in het kapitalisme. Het omgekeerde gaat ook op, uiteraard en ik meen dat je daaruit mag afleiden dat de twee extremen alleen maar aangeven dat het de specifieke relatie kapitaal-arbeid is die logisch voorafgaat aan zowel ‘kapitaal’ als ‘arbeid’, dat het die relatie is die de componenten ervan specificeert en niet omgekeerd (net zoals je geen werkgever en werknemer hebt zonder de die verhouding specificerende arbeidsrelatie en net zoals je geen opdrachtgever en zzp-er hebt zonder de die verhouding specificerende opdrachtrelatie). En dat houdt dan in dat ook schaarste een relatie is en dat schaarste in een kapitalistische economie betekent dat als het er op aankomt de arbeid eerder het loodje legt dan het kapitaal, dat de arbeid zich best ‘schaars’ kan maken maar zich dan eerder vroeger dan later voor de keus gesteld ziet om te verhongeren of in te binden en dat de kans dat dit laatste optreedt groter is dan de kans op het eerste. Inderdaad, de relatie die schaarste specificeert is niet alleen die tussen altijd beperkte middelen en altijd onbeperkte behoeften, het is ook de historische relatie tussen een economie van de altijd weer aanwezige economie van het tekort en de veel modernere economie van het surplus waarvoor wij de paradoxale en vooral ook anachronistische benaming van de schaarste hebben bedacht, de economie waar je moet kiezen hoe je je middelen besteedt, de economie waar je wordt opgezadeld met de twijfel of je je middelen wel goed hebt besteed, met het knagende gevoel dat je ze misschien beter anders had moeten besteden: de economie van rupsje-nooit-genoeg.

Mij ontgaat het dwingende van de schaarsteredenering van Roemer (en ik denk dat de aankleding van een intentionele redenering in een ‘wat anders’ jasje daar iets mee te maken heeft) en mij ontgaat ook de verklaring van het waarom van de kapitaalschaarste die Roemer poneert: het ‘reserveleger’ (Roemer, o.c. 20082). Dat reserveleger hoort erbij, geen twijfel aan. Maar ik blijf zitten met het ‘schaarse’ van het kapitaal. Wanneer alles kan, maar niet alles tegelijk, dan is er sprake van ‘schaarste’, want dan moet je je bronnen zo verdelen dat wat je vandaag het belangrijkste vindt vandaag ook het eerste voor verwerkelijking in aanmerking komt en de rest moet dan maar wachten (wanneer niet alles kan dan is er sprake van tekort). Ik denk dat het renteverschijnsel ook langs deze lijn tot stand kan komen en kan worden uitgelegd (rente hoort in een economische omgeving die niet langer door tekorten wordt gedefinieerd en wel door schaarste – bij een economische tekortenomgeving hoort enerzijds het verschijnsel van de woekerrente en anderzijds de moraal van het renteverbod).

Rente is beloning voor uitstel van je eigen consumptie opdat en indien iemand anders met jouw geld aan de slag kan/wil in de verwachting daar beter van te worden – en die ander betaalt voor dat voorrecht een rente, waarmee jij in een volgende ronde nog meer van je eigen voorkeuren kunt najagen en ook nog wat overhouden om opnieuw als uitlener op te treden. Wanneer die ander bij jou aanklopt om met het van jou te verkrijgen geld voornamelijk rente op eerdere schulden te betalen en jij leent hem dat bedrag ook nog dan weten we dat er kennelijk voor jouw geld geen productieve bestedingen meer bestaan (vandaar een rentestand die tot nul is genaderd) en dan weten we dat als dit niet eenmalig en klein maar veelvuldig en grootschalig optreedt we op weg zijn naar, in de bewoordingen van Dirk Bezemer, een nieuwe feodaliteit en daarmee nieuwe renteniers die zich voeden met woekerrentes. De gelijktijdigheid van tegenwoordig,  een nulstand-rente op de kapitaalmarkt en een woekerrente op de consumentenkredietmarkt, is deel van een kapitalisme dat behalve schuldslavernij aan veel mensen niets meer te bieden heeft. De gelijktijdigheid creëert ressentiment. Daar hoort, zoals de Amerikanen nu te wachten staat, in politieke zin een sterke man bij, en uiteraard een legertje vazallen. Maar dit en marge.

Hou me ten goede, ik neem geen afscheid van het ‘reserveleger’, ik neem afscheid van de redenering die Roemer bij zijn reserveleger brengt. Ik denk dat zijn redenering op een methodologisch misverstand berust. In de traditie waar Roemer bij hoort, de traditie van het ‘analytisch marxisme’, regeert het ‘methodologisch individualisme’, de methodologie van het intentionele (als onderscheiden van het causale en het functionele) verklaringsprogramma. Het mag vanzelf spreken dat als gevolg hiervan het individu (vergeleken met de collectiviteit) de voorrang mag opeisen. Vandaar dat we bij Roemer (en bij Elster en bij Cohen enz.) een nadruk op arbeiders en kapitalisten en hun motivaties (‘rationele keuze’) aantreffen en niet – zoals bij Marx – een nadruk op arbeid en kapitaal (met personen die niet als individuele en actieve ‘agenten’ maar alleen als passieve, collectieve ‘karaktermaskers’ worden aangeduid) die door hun functionele betrokkenheid op elkaar een, het kapitalisme specificerende, relatie van arbeid en meerarbeid (kapitaal) aangaan en ontwikkelen. Functioneel noodzakelijk in die relatie is ook het arbeidssurplus, de surplusbevolking die beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, kortom het reserveleger: om de belofte van de meerarbeid te realiseren is de aanwezigheid van een surplusbevolking onmisbaar.

Zo lang het kapitaal in staat is om uit verschillende vaatjes te tappen (dus om ook op het vlak van het werk en niet alleen op dat van het product verschillende gebruiksmogelijkheden te vinden om in te investeren), uit het vaatje van de arbeidsrelaties zowel als uit het vaatje van de opdrachtrelaties, blijft het kapitaal ‘winnen’. Het ‘reserveleger’ is groter dan ooit en wordt steeds minder gehinderd door nationale en, met name, door communicatieve grenzen: het reserveleger is steeds beter, sneller en eenvoudiger bereikbaar, waar we ons ook bevinden. Beter, sneller en eenvoudiger: daar zit een markt in, zullen we maar zeggen en die markt is een markt die we zonder communicatie (online realtime media zowel als de communicaties zelf) niet eens zouden kunnen bedenken.

Dat brengt me bij de tweede beperking van het methodologisch individualisme: zijn nadruk op handelingen, een nadruk die we maar beter kunnen vervangen door een nadruk op communicaties. Laat me dat illustreren aan de hand van het gedoe over gezag (een arbeidsrelatie is een statuscontract, een opdrachtrelatie is een doelcontract) en over het daarmee verbonden thema van de vervanging (een werknemer mag zich in principe niet laten vervangen, een opdrachtnemer in principe wel). Waarom speelt dat nu zo hoog op?

Nu, gezag heeft twee kanten: opdrachten en toezicht. De opdrachten kunnen tegenwoordig moeiteloos wereldwijd worden uitgedeeld, maar met het toezicht lukt dat niet. Zelfs al zou het technisch realiseerbaar zijn, dat wereldwijde toezicht op alles, dan nog zouden de kosten de baten vermoedelijk verre overschrijden (de communicatieve investeringen voor microtoezicht in hardware en in registratie-, analyse- en meldingsarbeid zijn vermoedelijk te hoog om rendabel te zijn, maar wat niet is kan komen).

Dat is de reden dat opdrachten exact moeten worden omschreven en dat de beoordeling alleen het product dan wel de dienst betreft en niet het proces dat uitmondt in het product of de dienst. Wie het doet is vanuit de opdrachtgever bezien onverschillig, de opdrachtgever betaalt voor het product en daarbij geldt dat de prijs telt, en niet de persoon. Dat is dan tegelijk het verschil met de arbeidsrelatie: daar hoeft vooraf niet te worden omschreven wat het doel is (in termen van producten dan wel in termen van processen maar in ieder geval in termen van processen) want dat kan en gebeurt al doende en juist daarom heeft de werkgever belang bij de persoon die het werk verricht en voor hem is daarom die persoon niet zomaar inwisselbaar.

Het toezicht, kortom, heeft te maken met communicatieve beperkingen die het verstrekken en aannemen van opdrachten niet kennen. Bij opdrachten is de grens technologisch en wordt bepaald door de separeerbaarheid van de diverse elementen en processen die tot een vooraf vastgelegd resultaat moeten leiden. Bij toezicht is de grens niet zozeer technologisch als wel communicatief. Daar kun je de regel uit afleiden dat naarmate de communicatieve beperkingen van het toezicht afnemen en misschien wel verdwijnen, het bereik van de arbeidsrelatie meer en meer zal krimpen en het bereik van de opdrachtrelatie zich meer en meer zal uitbreiden.

Men zegt dat het analytisch marxisme niet meer bestaat. Het kwam op in de jaren tachtig van de vorige eeuw en heeft de eeuwwisseling niet echt overleefd. De aanhangers ervan hebben het analytische bewaard en het marxisme teruggebracht tot een normatief filosofisch project. Ik denk dat ze daarmee het kind (Marx) met het badwater (het ‘marxisme’) hebben weggegooid. Ze hadden er beter aan gedaan hun methodologisch individualisme bij het grootvuil te zetten. Het mag een geruststelling heten dat het voor de winst van het kapitaal allemaal geen bal uitmaakt.

1 december 2016

=0=

 



Achtertuin


Als er iemand in jouw achtertuin bezig is dan hoef je dat niet te pikken. Dat verklaart de Amerikaanse invasies in Guatemala in 1954, die in de Dominicaanse Republiek in 1965 en die in Panama in 1989. We hebben natuurlijk ook nog de Varkensbaai in 1961, Grenada in 1983, het gekuip in Chili, in Nicaragua, in Venezuela. De Amerikanen hebben strikte opvattingen. Ben je rechts dan mag je spelen in hun achtertuin, ben je links dan mag het niet en dan moet je zelf de consequenties maar dragen.

Een achtertuin is een tuin aan de achterkant van een huis en vallend onder dezelfde eigenaar als die van het huis. Er zijn misschien wel meer mensen met een tuin achter hun huis die niet van hen is en die dus ook geen achtertuin van hen is dan mensen met een echte achtertuin. Wanneer wat het geval is mag met enige regelmaat door de rijdende rechter worden uitgemaakt want het vaststellen van grenzen is een vak apart en bovendien een vak waarvan je over de uitkomsten uitstekend kunt twisten. Maar dit geldt allemaal niet voor de VS. Die hebben geen achtertuin maar gedragen zich alsof heel Latijns-Amerika hun achtertuin is. Met recht: een grenzeloze onbeschoftheid.

Ik denk dat je de arrogantie van de macht heel goed kunt aflezen aan het met geweld opeisen van een ruimte die de jouwe niet is. Je kunt de arrogantie van de macht nog beter aflezen aan de brutaliteit waarmee je anderen verbiedt wat je jezelf toestaat. Dan bevinden we ons in de sfeer van de grootmachten. Een grootmacht, uiteindelijk, is een macht die zichzelf toestaat wat het anderen ontzegt, met geweld als het moet en soms met geweld als het niet per se moet maar toch nuttig wordt geacht omdat geweld bij tijd en wijle enige oefening nodig heeft – anders wordt het roestig.

De VS en de EU zijn van mening dat Rusland geen grootmacht is, dat Rusland wel opnieuw een grootmacht kan zijn, dat niets on verplicht daar aan mee te werken, en dat we daarom vinden dat Rusland niet meer mee mag doen in het landjepik van de achtertuin. De Russen denken daar anders over. De Cubanen dachten destijds anders over de achtertuinrechten van de VS en het heeft ze een eindeloze reeks aanslagen op Fidel Castro opgeleverd, een invasie, veel wapengekletter en een boycot van meer dan vijftig jaar. Ook daarin volgde Europa de VS slaafs, even slaafs als het de VS nu volgt aan de westgrenzen van Rusland. Wij, zo luidt de redenering, mogen dingen die anderen niet mogen en wij mogen het omdat wij democratisch en vredelievend zijn en zij niet. Onze waarden staan op het spel en met waarden moet je niet marchanderen. Over wat iets waard is gaat de markt, over wat waarde is gaat de waarde zelf en als die waarde ook nog kan beschikken over enige gevechtswaarde is dat mooi meegenomen.

Het zou zo maar kunnen dat Trump over Rusland iets realistischer is dan de meeste andere politici in de VS en hier. Trump heeft er geen moeite mee te erkennen dat Rusland een grootmacht is en dus net als de VS een achtertuin kan opeisen. Trump is daarmee voor de democratisering van onrecht want landen die een achtertuin willen kunnen dat slechts hard maken als ze bereid zijn recht te vervangen door macht en als we dat doen – en voor Trump mag ook Rusland het doen – dan vervangen we recht door onrecht. Daar kan weinig goeds uit voortkomen. Maar uit de rechtsongelijkheid van het achtertuinen-landjepik evenmin, zeker als die ongelijkheid op niet op recht maar uitsluitend op de macht van de wapenen rust. Kiest u maar: bent u voor de verdere verbreiding van onrecht dan wel voor de vereeuwiging van rechtsongelijkheid? Het lijkt mij een politieke keus bij uitstek. Geen wonder dat de politici het er liever niet over hebben. 

Opmerkelijk is het wel. Onze premier bedacht pas achteraf dat we het pact met Oekraïne om geopolitieke redenen (lees: het verhinderen van de Russische achtertuin) zouden moeten sluiten. Nu, zou ik zeggen, die geopolitieke redenen zijn met de komst van Trump aan enige herziening toe en daarmee zijn ook de argumenten voor dat pact aan herziening toe. Het pact was van levensbelang, zei Rutte, juist vanwege geopolitieke redenen. Die redenen zijn veranderd, dus hoe staat het nou met dat levensbelang? Ik hoor daar de premier niet over, ik hoor daar onder onze politici helemaal niemand over.

Die zijn vast bezig met het winterklaar maken van hun eigen achtertuin.

28 november 2016

=0=

 

 

Benoemd

Laat ik, om mee te doen, eens twee problemen in één beweging ‘benoemen’. Het eerste probleem is dat je met een populist niet kunt ‘debatteren’, het tweede probleem is dat er in dit land een heel leger van mensen bestaat dat meent dat je een populist niet links moet laten liggen maar dat je met de populist ‘in debat’ moet. Arm land. Nu hoor en lees ik weer dat Wilders’ ‘laatste woord’ een knap staaltje retorica was en ook nog eens inhoudelijk sterk.

Wat ik zelf hoorde was iemand die als een rechtgeaarde populist zijn mening naar voren bracht dat het volk met één stem spreekt en dat hij die stem is. Een stem voor de vrijheid van meningsuiting, die hij moet beschermen tegen rechters en rechtbanken die hem de mond willen snoeren en die daarom zelf geen enkele vrijheid van meningsuiting mogen hebben. De inconsequentie van een en ander valt Wilders en zijn entourage (van Holman, via Cliteur tot en met Knoops) niet op. Een rechter mag nergens een mening over uiten want doet een rechter dat dan weten Wilders en zijn entourage zeker dat ze daarmee ook hun juridische mening hebben geuit die ze naar al te graag in een rechtszaak zullen doorzetten. Bevooroordeeld zijn ze. En daarom mogen ze hun mening niet uiten en ook als ze dat niet doen zijn ze bevooroordeeld (het zijn en blijven vooruitgeschoven posten van D66) en dat weten Wilders en zijn kornuiten. Mogen ze lid zijn van een politieke partij? Nee, natuurlijk niet maar ze zijn het wel, ze zijn leden en sympathisanten van D66.

Gedachtenpolitie en Wilders c.s. zijn een twee-eenheid. Dat moet ook wel als je het contact met de wereld al zo ver bent kwijtgeraakt dat je meent dat je niet alleen de stem van het volk vertolkt, maar die stem ook bent. Een fictie (het ‘volk’) kun je proberen te vertolken, die fictie zijn is daarentegen uitgesloten, of, met de gedachtenpolitie nog in het achterhoofd, is op zijn minst buitengewoon bijzonder onwaarschijnlijk. Wilders is de populist die deze zowel statistische als, dat ook nog, sociaal extreme onwaarschijnlijkheid met een zelfverzekerdheid debiteert die wij vroeger met het beeld van iemand met een bord voor z’n kop afdeden en die tegenwoordig als retorisch briljant, demagogisch knap en inhoudelijk sterk opgeld doen. Wilders is de populist die beweert dat de stem van het volk niet gehoord wordt door de elite – dat is ook de omschrijving van de elite: je bent elite als je de de stem van het volk niet hoort – en hij is de populist die dat volk zozeer voor stupide verslijt, zozeer veracht, dat hij meent dat het volk, zodra het hem in staat heeft gesteld de elite in naam van het volk te verjagen, dat het volk dan wel gelooft dat het gehoord wordt. Door hem. Ik hoor jullie, zegt hij, ik ben jullie verkozene.

Dat is kenmerkend zelfbedrog waar we nog knap last van kunnen krijgen, nog veel meer dan nu al het geval is. Het volk houdt hij daarmee niet voor de gek want het volk weet maar al te goed dat het Wilders niet waardeert omdat zijn stem de stem van het volk is. Het volk weet heel goed dat het ‘volk’ de fictie van de populist is. Of de populist dat zelf ook weet, weet ik niet. Soms denk ik, niet altijd en wat Wilders afgelopen woensdag beweerde doet bij mij de mening postvatten dat hij steeds eenkenniger gelooft in z’n eigen wereld, dat bij hem wereld en wereldbeeld samenvallen, en als het eenmaal zover is is het al te ver gegaan.

Wat is een open samenleving? Dat is een samenleving die bijeen wordt gehouden door het besef dat er buiten ieders wereldbeeld nog altijd de wereld is. Wilders wil de open samenleving graag sluiten – hij erkent het onderscheid niet, omdat hij het niet meer herkent (of het ooit anders is geweest is een interessante onderzoeksvraag). In die sluitingswens staat hij niet alleen, hij dankt er zelfs zijn populariteit aan. Er zijn tal van mensen die om tal van redenen de deur in het slot willen gooien, en zij willen dat omdat ze ervaren dat de overheid aan de elementaire statelijke plicht (de plicht die ‘denk eerst aan je eigen burgers’ heet) steeds klunziger uitvoering geeft. De overheid is verdeeld en verward, de populist herkent daar z’n markt in en propageert eenheid en eenduidigheid die van eenkennigheid niet te scheiden is.

Het heeft misschien te maken met het isolement van de man. Een verklaring is dat overigens niet, gewoon een ‘factor’ die een rolletje speelt. Hij mag er graag aan refereren, het past bij het beeld van de man die alles over heeft voor zijn idealen en wie zou zo’n man in zo’n benarde situatie durven betichten van onwaarheid? Sterven voor je gelijk en sterven in het harnas, een serie met in de eerste twee afleveringen Jan van Schaffelaar en Jeanne d’Arc ten in de slotaflevering Geert Wilders. Tja, denk ik dan, daar hebben we alweer een probleem dat hoognodig eens ‘benoemd’ moet worden.

Gisteren overleed Fidel Castro, goed voor zeshonderd en nog wat aanslagen op zijn leven. Permanent bedreigd, dat heeft z’n beperkingen. Toch heb ik niet de indruk dat hij bij leven – en bij zijn dood ook al niet – werd geloofd omdat hij werd bedreigd. In Cuba niet en daarbuiten evenmin, daarbuiten al helemaal niet. Hij werd er ook niet om bewonderd, en de hier te lande regelmatig verkondigde zieligheid van Wilders – waar de leider overigens zelf graag aan meedoet als het zo uitkomt, zoals het uitkwam in zijn ‘laatste woord’ – is kennelijk een schaars goed dat niet iedereen kan worden toebedeeld. Sneu, alles bij elkaar. Wij leven in een zielig land. Wilders is zielig, de gedachte dat je met hem kunt debatteren is erg zielig, en de gedachte dat Wilders toch maar mooi ‘de problemen heeft benoemd’ is het zieligst van al.

27 november 2016

=0=

 

Vanzelfsprekend

‘Vanzelfsprekend gaat het daarbij niet om een zelfstandige professional bij wie er ruis is over de gezagsrelatie’. Ik lees het in het FD, de uitspraak is van staatssecretaris Eric Wiebes. Het is potsierlijke taal. Wiebes zal wel bedoelen dat er bij zzp-ers voortdurend onduidelijkheid bestaat over hun gezagsrelatie met de opdrachtgever. Wiebes noemt dat ‘ruis’, ongetwijfeld in de verwachting dat we wel mee zullen gaan in de gedachte dat ruis en onduidelijkheid twee kanten van eenzelfde medaille zijn. Wiebes verwacht van ons dat, als wij hem opdragen voortaan niet zulke onduidelijke wetten te maken, wij het met hem eens zullen zijn dat hij zal moeten streven naar een wet zonder interpretatieproblemen. Dat is gelul, Wiebes. Onduidelijke wetsteksten moet je niet willen en dus moet je je schamen voor die wet DBA. Wetsteksten zonder ruis willen hebben, Wiebes, is onmogelijk. Ruis hoort bij communicatie , geen communicatie zonder en waarom? Omdat communicatie in eerste en laatste instantie een sociaal gebeuren is (hoe technisch de zaak waarover wordt gecommuniceerd verder ook is of hoe economisch de economische communicatie met z’n fixatie op prijzen ook is), dus zodra techniek en economie gecommuniceerd worden, worden ze sociaal.

Bij sociaal hoort ruis. Niemand die kan zeggen dat zijn interpretatie de enig toegestane is en niemand die kan beweren dat zijn interpretatie voor anderen even goed te interpreteren is als voor hemzelf. Ben je in verwarring? Stel dan vast of dat komt door leugenachtige staatssecretarissen, door op onbegrijpelijkheid ontworpen bijsluiters, door verborgen Catch22 bepalingen, of gewoon omdat mensen er nu eenmaal verschillende interpretatiekaders op nahouden. En ja, dat de ruimte voor misbruik, misleiding, oplichting en bedrog dan ook meelift, wie zal het ontkennen? Wiebes misschien, maar dat is dan het gevolg van zijn technocratische gedachte dat communicatie zonder ruis mogelijk is en wat mogelijk is moet kunnen, dat zegt het liberalisme. Hij dacht natuurlijk ook een wet zonder ruis te hebben afgescheiden en is nu van mening dat het verzet dat zijn wet oproept een vermijdbaar verzet was als hij de wet van ruis had gezuiverd.

Eigenlijk, zegt de staatssecretaris  in het FD, was mijn wet ook best eenduidig, daar kwam de ruis dan ook niet vandaan, de ruis komt van de arbeidswet van 1907 waarin een gezagscriterium voorkomt waarmee we toen wel en nu niet meer uit de voeten kunnen. Daar kun je van mening over verschillen – mijn stelling is dat de staatssecretaris de bescherming die eigen is aan het arbeidsrecht wil opheffen, dat niet durft te zeggen en het daarom maar op het ‘gezag’ schuift dat uit de tijd en zo zou zijn. Wiebes is een gezagsdrager die van mening is dat wat hij draagt geen gezag maar ruis is.

26 november 2016

=0=

 

Bestwil

Leugentjes om bestwil (‘kleine witte leugens’, zeggen de Engelsen) zijn het voorrecht van mensen. Het zou organisaties (ondernemingen, verenigingen, overheidsinstellingen) verboden moeten zijn er gebruik van te maken en het zou ze al helemaal verboden moeten worden mensen te verleiden, of nog erger: te dwingen, tot het begaan van een leugentje om bestwil. Zo zou ik willen beweren dat de verklaringen over zzp-schap grotendeels een leugentje om bestwil zijn en dat, als we ons dat tot ons laten doordringen, we de ‘opdrachtgevers’ die zzp-ers op hun verklaring geloven en de wetgevers en uitvoeringsinstanties die dergelijke verklaringen eisen en toetsen allemaal een schop onder hun kont moeten geven. Ook een witte leugen is een leugen.

De tijd voor die tuchtiging (ik houd van de woorden van Reve) is gekomen. Dat heeft niets met Sinterklaas en alles met staatssecretaris financiën Wiebes en werkgeversvoorzitter Hans de Boer te maken. Alleen al het feit dat het om dit duo gaat geeft aan dat het foute boel is. Bij de zzp-ers gaat het niet om werkgevers maar om opdrachtgevers en bij zzp-ers gaat het niet om financiën maar om sociale zaken en werkgelegenheid. Degenen die zouden moeten spreken (de opdrachtgevers, de minister van SZW) doen dat niet en de protesten worden pas gehoor als de werkgeversbaas protesteert. En niet alleen protesteert, maar ook de richting aangeeft: het arbeidsrecht moet op de schop en dan in het bijzonder het gezagscriterium daarbinnen, het gezag dat van de werkende een werknemer maakt en van diens baas een werkgever. De staatssecretaris is onmiddellijk in de houding geschoten. Er werd al op gestudeerd en nu gaat er nog meer op gestudeerd worden.

Gestudeerd? Waarop ook weer? Het kan niet het gezagswoord zijn. Er is bij het verrichten van arbeid sprake van gezag zodra de opdrachtgever zich het recht heeft voorbehouden te kunnen interveniëren in het arbeidsproces. Is dat de situatie dan is de opdrachtgever ook werkgever en dan geldt het arbeidsrecht. Gaat de bevoegdheid van de opdrachtgever niet verder dan de controle op het afgesproken product dan is er alleen een opdrachtrelatie en geen arbeidsrelatie. Dat is allemaal heel eenvoudig en heel eenduidig vast te stellen – op voorwaarde dat er niet gejokt wordt, in welke vorm dan ook dus inclusief de kleine witte leugen om bestwil.

De overheid heeft met de VAR en tegenwoordig met de DBA het jokken geïnstitutionaliseerd door het verstrekken van de juiste informatie over wie waarop rechtens toeziet aan de belanghebbenden over te laten. Dat heet de kat op het spek binden. Wie zich het meest aan het spek te goed zal doen is eenvoudigweg een kwestie van krachts- en machtsverhoudingen. Over de uitkomsten moeten we ons geen illusies maken. Wiebes is alleen zo dom geweest zich daar wel enige illusies (hem ongetwijfeld ingefluisterd door zijn minister van SZW) over te maken. Dat heeft De Boer hem ingepeperd en nu is Wiebes schielijk zijn hok weer ingevlucht. Beschamend. Maar men moet wat over hebben voor een kabinet dat als enige ambitie heeft ‘de rit uit te zitten’.

Men hoeft de arbeidswet van 1907 niet aan te passen, althans niet wat betreft het gezagswoord. De aanpassing betreft niet de wet maar alleen de context van de wet. De arbeidswet van 1907 dateert van voor het stelsel van de sociale zekerheid en het is dat stelsel dat de tand des tijds steeds slechter doorstaat.

Waarom willen werkgevers/opdrachtgevers af van het gezagswoord? Nu, niet omdat ze geen aanwijzingen over het arbeidsproces willen geven want daar hebben ze nog altijd legio mensen voor in dienst. Nee, ze willen ervan af omdat indien er sprake van gezag is er ook sprake is van de plicht tot het betalen van sociale premies en, vanaf de andere kant bekeken, van het recht op sociale verzekeringsuitkeringen. Van die plicht worden werkgevers maar al te graag verlost en daarom huren ze zzp-ers in, transformeren zichzelf van werkgever in opdrachtgever, zijn goedkoop uit en zetten bovendien de werknemers die ze nog wel hebben onder druk: voor jou tien zz-pers.

Wordt er dan ook feitelijk geen gezag uitgeoefend? Welzeker wordt dat uitgeoefend maar als opdrachtgever en opdrachtnemer allebei ontkennen dat het zo is wordt er geen gezag uitgeoefend en hoeft er niet te worden betaald; we liegen omdat het gedrukt staat. Meer nog, de opdrachtgever weet dat de zzp-er een aantal belastingvoordelen mag incasseren waarmee de zzp-er zijn ontbrekende sociale zekerheden kan compenseren maar die natuurlijk niet immuun zijn voor de gretige calculaties van de opdrachtgever. Die profiteert twee keer. Eén keer door het niet-afdragen van premies, één keer door het afromen van het belastingvoordeel van de zzp-er. Ik begrijp dat de pensioenfondsen door hebben dat zij hun premies moeten verhogen, dat dit de werkgevers nog onwilliger maakt het ooit nog aan te leggen met een werknemer en dat opdrachtgevers daar – dat is zo vanzelfsprekend dat het niet eens meer wordt vermeld – niet op kunnen worden aangesproken.

Laat ik het zo zeggen. In de wereld van de arbeidsrelaties wordt heel heel heel heel veel minder gelogen dan in de wereld van de opdrachtrelaties. Dat is niet moeilijk aan te tonen. En daarom moet een volgend kabinet gaan studeren op een aanpassing van het gezagswoord en wel zo dat er in de toekomst geen touw meer aan vast te knopen zal zijn. Anders worden de werkgevers/opdrachtgevers boos.

25 november 2016

=0=

 


Oplichten

In een artikel van Jesse Frederik, vandaag in De Correspondent, wordt beschreven dat de ongelijkheid in ons land vermoedelijk groter is dan we denken. Het blijkt dat de rijken grootscheeps belasting ontduiken en het blijkt dat de belastingen hen daarbij bijzonder behulpzaam zijn. De kans dat er net zoveel aan belasting wordt ontdoken als er belasting wordt betaald is niet denkbeeldig en dat degenen die duiken grotere vissen zijn dan degenen die betalen is algemeen bekend. Maar om hoeveel het gaat, dat weten we niet. De belastingdienst schept de mogelijkheden voor selectief winkelen, het CBS registreert wat er daarna nog overblijft. Ik citeer: ‘Het CBS weet niet hoeveel de rijkste Nederlanders aan belasting ontduiken; hoeveel ze opsparen in hun eigen bedrijven; hoeveel ze aan zichzelf uitkeren boven een kwart miljoen euro; en of hun steekproef van Nederland de rijkste Nederlanders wel correct meeneemt.’ Lees het, laat het op je inwerken en wordt boos. Vergeet vooral dat laatste niet.

De belastingplichtigen staan de de informatie over wat ze hebben en wat ze verdienen ongaarne aan de overheid af. Vandaar dat de overheid het ons niet vraagt maar oplegt. Wanneer de overheid, van haar kant, het gemakkelijker maakt om met die informatie te sjoemelen ondergraaft ze haar eigen belastingmonopolie en in één en dezelfde beweging ondergraaft ze de burgerlijke belastingmoraal. Belastinginning en het opleggen van belasting staan en vallen met adequaatheid en volledigheid van de verstrekte en ontvangen informatie. Het alternatief voor adequaatheid en volledigheid is willekeur en niets is beter dan willekeur om het moreel te vernietigen en en passant ook de moraal uit te schakelen. De huidige informatiehuishouding van de overheid is noch volledig, noch adequaat. Belastinginformatie is in het reguliere geval het verschil dat oplicht zodat je kunt zien of je al dan niet moet betalen, het is in het huidige en al lang niet meer reguliere geval het verschil waarmee de oplichter wegkomt en waarvoor de reguliere belastingbetaler moet opdraaien. Het zou niet moeten mogen maar het kan en wat kan wordt gedaan. Waarom doet u dit? Omdat ik het kan en omdat het kan.

Dat het allemaal maar kan komt omdat informatie handelswaar is. Dat is het niet natuurlijk want niemand betaalt voor wat hij toch al weet, dus je moet er handelswaar van maken, bijvoorbeeld door er voorkennis van te maken, of een geheim, of een code met een sleutel waar je voor moet betalen. Een informatiemarkt denatureert informatie en die markt is daar inmiddels zo voortreffelijk in geslaagd dat niemand nog gelooft wat de productinformatie belooft of wat de overheidssite aan informatie biedt met betrekking tot inentingen of het zzp-schap, of, als was het een parafrase van artikel 1 van de Grondwet, met betrekking tot wat dan ook. Het begrip informatiemarkt is een even verneukeratief oxymoron als het begrip intellectueel eigendom en tegelijk zien we weinig markten die zo bloeien als die voor informatie en intellectueel eigendom.

Informatie is een publiek goed. Als het er eenmaal is kan iedereen er gebruik van maken zonder dat daarmee de voorraad voor anderen kleiner wordt en het is buitengewoon inefficiënt, en dus duur, om mensen van het gebruik ervan uit te sluiten. Zolang de informatie er nog niet is, dus zolang we nog niet weten of het verschil dat we willen maken ook echt een verschil is dat de moeite waard zal blijken, mogen we best vooor onze moeite een beloning vragen – als dat verschil makende verschil er inderdaad komt. Die beloning kan uiteraard geen marktvergoeding zijn; het zal een publieke vergoeding moeten zijn. Er is geen markt voor geopenbaarde informatie want eenmaal geopenbaarde informatie is bekende informatie en niemand is zo gek te betalen woor wat je toch al te weten bent gekomen.

Er is geen markt voor publieke goederen en daarom is een informatiemarkt is een onmogelijk ding. Toch bestaan ze. Er komen er zelfs steeds meer van, met dank aan de overheid. Als je bijvoorbeeld vermoedt dat regeling A beter voor je portemonnee is dan regeling B en je weet dat er tal van informatiemakelaars zijn (consulenten, adviseurs, actuarissen, juristen, econometristen, wiskundigen) die dat precies voor je kunnen uitrekenen dan ben je bereid voor die informatie – hoe openbaar die informatie in principe ook is – te betalen. Diezelfde makelaars kunnen je ook helpen voor de overheid verborgen te houden wat de overheid niet hoeft te weten of waarvoor de overheid, als ze het te weten zlou willen komen, simpelweg de capaciteit niet heeft of niet ter beschikking wil stellen. Een bloeiende informatiemarkt kortom. Open voor allen die het kunnen betalen. Niet iedereen kan betalen. Dat doet er niet toe als het om een publiek goed gaat, het doet er alles toe als het om een markt gaat.

Overheden en markten functioneren het best als de informatie waar ze van afhankelijk zijn betrouwbaar, volledig en begrijpelijk is. De informatie die we echter voorbij zien komen bij overheden en op markten is onbetrouwbaar, onvolledig en onbegrijpelijk, tenzij je bereid bent te betalen en daarmee het gebruik voor anderen te beperken of op z’n minst te ontmoedigen.
Inefficiënte markten, ongeloofwaardige overheden. Het zijn gouden tijden voor oplichters.

24 november 2016

=0=

 

Richting

En nu zijn we al zover dat ik moet aannemen dat de vrijheid van meningsuiting belangrijker is dan de vrijheid. Wat is vrijheid? Vrijheid is in de allereerste plaats de vrijheid van beweging. De vrijheid van beweging is pas af met de vrijheid van meningsuiting. Omgekeerd is vrijheid van meningsuiting zonder vrijheid van beweging een gemankeerde vrijheid van meningsuiting.

Wij leven in het land van de gemankeerde vrijheid van meningsuiting, een vrijheid die nogal eens wordt misbruikt om de vrijheid van beweging van anderen te belemmeren. Hou ze tegen, verbied ze de toegang, gooi ze eruit, het zijn steeds populairder kreten. De vrijheid van meningsuiting als wapen om de bewegingsvrijheid van anderen tegen te gaan. Treurig. Op zichzelf al en extra treurig als de vrije mening wordt geventileerd dat er geen belangrijker vrijheid is dan de vrijheid van meningsuiting.

Ik heb het over dorpsnar Theodor Holman. Die schrijft (afgelopen zaterdag in het Parool): ‘In een democratische rechtsorde is de vrijheid van meningsuiting niet een groot goed, maar het grootste goed. Overtreffende trap! Want noodzakelijk voor diezelfde democratie.’ Grote woorden, ongetwijfeld van iemand die zich geen zorgen hoeft te maken over zijn bewegingsvrijheid. Althans, geen zorgen over de staat, die hem ongetwijfeld geen strobreed in de weg zal leggen. Het gevaar komt voor hem niet van de staat, maar van de straat.
Het klimaat is ‘dreigend’, een kwalificatie van Paul Cliteur (interview in de Volkskrant, 19 november).

Beiden vinden dat de staat daar iets aan moet doen en wel door iedereen die zich bedreigd voelt in zijn recht op vrije meningsuiting terzijde te staan. De heren vertrouwen hier niet op het recht maar op de staat en niet alleen dat (want gelijk hebben ze), ze vinden dat het recht hier niets te zoeken heeft (want ongelijk hebben ze). Het recht mag zich niet mengen in de politiek van de staat (Cliteur meent dat daarmee de trias politica onderuit wordt gehaald), de staat moet zich uiteraard wel in het recht mengen (anders zou van nieuwe wetten geen sprake kunnen zijn). Ik noteer: het recht dat Wilders voor het gerecht heeft gedaagd is een verkrachting van de trias, de wetgever die van het recht een fabriek wil maken staat los van de trias. Je zou er zo een complottheorie van kunnen maken en een promotieplaats aanvragen bij Cliteur.
‘In onze democratische rechtsorde is de vrijheid van meningsuiting een groot goed. Maar deze mag niet worden gebruikt ten koste van anderen.’ Het is deze uitspraak van de officier van justitie, enkele dagen gelede, die Holman in het verkeerde keelgat schoot. Het is, zegt hij, ‘[e]en doodenge zin, vooral door dat sinistere 'maar.'’

Sinister. We hebben een officier die meent dat indien de vrijheid van meningsuiting wordt ingezet om de bewegingsvrijheid van anderen te hinderen dat er dan een grens is bereikt. Holman noemt dat sinister. Hij is het met Cliteur eens dat het proces tegen Wilders überhaupt niet had mogen plaatsvinden. De trias is geen kwestie van checks and balances, de trias is een kwestie van boven- en onderschikking. Dat, overigens, noem ik pas sinister.
We riepen lang tegen alle gekneusde moslimzielen dat er wel wat eelt op hun ziel mocht en dat, als het ze echt te erg werd, de weg naar de rechter altijd open stond. Dat was de richting en die richting was geen eigen richting.

Verdedigers van de vrijheid van meningsuiting zoals Holman en Cliteur – verdedigers van een gemankeerde vrijheid van meningsuiting – zijn inmiddels van mening dat de weg naar de rechter moet worden afgesloten.

21 november 2016

=0=



Temmen

Het sociaal recht (arbeidsrecht en sociale zekerheidsrecht) heeft als opdracht de markt te temmen. Het zijn de woorden van Irene Asscher-Vonk, de moeder van de minister. Het gaat niet goed met de opdracht. Daar kan zij niets aan doen, maar haar zoon, die sinds eind 2012 de SZW beheert wel.Het sociaal recht begint meer en meer te lijken op het belastingrecht, inclusief alle bijzondere bepalingen, uitzonderingen, specifieke toepassingen en vrijstellingen, en profijtelijke ontsnappingsroutes waarbij de grens tussen legaal en extra-legaal niet meer aan te geven is en illegaliteit alleen iets voor de dommen is. Een gatenkaas, kortom. Het sociaal recht is soms van toepassing op alle werkgevers, soms op werkgevers met niet meer dan 100 personeelsleden, of met niet meer dan 50 personeelsleden, of met 25 of met 10. Er zou al veel gewonnen zijn als het arbeidsrecht werd afgestemd op de MKB-ondernemer (zoals de EU dat vraagt) maar daar zijn we in ons land nog niet aan toe. En er is veel te winnen bij het uit de arbeidsovereenkomst (en dus bij de werkgever) weghalen van sociale zekerheidsrisico’s en die risico’s weer op collectief niveau af te dekken. Zou een boel ontwijkende bewegingen schelen, zou de discussie over zzp-ers eerlijker maken, zou payrollers veel gras voor de voeten wegmaaien, zou tal van idiote ondernemingsconstructies overbodig maken en zou van de sociale zekerheid weer een zekerheid maken – in plaats van een kostenpost waarop uit concurrentieoverwegingen zoveel als mogelijk beknibbeld moet worden. Voorheen werd de concurrentie getemd, nu aangemoedigd.

Ik schrijf dit vrijdag, even na vijf uur, het weekend is net begonnen en Wiebes heeft besloten de Wet DBA tot 2018 in de ijskast te zetten. Merkwaardig. Hans de Boer roept op om het gehele arbeidsrecht aan te pakken (de arbeidswet van 1907 moet op de schop) en de staatssecretaris volgt. Ja, zegt hij nu ook, met die begrippen uit 1907, de ‘vervangbaarheid’ en de ‘gezagsverhouding’, is het toch net wat ingewikkelder gesteld dan hij met z’n wet had gedacht. Er wordt al op gestudeerd, maar dat wou de staatssecretaris even niet afwachten. Waarom eigenlijk niet? Ook met alle regelingen voorafgaand aan de Wet DBA ging het arbeidsrecht steeds verder onderuit en op de ongemakkelijke en contraproductieve verwevenheid van shoppen in de wereld van de sociale zekerheid, shoppen in de wereld van de ondernemingsvorm, shoppen in de wereld van de arbeidsrechtelijke plichten en shoppen in de wereld van de fiscaliteit is al zo vaak gewezen dat er geen uitstel maar haast geboden is.

Het lijkt weer nergens op.

18 november 2016

=0=

 


Ego


Worden we bedreigd door een golf van egoïsme of door een golf van egocentrisme? Ik zou zeggen door het laatste, door egocentrisme en ik voeg daar aan toe dat de oorzaak van die golf minder het neoliberalisme is dan de sociale media. Het egoïsme sluit ons af van de noden van anderen, maar verliest die ander noch diens noden ooit uit het oog. De anderen zijn concurrenten en hun noden zijn onze markten. Dat ligt geheel anders bij het egocentrisme, en al helemaal in het sociale egocentrisme dat het eigen product is van de sociale media. In het egocentrisme is de ander geen concurrent maar een stoorzender en in het egocentrisme willen we van de noden van de ander niet horen, onze eigen noden zijn de enige maatstaf waaraan we de kwaliteit van de wereld aflezen.

Het neoliberalisme was er eerder dan de sociale media. Dat zou een causaal verband kunnen doen vermoeden tussen het onbekommerde egoïsme van het neoliberalisme en het onbelemmerde egocentrisme van de sociale media. Op het moment dat ik dit schrijf heb ik nog geen idee of er iets van oorzaak en gevolg in het spel is, maar als ik niet helemaal blanco wil beginnen dan zou ik het tegen alle spelregels in omdraaien: het egoïsme wordt gevoed door het centrisme en dat het kan komt door de politieke aggregatie van individueel egoïsme in een nationaal bijgekleurd groepsegoïsme. Of het zo is? Als gezegd, ik weet het niet. Ik wil de mogelijkheid er van nagaan – dat is voor het moment genoeg.
Op het eerste gezicht zou ik de aanvankelijk door mij geponeerde stelling dat egoïsme leidt tot egocentrisme al willen verwerpen. Om de bekende en vaak herhaalde redenen. Egoïsme is een situatie die zichzelf in de wielen rijdt. De meesten onzer zijn slim genoeg om een egoïst te leren herkennen en als het eenmaal zo ver is dan mijden we hem liever dan dat we hem naar ons toehalen.

Maar dat is hetzelfde als zeggen dat we een egoïst onze klandizie onthouden als hij die nodig heeft en dat we ook niet zullen ingaan op een verzoek van zijn kant, bijvoorbeeld een verzoek om krediet. Krediet veronderstelt vertrouwen en een egoïst vertrouwen we niet. Vandaar dat egoïsten altijd zullen proberen zich beter voor te doen dan ze zijn. Met weinig succes, want ook hier komen ze zichzelf tegen en snijden zichzelf in de vingers. Het succes van de egoïst is in alle op aanwezigheid gebaseerde relaties niet groot. Maar, de egoïst leert daar in de regel van en mengt z’n egoïsme bij met wat mensvriendelijker componenten. Pure egoïsten zijn uiteindelijk zeldzaam. Uit welbegrepen eigenbelang passen ze zich aan: de paradox van de egoïst is dat er op de wat langere duur alleen maar paradoxale egoïsten zijn.

Het succes van de egoïst groeit bij relaties die niet van aanwezigheid afhankelijk zijn, bij onpersoonlijke relaties die – het woord suggereert het al – niet afhankelijk zijn van de personen die er op een gegeven moment mee bezig zijn, bij relaties waarbij de persoon toevallig en onverschillig is, bij relaties waarin je niet voor jezelf maar in opdracht van een ander handelt. Dan is de persoon vervangbaar door elke andere (en steeds meer ook door software van allerlei soort) en dan is, in tegenstelling tot wat je zou verwachten, de kans op egoïstisch gedrag groot en is de kans dat deze persoon of dit type interactieve software leert van de nadelen van egoïsme klein. Hoe groot en hoe klein hangt af van de beslissingspremissen waarmee de persoon/software wordt uitgerust, en eventueel (in het geval van de persoon) van het verzet dat die persoon aantekent. Als het te gek wordt heeft de klokkenluider ook nog wat te doen. Weinig, dat wel, en van een hoge risicoscore voorzien want tegen de instructie in gaan is linke soep en wie het doet weet dat hij daarmee een spoor achterlaat dat hij nooit meer kwijt raakt. Een klokkenluider is voornamelijk een waarschuwing voor toekomstige klokkenluiders.

De kans op dit type georganiseerd egoïsme is in het neoliberale tijdperk toegenomen. Dat heeft te maken met ‘financialisering’, als gevolg waarvan alle zakelijke overwegingen verdwijnen achter, dus moeten wijken voor, die ene bepalende zakelijke overweging van de financiën. Het heeft te maken met de gelijktijdig met het neoliberalisme opgekomen digitalisering, als gevolg waarvan we iedereen moeiteloos als markt kunnen beschouwen en behandelen, zonder dat we daar meer voor nodig hebben dan een IP-adres en enige door cookies opgeduikelde informaties over koopgedrag en verdere interesses. Maar het heeft geloof ik veel minder te maken met de opkomst, als stroom binnen de digitalisering, van de sociale media en de stormachtige zegetocht van groepsegocentrisme. Ik geloof, omgekeerd, dat het groepsegocentrisme het groepsegoïsme bevordert – dat de causale lijn in een andere richting gaat als ik aanvankelijk opwierp. 

Raar woord, groepsegocentrisme, het egocentrisme van gelijkgestemden. Ik denk dat Donald Trump de groep groter maakt dan we gewend zijn (bij hem is de groep even groot als zijn  America, en America bij hem is wat het ‘volk’ is bij rechts in Europa) en dat bij hem – wat ook oorzaak mag zijn, wat ook gevolg mag zijn en wat ook de relatie oorzaak-gevolg mag zijn – groepsegoïsme en groepsegocentrisme beide worden aangesproken. Daarom is de man gevaarlijk en hoewel ook ik aanneem dat de mensen die op Trump stemden vanweg het egoïsme van de groep van een zeer koude kermis zullen thuiskomen is het kwaad dan al geschied, het kwaad van een groepsegocentrisme dat van een dergelijke koude kermis alleen maar sterker zal worden.

Groepsegoïsme (‘onze’ banen, ‘onze’ voorzieningen, ‘onze’ cultuur) loopt via de cultuur (‘onze’ cultuur, ‘onze’ manier van leven, ‘onze’ waarden) steeds rimpellozer en, gegeven de sociale media ook steeds sneller en heftiger, over in groepsegocentrisme. Waar het naïeve en tamelijk kansloze ‘economisme’ van het groepsegoïsme een verbond sluit met het verbeten ‘nationalisme’ van het groepsegocentrisme, en dat gebeurt in steeds meer landen, dan nemen de verantwoordelijkheden van de massamedia en van de politieke partijen alleen maar toe. Ik heb voorlopig niet de indruk dat ze die ook willen hebben, laat staan nastreven.

17 november 2016

 

Teken

Er is een tijd geweest dat een groot deel van de bevolking voorstander was van een robuuste bescherming voor allen die in de knel zaten. Dat kwam omdat je ervan uit kon gaan dat als jij een keer in de knel kwam die bescherming zich ook over jou zou uitstrekken. Of in elk geval dacht je dat je daar van uit kon gaan.

Daar is verandering in gekomen. Een groot deel van de bevolking gaat er nu vanuit dat tegen de tijd dat jij hulp nodig hebt er geen geld meer voor is. Of als er nog wel geld is dat de voorzieningen niet meer bestaan en het geld ergens anders naar toe kan. Die verandering heeft in korte tijd beslag gekregen. De bestuurlijke formule ervoor is dat wat rechten waren voorzieningen zijn geworden, en dat voorzieningen nergens recht op geven omdat we ze anders net zo goed rechten hadden kunnen blijven noemen. De sociale formule is dat je bestuurders niet kunt vertrouwen. Bestuurders denken dat als we elkaar weer leren vertrouwen we geen rechten meer nodig hebben, burgers denken dat je rechten nodig hebt om, ook als er geen sprake is van een gebrek aan vertrouwen, het conflict met de bestuurders aan te kunnen gaan. De burgers hebben gelijk, de bestuurders vrezen binnenkort te worden gewogen en te licht bevonden. De bestuurders noemen het populisme, dat is het niet, het is doodgewone bestuurlijke wanprestatie waartegen nu eindelijk protest wordt aangetekend.

Het merkwaardige is dat toen de meerderheid nog zeker was over de zekerheid die meerderheid zwoer bij een formule waarbij wat voor de één gold voor allen zou gelden. Niet voor allemaal tegelijk natuurlijk, maar voor allen afhankelijk van gebeurtenissen (ziekte, werkloosheid, ouderdom), die ons allemaal kunnen (sociale verzekeringen) respectievelijk zullen (volksverzekeringen) overkomen.

De formule werd ontwikkeld in een periode waarin het land aanmerkelijk armer was dan nu en waarin we juist door het bieden van zekerheid rijker werden dan ooit tevoren, dus de vraag of we arm van zekerheid worden is een valse vraag. Zekerheid is rijkdom en het garanderen van zekerheid is een belangrijke, zo niet de belangrijkste, component van rijkdom. We moeten daarom niet kijken naar armoede maar naar rijkdom en we moeten ons afvragen wat ervoor heeft gezorgd dat we, hoewel we steeds rijker zijn geworden, ons de rijkdom van zekerheid niet langer wilden toestaan.

Hoe meten we onze rijkdom? Neem bijvoorbeeld het aantal verkochte auto’s per tijdseenheid. Verkopen we er meer dan zijn we rijker geworden want ons BNP is gestegen. Die auto’s moeten ook nog ergens op kunnen rijden. Dat noemen we wegen en hoe rijk we daarvan worden hangt af van wie ze aanlegt (meer rijkdom bij particuliere aanleg) en of ze voor iedereen gratis zijn of worden geëxploiteerd (meer rijkdom bij exploitatie). Hoe je van één en dezelfde weg rijker dan wel armer kunt worden is een boekhoudkundig geheim. Met publiek-private aanleg en met tolwegen ben je rijker dan wanneer alleen de staat het in handen heeft. Zo is de meerderheid in ons land de afgelopen decennis heel veel rijker geworden zonder er iets van gemerkt te hebben. Bestuurders, ja die hebben er iets van gemerkt en als wij dat merkten reageerden de bestuurders zoals bestuurders altijd reageren. Met een beroep op ons vertrouwen.

Dat is allemaal nog tot daar aan toe (hoe erg het ook is), we zijn met die auto (met die computer) en die weg (dat internet) nog niet klaar. We hebben de files nog niet gehad, de milieuschade hebben we nog niet gehad, het verlies van dat zeldzame plekje waar niemand ooit kwam en nu in de Lonely Planet terecht is gekomen hebben we nog niet gehad. En nu zitten we plots met een heel ander probleem: we kunnen al die auto’s optellen en al die wegen optellen en zeggen dat het BNP groeit, maar wat doen we met de wetenschap dat die auto’s elkaar in de weg zitten, dat die wegen altijd verstopt zijn, en dat er nog tal van andere onaangename externe effecten zijn die we nooit in het BNP tegenkomen? Wat hebben we dan aan dat BNP als het wel aparte dingen bij elkaar weet te tellen maar niet de misère die gepaard gaat met het gebruik van al die dingen, als gevolg waarvan we elkaar tegenkomen als concurrenten om wegen waarvan er te weinig zijn, als concurrenten om schone lucht die we door ons eigen gedrag vervuilen, als concurrenten om rust die we nergens meer kunnen vinden?

Je spullen zijn van jou, in het gebruik van je spullen kom je anderen tegen en onder omstandigheden zoveel anderen dat het plezier van het gebruik er voor de meerderheid wel van af gaat. Het bezit is privé, het gebruik is sociaal en om dat laatste een beetje prettig te houden is publieke interventie onontbeerlijk omdat je anders in de situatie terecht kunt komen dat je steeds maar hoort dat we weer rijker worden en dat je het nooit voelt. Dat is geen wonder, want als we elkaar als hinder zien worden we daar niet rijker van. Storend is wel dat de oude mantra dat nog meer bezit van spulletjes ook het gebruik ervan aangenamer zal maken door het zittende kabinet weer helemaal in het zonnetje is gezet.

Tenenkrommend. Waar meer publieke interventie nodig is beveelt dit kabinet ons meer consumptie aan, want dan ‘merken’, dan ‘voelen’ de mensen tenminste dat de nieuwe rijkdom ook hen heeft bereikt. Hoe politiek dom kun je zijn. Aan publieke interventie heeft het al enige tientallen jaren (de jaren van het neoliberalisme) ernstig geschort, of, erger nog, de bestuurders die publieke interventies in goede banen hadden moeten leiden zijn er meer en meer toe overgegaan om als oplossing voor elk probleem de markt aan te prijzen. De markt moet het fileprobleem oplossen, het huizenprobleem oplossen, het scholenprobleem oplossen, het banenprobleem oplossen. Intussen slibben de wegen dicht en dus komen tolwegen en rekeningrijden weer voorbij om, met een buiging naar de markt, de kleine beurs het autorijden tegen te maken.

Intussen neemt de woningnood toe, segregeren scholen, en staat de arbeidsmarkt stijf van de discriminatie. Er is een run op huizen, op goede scholen, op banen die nog net wat meer zijn dan de luimen van opdrachtgevers. De huizenmarkt is overspannen en mensen nemen overhaaste beslissingen want dat is waar de markt om vraagt. Ouders kopen steeds meer huiswerkbegeleiding en examentraining in om hun kroost geplaatst te krijgen, te houden en al voor te bereiden op de volgende ronde en scholen doen met hun onvrijwillig/vrijwillige ouderbijdragen hun duit in het zakje. Op scholen wordt publieke interventie ontlopen door met halfzachte inkomensmaatregelen de kleine beurs buiten het pand te houden. En op de arbeidsmarkt neemt niet alleen het aantal banen toe maar ook het aantal oneigenlijke baanequivalenten (stages, workfare) – en het aantal concurrenten dat bereid is je te onderbieden.

Het wachten op de oplossing van de markt wordt sleets, de burgers worden ongeduldig, de bestuurders worden zenuwachtig. In hun angstdromen over Trump keren ze een beetje op hun schreden terug of althans, ze zeggen dat de markt niet alles oplost.

Ik denk dat ze geen idee hebben wat ze dan wel moeten doen. Ze wachten af of ze gewogen en te licht bevonden gaan worden. Het populisme is geen teken aan de wand, bestuurlijke verwarring is dat wel. Verwarring is het mene tekel van de bestuurder.

16 november 2016

=0=

 

 

Tijdperk

Wij leven in het informatietijdperk. Informatie is de zuurstof in de atmosfeer van de digitale wereld. En net als in de echte wereld is de atmosfeer behoorlijk vervuild. Wat we nodig hebben is een informatieklimaatverdrag.
We weten dat onzin geen ontkenning van zin maar een deel van zin is, of beter, een aspect van zin. Zin houdt pas op waar chaos begint en alles wat niet chaos is valt binnen zin. Uit chaos kan zin ontstaan omdat chaos structuur kan aannemen en tot systeem kan worden en daarmee binnen de sfeer van de zin kan komen. Maar dat is een ander verhaal. Voor nu geldt dat onzin zin is. Wat voor onzin geldt gaat eveneens op voor waanzin, zij het dat waanzin beter als het grensgeval van zin kan worden beschouwd. Niettemin, de classificatie waanzin is nog altijd een zin-classificatie, een zinnige classificatie. Wij herkennen de classificatie, de waanzinnige niet of niet altijd en zeker niet per definitie en we verwachten dat ook niet. Ten slotte, ook zinloosheid is een categorie die niet ontsnapt aan zin, en dus aan de zin van de zingeving. Onzin, waanzin en zinloosheid zijn informaties over zin – dat is één reden waarom we er eindeloos over communiceren.

A-symmetrische informatie is informatie, desinformatie is informatie en ook ruis is informatie, het is het type informatie waarvan we niet precies weten wat we ermee aan moeten. Informatie is een verschil dat een verschil maakt (het is een zegen dat niet elk verschil verschil maakt, anders zouden we volledig overgeleverd zijn aan alles wat op ons afkomt) en zolang we aan die omschrijving vasthouden weten we dat onbegrijpelijke, bedrieglijke en verwarrende informatie wel degelijk informatie is. Het informatietijdperk is zelfs steeds meer het tijdperk van de onbegrijpelijke, bedrieglijke en verwarrende informatie. Wat voor de ene persoon de onbegrijpelijkheid van informatie is omdat hij aan de minkant van de symmetrie staat is voor de andere persoon het soort desinformatie waar je rijk van wordt en voor een derde persoon is het de ruis waarvan je nooit zeker bent of het iets betekent en wat het dan betekent als het al iets betekent. Daar moet je niet te lang in blijven hangen want doe je dat, dan heb je niet in de gaten dat het, misschien, een opzettelijk aangelegd rookgordijn is waarachter anderen zich verschuilen om, in de tijd dat jij aan het puzzelen bent om uit te vinden wat er aan de hand is, dingen uit te halen die niet in je voordeel zijn.

Wie dit allemaal nog niet wist, wist het natuurlijk best maar was het hooguit even vergeten en die weet het nu weer wel, na de verkiezingsstrijd in de VS. Het is overigens wel pijnlijk dat we in ons land ook mensen hebben die het met Trump en Wilders eens zijn, hun racisme en discriminatie bagatelliseren en die tegelijk en op even verontwaardigde, verongelijkte, bittere en heftige toon beweren dat Marokkanen geen ras zijn in de zin van de discrimiatiewetgeving en dat Sinterklaas en Zwarte Piet horen bij een kinderfeest voor alle kinderen (ja, ook Marokkanse kinderen), een kinderfeest dat we de kinderen niet af mogen nemen. Om de ruis uit de vorige zin weg te nemen voeg ik eraan toe dat instemming met Wilders of Trump en een bagatel maken van discriminatie niet het voorrecht van één bepaalde groep is. Het is nog veel erger: de bagatellisering van discriminatie bestrijkt een veel groter aantal mensen dan het aantal dat het met Wilders dan wel Trump eens is en de overlap tussen beide is empirisch en daarmee bedoel ik: niet begripsmatig. Goed, dit is een zijpad, ik wou het even kwijt.

Hoewel, een zijpad? Bovendien lopen de merken door elkaar, en dat des te meer nu we met behulp van internet en het web alle vindplaatsen en alle registraties van informatie kunnen opsporen en nu, omgekeerd, het internet en het web ons als informatie beschouwen en ons bestoken met ‘gepersonaliseerde’ communicaties die ons voortoveren dat het verschil van het verschil dat we toch al zijn nog veel scherper naar voren kan komen indien je van deze dienst gebruikt maakt, indien je je daarop oriënteert, enzovoorts – en die je moeiteloos in contact brengen met anderen die er net zo over denken als jij. In het informatietijdperk zijn de hoofdwegen slecht begaanbaar en ze worden gewantrouwd. In het informatietijdperk neemt het aantal zijpaden razendsnel toe. Soms is het verschil van de zijpaden met loopgraven vooraf nog slechts met de nodige onzekerheid aan te geven en achteraf kan te laat zijn – en het is precies datgene, dat verschil, dat de atmosfeer bedreigt en de capaciteit bezit om meer verschil te maken dan me lief is.

14 november 2016

=0=

 

 

Betreurenswaardig

In de reactie van Nederlandse parlementariërs op de overwinning van Trump valt me hun verbazing op over het feit dat een man die liegt en bedriegt, die ophitst en haat zaait, daarvoor  door de kiezer niet wordt afgestraft maar beloond. Niemand die met de observatie kwam dat Clinton met haar kwalificatie van de Trump-aanhangers als ‘betreurenswaardigen’ Trump meer heeft geholpen dan alle vuilbekkerij van die man bij elkaar.

Natuurlijk, niemand vond het een slimme zet van Clinton. Tegelijk vond vrijwel iedereen die er commentaar op leverde dat het hier niet zozeer om betreurenswaardige als wel om beklagenswaardige mensen ging, mensen die toch al in de hoek zaten waar de klappen vielen, mensen die hun baan waren kwijtgeraakt en met hun baan niet alleen hun inkomen maar ook hun toekomstperspectief, hun trots op henzelf, hun regie over hun eigen bestaan. Betreurenswaardig is een afwijzende kwalificatie, beklagenswaardig is een paternalistische kwalificatie. Beide kwalificaties ontkennen waarde en waardigheid van de betreffende mensen. Beide kwalificaties zien de betroffenen als een probleem en niet als een meer of minder belangrijk deel van de oplossing.

Trump heeft deze kwestie op scherp gezet en hij heeft daarmee en passant de belofte van Obama (‘het gaat er niet om waar je vandaan komt, het gaat erom waar je naar toe wil’) op de vuilnisbelt gesmeten. Voor Obama speelde niet herkomst maar toekomst, voor Trump speelt herkomst weer een als vanouds belangrijke rol. En voor Clinton? Voor Clinton was dezelfde herkomst waar Trump op gokte irrelevant – en ze sprak het uit. Jullie niet, jullie zijn onderdeel van het probleem, niet van de oplossing. Dat hebben ze uitstekende begrepen, gisteren, en ze hebben dat laten blijken in een stem waarvan we niet steeds weten of het een stem voor Trump was, maar waarvan we wel zeker weten dat een stem tegen Clinton was. Trump speelde de herkomstkaart, Clinton deed dat niet, of ze deed het anders, en ze deed het in elk geval niet zoals Obama dat in twee achtereenvolgende campagnes deed.

Welke kaart speelde Clinton dan wel, als ze de kaart van Main Street niet speelde en als ze niet echt uit durfde komen voor de vele visitekaartjes die ze in Wall Street had laten rondslingeren? Lijkt me, inclusief de vraag naar het belang van ‘herkomst’ versus ‘toekomst’, ook voor onze aanstaande verkiezingen, en dus voor dezelfde politici die vandaag weer eens lucht gaven aan hun verbazing over Trump, van enig belang. Mutatis mutandis uiteraard maar als ik denk aan de verkiezingsthema’s valt het wel mee met die muterende mutaties. In nationaliserende culturen, van de VS tot en met de lidstaten van de EU en onszelf niet uitgezonderd, neemt de uniformiteit toe en wat uniformiteit ook is, in elk geval niet de diversiteit die Obama in zijn keuze voor de toekomst en zijn keuze tegen afkomst en herkomst zo na aan het hart bleek te liggen.

Clinton is het antwoord op de vraag naar afkomst, herkomst en toekomst schuldig gebleven. Ik denk dat ze geen antwoord had, dan wel dat haar antwoord geluid zou hebben dat we moeten doorgaan met wat we toch al deden en dan een beetje beter. Zo ongeveer het antwoord van het gros der Nederlandse politici. Zo’n antwoord is geen antwoord, het is de afwezigheid van een antwoord. Die afwezigheid is een politieke doodzonde. En het is betreurenswaardig, dat ook.

9 november 2016

=0=

 

 

Verstand

Wie doneert doet er goed aan z’n verstand te gebruiken. Als je dat nalaat zul je er te laat achterkomen dat je goede gift niet het goede doel dient maar vermoedelijk aan de strijkstok van de organisator van de donaties blijft hangen. Ook mooi, maar je zelf-felicitatie valt op deze manier wel in het water, en dat is jammer, voor jezelf en voor alle toekomstige goede doelen die je nu natuurlijk ook niet meer vertrouwt. Laat je emotie bepalen waar je je donatie kwijt wilt maar doneer pas echt nadat je hebt gecontroleerd of elke donatie-euro bij deze donatie wel het maximale rendement oplevert.

Gebruik je verstand. Een eenvoudige regel die, als ze was toegepast in de verkiezingscampagne van Trump en Clinton het gehele circus een rustiger, overwogener, saaier, slaapverwekkender aanzien had gegeven. Vermoedelijk was er van geen van beide campagnes ook maar iets terecht gekomen. Waarom niet? Omdat het je afvragen of je je tijd en geld niet beter aan iets had kunnen besteden dan waaraan je het nu besteedt erop uitdraait dat je je tijd en geld nergens meer aan kunt uitgeven. Het gras aan de andere kant van de heuvel is altijd groener.

Ik ontleen het verstand-corrigeert-gevoel-argument aan het artikel ‘Bezint eer ge doneert’, uit De Morgen van 5 november 2016. Ik vind het, en dat is vast niet de bedoeling, een ontmoedigend artikel. Het legt je een onuitvoerbare opdracht op. Die opdracht is elke euro zo te besteden dat het marginale nut per euro hetzelfde is. Zo niet, dan heb je je euro’s deels verspild en dat wil je toch niet als je het goede doel wilt steunen? Nee dat wil je niet maar zoals te doen gebruikelijk wordt er niet bij vermeld hoeveel tijd een dergelijke rekenexercitie kost, en evenmin krijg je te horen dat je per exercitie meer tijd kwijt zult zijn dan je überhaupt hebt. Dus, gebruik je verstand en je komt erop uit dat het nog niet goed is. Eigenlijk had het artikel ‘bezint eer ge calculeert’ moeten heten want doneren is calculeren en niet alleen dat want doneren/calculeren gaat behalve over je euro’s ook over je tijd. Heb je je tijd wel goed besteed door aan het calculeren te slaan in plaats van die tijd te besteden met het verdienen van extra euro’s, euro’s die je zelf had kunnen uitgeven en waarvan je een fractie had kunnen afstaan aan de zwerver op de hoek – ook een goed doel, toch?

Dat bedoel ik met ‘ontmoedigend’. Ik geef grif toe dat het handig kan zijn om de zwaartekracht te meten met gewichtloosheid maar dat is niet hetzelfde als de kracht van een argument te meten met tijdloosheid, en dat laatste is nu precies wat de nutsadepten wel doen of, vaker, wat ze veronderstellen zonder de moeite te nemen ons erop te wijzen en dus ook zonder ons erop te wijzen dat wat ze voorstaan niet uitvoerbaar is. Het is niet uitvoerbaar – ik hoef het maar luidop te zeggen en ik bespeur niet een markt om iets uit te laten voeren wat ikzelf niet uitgevoerd krijg. Als ik de tijd niet heb dan heeft iemand vast toch wel tijd? Zeker, maar we ontsnappen niet aan de tredmolen van de herhaling van zetten, de tredmolen die het  gevolg is van de noodzaak om uit te zoeken of de aanbieders op de markt wel datgene in huis hebben wat ik nodig heb – of dat andere aanbieders daar beter in kunnen voorzien. Word ik zo niet opnieuw van het kastje van de muur gestuurd?

Men moet aan het verstand geen opgaven stellen die elk verstand te boven gaan, niet omdat het verstand niet verstandig genoeg is maar omdat je door de tijd wordt ingehaald. Ooit worden we door de machine ingehaald, niet omdat de machine zo verstandig is maar omdat de machine minder tijdsbeperkingen kent dan wij. Ja toch? Het is zoals het is en de poging om je nut zo nuttig mogelijk te nuttigen zonder ooit teleurgesteld te worden is een onmogelijke. Teleurstelling hoort bij nut, net zoals pijn bij plezier. Om dat te weten hoef je slechts één vraag te stellen: wat is het nut van het nut?

6 november 2016

=0=

 

 

Communisme

Volgens Mathijs Bouman (column FD, 5 november 2016) is de aanschaf van een auto een kapitalistische daad en het rijden van een auto een communistische. In de aankoop heerst het verschil, in het gebruik de overeenkomst. Dat kan een probleem opleveren als we onze auto’s allemaal op hetzelfde moment willen gebruiken. Dat is vervelend als je een prachtauto voor duur geld hebt aangeschaft en je schiet net zo min op als je buurman in zijn zesdehands eend. We staan bij gelegenheid allemaal stil en dat, volgens Bouman, levert dan de gelijkheid van de communist op. Om het communisme een hak te zetten moeten we, volgens Bouman, daarom het rijden van een auto gaan beprijzen. Dat is nodig want een file is de communistische droom bij uitstek (iedereen gelijk!) en niemand wil in de file staan. Zo zie je maar, een denker als Bouman zal binnenkort ongetwijfeld met een publicatie komen waarin hij aantoont dat milieuverontreiniging communistisch is omdat we er allemaal last van hebben. Gelijkheid is een last, ongelijkheid een verlichting van de last – voor sommigen. Communistische gelijkheid is de gelijkheid van de stagnatie, kapitalistische ongelijkheid is de ongelijkheid van de vooruitgang.

Noem de wegen waarop al het verkeer rijdt de moderne ‘commons’ en de volgende ‘tragedy of the commons’ wordt door Bouman aangekondigd. We laten je nog wel betalen voor die wegen maar we zorgen dat je er geen gebruik meer van zult maken. Dat is het kapitalisme van Bouman. Ik vermoed dat Bouman van het kapitalisme niets heeft begrepen. Bij de bakker betaalt iedereen hetzelfde voor een brood. Dat was het aardige van de kapitalistische markt, de prijs werd niet bepaald door wie je was, de prijs werd bepaald door het uitgangspunt dat elke klant koning was. In zo’n markt verkoop je nooit ‘nee’ want als het brood op dreigt te raken verhoogt de bakker in het slechtste geval tijdelijk de prijs en neemt zich voor om morgen meer broden te bakken. Daar kunnen die beprijsde wegen van Bouman een puntje aan zuigen. Bouman roept ‘beprijzing’ en meent daarmee iets op te lossen.

De eenvoudige overweging zou moeten zijn dat zelfs als je erin slaagt een boel mensen van de weg te jagen door het rijden op sommige wegen en tijdstippen duur te maken, je dan en daarmee nog niets hebt gezegd over de toereikendheid van die ‘beprijzing’ (een extra belasting, een btw op afgelegde kilometers) voor de oplossing van het echte probleem: de fysieke beperkingen van je wegennet. Ja, je kunt zeggen dat je net als de minister het probleem weer een tijdje voor je uit hebt geschoven maar daarmee bewijs je niets dan je eigen communistische ontsnapping. De problemen zijn er altijd voor iedereen, het soelaas is er telkens opnieuw voor enkelen.

Wat Bouman beweert is dat een markt er niet in bestaat om iedereen voor dezelfde dienst dezelfde prijs te laten betalen maar om voor dezelfde dienst, afhankelijk van plek en tijdstip, verschillend te laten betalen. Het kapitalisme is de economie van Easyjet – dat is het kapitalisme à la Bouman. Het is het kapitalisme van wie het eerst komt het eerst maalt. Het is een atypisch kapitalisme, dit kapitalisme van het tekort, het is niet het typische kapitalisme, het kapitalisme van het surplus. Ik denk dat het atypische kapitalisme aan een enorme opmars bezig is en ik denk dat daarmee de economie van beprijzing in crisis is, een signaal is voor een porbleem en allerminst de oplossing van het probleem.

Het is het kapitalisme van de rantsoenering, niet het kapitalisme van de schaarste en wat Bouman voorstelt is er niet op gericht (en het is er al helemaal niet voor geschikt) de noodzaak van rantsoenering tegen te gaan, het is erop gericht de verdeling van de armoe (want rantsoenering is armoe) te beïnvloeden door het onder te dompelen in de economie van de overvloed en wie overvloed zegt, zegt schaarste. Transponeer het voorbeeld van wegen naar nieren en Bouman zou moeten voorstellen het gebrek aan bruikbare nieren en het gebrek aan nierdonoren te bestrijden met het oprichten van een markt voor nieren, gekoppeld aan het creëren van een wachtlijst, met bovenaan de lijst de mensen die het meest voor een nier over hebben en onderaan de lijst die mensen die niet eens de reis naar het ziekenhuis meer kunnen betalen – want de autokilometers zijn door de beprijzing van Bouman weer duurder geworden. Zo lost het probleem zichzelf op.

Uiteindelijk is elk tekort een tekort aan tijd. Met de file kom je te laat, met wachtlijsten ben je te laat aan de beurt, met de bestelling van een vliegticket wacht je tot je weet dat er echt gevlogen moet worden – en sommigen weten dat eerder dan anderen. Van dat verschil kun je een ‘markt’ maken, en dat is exact waar Bouman op uit is. Maar wat voor verschil hebben we dan? Wat is het verschil van dit verschil met het verschil dat wij ‘voorkennis’ noemen en hoe bepalen we het verschil tussen de informatie die met voorkennis niets te maken heeft en informatie die zijn effectiviteit (het verschil dat het verschil maakt) uitsluitend aan voorkennis te danken heeft? En hoe bepalen we het verschil tussen betrouwbare informatie en gemanipuleerde informatie? Lastige problemen – en wat een intellectuele luiheid om dan iets over ‘beprijzing’ te monkelen.

Wie een stapje verder denkt dan Bouman kan niet anders dan concluderen dat kapitalisme een scheldwoord is en communisme een geuzennaam. En zelfs dat weet de man niet goed over het voetlicht te brengen.

5 november 2016

=0=

 

Pesten

Dat het wrakingsverzoek zou komen was voorspelbaar. Wie ooit iets heeft gezegd dat Wilders’ misnoegen heeft opgeroepen weet dat deze meest onverdraagzame man in ons land daar stampij over gaat maken zodra het in zijn kraam te pas komt. En dan ook nog naar aanleiding van wat ‘onverdraagzaamheid’ precies betekent. Een gotspe. Het is als met tolereren waaronder je iets toestaan, het met iets samen leven, het voor iets respect hebben en het voor iets achting hebben kunt verstaan. Plak dat allemal in een verheven definitie van wat tolerantie zou moeten zijn en de kans op misverstanden is geboren. Dat is niet erg. Het is zelfs goed om al tastend, zoekend, struikelend en weer overeind komend te proeven te leren wat wanneer aan de orde is, en daar weerv van te leren. Tenzij je te maken hebt met Wilders en diens secondanten.

Eén van de rechters in het nu lopende proces tegen Wilders had ooit iets gezegd dat Geert verwerpelijk vond. Voordat het proces begon probeerde Wilders deze rechter al te weren. Dat mislukte en dus was het parool – waar zijn advocaat zich voor heeft geleend – net zo lang spijkers op laag water te zoeken tot er iets gevonden zou worden om de rechter alsnog aan de schandpaal te nagelen. Kijk, twitterde Wilders gisteren, kijk toch, daar vind je wat. Doe er wat aan!

De advocaat deed er wat aan, brak op last van Wilders in in een betoog van de advocaat van de tegenpartij, en verzocht om wraking. Ik weet niet wat de uitkomst van het wrakingsverzoek zal worden, ik weet wel dat elke advocaat die zich afgeeft met Wilders daar besmeurd uitkomt. Knoops heeft zich nu al laten besmeuren. En ik weet ook dat wat de uitkomst ook is, de rechtspraak in Nederland de verliezende partij is. Het zal Wilders worst wezen; dat het ook zijn advocaat worst is had ik niet verwacht. En toch. Hij had het kunnen weten.

Hoe had het ook anders gekund met een man die er ten diepste van overtuigd is dat alleen een juridisch systeem dat hem altijd en onvoorwaardelijk zal steunen een deugdelijk systeem is? Die man is Wilders en voor Wilders is de zaak pas in orde als de onafhankelijke rechtspraak is uitgeschakeld, als de rechtbank altijd en onvoorwaardelijk van mening is wat hij van mening is en omdat dit hetgeen is wat Wilders onder vrijheid van meningsuiting verstaat ziet hij elk proces waarin hij terecht staat als een politiek proces waarin niet hij maar de vrijheid van meningsuiting terecht staat. Och arme. Zo doorzichtig, zo sneu. Maar vergis je niet, er zijn tal van mensen die doorzichtigheid een deugd vinden en sneuheid een aandoening waar ze maar al te graag voor in de bres springen. Om misverstanden te voorkomen, ik heb het hier niet over Paul Cliteur en wel over, hoe zal ik het noemen, over sneue types zoals Theodor Holman. In diens categorie vinden we velen, heel velen. Ik bedoel maar dat Wilders veel steun ondervindt – je moet gewoon niet navragen wat die vrijheid van meningsuiting van Wilders betekent voor de vrijheid van meningsuiting van ieder ander. 
 
Grappig is het wel. Griezelig, ook, dat op de eerste plaats maar toch ook grappig. En tekenend. We hebben de vlees geworden onverdraagzaamheid die zijn beklag doet over de woordkeuze van een rechter die bij een getuige controleert of diens begrip van onverdraagzaamheid een algemeen geldig begrip is of een interpretatie en daarbij ook nog eens een ongelukkig voorbeeld kiest. Ongelukkig? Vooringenomen, volgens Wilders en volgens zijn advocaat. Ongelukkig bestaat niet, als Geert het niet met je eens is. Alleen opzettelijk bestaat. Opzettelijke, kwaadaardige vooringenomenheid. Van een rechter, een rechter die vragen stelde, erger nog: die kritische vragen stelde. De getuige werd er niet nerveus van, voelde zich ook niet aangevallen maar voor Wilders geldt dat een getuige à décharge niet bevraagd mag worden op de status van diens uitspraken. Anders ben je vooringenomen. Volgens Wilders, niet volgens de getuige. En volgens de advocaat van Wilders, die zich hiermee (een ongeluk komt zelden alleen) ontpopt als een willoos instrument in handen van een politicus die meent per tweet een rechtbank te kunnen besturen.

Diezelfde advocaat mocht vanochtend twee uur oreren dat de rechter vooringenomen was – om vervolgens om spoed te vragen want hij moest ook nog naar Milaan. Zo gaan die dingen. Je onderbreekt een collega om in opdracht van Geert te scoren, je neemt verschrikkelijk veel tijd om uit te leggen wat niet uitgelegd maar alleen geïnsinueerd kan worden, en dan vraag je alle anderen om snelheid. Ik weet niet zeker of het hoon, arrogantie, onbeschoftheid, onverschilligheid of gewoon een bord voor z’n kop was. Hoe dan ook, ik hou het op pesten want dat is het.

Diezelfde advocaat Knoops ging tijdens zijn twee uur steeds sneller spreken en vooral ook steeds schriller. Zo, dacht ik, klinkt een slecht geweten. De toorn van de jokkebrok, de boosheid van de huichelaar, dat klonk er in door. Ja Knoops, zo gaat dat. Je hebt je op het viezige pad begeven. Die viezigheid zal je nog lang blijven aankleven jongen. Je hebt er om gevraagd.

4 november 2016

=0=
 

 

Eenvoud

Er blijken scholen te zijn die hun leerlingen verplichten een tablet te gebruiken. Die scholen stellen geen tablets ter beschikking, die moeten door de leerlingen en dus door hun ouders worden aangeschaft. Daar is protest tegen gerezen en nu schijnt het weer niet te mogen. Verplichte spullen moet de school zelf betalen. Wel mag er een vrijwillige bijdrage worden gevraagd. Het wachten is op de eerste school die voor de eerste paar honderd euro onvoorziene kosten een ‘eigen risico’ gaat invoeren. Het invoeren van een tablet kun je voorzien maar een golf van diefstallen van die aantrekkelijke dingen weer niet. 

Wie iets aan de ongelijke kansen in het onderwijs wil doen moet als de wiedeweerga de ouderbijdrage afschaffen. Die bijdragen zijn de bezegeling van ongelijkheid. Bussemaker en Dekker hebben bij het scheiden van de markt in hun laatste onderwijsbegroting ettelijke tientallen miljoenen ter vemindering van de ongelijkheid in de aanbieding, maar de meest voor de hand liggende maatregel staat er niet bij. Gaat u vooral door met die vrijwillige ouderbijdragen en welnee, die hebben niets te maken met de vergroting van de kansenongelijkheid want de kinderen van de ouders die de bijdrage niet betalen waren toch al kansloos.

Waaraan moeten gelijke kansen in het onderwijs voldoen? Nu, in ieder geval aan de regel dat financiële belemmeringen uit den boze zijn en aan de regel dat de eerste regel geldt voor alle activiteiten die door en in naam van de school worden uitgeoefend. Daar komt steeds minder van terecht, het gedoe over de tablets geeft aan dat er eerder meer dan minder financiële hordes worden opgeworpen.

Ik beperk met tot enkele constateringen. De eerste is dat de ongelijkheid begint met het onderwijs en dat, gelet op het feit dat het onderwijs zelf steeds vroeger begint, de ongelijkheid ook steeds vroeger begint. De tweede is dat dit kabinet werkelijk geen idee heeft van wat ongelijkheid is en daarom ongetwijfeld weer een boel onderwijsbureaus gelukkig maakt met de plannen iets aan de ongelijkheid te doen terwijl die plannen nog niet eens een begin maken met een aanval op diezelfde ongelijkheid.

Het opheffen van ongelijkheid komt erop neer dat elke leerling overal aan mee kan doen. Dat heeft met geld te maken, maar niet alleen met geld, ook met tijd. Aan alles mee kunnen doen klinkt eenvoudig, maar wat doe je als je, in een experiment op school om het een week zonder mobieltje te redden, een leerling tegenkomt die er niet aan mee kan doen omdat hij voor zijn werkgever bereikbaar moet zijn (Johannes Visser berichtte daar een aantal maanden geleden over in De Correspondent)? Hoeveel omgevingscomplexiteit (van werkgevers via je vrienden en vriendinnen tot en met je ouders en de jongens met wie jij nog een appeltje te schillen hebt en zij met jou) haal je binnen als je mobieltjes binnenhaalt?

Om iets aan ongelijkheid te doen moeten we eerst toegeven dat er ongelijkheid is. Niet iedereen kan bijvoorbeeld een plekje voor zijn kind op de beste school krijgen. Je kunt zo’n plek niet kopen en als het wel kan of als de zaak zo geregeld is dat het formeel niet en feitelijk wel kan – zoals in het geval van vrijwillige ouderbijdragen – is het zeer foute boel. Maar ook als het echt niet kan heb je wel de ouders een wapen uit handen geslagen maar dan zijn we er nog niet want de scholen hebben zelf ook invloed. Scholen hebben sommige leerlingen liever dan andere, net zoals werkgevers sommige sollicitanten liever hebben dan andere. In het bijzonder die sollicitanten die worden gestuurd door hun plaatsvervangende ouders, ik bedoel het UWV of de gemeente, staan er slecht op bij de werkgever. Inderdaad, precies zo als leerlingen met een rugzakje, opdat we maar weten dat er met die kinderen iets is.

Wat betekenen in deze gevallen – minder aanbod van goede scholen dan vraag ernaar, minder aanbod van goede banen dan vraag ernaar – gelijke kansen? We weten dat het in de buurt van die scholen en banen een drukte van belang is, dat de kans op file en verstopping van de wegen ernaar toe groot is en dat niet elke weg naar die school respectievelijk baan even goed is – bezien vanuit het gewenste resultaat. UWV en gemeenten doen het slecht – ze zijn de foute weg.

Rugzakjes schrikken af, ze schrikken andere ouders af en ze schrikken scholen af omdat zelfs als die school het ‘weer samen naar school’ van harte ondersteunt het lang niet altijd lukt omvoldoende tijd, geld en expertise binnen te halen en te houden om er echt iets van te maken. Ouders kiezen en scholen kiezen. Nu, zou ik denken, beperk de keuze van de ouders tot het aangeven van voorkeuren (deze school komt op nummer één, deze op twee enz.), schakel het keuzegedrag (vrijwillige ouderbijdrage bijvoorbeeld) van scholen rigoureus uit en het schone doel van de gelijke kansen heeft een kans. Waar blijft de onderwijsvrijheid? Dat wordt dan het recht je eigen voorkeuren naar voren te brengen in een situatie waarin de beslissing over het verzilveren van die voorkeuren uit handen is gegeven aan een instantie/mechanisme dat het geheel der voorkeuren zo goed als mogelijk moet zien te bedienen (en dat strekt zich dan uiteraard ook uit over het stichten/opheffen van scholen). Dat met die ouders moet kunnen lukken (er wordt per slot al mee geëxperimenteerd), dat met die scholen is de echte complexiteit.

Vervang scholen door werkgevers en je weet waar het probleem zit: in het vervangen van de selectievrijheid van werkgevers door een toewijzingsprocedure waar de voorkeur van de sollicitanten (of ouders, of leerlingen) als essentiële informatie wordt meegenomen maar ook alleen als informatie (en niet bijvoorbeeld als een dwingende oproep, laat staan een ‘eis’ of ‘recht’), waar de voorkeur van de werkgever (of school) op dezelfde manier wordt behandeld (uiteraard met uitsluiting van de in artikel 1 van de Grondwet verboden onderscheidingen) en laat een van aanbod en vraag onafhankelijk instituut/mechanisme met een uitgekiend algoritme een zo goed mogelijke match tot stand brengen.

Het hoeft natuurlijk niet. Op 31 oktober publiceerde het ministerie van OCW een ‘actieplan’ om ongelijkheid tegen te gaan. Het ministerie heeft er zelfs 26 miljoen € voor over. Waarvoor? Nu, om de overgangen tussen scholen te vergemakkelijken bijvoorbeeld en, nog directer, om kinderen van laagopgeleide ouders bij de hand te nemen zodat ze kinderen van hoogopgeleide ouders naar de kroon zullen steken. Van die dingen. Gelet op de ervaring van decennia zou ik zeggen dat het niets wordt, althans niet zolang we onder vrije schoolkeuze veel meer verstaan dan het eenvoudige aangeven van je voorkeur en we daarom toestaan dat ouders scholen kiezen om hun kinderen van vreemde smetten vrij te houden en scholen ouders en kinderen kiezen die geheel vrijwillig betalen voor waar ze geheel onbetaald recht op zouden moeten hebben. In het ideale geval heb je daar een overheid voor, om tegen te gaan dat dingen die je via de voordeur niet wilt hebben via de achterdeur alsnog binnensluipen.

Die overheid hebben we niet, wij kennen de gedoogoverheid, de overheid van de kool en de geit.

2 november 2016

=0=

 

 

Te veel

‘Het kan ook zijn dat werknemers te veel verzekerd zijn’. Ik kom het zinnetje tegen in een artikel in het FD, vandaag (Kwart zelfstandigen belandt onder sociaal minimum bij arbeidsongeschiktheid). In het artikel wordt geconstateerd, op basis van een ‘policy brief’ van het CPB (een ‘policy brief’ is, vermoed ik, voor het CPB een notitie die nog geen beleid is maar die beleidsmakers wel attendeert op beleidsgaten) dat zzp-ers en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen een combinatie zijn die zeldzaam aan het worden is. Wordt je arbeidsongeschikt dan kan dat hard aankomen. Hoe hard hangt van twee zaken af: van je weerstandsvermogen en van je perceptie van dat weerstandsvermogen, een perceptie die je opdoet door jezelf te vergelijken met werknemers. Kortom, ben je het zelf of zijn het de werknemers?

Geen zzp-er zonder opdrachtgever en geen werknemer zonder werkgever. Is dat niet de vraag die je ook moet stellen, de vraag dat als je aan het één gaat morrelen je automatisch ook aan het ander moet morrelen en dat als je dat niet doet – zoals het CPB dat niet doet – dat je dan op z’n minst de schijn van eenzijdigheid tegen hebt? Daar gaat het CPB niet op in. Merkwaardig. Verdacht ook. Kippig, bijziend, gekleurd. Het CPB is een ‘onafhankelijke onderzoeksinstelling’ lees ik in hetzelfde artikel. Zou het? Het CPB is geen zbo, maar een onderdeel van het Ministerie van EZ. Dat mag het onderzoek inhoudelijk en methodisch niet sturen maar over politieke sturing staat niets in de wet en na het vertrek van Teulings en zijn opvolging door een hoge ambtenaar van Financiën (net zoals dat bij de DNB gebeurde) is de kans op politieke sturing eerder groter dan kleiner geworden. Dat de Tweede Kamer de politieke benoeming van een nieuwe directeur slikte zonder tegelijk te eisen dat de onafhankelijkheid van het CPB zou worden versterkt door van het instituut een zbo te maken is zo onbegrijpelijk dat het alleen maar begrijpelijk wordt als er ook het CPB moest worden bezuinigd. Dat is, inderdaad, het geval geweest en bezuinigen, we weten het, is in de Nederlandse politiek het enige alternatief waarvoor geen alternatief bestaat.

Goed, de vraag die gesteld had moeten worden werd niet gesteld. Welke vraag is dan wel gesteld? Ik neem de vraag naar aanleiding van de genoemde ‘policy brief’ als leidraad en neem de formulering ervan uit het genoemde FD-artikel over: ‘of het inkomen van de zelfstandigen omhoog moet door een verplichte verzekering of dat het verzekerde inkomen van de werknemer omlaag kan’. Kunnen we de zzp-er en de werknemer tegen elkaar uitspelen? Ik zei het al, de effecten op het inkomen van opdrachtgever respectievelijk werkgever schitteren door afwezigheid.

Het CPB worstelt met een slecht geweten. Een policy brief is in de regel een notitie die argumenten levert voor juist dit beleid en niet dat. Er zit een beleidskeus in een policy brief. Bij het CPB doen ze dat niet. Die laten de keus aan de politici en dat doen ze in naam van hun ‘onafhankelijkheid’. Het CPB schrijft een policy brief die geen policy brief is maar een voorzet die natuurlijk geen voorzet mag heten want voor je het weet moet je aangeven of de voorzet van links of van rechts kwam en dan ben je niet onafhankelijk meer. Daar doet het CPB allemaal niet aan, het CPB vraagt zich slechts af of het niet hoog tijd wordt voor een voetbalcompetitie waaraan ook zzp-ers mee mogen doen. Nu kan dat niet, zzp-ers mogen niet samenspannen, niet samen een elftal vormen. En dat is niet eerlijk want zo komen ze nooit aan het grote geld. En dus is de vraag: heeft Barcelona te veel en FC ZZP daardoor te weinig?

Het is maar een vraag.

31 oktober 2016

=0=

 

 

Pikorde

De EU is een grabbelton. Voor het grabbelen bestaat een pikorde. Het grote bedrijfsleven mag zich als eerste te goed doen, daarna de rest van het bedrijfsleven en wat overblijft is voor de burgers: meer burgers en niet meer ruimte, meer leerlingen en niet meer scholen, meer mensen op zoek naar gezondheid en niet meer gezondheidscentra, meer woningzoekenden en niet meer woningen, meer werkzoekenden en niet meer banen. Gisteren hoorde ik Frans Timmermans op de radio beweren dat we om aan de onevenwichtigheden een einde te maken een betere EU nodig hebben. Ik vraag me dan altijd af of Timmermans daarmee weg denkt te komen. Voor zichzelf dan, voor steeds meer anderen hoeft het niet meer.

De pikorde is deels constitutioneel vastgelegd in de EU-grondwet die geen grondwet mag heten maar die strenger wordt gehandhaafd dan onze eigen grondwet in ons eigen land. De Europese Commissie is er om de zaak uit te werken en komt er nu achter dat ze op weinig waardering mag rekenen voor al hun harde werk, waarvoor bovendien de beloning pas later komt (model: Barroso). Eerlijk is anders, want het uitschakelen van de politiek over een steeds groter deel van de beslissingen over handel en de daarbij horende rechten en plichten en de vervanging van de politiek door onderhandelingen tussen technocraten aan de ene, geprivatiseerde conflictbeslechtingsmechanismen aan de andere kant, dat was toch exact waarom het allemaal begonnen was?

Zoals steeds zijn het de regeringen van de lidstaten die te laf zijn om te erkennen dat ze al lang uit handen hebben gegeven waarvoor ze zich nu zo af en toe moeten verantwoorden naar hun eigen parlementen en erger nog naar hun eigen kiezers toe. Onze Mark Rutte weet dat voor de arme Amalia de regel dat afspraak afspraak is moet gelden en dat het kind niet mag lijden onder wankelmoedige politici die door de premier als ‘populisten’ werden aangeduid. Dat wordt een gewoonte, onze premier wint moeiteloos de wekelijkse prijs voor populistische stemmentrekkerij en hij is inmiddels al zover dat hij ontkent aan de bijbehorende wedstrijd mee te doen. Knap hoor. Afspraak is afspraak.

Hij is die regel prompt vergeten als hij moet uitleggen dat de politieke pijn van het verdrag van Lissabon erin bestaat dat de nette cesuur tussen handel en politiek steeds opnieuw tot politieke problemen leidt, dat iedereen dat ook best wist bij de ondertekening destijds, dat iedereen ook best wist dat de handel altijd moest winnen en dat iedereen ook best wist dat de politieke erkenning daarvan politieke euthanasie betekende. In het geval van Rutte wordt boeman Poetin opgeroepen. Geopolitiek, daar blijkt het steeds over gegaan te zijn. Rutte had het eerst niet door, Dijsselbloem had het altijd al door (zo hoorde ik hem zeggen, zojuist in Buitenhof), de NAVO had het eerder door dan de EU, Rusland had het eerder dan de EU en nu is eindelijk ook bij Rutte het kwartje gevallen. Daar moeten we blij mee zijn want voor iemand die volkomen terecht ontkent een visie op wat dan ook te hebben (‘ik sta hier met lege handen’) is een nieuwe visie (‘ik zie nu de geopolitiek die ik eerder ontkende’) geen geringe gebeurtenis. Het greep de premier aan, iedereen die hem op zijn persconferentie zag, afgelopen vrijdag, was er getuige van.

Nieuwe onevenwichtigheden. Geopolitieke onevenwichtigheden. Om die te counteren heb je behalve de NAVO ook de EU nodig, ik hoor het Dijsselbloem zeggen. Zo schiet het ten minste een beetje op. Nu moet de EU er zelf nog achterkomen. En de pikorde veranderen, dat ook. In het voordeel van de geopolitiek. Het verdrag van Lissabon voorziet er niet in, gewoon, omdat een neoliberaal verdrag alleen maar handel kent en verwacht dat de rest wel zal volgen.

Als zelfs Rutte daaraan begint te twijfelen is er misschien toch iets veranderd. Om dat vast te houden moeten we hopen dat de Nederlandse handetekening onder het Oekraïneverdrag niet doorgaat. Ik ben benieuwd.

30 oktober 2016

=0=

 

 

Popdem – Betdem

Het ergste is dat ik niet meer weet wie erger is: Trump of Clinton. Trump is een voorbeeld van wat ik maar popdem noem: populistische democratie. Clinton is een voorbeeld van betdem: betreurde democratie. Clinton heeft geen last van democratie, ze zal zich er weinig tot niets aan gelegen laten liggen. Trump is net zo’n democraat als Louis Bonaparte in het midden van de 19de eeuw (toeval bestaat niet: een kennis vertelde me deze week dat er aan het Antropologisch Sociologisch Centrum van de UvA – heet dat nog zo? – een werkgroepje bezig is met het bestuderen van het boek van Marx, de 18de Brumaire van Louis Bonaparte), de democraat die het algemene kiesrecht in ere herstelde, die steunde op de kleine boeren en die daarmee het lompenproletariaat in een strategische positie bracht – voor de duur van de verkiezingen dan. Zoek de overeenkomsten. En overdrijf ze niet, die overeenkomsten maar vergeet niet dat Trump wel degelijk over een electoraat beschikt, een electoraat bovendien dat als het al stemde eerder op de Democraten stemde dan op de Republikeinen en dat nu de pest heeft aan de Democraten, om dezelfde redenen dat het de pest heeft aan ‘Wall Street’ en aan ‘carrièrepolitici’. Over die carrièrepolitici ben ik met mezelf nog niet in het reine, over de verstikkende en verpestende invloed van Wall Street wel: weg ermee!
Clinton had het pleit wat mij betreft gewonnen als ze was ingegaan op het wel zeer dringende verzoek van Bernie Sanders: schaf de Super Pacs af. Hij deed het zonder, zij leunde erop. Trump leunt erop, zij het dat het bij hem om minder miljoenen gaat. Super Pacs staan voor veel van wat fout is in de Amerikaanse verkiezingsstrijd en ze staan voor veel van het wantrouwen onder kiezers en ze verklaren veel van het succes dat Bernie Sanders verkreeg door ze resoluut af te wijzen.
In de VS worden de aanstaande verkiezingen nu al aangeduid als een referendum over Trump. Trump zelf zal daar geen bezwaar tegen hebben. Clinton moet de verkiezingen nog maar eens zien te winnen. Vandaar dat ik haar de kandidaat van betdem noem; van de betreurde democratie die in elk geval, wat de uitslag ook is, al lang heeft verloren. Trump daarentegen hoeft alleen het referendum te winnen en referenda zijn dezer dagen heel populair bij alle voorstanders, politici en kiezers samen, van popdem, van de populistische democratie. Het zal de Amerikanen niet vreemd voorkomen. Referenda kennen ze in de VS genoegzaam, op staatsniveau en daaronder. Maar wat tekent de opmars van popdem beter dan een presidentsverkiezing die steeds meer de trekken van een referendum vertoont?

28 oktober 2016

=0=

 



Plots


‘En plots, voor we er erg in hadden, recht in de volkse islam die de mensen beleden, kwam het islamisme binnenbreken. De Algerijnen maten zichzelf een nieuwe identiteit aan, een moslimidentiteit, die niet gebonden was aan volk, cultuur of grondgebied en die met al het vertrouwde aan de haal ging’. Deze zinnen stammen uit de mond van de Algerijnse schrijver Boualem Sansal, in een interview (in het Vlaamse dagblad De Morgen)naar aanleiding van de vertaling van zijn roman 2084. Het einde van de wereld.

Sansal constateert ook dat met verdwijning van de volkse islam en de komst van het islamisme kleding en uiterlijk even uniform zijn geworden en dat zelfs de taal een transformatie heeft ondergaan: ‘Frans spreken we niet meer, Berbers ook niet, Arabisch evenmin. Wat we spreken, is een mix van de drie, een zwakke tussentaal waar niets mee op te bouwen valt’.

Het komt allemaal bekend voor. Bij de islamisten, bij de nationalistische reactie: ze trekken zich aan elkaar naar beneden in hun naargeestige krabbenmand. Want overal gaat de taal eraan en overal wordt een cultuur van de daken geschreeuwd die bestaat uit de ontkenning van elke cultuur en overal neemt iedereen elkaar de maat der intolerantie. Voor het islamisme is dat in een betrekkelijk kort tijdbestek een gigantisch succes gebleken – daar heeft Sansal volledig gelijk in. Hem verleidt het ertoe te voorspellen dat binnen afzienbare tijd (2084) het islamisme de overwinnign zal behalen. Daar twijfel ik aan en van het alternatief word ik ook al niet blij.

Pim Fortuyn had het, in zijn boek Tegen de islamisering van onze cultuur (1997), over onze gebrekkige kennis van onze eigen geschiedenis. Hij weet het cultuurrelativisme aan die gebrekkige kennis. Cultuurrelativisme is tegenwoordig een besmet woord en met de kennis van onze eigen geschiedenis gaat het beroerder dan ooit. Kennelijk zijn relativisme en kennis minder antagonistisch dan Pim dacht. Het zal niet de enige vergissing in zijn leven geweest zijn. Nu we het daar toch over hebben: wat hij dacht over de Nederlandse cultuur heeft meer met cherry-picking uit de jaren zestig te maken dan met cultuur. Een vergissing waarin hij, dat te zijner verontschuldiging, niet alleen stond.

De overeenkomst tussen religieuze onverdraagzaamheid en culturele onverdraagzaamheid is de onverdraagzaamheid.

26 oktober 2016

=0=
 

 


Gezellig

Dagblad Trouw besteedt vandaag twee volle pagina’s aan de inspanningen van Lans Bovenberg om het economie-onderwijs voor de bovenbouw van havo en vwo te verbeteren. Lans heeft ervoor gekozen de helft van de week aan dit project te besteden. En hij kan het niet alleen, hij heeft, zegt hij, ook de leraren nodig.

Er moet worden gedelibereerd en er moet worden samengewerkt.
Zeker, zou ik zeggen (en ik denk dat behalve de econoom iedereen dat zou zeggen), maar wat heeft het met economie-onderwijs te maken? Met het huidige niets, begrijp ik van Lans. Met het toekomstige alles, begrijp ik opnieuw van Lans. Economie gaat namelijk over kiezen (dat wisten we al, al voelden we ons altijd wat bekocht als bleek dat er slechts één keuze de goede keuze was en zeg nou zelf, één keuze is geen keuze), maar ook over relaties, emoties, moraal en moreel, samenwerken, gemeenschapszin, zorgzaamheid en nog veel meer.

Economie is gezellig, de opmaat voor een gezellige gezelligheid. Om mij onbekende redenen kwamen de woorden strijd, concurrentie, missie, strategie en andere aan het bedrijf van oorlog en vrede schatplichtige en in de economie tamelijk gebruikelijke termen niet meer aan bod. De tot dusver de economie zo typerende ongezellige gezelligheid wordt, als ik Lans goed begrijp, in het nieuwe economie-onderwijs afgeschaft. Ik hoop dat dit toch wel radicale besluit in het aanstaande leerboek enigszins wordt toegelicht en dan meer dan de losse bewering van Lans dat voor de huidige jongeren ‘samenwerken’ (en dus ‘delen’, hoewel dat mooie woord even niet voorkwam) even gewoon is als de lucht die ze inademen. Gelukkig komen vraag en aanbod nog wel voor, evenals schaarste en ruil en welvaart en groei – het heeft dus ergens nog wel iets met economie te maken, dat project van Lans. 

Maar wat? Op die vraag zou ik het antwoord niet kunnen verzinnen. Wat ik uit het artikel in Trouw haal is dat Lans vindt dat er tussen markt en overheid nog wel wat is. Hij denkt daarbij geloof ik aan gemeenschappen die, in zijn woorden, het zo hebben ingericht dat ‘mensen zich vrijwillig verbinden aan elkaar en zo een gezamenlijke identiteit creeren’. Het is een wat zonnige visie maar als we verdisconteren dat een gunstige omgeving ook een gunstige ‘identiteit’ bevordert en in leven houdt dan moet het kunnen. Dan moet die gunstige omgeving er wel zijn, natuurlijk, en dat lijkt me nog niet zo eenvoudig. Los hiervan, Lans voegt er nog iets aan toe – en dat bederft de pret want als ik dat lees denk ik dat het nooit wat kan worden met dat economie-onderwijs van hem.

Dit voegt hij toe: ‘[d]e intrinsieke motivatie om je in te zetten voor een groter geheel wordt een steeds belangrijker sturingsmechanisme naast hiërarchie en financiële prikkels’. Een bedenkelijke toevoeging. Banen hoog op de ladder zijn de best betalende banen, en ze blijven dat omdat in die banen ook over beloningsverhoudingen wordt beslist en het zijn dezelfde banen die, door hun financiële opbrengsten en hun mogelijkheden over jezelf en anderen te beslissen, de nodige ruimte bieden voor ‘intrinsieke motivatie’. Maar goed, dat is nog tot daar aan toe, net zoals de gedachte dat het, alweer, dezelfde banen zijn die de beste arbeidsomstandigheden kennen en de beste secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden en nog zo wat.

Desondanks zit het echte probleem in die intrinsieke motivatie als een ‘sturingsmechanisme’, dat mensen ertoe aan zou zetten hun beste beentje voor te zetten voor ‘een groter geheel’. Immers, beweert Lans, het is niet per se zo dat mijn winst jouw verlies is en omgekeerd. Nee, daar heeft Lans gelijk in. Voorbeelden te over. Maar voordat je zover gaat om, op basis van deze tamelijke open deur, van onze intrinsieke motivatie om ons als fatsoenlijke en zorgzame burgers en collega’s te gedragen een ‘sturingsmechanisme’ te maken moet nog de vraag beantwoord worden wat je moet doen in het geval er een conflict is tussen je ‘intrinsieke motivatie’ en het voortbestaan van, zeg, je baan. Wat stuurt dan wat?

Misschien moet Lans dat eens vragen aan studenten economie, jongens en meisjes die al een paar jaar zijn gesocialiseerd in de monoculturele keuken van het soort economie-onderwijs dat we onmisbaar vinden voor mensen die over niet al te lange tijd met hun studie achter de kiezen een economisch beroep willen uitoefenen. Dit is de vraag: zijn zij de receptuur van Lans tegengekomen in hun studie?

25 oktober 2016

=0=

 



Ontwerp


De uniek Nederlandse taalvondst van de ‘marktwerking’ zegt weinig over markten, het zegt veel over de overdrijving die ons Nederlanders op het lijf geschreven lijkt te zijn. Het is alles of niks en een verstandig gesprek kun je op je buik schrijven. Ik vraag me daarom af of in dit land een serieuze politieke discussie mogelijk is over zoiets als het ontwerpen van markten. Ik verwacht het niet maar aan de andere kant is niet geschoten altijd mis en ik vind dat ik niet moet bijdragen aan zichzelf waarmakende voorspellingen. Dit ondanks het feit dat ik, indachtig Hermans, altijd gelijk heb.

We zouden kunnen beginnen met vast te stellen dat aanhangers van marktwerking ervan overtuigd zijn dat de markt het beste ontwerp ooit is. Daar kun je het over hebben, om er direct de vraag op te laten volgen aan welke ontwerpeisen dat beste ontwerp ooit dan wel voldoet. Ik vermoed dat ik als antwoord zou krijgen dat de ontwerpeis bij uitstek een optimale toedeling van middelen moet opleveren. Markten, zegt men, zorgen voor zo’n optimale allocatie en overheden bederven die weer. Dat optimale allocatie eerder een speeltje is van de aanbieders dan van de vragers wordt gemakshalve overgeslagen. Het komt voor dat het niet wordt overgeslagen. In dat geval wordt gesteld dat een optimale allocatie weliswaar op het bordje van de aanbieders ligt maar dat de concurrentie tussen de aanbieders er garant voor staat dat het allemaal in het belang en voordeel van de vragers is. En omdat we het voor de vragers doen is het onbeleefd verder te vragen en dat doen we dan ook niet.

Mijn eerste ontwerpeis zou zijn dat een markt informatie-symmetrie moet opleveren. Ik denk dat markten in de regel informatie-asymmetrisch zijn (de aanbieder of producent weet meer dan de vrager of consument) en slechts bij hoge uitzondering informatie-symmetrisch. Er is een bibliotheek volgeschreven over de markt voor ‘lemons’ (bedoeld werd: 2e hands auto’s) en over de redenen waarom die markt slecht liep (de aanbieder weet wat de auto mankeert, de vrager niet). Sinds VW weten we dat we het niet alleen over occasions hoeven te hebben. Desinformatie is een structuurkenmerk van marktconcurrentie en omdat het toezicht alom hopeloos faalt hoeven we ons niet te verbazen over het gestaag groeiende wantrouwen alom. Niettemin, bij auto’s en bij een heleboel andere producten moet een marktontwerp denkbaar zijn dat de informatie-asymmetrie behoorlijk terugbrengt. Er moet dan nog wel een heleboel gebeuren (en ik zie dat de sociaaldemocratie dat nergens hoog op de agenda heeft staan) maar het is denkbaar. En urgent, dat ook.

Mijn stelling is dat markten die, vanwege de aard van de af te wikkelen transacties op die markt, zelfs in het ideale geval niet in staat zijn informatie-symmetrie te genereren, dat die markten dienen te worden opgeheven. Ons zorgstelsel is een voorbeeld van op te heffen markten, van informatie-asymmetrie. Binnen dat stelsel is de zorgverzekeringsmarkt (met de verzekeraar als aanbieder en de consument als vrager) zelfs een schoolvoorbeeld van informatie-asymmetrie (en met die markt kregen we nog een markt, die van de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder, de markt met de bijzondere eigenschap dat de zorgvragers er zelf niets te zoeken hebben, want hun plek is ingenomen door de verzekeraar, de verzekeraar die in hun voordeel en belang werkt: er is weinig variatie in argumentatie).

Mensen die blij zijn met die markt (ik las er vandaag in het FD een column van Marcel Canoy over en hij is best  blij met die markt) doen dat onveranderlijk vanuit allocatieperspectief. Volgens Canoy kiezen de verzekerden elk jaar opnieuw een verzekeraar ‘om de markt scherp te houden’. Ik neem maar aan dat behalve de tandarts ook de opticiën uit het basispakket is gehaald. Ik bedoel, je moet er maar opkomen. Prijzen, vinden marktadepten als Canoy, zijn beter dan rantsoenen en zelfs als het resultaat van meer markt een rare mix van prijzen en rantsoenen is dan nog zijn ze tevreden.

Elk beetje beprijzing help bij de juiste toedeling van middelen. Dat is de stelling en het is een stelling die niet wordt onderzocht. Integendeel, het is het uitgangspunt. Dat die rare mix een perfecte illustratie is van een informatieprobleem en van een gigantische informatie-asymmetrie wordt ofwel terzijde geschoven ofwel op het niveau van een voetnoot geplaatst.

Ik houd erg van voetnoten, maar niet ter vervanging van de hoofdtekst.

24 oktober 2016

=0=

 

Bijsluiter

E-nummers op voedingswaren hebben hun tijd gehad. Ze gaan verdwijnen. Ze deden geen kwaad, waren geen enkel probleem voor de voedselveiligheid en toch moeten ze weg. De klanten hebben er een hekel aan en de producenten, altijd tuk om de klant te behagen, hebben geluisterd. E-nummers zijn een soort bijsluiters en bijsluiters zijn papieren met informatie die correct is en misschien voor jou, met al je allergieën, van speciaal belang – maar dan moet je wel alles nagaan en van alles ook vooraf weten of je er last van kunt krijgen. Dat is zowel ondoenlijk als onmogelijk.

Net als bij medicijnen weet je per medicijn dat je meer rampspoeden te wachten staan dan je tijd van leven hebt om ze allemaal te verwerken en dus weet je nog niets en je weet al helemaal niet wat de combinatie van medicijnen, vaak het gevolg van medicijngebruik dat medicijngebruik oproept, in jouw geval aan extra gevaren in petto heeft. Dat weet meestal ook degeen die het medicijn voorschrijft niet. Als je alles weet, weet je nog niet wat de interactie van alles met alles teweegbrengt. Tel uit je informatiewinst. Een bijsluiter houdt de producent uit de wind en het zet de consument op de tocht. En in het geval van de e-nummers komt daar nog eens bij dat de veiligheid van het voedsel er niet van afhangt. Die hangt wel af van, zeg, de hoeveelheid zout maar dat schijnt iedereen zelf te mogen uitzoeken. En dat is, inclusief alle nadelen, maar goed ook.

Productinformatie is voor de consument zelden informatie. Een informatie is immers een verschil dat een verschil maakt. Voor de producent is dat evident. Het staat er toch op? Voor de consument is het dat niet. Inderdaad, er staat van alles op en je hebt er niets aan, hooguit brengt het je in de war. Dat is geen informatie. Productinformatie zou strikt vanuit de consument benaderd en geleverd moeten worden. Maar de ACM let er niet op. Bij de ACM vind je wel een rubriek met informatie voor ondernemers en ook eentje met informatie voor de pers. Die voor de consument schittert door afwezigheid. De consument kan wel bedrogen worden en in dat geval is er voor hem de rubriek consumentenrecht. Tussen bedrog en bedrieglijk bevindt zich echter het verreweg grootste deel van het domein van de informatievoorziening, en daar bemoeit de ACM zich niet mee. De consument moet op het vlak van informatievoorziening maar voor zichzelf zorgen. Geen taak voor de ACM, en ook geen taak voor de overheid. De klant is al koning genoeg. Toch?

Ook hier is een vergelijking met medicijnen instructief. Medicijnen worden voordat ze op de markt komen getest op proefpersonen. Klanten, zeg maar. Een kind is meestal geen proefpersoon, en vrouwen zijn veel minder vaak proefpersoon dan mannen. Wat voor Nederlanders goed is, is niet steeds goed voor Chinezen. Toch zit er weinig anders op dan het medicijn dat de apotheek mag verstrekken aan te schaffen. Pas de dosering maar wat aan en anders weten wij het ook niet. Tenzij je niets aan wilt schaffen maar dat schiet ook niet erg op. Het medicijn en de bijsluiter zijn – en iedereen weet het – voor meer dan de helft van de bevolking irrelevant, zo niet misleidend.

Waarom? Omdat we nog altijd toestaan dat alles wat als informatie wordt gepresenteerd ook informatie is, ook als we weten dat de standaardklant waarop een aanbod wordt toegesneden verre van representatief is voor het geheel aan klanten is en als we daardoor vanuit mogen gaan dat de informatie voor heel veel mensen een informatiewaarde van nul of negatief heeft.

Het is hoog tijd dat het onderwerp van de productinformatie serieus genomen wordt en voortaan in eerste en laatste instantie vanuit de gebruiker wordt beoordeeld op informatiewaarde. De eerste stap is per product te omschrijven voor welke ‘gebruiker’ het bruikbaar is en elke veronderstelling over aangepast gebruik voor andere gebruikers in de ban te doen.

23 oktober 2016

=0=

 

 

Vastklampen

In De Groene van deze week schrijft Mirjam de Rijk het afsluitende artikel in een serie van drie over ons zorgstelsel. Drie voortreffelijke artikelen, en het laatste spant de kroon. Dat is dan reden voor blijdschap, de stand van zaken in ons zorgstelsel is dat niet. Wat een verschrikkelijk ondoorzichtige soep is het stelsel de laatste tien jaar geworden. Dat zijn de jaren van de marktwerking, met de belofte van goedkoper, beter en efficiënter. Het is er niet van gekomen.

Ondoorzichtigheid is een zegen voor de verantwoordelijke bewindslieden. Als het ondoorzichtig is, is het ondoenlijk oorzaken en gevolgen op een zinnige manier op elkaar te betrekken. Daar kunnen we allemaal zo onze mening over hebben en dat is prachtig en zo – en het schiet niet op. Hoe krijg je de gegevens over wat er is gebeurd op tafel, dat alleen al is een onoverkomelijk probleem.

Het gehannes met dbc’s en dot’s is illustratief voor een prijszetting die nergens op slaat, de verzekeraars beschouwen elk gegeven als marktgevoelige informatie die niet ‘gedeeld’ kan worden (dat heb je met markten en concurrentie) en blokkeren daarmee een uitweg uit het moeras, de minister houdt vertrouwen in marktwerking, anderen hebben er geen enkel vertrouwen in en zo hobbelen we verder, zonder ooit ergens aan te komen. Maar, vraagt De Rijk zich terecht af, wat moet je met een eigen risico en een eigen bijdrage als niemand aannemelijk kan maken wat de werkelijke prijs van een behandeling of zelfs maar van een consult is? Is het dan niet veel redelijker om de financiering van de zorg gewoon over te hevelen naar de algemene middelen, naar de belasting dus, net zoals bij het onderwijs? Ja, dat kan Mirjam de Rijk, en met haar veel anderen, wel vinden, maar weer anderen vinden dat niet en zo lang we tegen een ondoordringbare muur van ondoorzichtigheid aanlopen komen we niet verder dan, hoe heet dat ook weer, komen we niet verder dan meningen. De toekomst van de zorg ligt in handen van meningen, van een meningenstrijd die inmiddels het gehele spectrum bestrijkt, van meningen over de zorgvrager, de zorgaanbieder, de zorgverzekeraar, het zorgstelsel als geheel. Vroeger kozen we voor zorg, nu kiezen we of we zorgen.

De oogst van de marktwerking in de zorg is dat iedereen even deskundig is en niemands mening meer telt dan je eigen mening. Steeds meer mensen menen dat dit het wezen van de democratie is. Het gaat niet goed met de marktwerking in de zorg en met de democratie wil het ook al niet meer zo goed lukken. Het zou zou maar kunnen dat er een causaal verband tussen beide is. Maar geen nood, ook hierover mogen we van mening verschillen.

Bij aanhangers van Trump valt niet zozeer hun mening op, wel het fanatisme waarmee ze eraan vasthouden. Ze klampen zich eraan vast. Feiten? Feiten zijn afspraken over wat we bereid zijn als zodanig te erkennen. Daar hoeft niemand zich bij neer te leggen en inderdaad, steeds meer mensen weigeren ook zich erbij neer te leggen. De afspraken over feiten, zijn dat niet zelf een voorbeeld van een complot van zogenaamde experts en andere leden van elites om hun zin door te drijven?

Dat we nu een zorgstelsel hebben waarin we nog niet eens aan de gegevens kunnen komen om op zoek te gaan naar de feiten van het stelsel is geen toeval. Wel voedt het de argwaan en het wantrouwen. De oogst van de marktwerking in de zorg is voorlopig weinig meer dan de zekerheid dat je alleen op jezelf kunt vertrouwen, dat je alleen bij jezelf te rade kunt gaan. Klamp je daar dan maar aan vast. Na de verkiezingen van komend voorjaar, waar we met ons allen mogen vastleggen aan welke mening over alles we ons het meest vastklampen, van zorg via vreemdelingen tot en met klimaat, zien we wel verder. Om weer snel uit te vinden dat de vraag naar wat de kiezer wil op een even ondoordringbare en ondoorzichtige muur stuit als de vraag naar wat de marktwerking in de zorg ons nu gebracht heeft.

22 oktober 2016

=0=

 

 

Overwoekerd

Nu de financiële economie de reële in omvang ruimschoots overtreft is de lol om in de reële economie te investeren er vanaf. Je weet dat wat je ook doet de financiële sector een fors deel van wat het oplevert zal claimen, want dat is waar al die kredieten, derivaten, verzekeringen en herverzekeringen op uitdraaien.

Investeren in de financiële economie is profijtelijker dan investeren in de reële, vandaar dat de winsten uit het bedrijfsleven steeds meer en steeds vaker richting de financiële sector gaan en vandaar dat vermogens sneller stijgen dan de inkomens uit arbeid. Ja, vroeger of later zal de wal het schip wel keren, maar wie dan leeft dan zorgt, zeker als je weet dat het leven je eigen feestje is en de zorg het probleem van de staat is, die daar gelukkig erg veel begrip voor opbrengt en nooit te beroerd is onze portemonnee te trekken. Zo was het voor de financiële crisis en zo is het na de financiële crisis. Waarmee maar gezegd wil zijn dat het wachten is op de volgende financiële crisis.

Je moet natuurlijk wel een financiële sector hebben. De Grieken hadden er ooit een, maar daar gelooft niemand meer in en omdat we daar niet meer in geloven is de reële economie in Griekenland van alle vet gestript, en nu beginnen we aan het karkas. Het gaat goed in Griekenland zegt Dijsselbloem. Ik begrijp dan dat Griekenland weer iets beter in de pikorde van de rating agencies staat, en dat is het enige dat de aandacht van Dijsselbloem krijgt. De rest kan verrekken.

Ik las dat de mogelijkheid van rood staan binnenkort officieel als schuld bij het Bureau Kredietregistratie geboekt gaat worden. In positieve zin dan (het wordt erbij gezegd want niemand is geloof ik heel blij met een registratie bij BKR en in de toekomst moeten we dat met een positieve notering wel worden) want er is geen schuld, er is nog geen schuld, maar er is wel de mogelijkheid van schuld, en dat is voor iedereen die met je te maken krijgt interessante informatie. Toch?

Breng een euro naar de bank en ze vermenigvuldigen het ding achteloos met twintig, brengen het geheel onder in talloze ondoorgrondelijke zeer schuldige transacties en niemand die nog kan achterhalen hoe wankel het kredietgebouwtje is. Er is geen BKR voor dit type krediet, wel voor het onze. Je kunt beweren dat hieruit blijkt dat sommigen meer rechten hebben dan anderen en dat is ongetwijfeld ook zo, maar belangrijker is de overwoekering van alles door het financiële kapitaal dat nu zelfs je mogelijkheden al wil kennen voordat er zelfs maar een vraag van jouw kant gesteld is.

19 oktober 2016

=0=

 

 

Voltooid

Zou er een verband zijn tussen de discussie over een ‘voltooid’ leven en over, ik kies een prominent voorbeeld, racisme? Het zou zo maar kunnen dat de verbinding tussen die twee kwesties erin bestaat dat in het echte leven niets, je geboorte niet en ook je dood niet, je geboorteplaats en -omstandigheden niet en de plek waar je sterft en de omstandigheden waaronder je sterft al evenmin, dat deze gebeurtenissen en hun sporen ooit voltooid, en daarmee voltooid verleden tijd, zijn. Laat het me toelichten.

De VVD, met in zijn kielzog alweer de PvdA, denkt dat je over voltooid leven kunt spreken als je het autonome individu als maat van alles neemt en dan ook nog beweert dat elk individu uniek en onherhaalbaar is. Bij D66 schijnen ze daar, een beetje voorspelbaar, wel waardering voor te hebben. Autonomie plus uniciteit, dat is de voltooide formule die tegelijk de voltooiingsformule is. De zelfbeslissingsformule, de formule die je toestaat, om Gerrit Zalm te parafraseren, de stekker eruit te trekken. Raar, je vervangt een onoplosbaar dilemma (merktekens uit het verleden keren altijd terug en, meer nog, ze overleven je) door een verneukeratieve semantiek (je bent wie je bent, je kiest je eigen levensloop en je beslist wanneer het voltooid is) en klaar ben je. Het is de zin van de erkenning van het mene tekel, het teken aan de wand, vergeleken met de zin van de erkenning dat alles te jouwer beschikking staat.

Ik meen dat er te veel oorlogen gevoerd zijn in naam van de vader om de idee van een voltooid leven serieus te kunnen nemen. Je kunt het wel wensen, maar de wens om ook oorlog te mogen voeren in naam van de moeder, in naam van de zwarte vader en de zwarte moeder enz., is niet alleen veel sterker dan dat vermeend voltooide leven, die wens is ook veel beter in staat om de huidige wending naar ‘identiteitspolitiek’ te verklaren. En te betreuren, wat mij betreft, maar toch allereerst te verklaren. Tegenwoordige oorlogen (en identiteitspolitiek is toch in de allereerste plaats de proclamatie en daarmee het opeisen van het recht een ‘eigen’ oorlog te mogen uitroepen) kunnen de misdaden van het verleden niet ongedaan maken, niet uitwissen, wel kunnen ze nieuwe merktekens genereren die tot nieuwe uiteenzettingen leiden, van gekibbel in praatprogramma’s/talkshows tot en met demonstraties, geweld en tegengeweld.

Zelf denk ik dat mensen het initiatief toekomt om een einde aan hun leven te maken. Het verbod daarop leidt tot oneigenlijke en vernederende situaties en gebeurtenissen. Ik word doodziek van de praatjes dat met een beetje meer ‘gezelschap’ en ‘zorg’ niemand zich ooit nog overbodig zal voelen, zo overbodig zelfs dat ze eruit willen stappen. En ja, ik gebruik ‘overbodig’ en niet ‘voltooid’, omdat ik het zelfbeeld ‘voltooid’ als een weinig voorkomende en tamelijk uitzonderlijke subset van het zelfbeeld ‘overbodig’ beschouw. En ik gebruik overbodig ook omdat het niet alleen een eerlijker woord is maar vooral een harder, pijnlijker, kwetsender woord is – voor iedereen die de schoen past en wie de schoen niet past die werpe de eerste steen.

In de discussie over racisme, net als die over het voltooide leven, lijkt het er steeds vaker op dat we een poging doen om woorden te kiezen die geen pijn doen, die niemand pijn doen. Behalve dat het niet mogelijk is (het is eerder beledigend en bevoogdend dan bevrijdend) heeft dit, voor zover het wordt nagestreefd en dat het wordt nagestreefd kunnen we overal om ons heen waarnemen (net als het tegendeel overigens, het tegendeel dat we nogal eens voor ‘populistisch’ verslijten), tot gevolg dat elk gesprek een gesprek tussen doven wordt. Het zou inderdaad ernstig zijn als we onze woorden zo kiezen dat we er zoveel mogelijk en zo opzettelijk en bewust mogelijk pijn mee kunnen doen, maar ik vraag me af of de praktijk om je woorden zo te kiezen dat niemand zich er een buil aan kan vallen niet veel erger is.
Een pijnloze taal is geen taal, maar een verdoving.

17 oktober 2016

=0=

 

 

Een hiërarchie

De eerste drie kwartier van het evenement Reinvent Money, afgelopen vrijdag in het auditorium van de aula van de TU Delft, misten we. Vrijdagmiddag, begin herfstvakantie, vroege file, verlate aankomst. Toen we binnenkwamen was Arnoud Boot zijn betoog, dat in het teken stond van een toelichting op het mede door hem geschreven en net gepubliceerde WRR rapport (Samenleving en financiële sector in evenwicht, 12 oktober), al aan het afronden. En hij was al de tweede en tegelijk laatste spreker van de eerste ronde, over de rol van banken en centrale banken in het digitale tijdperk. De tweede ronde, over de vraag of de euro een ‘dismal coin’ is, werd ingeleid door Stephanie Kelton (onder meer adviseur van Bernie Sanders en prominent verdediger van de zogenaamde Modern Monetary Theory, MMT). Dat was een genoegen.

Monetarisme kennen we tegenwoordig als de tegenhanger van Keynesianisme. Het is een theorie die de staat en in het bijzonder de centrale bank opdraagt (immers de staat gaat over financiën, de centrale bank over monetaire zaken en die moeten volgens de aanhangers van het monetarisme leidend zijn voor de staat) de markt te volgen, terwijl het Keynesianisme juist de mogelijkheid van een staat uitwerkte die de markt kon corrigeren, nou vooruit: kon sturen. MMT heeft met dat monetarisme niets te maken. Het is modern met name vanwege het begrip van geld dat erin is verwerkt. Voor Reinvent Money ben je bij MMT aan het juiste adres. Iedereen kan volgens die theorie geld, in de zin van een ruilmiddel, scheppen, dat is de kunst niet. Meestal werkt het zo dat iemand iets voor jou doet en dat jij belooft daarvoor in ruil ook iets te doen. Leg dat op de één of andere manier vast (ik ben jou zoveel van dit schuldig) en je hebt geld, je hebt de klassieke IOU (I Owe You). Geld is een schuldrelatie, een relatie tussen een debiteur en een crediteur.

Dit begrip van geld staat diametraal tegenover het geldbegrip van het monetarisme zoals we dat kennen, want dat begrip gaat uit niet van een ruilmiddel dat een schuldrelatie uitdrukt maar van de ‘intrinsieke waarde’ van het ruilmiddel. Vroeger hadden we daar goud voor en tegenwoordig is het een beetje zoeken, maar, zoals Lex Hoogduin in de derde ronde (heeft het toekomstige geld de natiestaat nodig?) met een beroep op Friedrich Hayek uiteenzette, een goed idee (en in zijn visie was die intrinsieke waarde een goed idee) laat zich niet zomaar opzij zetten door de overweging dat er nog geen echte opvolger voor het goud is gevonden.

Dit is de tegenstelling: de stelling dat geld niets is buiten de schuldrelatie om (de MMT), en als je die relatie weghaalt dan is er ook geen geld, laat staan een behoefte aan geld versus de traditioneel monetaristische stelling dat geld een goed is met een eigen intrinsieke waarde, een goed dat zoals alle goederen schaars is, een goed dat de bijzondere eigenschap bezit dat iedereen het wil hebben. Het ging niet over Marx, afgelopen vrijdag, maar was hij voorbijgekomen dan als de auteur van een hybride geldtheorie, met een basis in het goud en een uitwerking die van het geld steeds meer een ‘fictieve waar’ maakt.

Hoe dan ook, de vraag is en blijft hoe je je geld geaccepteerd krijgt, en dat is een vraag met twee aspecten. In de eerste plaats moet je je geld, jouw IOU, bruikbaar maken voor alle ruilverhoudingen, niet alleen ter afwikkeling van jouw schuld aan mij, maar ook voor de afwikkeling van elke volgende en elke andere ruiltransactie. Je hebt dus geld, behalve als ruilmiddel, ook nodig als rekeneenheid (zoals de dollar of de euro: de munt). Zonder een dergelijke eenheid weet je niet waar je staat in de je eigen kringetje overstijgende en op het hoogste nievau zelfs internationale ruilverhoudingen, weet je nooit hoe de vlag van de koers van je munteenheid erbij hangt.

Bij goud heb je dan alleen een praktisch probleem want je hoeft alleen vast te stellen wat jouw munt aan goudgewicht representeert en klaar ben je. Je hebt pas een principieel probleem als blijkt dat op een gegeven moment je goud op is als iedereen z’n euro’s zou inwisselen en er goud voor terug zou willen, omdat er dan, zoals Nixon in 1971 vreesde voor het goud in Fort Knox, niet genoeg goud zou zijn, dat zich een tekort aan goud zou manifesteren. Inmiddels heeft het principiële probleem het praktische overvleugeld. Bij de IOU-variant, de variant die geld als een belofte ziet dat je je schuld zult voldoen en die dus het probleem moet confronteren hoe geloofwaardig je belofte is, denkt de MMT dat het probleem al is opgelost als de staat aan de top van de geldhiërarchie staat, als de staat geld pas als geld accepteert als de staat jouw geld geloofwaardig genoeg acht om er je belastingplicht mee te mogen kwijten en, omgekeerd, dat de staat geld uitgeeft en geaccepteerd krijgt omdat je er je belastingen mee kunt voldoen.

Toch, de staat kom je steeds opnieuw tegen en je bent er steeds afhankelijk van en dus steeds aan gebonden. (Dat lost overigens het punt van de wisselkoersen evenmin op als het goud dat geen rol meer speelt nu overal de inwisselbaarheid van geld in goud is opgeheven.) We hebben een ladder met vier treden, vier soorten beloften om schulden in te lossen: een trede voor huishoudens, een trede van ondernemingen, een trede voor banken, een trede voor de staat. Elke trede kan geld genereren (je kunt lenen bijvoorbeeld, al dan niet op onderpand) dat in geld uitmondt dat de staat als kwijting van je belastingplicht accepteert, maar hoe lager jouw trede op de ladder hoe hoger de kosten die je moet maken om bij die acceptatie te komen. We kunnen zelf geld scheppen (beloftes uitgeven) wat we willen, maar als dat geld niet verder gaat dan ons eigen kringetje dan ben je gehouden om bij elke voorkomende transactie buiten je eigen kring te onderhandelen over de ruilverhoudingen en je weet nooit of je met dat eigen geld je belastingen kunt betalen. Niettemin, zonder belastingen geen wegen, bruggen, scholen, politie, gezondheidszorg, rechtstelsel en rechtbanken en tal van andere voorzieningen, gemakken en ongemakken waarzonder niemand kan.

Dat is de staat voor ons en, natuurlijk, een staat die zelf geld kan scheppen (beloften kan doen die we als burgers en bedrijven niet kunnen negeren en dus in die zin meer of minder grommend ‘accepteren’) en de inlossing van die beloften via de belastingen kan afwikkelen. De staat is de enige instantie die beloftes kan doen die alle anderen wel moeten accepteren – op straffe van sancties. Dat is het tweede aspect waar ik hierboven naar verwees. Het probleem met beloften is immers dat als we onze beloften niet nakomen we elkaar naar het leven gaan staan – tenzij er een instantie is die ons dat belet en die ons kan dwingen gedane beloften te honoreren. Opnieuw de staat dus op voorwaarde dat de staat zelf geen acceptatieprobleem heeft – en heeft de staat dat wel dan weten we dat de staat de staat niet meer is. Met andere woorden, er bestaat een nauwe relatie tussen effectieve geldschepping en het vermogen van de staat belasting te heffen: het zijn de twee kanten van de relatie tussen staat en samenleving. We hoeven niet erg ver door te denken om te beseffen dat deze relatie de laatste dertig jaar aan een wel zeer forse erosie onderhevig is geraakt.
In deze gedachtengang kan de staat zelf geld scheppen en zelf de koers van zijn munteenheid vastleggen. Dat is slecht nieuws voor de landen van de Eurozone want die kunnen dat niet en, impliceerde Stephanie Kelton, daarom staat de euro onder druk en heeft de euro een slechte naam. Heruitvinden van geld is, alleen al tegen de achtergrond van de doodlopende weg van de huidige euro, een uitstekend idee en, geheel in overeenstemming met de MMT, dat heruitvinden vereist allereerst een heruitvinden van politiek en, om een onderscheid met de MMT te markeren, een politiek voorbij de staat, een politiek die, zoals in de korte dagen van de EGKS, wordt beheerst door een autoriteit.

16 oktober 2016

=0=

 



Geschiedenis


Het verbaast me dat het uitgerekend de SGP is die de discussie over kerk en staat op scherp zet. Zij vinden de schelle tonen die op gezette tijden moslims oproepen voor het gebed een door de overheid in de hand gewerkte ‘islamisering’ van de ‘publieke ruimte’. De volgende stap moet dan wel zijn dat de SGP van mening is dat overheidsbemoeienis met de manier waarop mensen hun leven vaarwel zeggen een onwenselijke ‘politisering’ van de private ruimte vertegenwoordigt en verboden moet worden. Althans, als de SGP consequent is maar de SGP is niet langer consequent – en dat is schokkend, vind ik. Als er één partij is die het van de consequentheid moet hebben, dan de SGP. Ze graven hun eigen graf.

Hun smoes is dat een kerkklok slechts luidt en de moskee niet alleen luid is maar ook nog eens oproept. Het gaat van kwaad tot erger. De hypocrisie druipt ervan af – alweer een nieuw element in de canon van de SGP. Doen de gereformeerden niet aan het luiden van klokken om de gelovigen op te roepen? Ik citeer de gereformeerde geloofsgemeente van de Salemkerk in Lisse: ‘De klokken worden geluid om alle mensen die het horen en die niet in de kerk zitten attent te maken op het beginnen van de kerkdienst en hen alsnog op te roepen om naar de kerk te komen’. Meer nog, ze doen dit al eeuwenlang! Ze zijn er zelfs niet mee gestopt toen de gereformeerde kerk niet langer staatskerk was! De gereformeerden reformeren de publieke ruimte, eisen die steeds opnieuw op en ze zijn nog even onverdraagzaam als in de tijden van Gomarus!
Gomarus? Welzeker, dezelfde, de uit Brugge afkomstige haatprediker die in het begin van de 17e eeuw eenieder (met Arminius als meest bekende voorbeeld) die de predestinatie net wat minder rigide opvatte als hijzelf verketterde en bij voorkeur uit elk ambt had willen ontzetten. Het lukte hem niet – en het zal de SGP ook nu niet lukken, tenzij ze bereid zijn de tak af te zagen waarop zij zelf ook zitten.

Stel je voor. Kees van der Staaij met een boemerang in de hand, aangemoedigd door Geert Wilders – die later zal ontkennen dat hij heeft geroeptoeterd dat Kees het ding moet wegsmijten. De boemerang raakt het hoofd van een door enige kerklokken gealarmeerde gereformeerde kerkganger die dacht dat als hij gereformeerd en wel van de publieke ruimte gebruik maakte om zich naar de dienst te spoeden daar niemand mee lastigviel – en zich nu geschrokken afvraagt of voorman Van der Staaij niet slechts de moslims van straat wou hebben maar ook zijn bloedeigen gereformeerde schaapjes. Doe het niet, Kees.

14 oktober 2016

 

Toeval bestaat niet

Net ben ik de voortreffelijke bespreking (door Koen Haegens in de Volkskrant) van het jongste WRR rapport over de financiële handel en wandel van Nederland na de crisis aan het lezen of er komt een mailtje binnen van het NBBU (de uitzendwerkkoepel) dat ze in naam van een twintigtal aangesloten uitzendorganisaties hard aan het werk zijn, samen met de Intelligence Group, de wereld van de hypotheken te ontsluiten voor uitzendkrachten, althans die uitzendkrachten die er in de huidige en nabij-toekomstige arbeidsmarkt goed opstaan (de gegevens daarover zullen door de Intelligence Group worden geleverd, dat is hun specialiteit). Velen zullen geroepen zijn, weinigen uitverkoren, maar we wachten af. En als je niet snel bent zou je wel eens te laat kunnen zijn, bijvoorbeeld omdat de WRR het maar niks vindt, het maken van schulden met de zegen van de overheid op de koop toe.

De WRR wil temperen met die hypotheken, de NBBU wil uitbreiden. De WRR constateert dat de schuldenberg Nederland sinds 2008 alleen maar groter is geworden en de financiële dominantie eveneens. Kortom, als je wat wilt en je wilt het nog voor de 22ste eeuw bereiken dan kun je je maar beter neerleggen bij de financiële dominantie. De NBBU wil wat en legt zich neer. In het belang van de crème de la crème van de uitzendkrachten en die hebben ook recht op de fiscale voordelen van een hypotheek. Waarmee maar gezegd wil zijn dat het probleem niet bij de NBBU ligt maar bij de banken die de hypothekenmarkt weer ontdekt hebben en, in het bijzonder, bij de overheid die deze zogenaamde markt heeft geschapen en in leven houdt. Het gaat goed met die markt, de omvang ervan is weer groter dan in piekjaar 2007. Het gaat goed zo lang het goed gaat – de WRR stelt bedaard vast dat financiële dominantie en kortzichtigheid dief en diefjesmaat zijn. Steek je vooral in de schulden – met het leenstelsel van Bussemaker leren de studenten al heel vroeg in hun leven dat wie niet bereid is zich in de schulden te steken niets te zoeken heeft in de moderne economie.

Zal het fout gaan? Net zoals het geen toeval zal zijn dat mij de inhoud van het WRR-rapport op hetzelfde moment deelachtig werd als de wens van de NBBU om zich op de hypothekenmarkt te begeven, zo zal het geen toeval zijn dat als het fout gaat het dan overal fout gaat. Dat is de eerste en voornaamste betekenis van de globalisering en behalve aan de schuldeneconomie (die zich uitstrekt van consumentenkrediet, via bedrijfskredieten, staatschulden, het bombardement van financiële innovaties tot en met het projectgespuis cum derivatenhandel in provincies, gemeenten, de voormalige nutsbedrijven en, niet te vergeten, het onderwijsveld, het gezondheidszorgveld, het corporatieveld: en dat alles in een slordige vijfentwintig jaar) merken we dat aan de pensioenen. De pensioenvermogens worden groter en groter en kwetsbaarder en kwetsbaarder, en dat laatste omdat de financiële markten nogal schokkerig en onvoorspelbaar zijn en extreem op de korte termijn zijn gericht. Staatsobligaties? Nou, een paar, maar de echte beleggingswinst zit toch echt ergens anders en hoewel we daar wat meer risico moeten nemen doen we dat toch want de gevolgen ervan als het goed gaat zijn voor ons en als het slecht gaat voor de pensioenfondsdeelnemers.

Daar kiezen de pensioenfondsen dus voor – en de overheid, die vindt dat er vooral niet moet worden uitgekeerd, laat hen vrolijk begaan. De overheid beknibbelt liever op de pensionado’s dan op de macht van de ‘financiële dominantie’, die in de pensioenwereld door een heel leger van beleggingsadviseurs wordt vertegenwoordigd.

Meer kapitaalreserves in het bankwezen? Nee, zegt de Nederlandse overheid. Is de Europese bankenunie sterk genoeg om een eventuele krach van de Deutsche Bank op te vangen? De vraag is retorisch. Het bevorderen van eigen vermogen door de fiscale bevoordeling van vreemd vermogen af te schaffen, door van sparen weer iets lonends en van schulden iets niet-lonends te maken? Goed idee – maar banken en ondernemers zijn nu al tegen, gelet op hun eerste reactie op de WRR-rapportage. De kredietverlening is nog te fragiel, de bouw kan best een impuls gebruiken, het zijn de bekende geluiden om de financiële dominantie in ons land te bevestigen en bestendigen.
Nee, toeval bestaat niet.

13 oktober 2016

=0=

 



Nuttige idioten


Nee, hij is niet van Lenin, die uitdrukking ‘nuttige idioten’. Hij dateert uit de Koude Oorlog, uit het begin daarvan, toen iedereen die nog enige positieve herinnering had aan de rol van de communisten in WOII als nuttige idioot werd weggezet. Fellow traveler, dat mocht ook, zo lang maar volstrekt helder was dat elk goedgunstig geluid over communisten slechts geuit kon zijn door lieden die ofwel zelf communist waren ofwel te stom waren om de werkelijke bedoelingen van de communisten te doorzien. Communisten waren wel beschouwd landverraders en de anderen, nu, dat waren de nuttige idioten waar de communisten zich zo graag op beriepen.

Dat Jolande Withuis kort geleden weer over nuttige idioten begon (Het verraad van de feministen, de Volkskrant/Opinie 10 oktober 2016) hangt niet toevallig samen met de nieuwe koude oorlog, waarbij de rol van de communist is overgenomen door die van de islamist en de rol van de nuttige idioot door iedereen die, hoewel niet zelf islamist, vraagtekens plaatst bij de aanstaande islamisering van het avondland en daarom vast ook geen patriot is, zelfs geen Europese patriot. Er zijn, net als kort na WOII, veel nuttige idioten en het ergste is, ze bevinden zich zelfs, ik zou na lezing van de rede van Jolande Withuis (een rede naar aanleiding van het verschijnen van het boek Heilige identiteiten. Op weg naar de shariastaat van Machteld Zee) zelfs zeggen dat ze zich bij uitstek bevinden onder de feministen. Dat verbaast me niks. Nog net las ik dat in Turkije de AK partij van plan is de AK partij te zuiveren. In die partij schijnt het te wemelen van de nuttige idioten van Gülen, en van Gülen-leden, die ook.Wij moeten erop vertrouwen dat zij die het zuiveringsplan hebben bedacht en gaan uitvoeren zelf zuiver zijn. Nog een wonder dat de feministen dat naargeestig pad zo lang bespaard is gebleven. Maar het is net als met de communisten, volgens de logica van de anti-communist: eerst ben je een nuttige idioot, dan ben je een echte idioot en daarna – als er nog een daarna is – degradeer je weer tot nuttige idioot dan wel stijg je op tot anti-communist. In het laatste geval en als je je als zodanig met enige luidruchtigheid leert afficheren, krijg je misschien wel een schouderklopje van Bolkestein. Hoe dan ook, meer smaken zijn er niet in het handboek van Withuis. Je kunt er van zeggen wat je wilt maar onverdraagzaam is het. Is het tijd voor een zuivering van feministen door feministen?

Het is me niet duidelijk of de subtekst van de rede van Withuis een pleidooi voor zuivering van het feminisme is. De wens is er zeker, maar de wil, het vermogen, de macht, het lef er de verantwoording voor te nemen – ik twijfel. Het leek me meer een oproep aan ongenoemde anderen om elke keer dat een nuttige idioot de hoofddoek niet totaal verwerpt en niet totaal identificeert met de achterlijke, vrouwonvriendelijke, vrouwenonderdrukkende cultuur van het islamitisch patriarchaat (ik plak maar wat woorden uit de rede achter elkaar, veel hoefde ik er niet voor te veranderen), om die nuttige idioot de tempel van het feminisme uit te jagen.

Het feminisme van Withuis is even culturalistisch als de Nederlandse cultuur van rechts, die zichzelf tot norm heeft verheven en die elke andere cultuur alleen al daarom minacht omdat die van de Nederlandse afwijkt, veel of weinig, het doet er niet toe. Het is een cultuurbegrip waarmee je anderen de hersens kunt inslaan, waarmee je anderen de toegang tot jouw club kunt weigeren, het is een cultuurbegrip uit één blok, het is een cultuurbegrip dat steil gereformeerden en orthodoxe joden wegmoffelt, het is een cultuurbegrip dat, los van elke discussie over cultuurrelativisme, ontkent dat elke cultuur het product van veel culturen is, dat geen enkele cultuur ooit af is, dat elke cultuur altijd in beweging is en dat een cultuur die niet meer beweegt een dode cultuur is. Wie dat, die ontkenning, tot credo kiest en dus cultuur als kant-en-klaar product aanhangt, een cultuurproduct rechtstreeks uit de schappen van de firma Rutte & Schippers, een cultuurproduct dat je moet slikken ook als je erin stikt, die is behoorlijk van de leg. Vind ik – en als je dan in het wonderlijke en hatelijke vocabulaire van Withuis een nuttige idioot bent dan zou ik dat als eretitel lezen. 

Het zou nog best een geuzennaam kunnen worden, die titel van ‘nuttige idioot’.

12 oktober 2016

=0=

 


Verschuldigd


De niet-financiële sector staat bij de financiële sector in het rood voor 2 ¼ keer de waarde van de wereldproductie. Het staat in de meest recente ‘fiscal monitor’ van het IMF, getiteld Debt, Use it Wisely. Met die aanbeveling had het IMF misschien wat eerder mogen komen? Nu, met overal verkiezingen in aantocht, wat gaan we eraan doen?

Overheden hebben veel schulden, particulieren hebben nog veel meer schulden. Neem ons land, waar je een hypotheek kunt opnemen met een omvang van zo’n vijf keer je jaarinkomen. Economen hebben altijd geroepen dat overheden niet meer dan 60% van het BBP in de schuld mochten staan, maar over particulieren, ik denk aan hypotheken, hebben ze dat niet geroepen, zelfs niet in de jaren negentig toen de hoeveelheid schuld die je je mocht permitteren ten opzichte van je jaarinkomen de lucht in schoot. Particulieren doen het altijd goed, overheden doen het altijd fout en ook als particulieren het fout doen komt dat omdat de overheid het hen gemakkelijk heeft gemaakt. Laat de banken hun gang gaan, leg overal de zaligheid van de hypotheekrenteaftrek overheen en we krijgen een schuldenberg om u tegen te zeggen. De tempering in die aftrek betekent  voorlopig niet veel meer dan een heel klein beetje van de waanzin van de jaren negentig terugnemen. Ook vandaag is het boek De Schuldenberg van Jaap van Duijn (Amsterdam, De Bezige Bij 2011) nog altijd leerzaam. De politieke implicaties zijn groot en verwijzen naar ons belastingstelsel dat vermogens beschermt en inkomens aanspreekt. Gaan we daar de volgende ronde wat aan doen? Als Lodewijk Asscher het echt meent met zijn zorgen over de ‘middenklasse’ dan ben ik benieuwd wat hij vindt van, en meer nog: wat hij van plan is met, de hypotheekrenteaftrek en, meer in het algemeen, de fiscale voordeeltjes voor schulden die met het oog op het verwerven van vermogen worden aangegaan.

In een interessante publicatie van David Autor et al (Importing Political Polarization? The Electoral Consequences of Rising Trade Exposure. MIT Working Paper, Cambridge Mass. 2016) wordt nagegaan of in de periode 1992-2012 globalisering heeft geleid tot polarisering (omschreven als het verdwijnen van overlappende standpunten van de twee grote partijen), en tot populisme (en oproepen de grenzen te sluiten voor, in het bijzonder, de import uit China), ter linker en ter rechter zijde van het politieke spectrum. Die gedachte blijkt te kloppen, met de economische crisis van 2008 als versterkend effect, en de verwachting dat de ontwikkelingen zich na 2012 en in de aanloop naar de verkiezingen van november dit jaar voorlopig bewaarheid. Dat belooft nog wat, en het belooft weinig goeds. De gedachte om de import te beteugelen speelt een rol, in het bijzonder in de verkiezingsretoriek van Trump (en in die van Sanders, maar die heeft de nominatie verloren), terwijl Trump behalve de import van goederen ook de arbeidsmigratie naar de VS aanvalt. Clinton, van haar kant, beperkt zich tot het halfhartig plaatsen van vraagtekens bij TTIP. Je hoeft geen begrip voor Trump te hebben om begrip voor de Trump-kiezer te hebben.

De uitkomsten van deze publicatie zijn ook interessant voor de aanstaande verkiezingen in ons land, mede door de gekozen tijdsperiode. De EU na 1992 is een andere dan die ervoor. De de deregulering van de financiële sector sinds de jaren negentig heeft de schokgevoeligheid en de openheid van de economie sterk vergroot. TTIP is van dit laatste het symbool geworden, en de euro staat er bij velen gekleurd op vanwege de slappe europese instituties in een financiële wereld die juist om stevige en effectieve instituties vraagt. De gevolgen van het openen van de arbeidsmarkt voor werkzoekenden uit andere EU-landen komen daar nog bij, gevolgen die, als gevolg van de groeiende verwevenheid van arbeidsmigratie en de instroom van vluchtelingen, in de EU politiek en sociaal gezien ingewikkelder uitpakken dan in de VS.

Het zou de deelnemende politieke partijen sieren indien ze althans een poging zouden wagen deze effecten van ‘globalisering’ en die van ‘europeanisering’ te benoemen door ze te onderscheiden, en een standpunt in te nemen ten aanzien van de voortgang van beide en de wenselijkheid daarvan. Meer specifiek: deint de europeanisering, zoals tot dusverre, mee op de golven en het ritme van de globalisering of gaat de EU zijn enorme economische potentieel nu eindelijk eens inzetten om de macht van de financiële sector aan banden te leggen? Het is een perspectief, en de kritiek erop, zoals we bij Joseph Stiglitz tegenkomen: ‘het aanhoudende verlangen om te komen tot een economische integratie die totaal uit de pas loopt met politieke integratie’ (De Euro; Hoe de gemeenschappelijke munt de toekomst van Europa bedreigt. Amsterdam, Atheneum-Polak & Van Gennep 2016: 24). Het curieuze is natuurlijk (ook dit is een observatie van Stiglitz) dat de euro juist wel op politieke integratie was gericht, en daarin faalde, onder meer omdat de veronderstelde economische integratie (de ‘convergentie’) niet afkwam en zelfs door de euro verder dan ooit van huis geraakte. En toch, toch ziet het er niet naar uit dat de politici van toen en nu hun ideologische bakens willen verzetten en hun beleid willen aanpassen. Aanpassen, dat moeten arbeidsmarkten en sociale zekerheidsstelsels. Politici passen zich niet aan, die leggen aanpassingen op. Als de financiële markten dat zo bepalen en nee, dat is geen aanpassen, dat is TINA. Waarmee ik maar wil zeggen dat de tendens naar polarisering en populisme niet nergens vandaan komt. En wat zal de EU moeten doen (in de visie van de politieke partijen) aan zijn buitengrenzen (gegeven dat wie het niet aan de buitengrenzen regelt moet leren leven met steeds meer, steeds hogere en steeds onvriendelijker binnengrenzen) en aan intra-Europese migratie en mobiliteit? Springstof genoeg, en met polarisatie en populisme in de lift, wat denken de politieke partijen daaraan en daarmee te doen?

Ik heb een beetje gegrasduind in de enkele verkiezingsprogramma’s die al zijn uitgebracht. Op al mijn vragen krijg ik wel iets van een antwoord in het programma van Groen Links. Ja, en in dat van de PVV hoewel de PVV vragen wantrouwt en strikt genomen ook geen antwoorden kent, dus daar worden we niet veel wijzer van. Bij de PVV is de boodschap al lang vervangen door de boodschapper. Dat is het Trump-effect waarop Wilders, ere wie ere toekomt, het patent heeft. Dat verbaast al lang niet meer, wat nog wel verbaast is de hardnekkigheid van het journaille dat in koor blijft roepen dat Wilders de problemen ten minste ‘benoemt’. O ja? Zijn we al zover dat we polariseren ‘benoemen’ noemen, om daarna te klagen over het populisme? Ik hoop maar dat de kiezer die altijd gelijk heeft snuggerder is dan ons journaille.

Ook in het programma van D66 staat het nodige, zij het vager en met wel erg veel meer omhaal van woorden dan bij Groen Links. Maar net als bij Groen Links zal het ons in de schulden steken minder worden aangemoedigd, en dat is in elk geval iets. In het programma van de VVD is, niet verbazend en toch teleurstellend, het liberalisme afgeschaft en de zelfgenoegzaamheid tot norm verheven. Daar heb ik niets aan, hoewel ik het had kunnen weten. De enige kiezer aan wie de VVD iets verschuldigd is is per slot de kiezer die er voor kan kiezen zich in de schulden te steken en niet de armoedzaaier die zich om het hoofd boven water te houden wel in de schulden moet steken.

En hoe dan ook, dat een betere EU ook een andere globalisering moet betekenen ben ik als zodanig nog niet tegengekomen, in geen der programma’s die tot dusver het licht hebben gezien. Maar, de programma’s van PvdA en SP moeten nog komen, van de kleine christelijke partijen eveneens en als het ook nog openstaande programma van het CDA niet het kleinste gemene veelvoud van alle andere programma’s gaat bevatten (‘wij van het CDA’ doen niet aan polarisatie) dan eet ik mijn hoed op. 

11 oktober 2016

=0=

 

 

Dromen

Er mag weer gedroomd worden. Dat zegt Jeroen Dijsselbloem, afgelopen zaterdag in dagblad Trouw. Het mag weer omdat het beter gaat met de ekenemie (fonetische spelling aanbevolen). Ik heb daar drie kanttekeningen bij. De eerste is dat VVD en PvdA het in toenemende mate over alles oneens zijn – behalve over de ekenemie. Hun ekenemie die ze beter hebben gemaakt en daarmee hebben ze ‘Nederland’ beter gemaakt. Nu moet de kiezer het nog beamen, in het stemhokje bij voorkeur. Dat ze in deze interpretatie van hun zegenrijke inspanningen voor de ekenemie wel eens alleen zouden kunnen staan komt bij hen niet op. Het is hun verdedigingslijn die zowel legitimeert wat ze de afgelopen jaren hebben uitgespookt als wat ze de komende tijd van plan zijn, ook al zijn beide partijen iets heel anders van plan.

Mijn tweede kanttekening is dat het onnozel is om aan te nemen dat de kiezers het wel eens zullen zijn met de slogan ‘ekenemie eerst’, de rest later. Alleen technocraten kunnen zoiets bedenken en inderdaad, dit kabinet is vergeven van de technocraten die bij politiek nooit aan politiek denken en alleen aan verkiezingen, diezelfde verkiezingen die je onmiddellijk na afloop ervan mag vergeten, die je onmiddelllijk na afloop zelfs moet vergeten, en wel in naam van de technocratische idee dat er ‘linksom of rechtsom’ geregeerd moet worden. Dat er nogal wat spanning staat op het tegelijk vertellen van je verhaal en het voorsorteren op een verkiezingsuitslag wordt niet geduid als een politiek probleem, het wordt geduid als een kenmerk van de technocratie van het regeren. En dan valt het altijd weer mee want u begrijpt dat we het graag anders zouden doen, met andere partijnen, maar u begrijpt ook dat we het morgen weer precies zo zouden doen als de afgelopen vier jaar, indien de taak van het regeren ons dat vraagt, de enige taak die niet ter discussie mag staan (en nee, dat niet om democratische redenen, wel om technocratische redenen).

Mijn derde kanttekening is dat dromen van technocraten geen dromen zijn en dat de bekentenis dat er pas gedroomd mag worden als de ‘ekenemie’ dat toestaat en er misschien wel om vraagt (‘loonsverhoging’, roept de minister) niets met dromen en alles met de ongestoorde nachtrust van de technocraat te maken heeft. Als zelfs onze dromen moeten wachten op de ekenemie van Dijsselbloem zullen we nooit meer dromen. Dromen van een land waarin de mensen zelf iets wensen, vormgeven, ter hand nemen, alleen of met anderen, in huis of erbuiten, in het eigen netwerk of in een wereldomspannend netwerk en elk netwerk daartussen in – en dat alles zonder gestoord te worden door een minister die ons opdraagt alleen dan te dromen als zijn ekenemie daar ook een graantje van mag meepikken. 

10 oktober 2016

=0=

 

 

Zwarte doos

Je smartphone is je zwarte doos. Het is de centrale stelling in de film Perfetti Sconosciuti (Volmaakt Vreemden) die we vandaag, in het kader van PAFF (Parool Film Festival), hebben bekeken. Een intrigerende film. Een zevental mensen (drie echtparen, één vriend wiens partner zich wegens koortsverschijnselen liet verontschuldigen) komt bij elkaar om samen te eten. Het is de avond van een maansverduistering (de maan bevindt zich in de schaduw van de aarde, van ons dus). Aan het begin schuift de aarde langzaam voor de maan en gaat ons zevental aan de maaltijd, aan het einde van de avond zijn we de maan voorbij en neemt het gezelschap afscheid van elkaar in het licht van een volle maan.

En gedurende de maaltijd ligt ieders smartphone op tafel en wordt de afspraak gemaakt dat elk berichtje wordt voorgelezen en elk gesprek met de luidspreker aan voor iedereen hoorbaar wordt afgewikkeld. We hebben toch geen geheimen voor elkaar, toch?

Dat blijkt niet helemaal correct en met niet helemaal bedoel ik uiteraard helemaal niet. En wat je te verbergen hebt wordt allemaal opgeslagen in je smartphone. Daar krijgen we gedurende de maaltijd het nodige van mee, in een slimme vertelling binnen een vertelling en symbolisch verbeeld door de maan, de verduisterde maan en de volle maan. Iedereen heeft wel iets te verbergen of heeft op z’n minst iets verborgen gehouden. Soms om laffe, soms om luie, soms om lofwaardige redenen maar in het tijdperk van de smartphone werkt het lofwaardige verborgene dat aan het licht komt misschien nog wel verwoestender uit dan de onthulling van banale leugentjes en avontuurtjes. Mensen hebben hun geheimen, die van onbenullig tot ingrijpend uiteenlopen.

Wat zeven vrienden aan een tafel doen en elkaar aandoen is één ding. Maar de wetenschap dat elke beweging die je maakt opgeslagen wordt in je smartphone en leesbaar is voor iedereen die de moeite neemt de zwarte doos van je smartphone te openen en aan de hand daarvan je geschiedenis te reconstrueren om je vervolgens met je eigen geschiedenis te confronteren in situaties die je had willen vermijden en op tijdstippen die je zacht gezegd erg ongelegen komen – dat staat tegen.

Dat we elkaar volmaakt vreemd zijn is niet datgene wat Perfetti Sconosciuti ons laat zien. Dat wisten we al, ook al hebben we er meestal geen enkele behoefte aan om tot het gaatje te gaan. Nee, doen alsof je elkaar wel degelijk begrijpt en elkaar daarom een beetje ruimte biedt is niet alleen veel aardiger, het is ook de enige manier om iets van samen-leven overeind te houden. Perfetti Sconosciuti toont ook dat, zowel aan het begin als aan het einde van de film. Maar wat de film zo onheilspellend maakt is die gedachte aan de zwarte doos, de doos die bij opening elk verschil tussen publiek, privaat en geheim uitvlakt. De film toont een toekomst die we niet willen hebben en die desondanks in aantocht is.

8 oktober 2016

=0=

 

 

Irrelevant

In het rapport over etnisch profileren dat enige dagen geleden verscheen wordt als specifiek kenmerk van dat profileren (vergeleken met bijvoorbeeld ‘abnormaliseren’) het volgende genoemd: ‘[d]e context waarin een persoon en/of een voertuig verschijnt, doet er voor politieagenten dan niet toe’ (Boeven vangen, 2016: 91). Ik zie daar wel wat in, en ik vind het steeds weer tamelijk schokkend dat context irrelevant wordt bevonden, dat context wordt overtroefd door etniciteit.

Het enige bezwaar is dat het niet klopt. We weten sinds jaar en dag, en ook de politie weet het, dat jongelui (meestal jongens) tussen ruwweg 15 en 25 veel vaker over de schreef gaan dan andere leeftijdscategorieën. Veel vaker, dat betekent hier niet alleen frequentie van overlast, het betekent ook dat welke ook de context is, de jongens erin slagen een rotzooi van te maken. Alleen, leeftijd is (behalve in de ogen van sommige millenials die babyboomers als een aparte ethnie beschouwen) nog geen etniciteit. Ik las laatst ergens dat van de millenials 80% zichzelf een uniek persoon vindt. Van de babyboomers op vergelijkbare leeftijd was dat 12%. Dat krijg je, als je heel gewoon bent, ben je vanzelf een ethnie. Niettemin, zelfs als wij vandaag de dag een mix van jongelui hebben waarin de autochtone component enigszins, hoe zal ik het zeggen, enigszins is verbleekt, dan nog hebben we het over leeftijd en niet over etniciteit. Etnisch profileren treedt pas op als elke profilering (hier: de leeftijdsprofilering) wordt ondergedompeld in etniciteit. Daar zijn we in dit land heel goed in.

En dat wordt nog wel eens vergeten. Door de politie, gelet op het rapport Boeven vangen (en op eerdere rapportages) en door de goegemeente waarvan Mark Rutte (al in 2007 op de vinger getikt als gevolg van zijn nota bene als staatssecretaris SZW genomen besluit Tilburgse Somaliërs etnisch te profileren) de eerste burger is, op de voet gevolgd door Halbe Zijlstra (de man die meent dat als jouw kaste vaak fraudeert jij dan ook vaak fraudeert, de man die een VVD-patroon tot algemeen menselijk patroon verklaart en vervolgens de VVD daarvan verschoond acht) en vanaf de publieke tribune ondersteund door Max Pam (de man die, in zijn column in de Volkskrant van 5 oktober, meent dat de politie het volste recht heeft te redeneren zoals Rutte, Zijlstra en hijzelf). 

In Nederland is het niet mogelijk een zinnig debat te voeren over discriminatie. Waarom is het niet mogelijk? Omdat, uitzonderingsgevallen daargelaten, wij in Nederland niet discrimineren. Zeggen we en als we het zeggen dan handelen we navenant. Bij de Nederlandse etniciteit (ik bedoel natuurlijk: identiteit) hoort dat we doen wat we zeggen dat we doen. Ongeacht de context. Zo zit ons identiteitsprofiel nu eenmaal in elkaar en daar mogen we best een beetje trots op zijn.

Ik zag gisteravond bij Pauw een politieman die best bereid bleek toe te geven dat etnisch profileren foute boel was. Maar was het discriminatie? Het werd hem voor de voeten geworpen. Maar hij sprak het discriminatiewoord niet uit. Waarom niet? Omdat wie in ons land zegt te discrimineren de klos is. Zolang je het niet zegt kun je doen wat je al deed, geen centje pijn. Een verstandige politieman kortom, die zonder het te zeggen zegt dat het probleem niet de politie maar de overheid is, dat het probleem de bestuurder van de sterke arm is en niet die arm zelf.

6 oktober 2016

=0=

 


Netjes

Zou het niet netjes zijn van het IMF om nu eindelijk eens gewoon te bekennen dat het monetaire beleid om de banken te redden weinig heeft opgeleverd, dat de banken, en in hun kielzog de financiële sector als geheel, er zo’n troep van hebben gemaakt dat zelfs het meest onorthodoxe monetaire beleid weinig zoden aan de dijk zet? Kwantitatieve verruiming, rentedaling op rentedaling, het helpt allemaal niet en als we nog even wachten helpt het van de wal in de sloot. Nu ja, het IMF zegt wel dat het monetaire beleid aan het einde van z’n latijn is, maar het IMF zegt weer niet dat de troep te groot is gebleken om met monetaire middelen op te ruimen. Dat blijkt uit de vandaag verschenen World Economic Outlook.

Zou het IMF het wel zeggen dan komt dat neer op de erkenning dat de deregulering en liberalisering van de financiële sector te ver zijn doorgeschoten en dat het probleem daar gezocht moet worden. Het probleem is niet monetair, het probleem is financieel en dan niet financieel in de zin van een gebrek aan geld maar financieel in de zin van een gebrek aan regulering van de financiële handel en wandel. Het probleem is niet een tekort of een teveel aan geld, het probleem is dat de financiële sector een ongeregelde bende is. De financiële sector is vandaag de dag als de maffia: je kunt er staten wel mee gijzelen en uitzuigen, en je kunt er nooit staat op maken. De financiële sector dringt middelen op (an offer you can’t refuse) en laat tegelijk weten dat het allemaal nog veel erger kan worden, dat de schade nog veel groter kan worden als niet gebeurt wat de financiële sector wil.

Wat het IMF nu wil lijkt verdacht veel op wat de financiële sector altijd al wil en de financiële sector wil leven in de brouwerij en leven – leven is inflatie. De centrale banken liggen op apegapen? Dan is het de hoogste tijd dat de ministers van financiën geld gaan oppompen voordat ook de gewone banken op apegapen liggen, voordat het probleem bij de financiële sector zelf uitkomt. Stel je voor! Tegenwoordig wordt om hogere lonen geroepen – het helpt de inflatie. Men wil door de staat aangezwengelde investeringsprojecten – het helpt de inflatie. Men wil dat de overheden gaan lenen op de kapitaalmarkt – wie weet volgt dan een hogere rente en een hogere inflatie.

En toch. Toch is de oplossing niet, zoals het IMF nu bepleit, dat de ministers van financiën aan zet zijn, de oplossing ligt niet bij financiën, de oplossing ligt in de juridische inbedding van de financiële sector en de oplossing ligt in het toezicht, het toezicht dat nu faalt, dat nu eerder een deel van het probleem dan van de oplossing is. Maak het de schaduwbancaire sector zo tegen dat ze het niet leuk meer vinden, maak het onmogelijk dat zakenbanken en nutsbanken in één bank ondergebracht zijn, zorg dat de windhandel in brievenbusmaatschappijen en grootschalige belastingonduiking wordt verjaagd, maak van de geldschepping een activiteit onder strikte overheidsregie – en zorg voor een toezicht dat zo ver van het old boys network af staat dat er voor de old boys weinig anders op zit dan zich te voegen in de manieren en mores van de toezichthouders.
Dat is pas netjes.

4 oktober 2016

=0=

 


Ervaring

De kinderombudsman is een vrouw. En wat doet ze? Ze legt haar oor te luister bij kinderen. Niet bij hun ouders, niet bij hun school, niet bij ons culturele erfgoed, niet bij de sociale media, nee, ze luistert als het om kwesties gaat waar kinderen mee te maken hebben (en waar ze bij gelegenheid zelfs centraal in zijn) gewoon naar de kinderen, ze luistert naar hun ervaringen. Ze beschouwt kinderen niet slechts als informanten over, in het meest recente geval, discriminatie, ze beschouwt ze als bronnen en ze doet dat door te putten uit de inhoud van de bronnen: de ervaringen. Het was te voorspellen dat ze daar kritiek op zou krijgen. Waar moet het heen met de wereld als we, ik noem maar wat, de ervaringen van uitkeringstrekkers als bron nemen voor ons oordeel over de eerlijkheid en de redelijkheid van de eisen waar je aan moet voldoen om je uitkering niet kwijt te raken? Ik bedoel maar. Het land zou het niet overleven, de fatsoensrakkers van de arbeidsplicht zouden er een hartaanval van krijgen, de uitkeringenbureaucratie zou niet alleen iets moeten weten over de regelingenjungle maar ook nog iets over de mensen die aan de hand daarvan worden gewogen en als het zo uitkomt te licht worden bevonden.

Het hele raderwerk zou stil komen te staan en dat niet vanwege een staking maar alleen en uitsluitend vanwege de nieuwe regel dat niet slechts de regels maar ook de ervaringen van mensen met een uitkering een bron zijn die je niet mag overslaan als je het hebt over nut, noodzaak en gevolgen van uitkeringen. Stel je voor. Daar is het land echt niet groot genoeg voor.

Een Zwarte Piet is naar alle waarschijnlijkheid een bijbeunende zwartwerker. Dat weet iedereen, je hoeft maar op het hesje te letten. Het is daarom niet moeilijk te voorspellen dat de reacties op het brongebruik van de Kinderombudsman (te rade gaan bij de kinderen, niet bij de Zwarte Pieten) en die op het voorstel om bijstandsafhankelijken wat minder te ringeloren (zodat ze ook bij zichzelf te rade kunnen gaan) zo aardig met elkaar in de pas lopen. De kinderen ervaren dat de volwassenen zich teveel met het kinderfeest bemoeien, over hun hoofden heen ruzie maken (het zijn ongetwijfeld vergelijkbare ouders die bij de eerste asielzoeker over de ongereptheid van hun kinderen, van hun dochters in het bijzonder, beginnen) en zich te opdringerig gedragen, de kinderen zijn erg voor een feest wat voor alle kinderen leuk is en anders-gekleurde kinderen ervaren gedurende het jaar af en toe discriminatie en rond het Zwarte Pietseizoen wat meer.

Klinkt plausibel, maar we weten dat politiek Nederland meer heeft met de ervaring van meerderheden (dat noemen we ‘draagvlak’) dan met de ervaring van minderheden (dat noemen we ‘lange tenen’ en ook wel ‘overgevoeligheid’). In dit geval vinden politici het in meerderheid verstandig te roepen dat Zwarte Piet een eigenaardigheidje van de samenleving is waar politici zich niet dan met enige schuchterheid in moeten mengen. Het is de premier die daar met zijn bekende dubbelhartigheid het verst in gaat: Zwarte Piet is geen overheidszaak maar, zo zegt de altijd op stemmenwinst beluste premier zoetsappig, het gevoel van discriminatie kan niets te maken hebben met ‘het symbooltje van dit kereltje’. Transformeer de ervaring van discriminatie in een gevoel over discriminatie en de discriminatie als strafbare categorie verdwijnt als sneeuw voor de zon. Daarmee heeft de premier de praktijk van het falende antidiscriminatiebeleid in Nederland voortreffelijk getypeerd. Het is inderdaad niet meer dan een ‘symbooltje’. Wij willen geen ervaringen van minderheden, wij hebben genoeg aan onze eigen bronnen en wij hebben genoeg eigen bronnen. En we zijn met meer, wat zullen we nou hebben.

Een aantal universiteitssteden in het land (Wageningen, Tilburg, Groningen, Utrecht) heeft toestemming gekregen om te experimenteren met de bijstand. De staatssecretaris zorgt voor de spelregels bij het experiment, de steden schakelen hun universiteiten in om te onderzoeken en evalueren wanneer de nieuwe spelregels voor wie wat opleveren. Het experiment als medicijn: sommigen in je gemeente krijgen het, anderen krijgen het niet of niet helemaal of niet in de originele dosis of niet in de originele verpakking en dan zien we wel wie het beste snapt wat de bedoeling is. De bedoeling is: zo snel mogelijk terechtkomen in een reguliere baan en het type experiment binnen het experiment dat dat het best voor elkaar weet te boksen zal ongetwijfeld worden beloond door het te betrekken bij de eerstkomende update van de Participatiewet.

De gedachte bij het experiment is dat de vernederende en wantrouwende regelgeving met betrekking tot de bijstandsafhankelijke misschien net iets te veel van het goede is. Het is lastig balanceren om geen foute verwachtingen te wekken, want een basisinkomen mag het onder geen beding worden (daar zijn PvdA en VVD het over eens) maar een ietsje meer bijverdienen en een ietsje minder aan idiote ‘tegenprestaties’, dat moet kunnen. Vond het kabinet grootmoedig. Hoewel, de VVD heeft met succes aangedrongen op ook een experiment met een nog strenger, nog pietluttiger, nog betuttelender karakter dan we nu al hebben in de Participatiewet. Zo, zal de gedachte wel zijn, kunnen we zien of de mensen in de bijstand onmiddellijk misbruik zullen maken van de nieuwe situatie, of die hen nu meer of juist minder ruimte biedt. Het experiment is geslaagd als meer mensen ‘uitstromen’ naar gewoon betaald werk.

Een dergelijk succescriterium – dat meer afhankelijk is van de conjunctuur en van de logistieke, politieke en juridische mogelijkheden voor werkgevers en opdrachtgevers om wereldwijd het arbeidsaanbod af te struinen en er de voordeligste aanbiedingen uit te halen – heeft het experiment al vermoord voordat het is begonnen. Ik vermoed dat het kabinet wel door heeft dat de Participatiewet een wangedrocht is dat in z’n huidige vorm niet blijvend kan zijn. Er moet gezocht worden naar een aanleiding om de ergste malligheden en beledigingen eruit te halen – en daarvoor moet het experiment het excuus aanreiken.

Nee, de ervaringen van de bijstandsafhankelijken zullen in opzet, uitvoering en evaluatie van het experiment geen rol spelen. We gaan ervan uit dat niet de mensen werken maar het per experiment uitgedeelde medicijn. Het is het medicijn dat hen aan het werk moet krijgen, niet zijzelf want dat kunnen ze niet, dat hebben ze al bewezen door in de bijstand te zitten. Zij zijn een soort kinderen en dus hebben we het over hen, bedenken dingen voor hen en altijd zonder hen, en we zullen ons er niet toe laten verleiden hun situatie de maat te nemen op basis van hun eigen ervaringen. Net zoals bij dat andere kinderfeest.
  
2 oktober

=0=


Zwarte markten en zwarte gaten

Als de oogst mislukt en zich een tekort aan levensmiddelen voordoet kan de overheid ingrijpen en ons op rantsoen zetten. Je kunt er de klok op gelijk zetten dat zich binnen de kortste keren een zwarte markt zal ontwikkelen. In ontwikkelingslanden – en in tijden van oorlog en de nasleep daarvan – is de zwarte markt een dagelijks voorkomend verschijnsel. In ons land moeten we eerder denken aan de volkshuisvesting en gezondheidszorg. In het eerste geval loopt het de spuigaten uit, in het tweede nog niet maar met toenemende ongelijkheid aan de ene en steeds snellere en comfortabeler mobiliteitsvoorzieningen aan de andere kant ligt het voor de hand dat zich ook hier steeds meer sluipwegen zullen presenteren. Het omgekeerde kan natuurlijk ook. Is de oogst overvloedig en als we het overschot aan de straatstenen niet kwijt kunnen dan draaien we de overtollige tomaten, komkommers, appels enz. gewoon door. Dat zijn extra kosten die je kunt voorkomen door de producenten niet langer voor hun producten maar voor het uitblijven van hun producten te belonen. Het product wordt een niet-product en verdwijnt als het ware in een zwart gat.

Ik moest eraan denken door een column van Ger Groot, eergisteren in dagblad Trouw (De EU als melkkoe). Zijn voorbeelden (melk, boter, wijn, olijfolie, komkommers) zijn zonder uitzondering ontleend aan de agrarische sector, de sector waar de EU altijd al in heeft geintervenieerd, en de sector die tot op de dag van vandaag een groot beslag legt op het EU-budget. Daar is de EU niet uniek in. Ook de VS hebben om hen moverende redenen een marktverstorend agrarisch beleid. Deze grootmachten zullen pas belang hechten aan vrijhandel als landbouw en veeteelt in het BNP nog slechts een minimaal aandeel hebben en, en dat lijkt me veel belangrijker, als producten en productieprocessen in die sector volledig geindustrialiseerd zijn, verscholen kunnen worden achter een muur van patenten en licenties, nodig geacht om voormalige producten van de flora en fauna van het land te transformeren in steeds kunstmatiger componenten voor van alles en nog wat. Dan wordt de markt niet langer verstoord door overheden, dan wordt de markt alleen nog verstoord door het wonderlijke en leugenachtige verschijnsel van het intellectuele eigendom. Over niet al te lange tijd zal de agrarische sector meer lijken op big pharma dan op big plantation.

Dan kan de zwarte markt worden vervangen door bedrijfsspionage, en het zwarte gat door een nimmer aflatende strijd over eigendomsrechten. Er is wel degelijk vooruitgang, niemand die het kan ontkennen. De vraag is slechts voor wie het vooruitgang is.

30 september

=0=

 

 

Loos alarm

Verbaasd was ik wel, maandagavond, toen ik Twan Huys hoorde zeggen dat verkiezingsdebatten in de VS veel inhoudelijker zijn dan die bij ons. Ik vind ‘inhoud’ altijd een verdacht woord als het uit de mond van politici moet komen. Ik denk dan dat ze met hun ‘inhoud’ op zoek zijn naar grenzen. En dat niet om de grenzen van de andere kant af te leren bekijken maar gewoon, als landjepik. Grenzen ontregelen vormen, verfomfaaien de toevallig aanwezige inhoud en de ene grens kan slechts worden overtroefd door de volgende. Politiek is het met behulp van grensoverschrijdingen verleggen van grenzen. Daar past geen bijzondere inhoud bij, daar past elke inhoud bij. En elke inhoud is een soort algemene inhoud, een inhoud die de oren laat hangen naar het publiek dat erin gelooft. Inhoud gaat niet over wat een politicus wil doen, het gaat over waar een politicus stemmenwinstkansen vermoedt. Mijn hypothese is dat als Huys ‘inhoud’ zegt, hij doelt op een oprisping die kiezers moet aanspreken die tot dusver onbereikbaar leken (‘wie heeft het verkiezingsdebat gewonnen?’). Mijn tweede hypothese is dat Huys net zo politiek is als de politici die hij bespreekt: die inhoud van hem komt nooit maar als de kijkcijfers in orde zijn heeft hij het goed gedaan. In eigen ogen en in die van de mediacraten.

Gisteravond, na het eerste debat tussen Trump/Clinton, mocht Huys opnieuw bij DWDD aanschuiven. Over ‘inhoud’ heb ik hem niet meer gehoord en als ik datgene goed heb begrepen waarvan Huys zei dat hij het zelf niet goed had begrepen, dan zei Huys dat Trump-aanhangers van mening waren dat Trump had gewonnen en dat Clinton-aanhangers van mening waren dat Clinton had gewonnen. Ook leek het erop dat opiniepeilers net als de kiezers ofwel Trump ofwel Clinton als winnaar aanwezen. Kortom, er valt weer geen zinnig woord over te zeggen maar omdat de tv daar niet van leven kan worden deskundigen zoals Huys uitgenodigd om met de nodige zelfverzekerdheid te zeggen dat er geen zinnig woord over valt te zeggen – ook als ze eerder iets over ‘inhoud’ hadden gemompeld.

Die inhoud, dat was maar loos alarm hoor. Spreek me er niet op aan, ik ben per slot niet meer dan een deel van het verschijnsel dat ik bespreek en dan kun je je niet permitteren erboven of ernaast te blijven staan.

De onderzoeksjournalistiek in ons land is soms van verrassende kwaliteit. De dagelijkse journalistiek is daarentegen steeds vaker een betreurenswaardig misverstand.

28 september

=0=

 

 

Gebruikswaarde

Het kabinet Den Uyl viel in 1977 over de grondpolitiek. Het ging om het onteigenen van agrarische grond ten behoeve van bouwplannen en dus om de vraag over de compensatie voor de te onteigenen boeren. Het kabinet kwam er niet uit – en daarom bood Den Uyl het ontslag van zijn kabinet aan.

De steen des aanstoots bleek het antwoord op de vraag of de compensatiegrondslag  de gebruikswaarde van de grond dan wel de ruilwaarde ervan moest zijn. De gebruikswaarde gaat uit van het bestaande gebruik, de ruilwaarde is aan geen enkel bijzonder gebruik gebonden. De ruilwaarde is duur voor de onteigenaar en voordelig voor de onteigende, de gebruikswaarde is goedkoop voor de onteigenaar en nadelig voor de onteigende. De christelijke partijen in het kabinet hadden nauwere banden met boerenbelangen dan de PvdA, D66 en de PPR en waren, net als de eventueel te onteigenen boeren, voor de ruilwaardegrondslag. Daarmee was het motief van het kabinetsvoorstel (het tegengaan van grondspeculatie) binnen en door het kabinet zelf onthoofd. Het kabinet overleefde het niet. Van de vier ‘maatschappijhervormende’ maatregelen die het kabinet zich had voorgenomen was dit de laatste. Geen van de vier heeft het gehaald, voornamelijk door tegenwerking vanuit het kabinet zelf, met vice-premier en minister van Justitie Van Agt voorop. De betiteling ‘vechtkabinet’ voor de regering Den Uyl is tegen deze achtergrond ontstaan en door diezelfde achtergrond ook niet moeilijk te verklaren.

Een bestemmingsplan legt het gebruik van grond en bebouwing vast. Vanuit de markt bekeken is het ideale bestemmingsplan het ontbreken van een bestemmingsplan: degene die de grond heeft mag zelf bepalen wat ermee gebeurt. Zoals bij alles wat je hebt aangeschaft eigenlijk. Het gebruik is het voorrecht van de eigenaar. Bij grond en bebouwing is dat nog niet helemaal het geval, maar de ontwikkelingen gaan wel steeds meer die kant op. Wanneer is een huis een hotel? Tja, dat is niet zo eenvoudig meer vast te stellen. Een huiseigenaar mag een aantal dagen per jaar hotelier spelen, maar nog niet het gehele jaar en dus is het wachten op de huiseigenaar die om de paar maanden z’n pand verkoopt en in een nieuw pand weer hotelier gaat spelen en dan nog een keer. Moet te organiseren zijn; verzamel een zestal eigenaren van panden, laat ze onderling bedisselen dat ze over en weer elkaars panden overnemen voor nette prijzen, zorg dat ze allemaal de randvoorwaarde respecteren (‘woon nooit in je eigen pand’) en je hebt een bloeiende handel. Bestemmingsplan? Meneer, het zijn woningen, altijd geweest ook, en het blijven woningen dus waar heeft u het over?

Er is een tijd geweest dat ziekenhuizen gewoon ziekenhuizen waren. Ze waren geen grondeigenaren en de gebouwen werden beheerd en onderhouden door de overheid. Maar vanaf 2012 heeft de overheid het nuttig bevonden om de ziekenhuizen zelf verantwoordelijk te maken voor hun vastgoed, en voor de vastgoedrisico’s, die ook. Voor financiering zijn de ziekenhuizen niet langer welkom bij de schatkist. Ze zijn nu afhankelijk van de kapitaalmarkt. Moet er een extra vleugel bij? Probeer er maar krediet voor te vinden. Het nut van de nieuwe vleugel hangt op de kapitaalmarkt niet langer af van overwegingen van zorgbehoefte en zorgvraag, het hangt af van de kredietwaardigheid van het ziekenhuis. De vraag zal niet langer zijn hoeveel zorgverbetering geboekt zal worden, de vraag zal zijn wat het ziekenhuis en de ziekenhuislocatie waard zijn als onderpand. Tenslotte, als je je krediet niet tijdig terugbetaalt kan de schuldeiser het onderpand opeisen.

Ik lees in het FD dat het Tilburgse ETZ (Elisabeth-TweeSteden-Ziekenhuis: de tweede stad is Waalwijk) door Fitch op kredietwaardigheid is beoordeeld en een heuse A in de wacht heeft gesleept. Daar kun je de markt mee op. Waar die A op gebaseerd is? Ik citeer de relevante passage uit het Fitch rapport: ‘[t]he ratings reflect the strong market position of ETZ and high per capita income of its catchment area’. Daar is geen woord Frans bij en evenmin enige overweging die ook maar iets met zorgbehoefte te maken heeft. Nog even en zorgbehoefte en per capita inkomen zorgen voor een stabiele inkomensverwachting voor een ziekenhuis en het is die combinatie die telt, die als enige telt. Of: ‘nog even’? Het is nu al zo: ‘[a]nother factor supporting the ratings is the stability of ETZ’s revenue’.
De dagen van de gebruikswaarde zijn geteld.

26 september

=0=
 

 

Oculair

Vroeger, zo begrijp ik van Huub Dijstelbloem, was de democratie vocaal. Nu wordt de democratie oculair. Voor de vocale democratie hebben we het parlement, voor de oculaire democratie hebben we de opname- en verzendcapaciteit van beeldregistratie, een capaciteit waar we zo zoetjesaan allemaal over beschikken. Het beeld onthult en uit de ene onthulling vloeit de volgende voort en de daaropvolgende. Het beeld licht de doopceel van de publieke ambtsdrager en zorgt ervoor dat vuiltjes, ook die van lang geleden, aan de kaak worden gesteld. Of ze bestraft worden hangt weer van andere publieke ambtsdragers af. Als ik de eerste reacties op de onthulling van de stiekeme handel en wandel van Neelie Kroes bekijk mag ik er niet te veel van verwachten. In een vocale democratie verwacht je dan stampij (en die is er niet), in een oculaire democratie wordt de uitblijvende stampij waargenomen als een indicatie dat waarschijnlijk het hele corps publieke ambtsdragers boter op het hoofd heeft. Die hebben het er dan ook zelf naar gemaakt. Vraag in een parlement of in een gemeenteraad waar welk geld gebleven is en de kans dat je er een onderzoekscommissie op moet zetten is groter dan de kans op een begrijpelijk antwoord.

Ik ben er nog niet uit wat ik hiermee moet, maar het roept wel een vraag bij me op. Dit is de vraag: zijn we altijd al ongelooflijk bedrogen en opgelicht door onze publieke ambtsdragers of lijkt het, onder invloed van de oculaire democratie, alleen maar zo? Zijn leugen, bedrog en oplichting inherent aan het politieke bedrijf en laat het oog dat nu eindelijk ook zien, of spoort het oog alleen diegenen op die zich meer toeëigenen dan toegestaan en laat het oog de overigen met rust omdat ze vooralsnog in orde zijn? Ik weet het niet zeker. Dat oog is een veelheid van ogen en de veelheid gehoorzaamt niet aan een centrale leiding, aan een centraal plan, aan een centraal idee. Met het veelheidsoog correspondeert de veelheidsstem en niets garandeert dat een oog ook een stem is. Je kunt je kaken op elkaar houden en je kunt een oogje toeknijpen en over wie wanneer wat doet en wat laat kun je je vermoedens hebben maar je kunt je er niet op verlaten.

Door iets wat later gebeurde, schrijft Douwe Draaisma (Als mijn geheugen me niet bedriegt; Groningen, Historische Uitgeverij 2016), kan iets waarvan je zeker wist dat het vroeger gebeurd was een geheel andere betekenis krijgen, tot en met de ontkenning van het eerder gebeurde aan toe. De oculaire democratie is een democratie waarin wat vandaag gebeurt je op het spoor zet van wat vroeger best eens gebeurd zou kunnen zijn en soms ook inderdaad echt gebeurd is. Zelfs als dat het geval is weten we nog niet wat het betekende, toen het gebeurde, in de toenmalige context.
Wat niet wegneemt dat Neelie Kroes een onverbeterlijke marchandeur/koppelaar is. Maar dat wisten we toch al lang?

24 september

=0=

 

 

Brokkenpiloot

‘Het vaste contract is op zijn retour. Een groeiend aantal werknemers ziet geen kans zijn voorkeursoptie van een vast contract te verzilveren. Deze kans is bovendien relatief laag voor groepen met een zwakke arbeidsmarktpositie. De voorzieningen voor mensen met een flexibel contract zijn magerder. Payrollcontracten bieden doorgaans minder bescherming, de regelingen voor werkloosheid en pensioenen met hun opbouwregimes en wachttijden zijn niet toegesneden op mensen met wisselende, onzekere contracten. De zzp’er is meer tevreden, maar de legitimatie voor de huidige fiscale faciliteiten is broos. Voor deze groep is er een relatief groot vertrouwen in de zelfredzaamheid en beperkte mogelijkheden voor een beroep op de risicodeling en solidariteit. Een herontwerp van de regulering startend vanaf de basis zou vermoedelijk een ander resultaat opleveren. Over hoe dan wel is veel debat mogelijk, zo is ook gebleken in de afgelopen jaren. De ervaring leert dat de kans op actie in Nederland het grootst is als iets in een Regeerakkoord is vastgelegd en er voldoende voorbereidende studies zijn verricht. Dat treft. De afgelopen periode is een flinke stapel studies geproduceerd en de verkiezingen zijn nakend. Geen woorden, maar daden, zouden ze in Rotterdam zeggen.’ (MEV 2017: 22-23).

Ik dacht, ik neem maar een brokje over uit de ‘beschouwing’ van de MEV, een beschouwing die dit jaar in het teken staat van de vraag hoe het toch kan dat we in ons land altijd zo moeten overdrijven en toch nooit helemaal op de goede afloop durven vertrouwen. Vrijheid, maar dan met toezicht. Dat laatste voor de vorm, maar toch. Of er mag niks, of alles mag, of we denken alles te kunnen regelen, of we denken dat alles zichzelf maar moet regelen. Onder toezicht want de werkgelegenheid wil ook wat.

Nu, zegt het CPB in deze MEV, op de arbeidsmarkt mag zo langzamerhand alles en we vinden ook dat alles zichzelf wel zal regelen. Dat is overal zo, niet alleen bij ons, maar bij ons hebben de politici het nog niet door. Politici denken dat ze aan de ene kant alles van waarde kunnen dereguleren en aan de andere kant dat er toch normen nodig zijn. Dat gaat natuurlijk niet. Je kunt geen verwachtingen bij de werkgever wekken dat hij nu eindelijk eens zijn goddelijke gang kan gaan en hem tegelijk verplichtingen opleggen om het nog een beetje netjes te houden. Het is het één of het ander en we zien dat sommige politici niet goed weten hoe ze de boodschap aan de werknemer moeten overbrengen. Het flexibiliteitswoord is sleets geworden, het voorkeursargument was altijd al hogelijk verdacht, dus wat blijft er dan nog over, behalve wetten waar iedereen gewoon omheen kan wandelen als dat zo uitkomt?


Een ‘herontwerp van de regulering’ vanaf de basis zou, vermoedt het CPB, iets anders opleveren dan de misère van nu. Helemaal geen regulering ook, en een regulering waaruit de ‘sociale partners’ zijn weggelaten al evenzeer, dus de meerwaarde van deze suggestie is nul. Het CPB schrijft, los van alle verhullend taalgebruik, dat de decentralisering van de arbeidsverhoudingen nog wel even zal doorgaan en zal leiden tot een resultaat dat als twee druppels water lijkt op een ‘herontwerp’ van onderaf. Als je dat vindt kun je het beter zeggen, vind ik. Dat Henk Kamp, baas van het CPB, het vindt kan ik me indenken en dat mevrouw Van der Geest als directeur van het CPB en voormalig topambtenaar het vindt kan ik me ook al weer indenken – zij het dat al dat indenken twijfels oproept over de ‘onafhankelijkheid’ van het CPB. Tja, denk ik dan, wat is herontwerp vanaf de basis? Het CPB schrijft het op, wij mogen het invullen.

Mijn invulling is dat het een invulling wordt die de huidige krachtsverhoudingen bestendigt. Ik wil daar geen grappen over maken, wel indiceren welke kant dat opgaat. In de Groene van deze week vind ik mijn leidraad, in een onderzoeksartikel (Sophie Kluivers & Saskia Naafs, Zwijg of je vliegt eruit, De Groene 220916: 28-33) over piloten die dankzij de deregulering sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw steeds meer kans maken zich tot brokkenpiloten te ontwikkelen. Die kansen, overigens, zijn geen risico’s die ze nemen, het zijn gevaren die ze lopen als gevolg van de agressie van de ondernemers in de luchtvaart.

Zijn de piloten nog in dienst van een luchtvaartonderneming? Steeds minder. Sinds de deregulering is de praktijk dat de piloot, die zich voor de pilotenopleiding zwaar in de schulden moet steken en die om voldoende vlieguren te halen dat nog een keer moet doen, zich als zzp-er moet laten registreren en dan via een intermediair terechtkomt bij een luchtvaartmaatschappij die slecht betaalt, lange arbeidsdagen eist, geen ziekte tolereert en al helemaal geen ziekengeld wil uitkeren, die op rusttijden en rustfaciliteiten beknibbelt, en die piloten en ander personeel uitnodigt over elkaar te klikken. Ik vergeet vast nog iets maar als schets mag het volstaan.

Het resultaat is dat van alle personen in een vliegtuig het de piloot is die het meest heeft betaald voor zijn zitplaats. Een baan is duur en als je opdrachtgever weet dat je die baan nodig hebt om je schuld en de rente op rente op die schuld te betalen en dat er tal van anderen zijn die in dezelfde situatie verkeren, wat let de opdrachtgever je het vel over de neus te halen? Ja, vroeger hadden we daar regels voor maar het aardige van de dergulering was nou net dat die regels ‘vanaf de basis’ zijn ‘herontworpen’. Dus? Uiteindelijk, zo besluit het artikel in de Groene, ‘zal de wal het schip keren als er een paar vliegtuigen uit de lucht vallen’ (o.c.: 33).

23 september

=0=

 

 

Pech

Een niet onbelangrijk deel van de algemene politieke beschouwingen ging gisteren over het eigen risico in de zorg. Roemer zwengelde het debat aan en, gelet op de vele discussies die zijn interventie teweeg bracht, hij deed dat met succes. De schaduwkant van het succes was dat het niet over de zorg ging maar alleen over de ‘betaalbaarheid’ en dan weten we wel hoe laat het is. Hoe hoger de draagkracht, hoe geringer het draagvlak, men moet Samsom nog maar eens vragen ons deze eenvoudige regel uit te leggen met als voorbeeld het door zijn partije opgeloste probleem dat de VVD had met de inkomensafhankelijke zorgpremie, de premie waar de VVD voor had getekend, die tot een opstand in die partij leidde en die werd gesust door Samsom. Jongens, als het zo’n probleem is, dan doen we het toch gewoon niet? Samsom weet heel goed dat in VVD-kringen het heiligen van de draagkrachtverhoudingen het enige principe is dat op draagvlak mag rekenen.

Zo is in Zwitserland het referendum over het basisinkomen gestruikeld want ergens moet de rekening worden aangeboden en dan geldt net als hier dat overal waar je dat zou kunnen doen, waar de draagkracht er wel is, het draagvlak ervoor ontbreekt. Wat is de overeenkomst tussen een publieke zorgverzekering en een basisinkomen? Dat zijn er twee. De eerste is dat iedereen er de voordelen van plukt en sommigen er naar draagkracht meer aan moeten bijdragen dan anderen. De tweede is dat de voorstanders ervan zich niet verschuilen achter draagvlakargumenten, maar zich beroepen op draagkrachtargumenten en aan die argumenten, gewogen door de voordelen van een publiek zorgstelsel en een publiek gegarandeerd basisinkomen, genoeg vertrouwen ontlenen om ze in te brengen in de politieke arena. De voorstanders zijn een minderheid die over een groot maatschappelijk draagvlak beschikken maar in termen van draagkracht en dus in termen van de huidige politieke windrichting weinig voorstellen. De huidige politiek houdt er dan ook amper rekening mee. We hebben te maken met onmachtige politiek en onwillige politici.

Ooit werden belastingen verplicht opgelegd omdat iedereen heel goed wist dat de verplichting nodig was om niet verlamd te worden door een ontbrekend draagvlak, tegenwoordige politiek gebruikt de retoriek van het draagvlak om de draagkracht uit de wind te houden. Dat wordt ‘betaalbaarheid’ en ‘financiële onderbouwing’ genoemd en wat dat inhoudt wordt al lang niet meer door de politiek bepaald maar door het CPB, de overheidsinstantie die eerst de gehele economie als een fabriek modelleert en dan verordonneert dat alleen als de fabriek tegen de laagst denkbare kosten levert het met de betaalbaarheid wel goed zit en de financiering geen probleem hoeft te zijn – tenzij de ‘politiek’ natuurlijk liever in innovatie en andere speeltjes belegt, maar daar gaat het CPB dan weer niet over, het CPB kan daar hooguit over adviseren. Het CPB gaat niet over draagvlak, althans nog niet. Wat niet is kan nog komen.

Goed, het ging dus over het eigen risico. Dat risico is helemaal geen risico, het is domme pech. Risico’s betreffen gebeurtenissen waarin mensen zelf de hand hebben gehad, gebeurtenissen die ze door hun eigen gedrag en handelen pogen te beïnvloeden en dat kan voor hen van voordeel en van nadeel zijn. Dat noemen we dan risico, of in geldtermen: winst of verlies. Als je geen zorgkosten hebt heb je ook geen eigen risico.

Pure winst toch? Als je wel zorgkosten hebt dan ben je pas verzekerd als je eerst je eigen risico hebt betaald en dat is dan verlies. Tot dat bedrag ben je nominaal wel en feitelijk niet verzekerd. Dat hebben de nominaal verzekerden goed begrepen en dus gaan ze pas naar de dokter als ze weten dat ze dat kunnen betalen. Is dat erg? Dat weten we alleen achteraf, want sommige zaken kun je aardig voorspellen maar zorgbehoefte valt daar niet onder en voorzover je die behoefte wel kunt voorspellen dan ben je vermoedelijk langdurig gevangen in een ziekte waar je geen invloed op hebt, een ziekte die dus buiten het type gebeurtenissen valt waar je zelf iets aan kunt doen.

Ik geef toe, dit heeft met de ‘betaalbaarheid’ van ‘de’ zorg niets te maken. Het heeft alleen iets te maken met een type politiek argumenteren dat mensen die het met hun gezondheid (en we kunnen hetzelfde stellen voor hun arbeidsmarktgezondheid) niet hebben getroffen aanspreekt alsof ze hun pech over zichzelf hebben afgeroepen. Dat is niet juist. Het enige dat ze over zichzelf hebben afgeroepen zijn de politici die hen verantwoordelijk houden voor hun gezondheidsituatie. En ach, dat alsof, dat bekt niet, dat laten we weg: pech roep je over jezelf af. Dat is de bijdrage van de politici aan de verkrachting van het risicowoord.

22 september

=0=

 


Omslag


Er zijn veel mensen die onze cultuur de beste vinden. Ik neem gemakshalve aan dat zij dezelfde mensen zijn die als er stront aan de knikker is zeggen dat er een cultuuromslag moet komen.

Het woord cultuuromslag is van hetzelfde laken een pak als het woord reorganisatie. Ik werkte nog niet eens zo heel lang aan de universiteit toen er gereorganiseerd moest worden. Hier liep de studenteninstroom terug, daar steeg de instroom en er waren geen mechanismen om het personeelsbestand daarop aan te passen. Nou ja, mensen erbij dat ging nog wel, maar mensen eraf, dat was lastiger. Je zou denken dat de bestuurders dat wel wat eerder hadden kunnen bedenken maar ze bedachten het niet en daarom moest er ‘gereorganiseerd’ worden. Ze konden slecht uitpakken, die reorganisaties maar dan nog was het reorganisatievermogen geactiveerd en dat was nooit weg. Zonder reorganisatie slaapt het reorganisatievermogen in. Een geniale gedachte, met als conclusie dat reorganisatie nooit meer weg zal gaan.

De reden dat reorganisaties niet opleveren waar behoefte aan is, is eenvoudig. Dat is de cultuur. Daarom, geen reorganisatie zonder cultuuromslag. Het heeft, gerekend vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw, gauw een decennium gekost voordat deze harde waarheid op tafel lag maar nu we het eenmaal weten is er geen ontkomen meer aan. Reorganisatie + cultuur = de beoordeling van managers en bestuurders door andere managers en bestuurders met alle overigen als wisselgeld. Als het echt te schunnig voor woorden is geworden met de organisatie en het bestuur ervan, dan is een cultuuromslag des te harder nodig. Voor een succesvolle reorganisatie moet een boel gepolderd worden, maar het resultaat van een cultuuromslag gaat nog wel wat verder dan gepolder. Het resultaat van een cultuuromslag is een polder met een nieuw elan, een polder van frisse zin, een polder van hardwerkende Nederlanders, een polder waar we trots op mogen zijn, een polder die in geen enkele andere cultuur z’n weerga kent, een polder die de bokken van de schapen scheidt.

Het is de cultuur van het draagvlak. Het draagvlak zorgt ervoor dat de gevolgen van de reorganisatie precies daar terechtkomen waar we er het minste last van hebben, bij de mensen waar we toch niks meer aan hebben. Het draagvlak is flexibel, het is als het ware al gemaakt om om te slaan zodat degenen die al een paar keer gepakt zijn ook eens overgeslagen kunnen worden en, wie weet als het een beetje meezit, hun eigen draagvlak als argument kunnen inzetten om anderen de toegang te ontzeggen – met een beroep op hun cultuur die niet elke omslag goedkeurt en met instemming van de bestuurders die er hun vingers niet aan willen branden.

Ik lees in het FD van vandaag dat de mini-enquête van de Tweede Kamer naar aanleiding van de onthullingen in de Panamapapers over particulieren en trustkantoren moet gaan – niet over multinationals. De SP is daar boos over, had misschien wel gerekend op steun van GL en PvdA maar komt bedrogen uit. Waarom doen die partijen niet mee? Nu, schrijft het FD, ‘de mini-enquête kent de mogelijkheid van een verschijningsplicht en een verhoor onder ede. De beide andere linkse partijen vrezen daardoor dat het draagvlak voor de enquête wegvalt, omdat VVD en CDA daar niets voor voelen’.

Draagvlak. We hadden het kunnen weten. Want dat was ik nog vergeten: draagvlak is met de vinger naar anderen wijzen. Wij willen wel, maar zij niet. De omslagcultuur is een doorschuifcultuur; niemand is nog verantwoordelijk. Het is de cultuur van de lafheid en geen lafheid zonder plan B: zorg dat er altijd iemand is die je de schuld kunt geven.

20 september

=0=

 



Nee vandaag; nee stront


Het is een kindermopje, dat van Pudding en Gisteren. Pudding en Gisteren zijn twee ongezeglijke jochies die voor straf door hun moeder op hun kamertje boven worden opgesloten. Als één van hen moet poepen openen ze het raam en de rest laat zich raden. De stront komt op het hoofd van een voorbijganger. Die gaat z’n beklag doen, de moeder vraagt of het gisteren was, waarop het antwoord is: nee, vandaag. Daarop vraagt de moeder of het pudding was en het antwoord is: nee, stront. Kat in ’t bakkie.
De volwassenenvariant van de mop gaat niet over Pudding en Gisteren, maar over Ismail en Rutger. Ismail die een lokale politica provoceert, Rutger die een voormalig minister provoceert. De ene hoopt er wat aan te verdienen, de ander heeft er grof aan verdiend. De ene wordt verketterd, de ander vertroeteld. Is het Ismail? Nee. Is het Rutger? Nee. Wat is het dan wel? Het is bagger, stront. Het is treiteren, jennen, uitdagen, pesten. Het is laf.

Fotograaf Arjen van Veelen is de eerste geweest die Ismail met Rutger associeerde en het vloggen met Powned/Geen Stijl. Dat is opmerkelijk. De algemene verontwaardiging over Ismail steekt schril af bij het soms besmuikte, soms vrolijke, soms rancuneuze leedvermaak dat Castricum en consorten in de aanbieding hadden en waar ze zoveel waardering kregen dat ze hun ongein een paar jaar lang op de publieke omroep mochten etaleren. Soms vroeg ik me af of Castricum en Plasterk elkaar aan het opvrijen waren. Hoe dan ook, afnemers zat. Maar zo’n Ismail, ‘die moet je geen podium geven’. We zouden het willen verbieden.

Verbieden! Verbannen! Uitkotsen! Die wens verenigt Pauw, Van Nieuwkerk en andere fatsoenlijke mensen (met de minister-president voorop), tot Arjen Lubach aan toe. Lubach maakte, in de uitzending van Zondag Met Lubach van 18 september, gehakt van Van Veelen – en sloeg gemakshalve de door Van Veelen genoteerde en door alle overige commentatoren, columnisten en sprekende hoofden genegeerde overeenkomsten tussen Ismail en Rutger Castricum over. Ik begrijp dat als volgt: Rutger hoort erbij, Ismail hoort er niet bij. Rutger is een kwajongen, Ismail is tuig. Rutger bloeit op als hij ons van hen kan scheiden, Ismail doet dat ook maar dan de andere kant op. Ze zijn elkaars spiegelbeelden. Het had Lubach gesierd als hij het had opgemerkt en, wie weet, het met zoveel woorden had gezegd. Dat deed hij niet. Toch is Lubach geen vergeetachtig mens.

Hij is het niet vergeten, hij had er geen zin in, het laat hem compleet onverschillig wat die treiterkop van een Ismail drijft. Die Ismail is stront voor hem en over Rutger hoeft hij het niet te hebben. Rutger is een ander verhaal, want Rutger is van ons. Liever Castricum dan Zaandam. Liever leedvermaak dan besmetting.
De andere kant van besmetting is quarantaine, de andere kant van leedvermaak is selectieve verontwaardiging. Toch jammer, van Lubach.

19 september

=0=

 


Album


Een beetje krantenredactie beschikt over een album met foto’s van mensen die met enige regelmaat in het nieuws opduiken. Dan heb je wat te kiezen. Vind je dat een persoon wel een steuntje verdient dan plaats je een andere foto dan wanneer je die persoon niet ziet zitten. De Telegraaf bijvoorbeeld vindt PvdA-ers zurige mensen en zoekt daarom bijpassende zurige foto’s. De foto is echt, de zurigheid is des Telegraafs. Goed, ik vind het een beetje kinderachtig maar bij die krant kunnen ze er wel chocola van maken. Laat ze.

Het wordt gemener wanneer kranten voor de opgave staan om thema’s een ‘gezicht’ te geven. Thema’s hebben niet zelf een gezicht, de kranten geven het een gezicht, de kranten maken het gezicht. Ze hebben en claimen het copyright. Fatsoenshalve zou je verwachten dat kranten daar dan ook de verantwoordelijkheid voor zouden nemen. Ik geef toe, de Telegraaf en verantwoordelijkheid zijn bien étonnes elkaar tegen te komen, maar de Volkskrant en verantwoordelijkheid, dat past toch bij elkaar?

Dat had je gedacht. De Volkskrant heeft wel rechten op foto’s maar geen plichten ten aanzien van hen die erop staan, ook niet als die door de begeleidende tekst en de context van de foto in een onprettig daglicht zijn geplaatst. Zoals het geval is bij een foto die de krant op de voorpagina plaatste, een foto van een automobilist die op weg naar de luchthaven door een zwaarbewapende militair staande wordt gehouden, een foto met als bijschrift ‘of het nog wel veilig is op Schiphol’. Mag toch? Is toch de werkelijkheid? Dat een krant ‘de’ werkelijkheid zou kunnen fotograferen is een godswonder, dat een krant daar nog tekst bij nodig heeft is een smet op het goddelijke blazoen dat kennelijk niet voor zichzelf kan spreken, maar dat een krant daar rechten aan zou mogen ontlenen zonder enige plichten te hebben – dat is willekeur, de willekeur van de macht. Zou de Volkskrant die plichten wel hebben dan, redeneert de Volkskrant, zou de persvrijheid in het geding zijn.

Zo doe je dat, je wordt bekritiseerd vanwege een suggestief bijschrift en je zet gelijk je zwaarste wapen in. Wij van de Volkskrant zijn dol op discussie maar niet als wij ter discussie komen te staan. Dan wordt de persvrijheid bedreigd. Bij de onvermijdelijke Pauw, gisteravond, bleek de Volkskrant een medestander te hebben in de Telegraaf. Er zullen tijden geweest zijn dat ik me daarover verbaasd zou hebben. Nu niet meer. In tijden van Kulturkampf weten de echte vrijheidsstrijders elkaar feilloos te vinden. Het is een foto waard. Voor het vrijheidsalbum.

15 september

=0=

 

 

Gezelschap

Wat is de overeenkomst tussen een circus en een theater? De overeenkomst is dat het beide ooit gezelschappen waren en nu niet meer. Een circus is een circusvoorstelling geworden, het theater een theatervoorstelling en beide zijn ‘producties’ – met de bijbehorende scheiding van producenten en uitvoerders. Buiten de voorstelling bestaan circus noch theater. Subsidies gaan niet langer naar gezelschappen, ze gaan naar de makers, de producenten, niet naar de circusartiesten en de theateracteurs.

Van de 1500 acteurs die Nederland rijk is heeft nog een 50-tal een vaste aanstelling bij een gezelschap, een miezerige 3% dus. Wanneer theatergroep De Appel binnenkort zijn subsidie verliest (het schijnt alleen nog een kwestie van tijd te zijn) duikelen we van 50 naar 43 vaste aanstellingen (bron: dagblad Trouw, 13 september). In de toekomst, vermoed ik, blijven alleen coördinatoren, organisatoren, marketeers en fondsenwervers over als kandidaten voor een vaste baan en kan ook hier het winner-take-all festijn de touwtjes in handen nemen. Het ‘tel uit je winst’ schuift door van metafoor naar risicocalculatie. Daar aangekomen zijn circus en theater eindelijk volwassen geworden, bedrijfsmodellen die je kunt vergelijken met alle overige bedrijfsmodellen. Steeds meer keuze, steeds meer variatie op eenzelfde thema. Welk thema? Het thema van het monoculturele bedrijfsmodel, wat anders?

Ook de politiek is dezer dagen een bedrijfsmodel. Het politieke bedrijfsmodel is het model van waarden en normen, ingekaderd in het harnas van ‘onze’ waarden en normen. ‘Ons’ is een monocultuur, met heel veel smaken, maar, zoals Monty Python ons al voorhield, geen smaak zonder spam en een bestelling zonder spam wordt niet geaccepteerd. We kunnen bij spam aan reclame denken, aan talkshows, aan een premier die nu al op de kiezers van Wilders jaagt en hen met een welgemeend, zij het aan het adres van anderen gericht, ‘pleur op’ denkt te kunnen verleiden, en aan parlementariërs die eensgezind de enkele parlementariër excommuniceren die het spamwoord niet wil bezigen, die daar nog over wil nadenken en bij voorbaat aankondigt er ‘genuanceerd’ over te zullen oordelen.  Kijk, wij vinden heel veel goed en kom daar maar eens om in landen die spam verwerpen, maar er zijn grenzen en wie spam verwerpt trapt ons op onze ziel. Mogen we dan terugtrappen, misschien? De subsidie intrekken van clubs die spugen op spam? Een loyaliteitsverklaring van hen eisen?

Wat is spam? Spam is wat wij vinden dat iedereen zou moeten vinden en daar horen zij, zeg nou zelf, niet bij. Wij, wij zijn ons eigen gezelschap.

14 september

=0=

 

 

Foto’s

Als je alles kwijt bent maar de foto’s nog hebt zeg je: gelukkig hebben we de foto’s nog. De foto’s die illustreren dat het ooit beter was en aan de hand waarvan je kunt dromen over tijden waarin het beter zal zijn. Foto’s waar je vertrouwen aan ontleent, foto’s die niemand kan ontkennen ook al ontkennen ze verder alles.

Aan de andere kant, als je alleen nog foto’s hebt moet je oppassen het belang ervan niet te overdrijven. Je moet er geen magie van maken, je moet niet vergeten dat er een steeds groter wordend gezelschap mensen is dat geen boodschap aan die foto’s heeft, dat er niets in herkent en dat er z’n schouders over ophaalt, je vergist je als je denkt dat de foto’s verwijzen naar een gedeeld verleden, naar een gedeelde ervaring, naar een gedeeld vertrouwen, dat je alleen maar op gezette tijden hoeft aan te roepen om het sentiment weer op te roepen.

Jeroen Dijsselbloem heeft zo’n sentiment bij de herinnering aan het Europese Stabiliteits- en Groeipact, het pact van niet meer dan 3% begrotingstekort en niet meer dan 60% staatsschuld, het pact dat moest tegengaan dat de euro uit de bocht zou vliegen. Het pact werkt niet en heeft eerder bijgedragen aan de monetaire instabiliteit dan aan zijn tegendeel (hoewel Dijsselbloem dat laatste wel beweert, blijkens het interview in dagblad Trouw van vandaag). Waarom de Europese Commissie meer druk zet op het doel van een beperkt begrotingstekort dan op dat van een plafond op de staatsschuld, dat weet Dijsselbloem ook niet. Nu, schulden kun je verhandelen, en tekorten moet je financieren. Schulden kunnen worden opgekocht en als het particuliere bedrijfsleven daar geen trek in heeft, dan mag de ECB opdraven. Tekorten koop je niet op, je moet er de boer voor op en dan kun je niet vermijden dat je het particuliere bedrijfsleven in de weg zit. Zou dat het zijn? De minister zwijgt erover. Wel weet hij dat het voldoen aan de begrotingsrichtlijnen zo langzamerhand zo ingewikkeld is geworden dat zelfs hij het niet meer kan uitleggen en wat hij niet kan uitleggen, dat valt niet uit te leggen. Maar hoe ingewikkeld is de uitleg? Toch niet ingewikkelder dan de uitleg dat de lidstaten het Europa van de gekozen politici niet en het Europa van de niet-gekozen centrale bankiers wel vertrouwen, een vertrouwen dat stukje bij beetje is geslonken, zodat ons, behalve de foto’s, niets rest?

Liever de foto’s dan niets, dat is de mening van Dijsselbloem. En, zegt hij, Draghi denkt er precies zo over. Betere samenvatting van de monetaire politiek kan ik me niet wensen.

13 september

=0=

 


Barsten in de spiegel


‘Samenleven, samen beslissen en samen betalen, daarvan is het belastingstelsel een uitdrukking, het is een spiegel van de samenleving’. Het zijn de woorden van Leo Stevens, belastingexpert, opgetekend in het FD. Belastingen zouden moeten verbinden, wat ze tegenwoordig doen, zegt Stevens, is polariseren, is het oproepen en versterken van tegenstellingen (huurders versus huiseigenaren, werknemers versus zzp-ers, éénverdieners versus tweeverdieners en, Stevens noemt het overigens niet, het nationale versus het multinationale bedrijfsleven). Mij lijkt het een heel behoorlijke ‘spiegel’ van de samenleving maar Stevens verwacht meer van een spiegel. Zoals de spiegel er nu bijhangt is het volgens hem een spiegel met ‘barsten’ en dat wil hij niet. Hij vergist zich. Het is niet de spiegel die gebarsten is, het is de samenleving.

Dat ik dit zo stellig durf te beweren komt door de politiek. Er is een tijd geweest dat politici zeiden, jongens waar de barsten ook door zijn veroorzaakt, het is geen gezicht en wij gaan het zaakje opkalefateren. Dat zeggen ze niet meer, in ieder geval niet meer sinds de wereld zo is ingericht dat financiële stromen alles beheersen, hen op de eerste plaats. Dan krijg je het abjecte gestoethaspel dat Jeroen Dijsselbloem en Eric Wiebes nu om zich heen strooien om hun belastingonduikingswinkel uit de wind te houden. Een Europees minimutarief? Aan Europa en dus uit handen geven waar we nou net wereldkampioen sjoemelen in geworden zijn? Daar zijn we nog niet ‘rijp’ voor (Dijsselbloem), daar is Europees gezien geen ‘draagvlak’ voor (Wiebes). We? De samenleving wel hoor, Jeroen. Geen draagvlak? Zelden zoveel draagvlak in de samenleving geconstateerd, Eric. Voor deze twee mensen is elke leugen toegestaan, voor deze twee mensen is burgerbedrog hun dagelijks werk.

De vraag die Stevens niet stelde was: cui bono? Wie profiteert van de huidige onevenwichtigheid? Wie profiteert van het tegen elkaar uitspelen van hele bevolkingscategorieën? Met betrekking tot werknemers versus zzp-ers is Stevens duidelijk: het zijn de werkgevers en opdrachtgevers die profiteren. Ik zou denken dat we dat wel een beetje mogen generaliseren: het matteüseffect, het effect dat zij die hebben krijgen en zij die niet-hebben betalen, dat effect houdt niet op bij werkgevers en opdrachtgevers, het geldt algemeen en zeker op het terrein van de belastingen, het geldt bij de huiseigenaren en huurders waarbij de hypotheekbanken en de vastgoedsector handenwrijvend toekijken. Het geldt bij nationaal versus multinationaal bedrijfsleven waarbij de financiële economie de winst incasseert die het aan de reële economie onttrekt.

Een deel van de 20ste eeuw leken we Matteüs voorbij te zijn – die illusie kunnen we inmiddels achter ons laten. Het is nu buigen of barsten.

12 september

=0=

 


Hoek


Ergens onderweg zijn ook de mensen die dachten dat zij de wereld wel zo’n beetje snapten het spoor bijster geraakt. Hun wereld werd onoverzichtelijk, ze zochten naar een nieuw overzicht en vonden dat in een terugkeer naar de natuur. Daar pasten ze hun gedrag op aan, net zoals populisten hun gedrag aanpassen aan de oorspronkelijk onbedorven natuur van hun eigen volk.

In een net wat ander verband beschrijft Hidde Boersma (De Correspondent, 5 september 2016: Het wantrouwen tegen de wetenschap, wat kunnen we daaraan doen?) hetzelfde: ‘Maar het gedrag teert wel op hetzelfde sentiment: het gevoel de controle kwijt te zijn over het leven in een onoverzichtelijke wereld, en de zoektocht naar een manier om die terug te winnen’. De zoekenden worden door Boersma ‘neo-romantici’ genoemd. Hij heeft sympathie voor ze want ze zijn net als hij links en anti-autoritair en tegelijk is hij het oneens met ze, want ze gooien het kind (de wetenschap) weg met het badwater (de ruis van de industrie-bias, de ruis van de witte-oude-mannen-bias en de ruis van de doorgeschoten-specialisatie-bias). 

Behalve links/anti-autoritair hebben we links/autoritair, rechts/anti-autoritair, en rechts/autoritair. Dat zijn van die indelingen waar we niks mee opschieten want ik ben er tamelijk zeker van dat onder de neo-romantici van Boersma niet alleen zijn links/anti-autoritairen een schuilplaats vinden maar ook tal van rechts/autoritairen, lieden die nooit en nergens enige onzekerheid over ervaren, die aan geen enkele verwarring ooit onderhevig zijn en die even zeker weten welke kant het met de aarde opgaat als we zo doorgaan als Wilders weet welke kant het met ons land opgaat als we zo doorgaan. Wie zeker wil zijn waar onzekerheid het parool is, moet niet kieskeurig wezen. Elke twijfel aan een keuze is op zich al funest en zou uitgebannen moeten worden. Meer nog, als wij aan de macht zijn wordt het uitgebannen. Zo en niet anders luidt de vertaling, de enige correcte vertaling om in stijl te blijven, van de uitdrukking ‘beggars can’t be choosers’.

Het probleem met dit type indelingen is dat wat slechts op min of meer geïnstitutionaliseerd groepsniveau kan worden afgehandeld tot het niveau van individuen wordt teruggebracht. En het gevolg daarvan is weer dat in plaats van de vraag te stellen naar de regels waaraan groepen zijn onderworpen (en die naarmate de groepen meer geïnstitutionaliseerd zijn ook meer door henzelf worden ingekleurd) we worden verwezen naar hun, aan de hand van vragenlijsten opgetekende, opinies over het hoe en wat van hun politieke voorkeuren. Hang een wereldbeeld op aan een individu en je krijgt geen wereldbeeld maar een bungelend individu dat bij elk zuchtje wind een andere temperatuur toont. Het is het individu van Maurice Hond, het individu waaruit elke individualiteit is verwijderd en vervangen door een grotere of kleinere batterij ‘achtergrondskenmerken’: opleiding, herkomst, religie, geslacht, nationaliteit, burgerlijke status. Het is het individu als respondent, en een respondent wordt niet bevraagd op wat hij weet maar op wat hij meent te weten.

Ik bedoel dat de wetenschap nog wel wat meer is dan de ruis van de valorisatie waarbij de industrie bepaalt wie een valeur en wie een non-valeur is, meer ook dan de ruis van morisge witte oude mannen die dames en ander divertiment bekijken als, inderdaad, divertiment, en meer ook dan de ruis van Babylonië waar iedereen wat wil zeggen en niemand elkaar kan verstaan. De wetenschap is nog wel wat meer en om te achterhalen wat dat is zouden we moeten beginnen met de erkenning dat de wereld inderdaad onoverzichtelijk is, dat de wereld dat altijd was en dat altijd zal blijven (althans zo lang de wereld zal blijven) en dat de mensen die denken (die de denkende mensen zijn, denken ze zelf) dat ze iets zijn kwijtgeraakt dat ze terug willen hebben, dat uitgerekend die mensen niet romantisch zijn of neo-romantisch, nee, dat zij de mensen zijn die zichzelf voor de gek hebben gehouden en die nu vinden dat niet zij zich voor de gek hebben gehouden maar de boze wereld die hen een kunstje heeft geflikt. Denkende mensen die de kwakzalver in goed vertrouwen de hand boven het hoofd houden en de dokter betrouwbaar maar toch eigenlijk ook wel beetje, en als puntje bij paaltje komt zelfs, té beperkt vinden, die waar niets is juist daarom het iets van het ietsisme een kans willen geven omdat het met alleen maar leegte ook niet gezelllig is, die in de voedselketen geen kapitalisten maar wel complotteurs-verkleed-als-kapitalisten tegenkomen, die ooit om de foute redenen op de wetenschap vertrouwden en nu om nog meer foute redenenen tussen wetenschap en willekeur geen verschil meer maken. Ze zijn doorgeschoven van het wetenschappelijke bolwerk naar het sectarische clubhuis. Daar hoorden ze altijd al en net als toen willen ze het niet weten want wie weet zoals zij weten, die weet beter.
Het is een komen en gaan in de alternatieve hoek, schreef Dirk Waterval in dagblad Trouw van 27 augustus. Het klinkt bijna troostend.

11 september

=0=


Als de lamp uitgaat

Een socioloog, schreef Jan Blokker, ‘is iemand die bewijst dat het donker wordt als de lamp uitgaat’ (Jan Blokker, Ben ik eigenlijk wel links genoeg? Amsterdam, De Harmonie 19775: 74). Blokker was, als altijd, veel te mild. Hij had het niet alleen over de sociologie maar over het geheel van de sociale wetenschappen moeten hebben, en hij had het, nu we het toch over ‘eigenlijk’ hebben, eigenlijk over het geheel van de gedragswetenschappen moeten hebben. De toekomst is aan de α- en β-wetenschappen, de γ-wetenschappen hebben het verbruid. De eeuw van de gedragswetenchappen is voorbij en ze hebben het aan zichzelf te wijten. Ik heb m’n werkzame leven lang in de γ-sector gezeten. Ik had beter rechten of geschiedenis kunnen doen (voor veel meer acht ik mezelf niet geschikt). Overigens was Blokker vast niet gesticht geweest van mijn kwalificatie van zijn mildheid.

Is het toeval dat de enkele γ-wetenschappers in de zesdelige serie ‘Kijken in de ziel van wetenschappers’ niet alleen verhoudingsgewijs weinig aan het woord komen, maar ook nog eens niets te zeggen hebben? Gisteravond had ik het weer, het kromme-tenen-gevoel. Dat kwam door een uitspraak van Barbara Baarsma. De vraag was of er een conflict kan bestaan tussen wat je persoonlijk vindt en wat je, in haar geval, als econoom vindt. Mij lijkt dat een open deur van jewelste en dat al vanaf de dagen van Bernard de Mandeville (private vice, public benefit), een ruwe vierhonderd jaar geleden.

Ik bedoel, deze open deur illustreert de inleidende schermutselingen tussen zedenmeesters en rekenmeesters, schermutselingen waar te langen leste de economische wetenschap uit voort zou komen die de zedenmeester in de hoek en de rekenmeester op het voetstuk zou plaatsen. Voortaan waren de zeden voor de persoon en was het rekenen voor de econoom. Nu is Barbara een moderne econoom en aangezien moderne economen niets meer weten van economische ideeëngeschiedenis, voelde ze zich geroepen de open deur voor ons te openen. Haar voorbeeld was belasting op erfenissen. Als persoon werd ze er niet blij van, vertelde ze, want dikke kans dat die erfenis keer op keer op keer wordt belast en dat is niet eerlijk. Vond ze. Ik zie het oneerlijke niet maar waarom het oneerlijk zou zijn werd er niet bij verteld. Het was zo en dan is het zo. Economisch gezien daarentegen was ze voor een hoge belasting op erfenissen. Want zo’n cadeau neemt de prikkel weg om je beste beentje voor te zetten, je talenten aan te spreken en je tot het gaatje in te spannen.

O, denk ik dan, is dat zo? Neemt, ik noem maar wat, het cadeau van een basisinkomen de prikkel weg om er het beste van te maken? Een econoom die dat beweert lijkt mij een fluteconoom, een goedkope ideoloog en bovendien iemand die op gemaakt onweerlegbare toon onbewijsbare en onbewezen veronderstellingen invoert. In het geval Baarsma de veronderstelling van prikkels, met als onderliggende vraag: wie staat er, als puntje bij paaltje komt, boven prikkels, boven de prikkelsvan mevrouw Baarsma? Sneu, je wou je erfenis gebruiken om aan Harvard te studeren en nu mag het niet van mevrouw Baarsma want het zou je de foute prikkels geven en dat wil ze je niet aandoen en dat weer niet als persoon maar als econoom. Jij denkt intuïtief dat zij niet goed snik is maar zij weet dat jij dat denkt en dat ze daar in het landsbelang maar mee moet leren leven. Het leven van een gedragswetenschapper is één grote opoffering en dan willen wij hun offer nog niet eens hebben ook.

Zo krijgen de gedragswetenschappers een slechte naam. Ze doen het zelf want ze willen ons verbeteren en zijn zelf onverbeterlijk. Ze debiteren trivialiteiten, ze maken van hun waardeloze veronderstellingen (de prikkels van Baarsma) onneembare vestingen en schenden daarmee achteloos de regel van de weerlegbaarheid als hoogste wetenschappelijke principe, en ze menen daarmee het land een dienst te bewijzen. Ze zouden hun heil moeten zoeken in een verbinding met de α-wetenschappers, de wetenschappers van de filosofie en de letteren en de geschiedenis. Ze zoeken het in een potsierlijke nabootsing van de β-wetenschappen en weten achteraf steeds beter wat ze vooraf hadden willen voorspellen, wat ze desondanks vooraf fout voorspelden, wat ze volgens de neutrale toeschouwer ook alleen maar fout konden voorspellen en wat ze volgens henzelf in de toekomst beter zullen doen – door hetzelfde te doen en toch beter.

Tot we door het maximum aantal branduren van de lamp heen zijn. Een econoom is, als lichtend voorbeeld van een gedragswetenschapper, iemand die bewijst dat het licht is als de lamp niet aanfloept.

10 september

=0=

 


Stampvoetend


De jongelui die het Brexit-referendum verloren waren woedend. Je hoorde ze stampvoeten, de Britse millenials. Het is niet eerlijk, oude mensen die met één been in het graf staan zouden niet over onze toekomst mogen beslissen – dat soort ongenoegen. Alles hebben ze cadeau gekregen, en nu zit het een keertje tijdelijk tegen, tijdelijk want zij weten net zo goed als alle anderen dat ze toch niet kunnen verliezen. Maar het frame voor hun razernij is niet toevallig: het is het leeftijdsframe. Wie te laf is in tegenstellingen van klasse te denken kan altijd nog in de tegenstelling van leeftijdsklassen vluchten. Zo zie je maar: er is verschil tussen babyboomers en millenials.

Babyboomers zijn geboren tussen 1945 en 1960. Mathijs Bouman rekte de zaak op tot 1970. Dat zou inhouden dat iedereen die tussen 1965 en 1990 volwassen werd een babyboomer is. Ach, zal Bouman gedacht hebben, wat kunnen mij die losers van generatie X (de opvolgers van de babyboomers) schelen? Wat kan mij het schelen dat de Nederlandse vrouwen pas vanaf 1980 massaal aan de arbeidsmarkt zijn gaan deelnemen en daarom pas vanaf die tijd de cijfers van de gehele categorie babyboomers in fors positieve zin hebben helpen bijstellen? Ja, wat kan het schelen? Het gaat er niet om wat gebeurd is, en het gaat er al helemaal niet om te verklaren wat gebeurd is, het gaat er alleen om de zaken zo te presenteren dat anderen meer hebben dan jij en dat niet ‘fair’ te noemen. Mathijs voelt zich graag schuldig. 

Millenials daarentegen zijn volwassen geworden rond de eeuwwisseling, dus geboren zo tussen 1980 en 1982. De vergelijking gaat dus over een categorie met twee geboortejaren als referentie en een categorie met vijfentwintig geboortejaren als referentie. De eerste vraag is: wat vergelijk je dan? Mice and men? Vergelijk je twee leeftijdscategorieën waarbij de ene de omvangrijkste ooit is, een reus, en de tweede een dreumes die nooit groot zal worden? In het laatste geval kun je wel wat steun gebruiken.

Die had dreumes Frederieke Hegger, naar eigen zeggen een ‘millenial’, ook meegenomen naar de woensdaguitzending van DWDD waar zij haar klachten over de babyboomers mocht uitventen (langs de bekende weg: ik, millenial, klaag niet, zij, babyboomers, klagen). In gezelschap van Matthijs Bouman, net als zij van RTL-Z,  en naar eigen zeggen ‘babyboomer’. Hij mocht haar begeleiden en statistisch ondersteunen.

Nee maar! Grafieken! Cijfers! Hoe speelt hij het klaar? Inderdaad, door het statistisch onvergelijkbare te vergelijken en daar unverfroren conclusies uit te trekken, wat zullen we nou hebben. Ik kon in het verleden af en toe wel lol hebben bij het lezen van de columns van Bouman maar nu hoeft het niet meer. Bedriegers lees ik niet, tenzij het om bedriegers gaat die met smaak en vaart hun malversaties opdissen en het publiek daarmee, met dank aan Hans Teeuwen, ‘boeien’ (in dit geval was het publiek Matthijs van Nieuwkerk, de man die zodra er een econoom in de buurt is het gezicht op aandachtig zet en al begint met gevouwen handen instemmend te knikken voordat er zelfs maar één woord gesproken is).

Het klopte allemaal als een zwerende vinger. Hegger, de aanklaagster, is geen millenial (ze is in 1999 naar het gymnasium gegaan en daarom, vermoed ik, in 1987 geboren) en Bouman, de deemoedige getuige à charge, is niets meer dan een zelfbedachte babyboomer (hij is van ver na 1960). Twee poseurs in een tv-programma dat er geen genoeg van kan krijgen.

Hoe vergelijk je het onvergelijkbare? Dat is eenvoudig. Je verbindt de ene categorie, die van de babyboomers in dit geval, met een batterij zelfzuchtige motieven en met het dreigement van de wraakzucht, en de andere, die van de millenials, met de nobele maar natuurlijk vroeger of later tot razernij drijvende status van het slachtofferschap en je bent bijna klaar. Om het af te maken moet je de babyboomers nog even omtoveren van een categorie in een groep. Een categorie heeft geen gevoelens en geen bedoelingen, een groep heeft wel degelijk gevoelens en bedoelingen. Categorieën kom je niet tegen op straat, groepen wel.

Voor Bouman en Hegger zijn de babyboomers een groep – ze zijn het op dit punt helemaal eens met Henk Krol. Ik  weet niet of die laatste er blij mee is maar ik denk het wel want Henk houdt erg van mensen en in zijn veen is elk turfje welkom, in zijn veen kijkt hij niet op een turfje. Het sneue is dat zelfs de vergelijking tussen turfjes alleen opgaat als je dan ook de turfmillenials als een groep met (zelfzuchtige) motieven en (wraakzuchtige) gevoelens beschrijft, gevoelens waar je boos van wordt, die je tot stampvoeten verleiden omdat zij iets hebben wat jij niet hebt en jij hebt het niet omdat zij het hebben. Dat zijn niet eens gevoelens van jalouzie meer, het zijn gevoelens van afgunst, en dan wordt het link. Niettemin, vergelijken gaat zomaar niet. Je kunt niet alle spelregels aan je laars lappen. Of toch wel? Ach, als het in de politiek kan, kan het in de journalistiek toch ook?

De politiek is sinds het populisme de prooi van poseurs. De media volgen het voorbeeld – vermoedelijk roept het een het ander op en kan het begin niet teruggevonden worden. Poseur? Ik? Ik poseer niet. Het is de mantra van de poseur, de poseur waarvan het definitiërende kenmerk is dat de poseur ontkent poseur te zijn.

Voor Erdogan-aanhangers zijn Gülen-scholen een ‘groep’. Zij zelf zijn geen groep, zij verdedigen de gelijke rechten van allen, behalve van hen die die gelijkheid naar het leven staan. Terroristen en zo. De categorale scholen die met Gülen worden geassocieerd ontkennen een ‘groep’ te zijn, maar de verdenking is al genoeg. Waar rook is, is vuur. Toch? Het beste frame is van een leeftijdscategorie een leeftijdsgroep te maken en van een scholencategorie een scholengroep. Erdogan en Denk, Bouman en Hegger: les extrêmes se touchent.

Over extremen gesproken. Ik wijs erop dat de interne verschillen, de interne ongelijkheden, ja zelfs de polarisatie in inkomens, vermogens en kansen binnen de categorie van de millenials groter zijn dan in enige andere leeftijdscategorie. Dat is zorgelijk en de scheidslijnen zijn sinds de millenials volwassen werden harder geworden, moeilijker te passeren en ze worden steeds vroeger aangelegd en zichtbaar. Daar hebben de zich noemende millenials het niet over. Het gaat niet om mij, riep Hegger, het gaat om de allerarmsten. Horen jullie dat, babyboomers? Die mensen moeten geholpen worden. Door jullie, met jullie centen, want wij, millenials hebben de centen niet. Ik zag de charitas, de millenial-uitdrukking voor solidariteit die van anderen moet komen, zo’n uitdrukking die je doet beseffen dat ze noch iets van charitas en al helemaal niet van solidariteit weet. Millenials zijn poseurs. Voor mij zijn poseurs een groep, en Bouman en Hegger ijverige groepsleden.

9 september

=0=


Differentiëring

Een beetje modern mens heeft zich ermee verzoend dat het beeld van het geheel en de delen, en het beeld van de vorm en de inhoud, dat die beelden vervangen zijn door dat van het systeem en zijn omgeving. Dan wordt de vorm een grens, de inhoud een altijd door grenzen onderbroken en soms geaborteerd proces, het geheel een geheel-in-context en het deel een geheel-in-context binnen weer een geheel-in-context. Differentiatie en voortgaande differentiatie. Het kan zich steeds maar uitbreiden zoals blijkt uit de dynamiek van de omarming van arbeidsdeling en markt, en het kan zich in zichzelf steeds verder opdelen, zoals blijkt een EU die zich in zichzelf heeft laten opsluiten. Beide tegelijk kan ook – dit ongetwijfeld ten overvloede.

Zo wordt begrijpelijk dat het eerste hek de opmaat is voor nog een hek en nog een hek en nog een. Het hek kan worden vervangen door of aangevuld met een muur. Muren zijn de nieuwe hekken. Een hek is zo opgeruimd, een muur kost meer moeite. Muren zijn er om te blijven. Hekken zijn grenzen in ijzer, bij voorkeur ook nog gelardeerd met prikkeldraad, muren zijn grenzen in steen, opgesierd met glasscherven of driekantige stalen uitsteeksels. Hysterische politici vermoeden overal een tsunami en vinden desondanks dat hekken de beste grenzen zijn, iets bedachtzamer politici vinden hekken geen grens maar een obstakel, en vrezen dat met het hek de binnentemperatuur zo gaat oplopen dat explosiegevaar ontstaat. Waarom? Omdat de grens zich ook binnen weer herhaalt en nogmaals herhaalt en herhaalt. Ghetto’s en gated communities tegelijk? Dit boek gaat over u, zegt de dichter en zo is het maar net.

Ja, zegt men, bij gebrek aan buitengrenzen zijn binnengrenzen nodig. Och arme. Een grens is een bepaling van wat binnen en buiten is, wat de binnenstad en wat de voorsteden, wat binnen de ring zit en wat buiten, grenzen zijn, kortom, ondenkbaar zonder de andere kant ervan, zonder de scheiding van wat aan de ene en wat aan de andere kant staat.

Een ontbrekende buitengrens is niet het signaal van de overbodigheid van grensconflicten, eerder is het er de aanjager van. Omdat de EU zichzelf het politieke vermogen heeft ontzegd zijn buitengrenzen te markeren (en er al lang ook de politieke wil niet meer voor heeft en het heeft die wil niet meer omdat de EU er de moed niet toe heeft), wordt de EU overspoeld met binnengrenzen, grenzen als waren de tijden van de neutronenbom weer terug: de spullen mogen er langs, de mensen niet. Dat durft de EU niet uit te spreken, daar heeft het Engeland voor nodig om dat uit te spreken, en Hongarije en Polen, en Slovenië en als het die al heeft, dan hoeft de EU niets te doen dan te wachten tot ook de Duitsers en de Fransen, de Nederlanders en de Scandinaviërs hun Rubicon oversteken.

Er wordt aan gewerkt. Aan de binnengrenzen dan, en ter bescherming van de nationale belang (ik luister naar de overheidsdienaren), het nationale volkskarakter (ik luister naar de parlementariërs plus Jan Roos), en elk volk in zijn eigen tijd (ik kijk met stomme verbazing naar deze tijd van de sociale media – enerzijds grenzeloos en grensoverschrijdend, en anderzijds, nog veel grenzelozer en afgrenzender ineen, in vakjes en hokjes opgedeeld, achter muren en hekken verschanst).
Zelfs flessenpost is verdacht.

8 september

=0=

 

 

Glimlach

Als ik iets lees over het glimlacheffect kan ik een glimlach niet onderdrukken. Het glimlacheffect is dat we gelukkiger worden als onze mond de glimlachstand aanneemt. Elke glimlach zorgt voor z’n eigen nageslacht, dat is het eigenlijk. Lachen steekt anderen aan, met glimlachen steek je jezelf aan.

Psychologen hebben het experimenteel uitgezocht en iets dat experimenteel is uitgezocht heeft meer status dan gewoon gezond verstand. Hoe ik dat weet? Omdat we ons op gezag van de media heerlijk in slaap mogen laten sussen door het experiment en omdat we ons gezonde verstand niet meer vertrouwen dan het gezonde verstand van de buurman. Niet dus. Liever het eindeloze herkauwen van het experiment dan het laten gelden van het gezonde verstand dat ons zegt dat het vast wel eens zal voorkomen, dat glimlacheffect, maar lang niet altijd en zelfs en misschien wel vooral niet als we er volgens de experimentele wetenschap op mogen rekenen dat elke glimlach altijd al zwanger is van de volgende.
Daar doen we niet aan mee en dat had iedereen kunnen weten (en vrijwel iedereen weet het ook) maar ook daar hebben we een experiment (een herhaal-experiment, een ‘replicatie’-onderzoek) voor nodig voordat we het echt, met de zegen van de geleerden, mogen geloven. De wetenschap is ook een markt en de beunhazen van het gezonde verstand worden weggejaagd.

Herhaalexperimenten en replicaties zijn de stiptheidsacties van de wetenschapper die niet senang is, die ook al geen idee heeft; en die toch wat te doen moet hebben. Elk experiment moet repliceerbaar zijn, dat is onvermijdelijk. Aan de andere kant, de vernieuwing waar ons land zo naar snakt hoeven we er niet van te verwachten. Dat heb je met effecten die zichzelf nadoen. Het experimenteereffect zou ik het willen noemen – elk afzonderlijk experiment zorgt voor z’n hoogsteigen nageslacht. En net zoals het glimlacheffect vroeg of laat wegebt (we kunnen niet aan de gang blijven) zo ebt ook het experimenteereffect weg: we geloven evenmin nog in het glimlacheffect als in het experimenteereffect.

Omdat de psychologie zich afficheert als een experimenteerwetenschap is het afnemende geloof in het experimenteereffect een directe bedreiging van de psychologie. Ja, dat is dan wel een non sequitur, maar wel eentje die tot een prikkelende kop boven een artikel heeft geleid (Opnieuw cruciale psychologische studie onderuit. Maarten Keulemans in De Volkskrant, 7 september). Cruciaal. Maarten? Echt? Hoe weet je dat nou weer? Ik bedoel vanzelfsprekend: hoe kom je erop? En hoe kom je er weer vanaf? Ik kan een glimlach niet onderdrukken, zonder te willen suggereren dat ik het met een glimlach af mag doen. Daar is de zaak te ernstig voor. De zaak: is de monocultuur van het experiment als maat en maatstaf van goed onderzoek niet de echte bedreiging van de psychologie?

Ik denk overigens dat er met die inmiddels bevroren glimlach sprake is van een omgekeerd Thomas-theorema: als media iets voor echt verkopen (echt waar!, echt gebeurd!), heeft dat echte consequenties, of het nu echt is of niet. Ik stel voor dit het Orson Welles-effect te noemen. Welles!

7 september

=0=