DAGBOEKHOUDER
Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam 2018

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010–2011–
2012–2013–2014–2015–2016-2017


Om naar het begin van de pagina te gaan: klik op =0=


Januari

Vraatzucht

Uitverkoop

Etalage

Geen vrienden

Relativisme

Beetmunt

De Bijl aan de Wortel


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 61
november - december 2017

Dagboekhouder 60
september - oktober 2017

Dagboekhouder 59
juli - augustus 2017

Dagboekhouder 58
mei - juni 2017

Dagboekhouder 57
maart - april 2017

Dagboekhouder 56
januari - februari 2017

Dagboekhouder 55
november - december 2016

Dagboekhouder 54
september - oktober 2016

Dagboekhouder 53
juli - augustus 2016

Dagboekhouder 52
mei - juni 2016

Dagboekhouder 51
maart - april 2016


Dagboekhouder 50
januari - februari 2016

Dagboekhouder 49
november-december 2015

Dagboekhouder 48
september-oktober 2015

Dagboekhouder 47
juli - augustus 2015

Dagboekhouder 46
mei - juni 2015

Dagboekhouder 45
maart - april 2015

Dagboekhouder 44
januari - februari 2015

Dagboekhouder 43
november - december 2014

Dagboekhouder 42
september - oktober 2014

Dagboekhouder 41
juli - augustus 2014

Dagboekhouder 40
mei - juni 2014

Dagboekhouder 39
maart - april 2014

Dagboekhouder 38
januari - februari 2014

Dagboekhouder 37
november - december 2013

Dagboekhouder 36
september - oktober 2013

Dagboekhouder 35
juli - augustus 2013

Dagboekhouder 34
mei - juni 2013

Dagboekhouder 33
maart - april 2013

Dagboekhouder 32
januari - februari 2013

Dagboekhouder 31
november - december 2012

Dagboekhouder 30
september - oktober 2012

Dagboekhouder 29
juli - augustus 2012

Dagboekhouder 28
mei - juni 2012

Dagboekhouder 27
maart - april 2012

Dagboekhouder 26
januari - februari 2012

Dagboekhouder 25
november - december 2011

Dagboekhouder 24
september - oktober 2011

Dagboekhouder 23
juli - augustus 2011

Dagboekhouder 22
mei - juni 2011

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Vraatzucht

Goederenmarkten zijn al heel oud, factormarkten daarentegen (markten ter verhandeling van ‘productiefactoren’ zoals arbeidsmarkten, grondmarkten, kapitaalmarkten) zijn betrekkelijk nieuw, het zijn producten van het moderne kapitalisme. Of goederenmarkten min of meer automatisch (‘immanent’, ‘wetmatig’) uitgroeien tot factormarkten of dat daarvoor andere oorzaken (geweld, de familieverwantschap van protestantse arbeidsethiek en kapitalistische geest) moeten worden geciteerd is nog altijd een onopgeloste kwestie.

Onopgelost of niet, het is gewoon een slechte probleemstelling. Dat althans leid ik af uit een recent boek van economisch historicus Bas van Bavel (De Onzichtbare Hand; Hoe Markteconomieën Opkomen en Neergaan. Amsterdam, Prometheus 2018). Volgens hem is de start van het moderne kapitalisme in Europa al in de late Middeleeuwen (en niet in de 18e/19e eeuw), zijn er eerdere voorbeelden van het samengaan van goederen- en factormarkten, zijn die voorbeelden niet tot Europa beperkt en – misschien wel zijn belangrijkste stelling – omdat er eerdere bloeiperioden van markteconomieën zijn geweest moeten die economieën ook weer ondergegaan zijn (en daarmee is het lineaire beeld van historische ontwikkelingen toe aan vervanging) en ze zijn ten onder gegaan, niet door externe oorzaken of interventies, maar met name door de vraatzucht van diegenen die in de markteconomieën de beste zaken hebben gedaan en dat nog eventjes dachten te kunnen continueren door de spelregels in hun richting bij te stellen en door de politiek over te nemen. We leven in moderne tijden die zo modern niet zijn en we leven in tijden, en dat vind ik nieuw, waar de aanzegger van naderend onheil niet naar buiten wijst maar een puur endogene, op de consequenties van heb- en vraatzucht wijzende, verklaring aanreikt. Greed is bad.

Pas met het samengaan van goederen- en factormarkten kan zoiets als kapitalisme ontstaan. Niettemin, volgens Van Bavel gaat het bij kapitalisme om de dominantie van factormarkten. De verdere groei van de markteconomie gaat afhangen van de ontplooiing van factormarkten. Bij de opkomst van een kapitalistische markteconomie gaat het dan in het bijzonder om arbeidsmarkten en loonarbeid, in de verdere ontwikkeling treden dan accumulatie (kapitaal- en grondmarkten) en groeiende ongelijkheid naar voren en daarna een door speculatie, monopolievorming en een groeiende verwevenheid van kapitaal en staat getekende fase waarin het financiële kapitaal economie en staat in het gelid schopt (o.c.: 407-409). Nu, daar kunnen we ons vandaag de dag best in herkennen.

Het goede nieuws is dat we het ons zelf aandoen. De Chinezen doen het niet, de rijken en superrijken doen het, de politici die schuldenbergen afdekken doen het, het zich aan de markt onderwerpende recht doet het. Wij doen het.

Wat je ook op dit boek tegen kunt hebben, deze conclusie staat. Wij zijn het zelf, dit boek gaat over onszelf. We kunnen – ook hier is de overeenkomst met Marx opvallend – leren van de geschiedenis. We hoeven ons niet door de rijken op te laten vreten. Dat is een optimistische gevolgtrekking. We kunnen de globalisering reguleren en al doende beschaven en we kunnen, en dat voorop zou ik denken, politici die vermogenden afschermen en on- en minvermogenden te grazen nemen naar huis zenden. In principe. Soms zijn principes best mooi.

23 januari 2018

=0=

 

 

Uitverkoop

De kabinetten Rutte zijn heel succesvol geweest in het commercialiseren van wet en recht. De wet hebben ze uitbesteed aan supranationale arbitrage waarover nogal wat ophef ontstond naar aanleiding van TTIP, het recht aan commerciële partijen waarvan de bekendste het e-Court is (na enkele recente publicaties daarover in de Groene, Trouw en de Volkskrant).

Opstelten en Teeven hebben het e-Court gelanceeerd (Teeven zat in het comité van aanbeveling), met enerzijds nieuwe wetgeving (een nieuwe arbitragewet uit 2014) en anderzijds een forse verhoging van de griffierechten (met de uitdrukkelijke opzet de toegang tot de rechter te beperken), met als voorspelbaar effect dat de mensen wel uitkijken nog naar de burgerlijke rechter te gaan.

En zie, daar kwam de private arbiter met veel lagere heffingen en met een juridische procedure die zo ondoorzichtig is dat de consument vrijwel altijd verliest en niet weet waarom, een procedure bovendien die de consument in de waan brengt dat het hier niet om aanvechtbare arbitrage-uitkomsten gaat maar om heuse rechtspraak. En wie de arbitrage aanvecht krijgt te maken met de rechtbank in Almelo. Daar heeft de consument geen invloed op, dat wordt beslist door e-Court. Waarom Almelo? Omdat ze daar niet moeilijk doen.

Controleren of de opgevoerde feiten kloppen? Dat doen de arbiters niet en dat doet de rechtbank in Almelo evenmin. Vandaar: Almelo, want elders in het land hebben de rechtbanken scrupules en daar niet.

In Almelo is altijd iets te doen. De Raad voor de Rechtspraak is tegen, de meeste rechters zijn tegen – Opstelten en Teeven hebben hun tijd uitstekend gebruikt, kleine slordigheden daargelaten zoals bonnetjes, zoals de nieuwe klassenjustitie van de schikkingen, zoals ingrijpen in het onderzoek van het WODC en zoals het optuigen van een Nationale Politie die moet opassen niet het Nationale Mikpunt te worden. Maar ach, wat doet het ertoe. De schade is voor de openbare zaak, de winst voor de private afhandeling van zaken. Alles is toegestaan om het ‘staatsmonopolie op rechtspraak’ (dixit de bedenker van het e-Court) uit te schakelen. Vertel eens, bestaat er ook een staatsmonopolie op de trias politica?

De legale basis van het e-Court is dun, de juridische basis omstreden, de ontoegankelijkheid van het proces en de ondoorzichtigheid van de procedure zijn strijdig met het recht, en toch laat politiek Nederland het er bij zitten. Er klopt weinig van, het is in strijd met het EU-consumentenrecht, het is strijdig met het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens en in Nederland vegen Rutte, Teeven en Opstelten er hun kont mee af. In een VVD kabinet gebeurt daar niets aan, de VVD ondermijnt met liefde de openbare en controleerbare rechtspraak om het te vervangen door de wijsheid van een algoritme dat, zoals bekend, neutraal is ten aanzien van alle vooroordelen die erin worden gestopt. Het kabinet vindt het best. Het draagt bij aan de door Rutte zo geliefde ‘kleine overheid’. Erger is dat ook het parlement het best vindt.

TTIP-achtige constructies bestonden al voordat het idee van het TTIP opkwam. Na de VS is het Nederland dat de meeste investeringsverdragen heeft afgesloten met private en supranationale arbitrage als afwikkelingsmechanisme voor door bedrijven aangebrachte klachten over overheden. De Nederlandse wetgever staat zowel voor binnenlands als buitelands gebruik toe dat de Nederlandse wet door private belangen terzijde wordt geschoven. En dat in een context waarbij, alweer door de VVD, elke petieterige overheveling van nationale souvereiniteit naar ‘Brussel’ al bijna als landverraad wordt beschouwd. Nee, dan liever de uitverkoop aan de commercie.

Als onderdeel van de genoemde investeringsverdragen moet worden genoemd dat in Nederland elk buitenlands bedrijf dat in Nederland een brievenbusje heeft aangeschaft als investeerder volgens de Nederlandse wet telt – en dus vanuit Nederland landen kan aanklagen, inclusief het land waar het moederbedrijf zetelt (in Trouw van 13 januari dit jaar vond ik een voorbeeld van een Roemeens bedrijf). Ik zou het roofkapitalisme willen noemen, met de Nederlandse staat als bereidwillige helper.

Binnenkort is iedere inwoner van ons land ook de privacy van z’n bancaire transacties kwijt want de Europese Commissie vindt dat die privcay slecht is voor de concurrentie en als het slecht voor de concurrentie is, is het slecht voor ons. Je mag er tegen protesteren, je hoeft er niet mee in te stemmen maar zoiets eenvoudigs als een defaultoptie met de strekking dat het standaardantwoord nee is (nee, je komt niet aan mijn gegevens) en dat als de consument wat anders wil hij daar zelf (en alleen hijzelf en niemand anders) het inititiatief voor moet nemen – die optie gaat er niet komen. Stel je voor, dat de overheid je iets zou opleggen.

De dwingende overheid, we moeten er niet aan denken. Nu we het er toch over hebben, een niet-dwingende overheid is geen overheid. Onze overheid dwingt niet, onze overheid heft belastingen, en wat meer op de haar onwelgevallige zaken en niet of veel minder op de haar welgevallige zaken. Dwang? Welnee, u kiest er zelf voor. Kortom, niet alleen wet en recht, ook de politiek is overgenomen door commerciële belangen. Dan is de cirkel wel rond. De wetgevende macht (regering en parlement), de uitvoerende macht (ministeries en verwante organen) en de controlerende macht (de rechtspraak) zijn alle commerciëler geworden. Concurrerender, zeg maar. Acht jaar Rutte, acht jaar VVD, een falend justitieel apparaat, een falende nationale politie en een uitverkoop van wet en recht – wat een gaaf land hebben we toch.

22 januari 2018

=0=

Etalage

Dat het product zwaarder weegt dan de arbeid die erin is gestopt mag bekend worden verondersteld. Onze producten worden beter en slimmer, onze arbeid niet. Dat is nu eenmaal de eerste wet van het moderne kapitalisme, het kapitalisme van het intellectuele eigendom, het kapitalisme dat zijn tolerantie voor de paradox is kwijtgeraakt – want een paradox is meestal het product van absurde of valse of verhullende veronderstellingen, bijna net zoals nepnieuws het product is van absurde dan wel valse dan wel verhullende informaties.

Onder neoliberale verhoudingen is alles product of moet en zal het worden. En waar een product niet zomaar voor de hand ligt verzinnen we een product. Wat is het product van de universitair docent? Dat hangt af, legt Eelco Runia uit, van de omzet van de docent, dus van het aantal studenten dat komt en het hangt af van het rendement van de docent, dus van de omzet en het aantal verstrekte diploma’s per tijdseenheid. Is dat een product? De vakdocent zal het ontkennen, de marktgedreven universiteit zal het beamen.

Het is een fabriek. Komen er te weinig orders binnen dan is er niet goed gewerkt, en is het aantal foutmeldingen te hoog dan is er gesaboteerd. Om de kans op het eerste te verkleinen moeten de docenten in het Engels les gaan geven (want de pool van aankomende studenten met Nederlands als eerste taal is klein en wordt groter met Engels als voertaal – ook al spreken en verstaan alle niet-Engelstalige docenten en studenten het slecht). Bijkomend voordeel is dat studenten van buiten meer betalen dan studenten van eigen bodem. Om de kans op het tweede te verkleinen moeten de docenten ervoor zorgen dat het slaagpercentage zo hoog mogelijk wordt en in elk geval niet onder een bepaald niveau zakt. Dat niveau wordt door de universiteit bepaald, niet door de docent uiteraard. De docent zou zo maar kunnen beslissen dat voor hem het vak de doorslag geeft in het oordeel over wie wel en wie niet aan de maat is en dat is ontoelaatbaar.

Het slaagpercentage beslist over de vraag of de docent het goed heeft gedaan en tot het juiste oordeel is gekomen, niet het vak en de vakkennis van de docent. Van het vak heeft de docent meer verstand dan de onderwijsmanager en dat kan natuurlijk niet in een organisatie waar de manager het per definitie beter weet. Daarom moet het criterium voor slagen en falen worden weggehaald uit het vak en verplaatst naar de ‘productiviteit’ van de docent. Productiviteit is omzet x rendement. Toch?

Het resultaat is een onderwijsfabriek waar het onderwijs in stukjes (‘modules’) is gehakt die iedereen moet kunnen snappen en die door elke docent moeten kunnen worden gegeven. Een fabriek waar de eerste kwalificatie-eis die aan de betrokken docenten wordt gesteld bestaat in het testen van hun vermogen, en niet te vergeten van hun motivatie, om elke ‘procesindicator’ die het management heeft bedacht nauwgezet te registreren en al even nauwgezet bij te houden. Procesindicatoren bewaken de ‘studeerbaarheid’ van het geboden onderwijs. Wat studeerbaar is hangt niet af van vak of thema, het hangt af van het metabolisme van de gemiddelde student die het onderwijsmenu stapsgewijs in gestandaardiseerde tijdseenheden moet consumeren – en voor wie het diploma net zo belangrijk is als voor de universiteit. De universiteit is een schoolvoorbeeld (pun intended) van een kapitalistisch gerund bedrijf: je doet alles in naam van de afnemer, je wordt er zelf beter van en je verwaarloost de ‘professionals’ van wie je de professie belachelijk maakt.

Eelco Runia is een originele geleerde, een aanwinst, zou ik denken, voor elke letterenfaculteit van elke universiteit die geschiedenis en geschiedsfilosofie in het pakket heeft. Hij heeft er genoeg van, schrijft hij vandaag in NRC-Handelsblad. De motivatie is weg. Waarom? Omdat het product zwaarder weegt dan het vak. Het product staat blinkend in de etalage – en het vak wordt een vak voor vakkenvullers.

20 januari 2018

=0=

 

Geen vrienden

Geen vrienden en geen twijfel. Zou er een samenhang tussen beide bestaan? De gedachte kwam bij me op na het lezen van het inleidende hoofdstuk uit een al wat oudere publicatie van Jordan Peterson, Maps of Meaning; The Architecture of Belief (New York, Routledge 1999). Peterson is vanavond te horen en te zien in een bijeenkomst te Rijswijk, georganiseerd door een stichting met de naam De Nederlandse Leeuw. Nee, ga er niet heen want de kaarten voor de bijeenkomst (à raison van 25 € pp) zijn uitverkocht.

Niet getreurd, de stichting heeft een vijfjaren plan, dus ook de komende jaren mogen we rekenen op een bijeenkomst. De hoofdvraag dit jaar is: ‘[o]p welke manieren moet Nederland de immigratie- en integratie-aanpak vernieuwen om de uitdagingen en risico's binnen onze multiculturele samenleving te kunnen beheersen?’ Tja, hoe doen we dat? Met beter Nederlands, om te beginnen. De Nederlandse Leeuw blinkt uit in krom proza en is daarmee zelf een deel van het probleem van de ‘integratie-aanpak’. Dat zou tot bescheidenheid moeten nopen, het doet het niet.

Ik neem niet aan dat Jordan Peterson op het proza van De Nederlandse Leeuw in zal gaan. Wel zal hij ingaan op de vraag welke moraal ‘leidend’ moet zijn in strijd om het behoud en de versterking van onze identiteit, waarde en waardigheid. Maar wie is die Jordan Peterson die ons hierover voor kan lichten?

Wie is de man die de loonkloof tussen mannen en vrouwen een verzinsel vindt omdat, zegt hij, verpleegsters vrijwillig hebben gekozen voor hun beroep en, zegt hij, ingenieurs voor het hunne en omdat, zegt hij, verschillende keuzes nu eenmaal tot verschillende uitkomsten leiden en omdat, zegt hij, als we dan vervolgens kijken naar loonverschillen binnen één en hetzelfde beroep we pas mogen concluderen dat hier sekse en gender in het spel zijn nadat we ook alle overige denkbare oorzaken van de verschillen in beloningsuitkomsten tussen mannen en vrouwen hebben verwerkt. Wonderlijk is dat Jordan niet dezelfde hoge eisen stelt aan de verklaring van de beloningsvoorsprong van mannen. Waarom niet? Het is een vraag die alleen hij kan beantwoorden. Hij doet het niet, hij stelt de vraag niet eens.

Ik ben bang dat als hem het vuur na aan de schenen gelegd zou worden hij voor de verklaring weer terug zal vallen op zijn betekeniskaarten, zijn maps of meaning. Die kaarten hebben drie bronnen: Jung, Nietszche en het christendom. We kunen van die bronnen zeggen wat we willen, van feminisme kunnen we ze niet beschuldigen. Wat we wel van ze kunnen zeggen is dat ze na WOII lange tijd zijn weggedrukt en dat Jordan van mening is dat ze weer in het volle daglicht moeten verschijnen om ons van onze dwalingen te bevrijden.

Als Peterson zijn zoektocht beschrijft die hem tot de afwijzing van elke (maar in het bijzonder de linkse) ideologie heeft gebracht en die hem overtuigde van van de morele superioriteit van westerse waarden, dan lees ik het verslag van een jongen die in alles wat hij vertelt en beschrijft niemand tegenkwam met wie hij zijn twijfels en vragen bespreekt, dan lees ik het verslag van een jongen die nooit op zoek ging naar wegen om zijn vragen, bedenkingen, onzekerheden en weifelingen beter te leren formuleren, ik lees het verslag van een jongvolwassene die op zoek is naar zekerheden, die voor twijfel geen plek heeft en die zijn tekort aan vrienden en gesprekspartners compenseert met het uitpluizen van teksten waarin alleen de eenvoudigen van geest menen de waarheid te vinden. En zo vond hij de waarheid die hij tegenwoordig onder eigen naam en op eigen titel ventileert.

Geen twijfels, geen vrienden. Een aandoenlijke man die iedereen die twijfel aanmeldt over zijn moraal, die iedereen die twijfel aanmeldt over wat hij als de zin van bestaan ziet – als een gevaar, als een existentiële bedreiging ziet. Hij is een man die dat niet wenst te accepteren, die boos is en tot de aanval overgaat. Er zijn miljoenen zoals ik, dat is zijn claim en daar zit zijn markt. Doet ergens aan denken. Het neemt niet weg dat ik meer fiducie heb in De Nederlandse Leeuwin dan in De Nederlandse Leeuw. Maar een lezing kan altijd.

19 januari 2018

=0=


Relativisme

Cultuurrelativisme schijnt een ernstige zonde te zijn. Niet voor mij – ik heb nooit begrepen wat het contrast van relatief in dit verband moet wezen – maar wel voor mensen die alles zien veranderen en die willen dat sommige zaken (‘cultuur’) nooit veranderen. Een lastig bestaan, zeker. En een raar bestaan.

Ik vind het maar raar dat mensen die onze cultuur verabsoluteren met de geschiedenis weer heel relativerend omspringen. Geschiedsrelativisme, dat is het, de opvatting dat we de geschiedenis altijd in zijn tijd moeten plaatsen. En tijd, dat is ook de tijd van normen en waarden en van opvattingen over zeden en gewoonten, en van gebruiken en misbruiken. Bovendien, begrijp ik, moet je niet alleen met de tijd rekening houden maar ook met de plaats. De Nederlandse geschiedenis heeft zo z’n minpunten en die moet je in hun tijd begrijpen en als je dat begrijpt begrijp je ook dat die minpunten voornamelijk plaats vonden als we buiten de deur gingen spelen.

We behandelden de onzen altijd wat coulanter, wat beschaafder ook, dan de vreemdelingen in hun vreemde landen, die voor hen overigens niet vreemd waren omdat zij tot op de dag van vandaag de opvatting huldigen dat niet hun land vreemd was maar dat wij vreemd waren en ons maar niet als een gast leerden gedragen en in plaats daarvan hun cultuur terugbrachten tot een rubbercultuur, een specerijencultuur, een indigocultuur, het kon niet op. Cultuur? Ja, cultuur als exportproduct, net zoals de mensen daar exportproducten werden.

Slavernij deden we daar, onderdanigheid deden we hier. En nu wij hier onze onderdanigheid hebben afgeschud hebben we besloten dat we over onze slavernijgeschiedenis niet meer willen weten dan dat je die in zijn tijd moet zien – en omdat we die tijd niet meer kunnen zien is het flauw met de kennis van nu te oordelen over de tijd van toen, juist ook als je zelf ook wel weet dat je die zelfs met de kennis van nu niet meer terug kunt halen. Vandaar het geschiedsrelativisme. Hoe had het anders gekund, hoe kan het anders?

Toch zou ik denken dat we vreemdelingen nog altijd – als was de afwijzende blik op de vreemde een historische constante – minder coulant en minder beschaafd bejegenen dan de burgers wier enige prestatie is dat ze hier geboren zijn en dat ze al generaties lang niet zijn verhuisd. Op de keper beschouwd zullen dat er weinigen zijn want onze verwantschappen zijn als een web, ze lijken op netwerken, en ze gedragen zich als netwerken – ik denk aan ketenmigratie, aan migranten die de familie achterna reizen en zo zorgen voor gezins- en familiehereniging.

Dat mag wel zo zijn, zeggen we tegenwoordig, maar wij houden niet van gezins- en familiehereniging, in elk geval niet als dat met nog meer migratie gepaard gaat. En of dat historisch gezien nou tegen de haren van de geschiedenis instrijken is of niet, het zal ons worst wezen. Het gaat niet om geschiedenis, het gaat om cultuur en de constante in de cultuur is dat we, toen en nu, buitenstaanders en nieuwkomers beletten wat we voor de gevestigden en oudkomers heel gewoon vinden. Toegegeven, vroeger zochten wij hen geheel ongevraagd op en we citeren vandaag de dag de geschiedenis om te verduidelijken dat toen toen was en nu nu. Tegenwoordig zoeken zij ons geheel ongevraagd op, komen met historische verhalen aan om aannemelijk te maken dat we geen poot om op te staan hebben om hen de deur te wijzen en begrijpen maar niet dat het niets met de relativiteit van de geschiedenis en alles met het absolutisme van onze cultuur te maken heeft.

En zo hebben wij altijd gelijk.

17 januari 2018

=0=

 

Beetmunt

In lang vervlogen tijden beten de mensen hun tanden op een munt, om te kijken of het ding wel echt was. Beetmunten. Tegenwoordig hebben we geen beetmunten meer. We hebben bitcoins, munten met een gedigitaliseerde beet. Zeg maar. Hoe het werkt weet ik nog altijd niet, maar waar het door wordt gekenmerkt weet ik weer wel en dat is ook niet weg. Elke bitcoin is het prototype van absoluut wantrouwen. Ja, daar kijk ik zelf ook van op.

De moeilijkheid met geld is dat je het accepteert omdat er niet veel anders op zit. Soms heb je daar spijt van en je verlangt naar een alternatief – als er gierende inflatie is, bijvoorbeeld, of als de bank failliet gaat. Je zou een onderpand willen hebben, goud bijvoorbeeld, net zoals de bank bij een lening aan jou een onderpand wil zien, hoewel de bank zelf geld uit het niets weet te scheppen, gewoon omdat je het als bank mag als je een door de overheid verstrekte bankvergunning hebt.

Bovendien, we hebben sinds de grote deregulering van de jaren tachtig en later gezien dat schaduwbankieren ook een leuke manier van bankieren is en dat de instellingen zoals een centrale bank die dat allemaal in de gaten moeten houden de moed daartoe al lang hebben opgegeven en in plaats daarvan zelf de geldpers uitbundiger dan ooit vertoond hebben opengezet. Dat leidt voorspelbaar tot wantrouwen in banken, in de centrale bank, in overheden en het leidt tot initiatieven om een geldstelsel te ontwerpen waarin je niet bij de neus kunt worden genomen door banken en overheden. Daarvan zijn er in het verleden legio geweest. Meestal waren dat lokale initiatieven. Die deden het een tijdje beter dan het offciële stelsel maar zodra dat weer overeind was gekrabbeld – meestal met miljardensteun van de overheid die daar de belastingbetaler voor aansloeg en de belastingen in de officiële munt voldaan wenste te krijgen – verdwenen de lokale stelsels weer naar de achtergrond. Maar niet deze keer – deze keer is anders.

De bitcoin heeft z’n tanden gezet in het officiële geldstelsel. De monetaire autoriteiten waarschuwen voor de bitcoin, en ze vrezen de bitcoin. Gegeven een bruikbare bitcoin is het immers met hun bestaan gedaan – ze worden overbodig, hun bemiddelende functie is niet langer nodig, de technologie van de bitcoin kan zonder hen. De bitcoin zegt het vertrouwen in hen op. Wat biedt het zelf aan? Nu, in elk geval geld waarin elke bitcoin gedekt is. Niet de overheid bepaalt de waarde van de munt nog, die waarde wordt in en door het stelsel zelf vastgelegd. Net zoals goud z’n eigen onderpand is, is de bitcoin dat. De voorraad bitcoins is daarom ook net als de goudvoorraad eindig – op een gegeven moment is het op. Niemand weet wanneer het op is, maar ik neem aan dat de grillige koersbewegingen van de bitcoin de verwachtingen en onzekerheden reflecteren over de voorraad, en over de energierekening om de voorraad op te sporen en te ontginnen. Het kost energie. Elke bitcointransactie kost energie, kost bakken met energie en hoe meer transacties in bitcoins worden afgesloten des te groter het beslag op energie wordt en des te hoger de energierekening oploopt en des te meer milieu en klimaat klappen krijgen. De prijs om overheden en banken niet langer te hoeven wantrouwen is hoog.

En daarom noem ik de bitcoin het prototype van absoluut wantrouwen. Elke transactie in bitcoins, elk beroep op bitcoins, wordt via het verificatie-algoritme van de gehanteerde blockchaintechnologie op waarde en waarheid getest en wat er niet doorkomt komt er niet door en wat er wel doorkomt heeft voldaan aan de grondslag van het algoritme: dat we alles willen weten voordat we toegang verlenen.

Alles willen weten: dat is wantrouwen.

10 januari 2018

=0=



De Bijl aan de Wortel

In Duitsland heeft men nog een vakbond. Ik versta onder een vakbond een organisatie die niet slechts in naam maar ook in eisen en acties de kant van de werknemers kiest en bereid is daarvoor ten strijde te trekken. Kom daar bij ons maar eens om. Hier roept de centrale bank op tot hogere lonen – en nog worden de bonden pas wakker als een actiegroep van leraren de kat de bel aanbindt. Met eisen voor een hoger loon en voor een lagere werkdruk. Dat zulke eisen nodig zijn is op zichzelf al een indicatie van het failliet van de Nederlandse vakbeweging. Men heeft het verder laten komen dan acceptabel is – men heeft het geaccepteerd.

In Duitsland heeft de IG Metall nu een tweetal eisen op tafel gelegd – een eis voor een forse loonsverhoging (6%) en, nog veel belangrijker, een eis voor arbeidstijdaanpassing waarover de werknemers het laatste woord hebben. Dat is revolutionair. Gisteren schreef Walter Hämmerle in een hoofdredactioneel in de Wiener Zeitung dat het vanuit het perspectief van de werkgever niet zo kan zijn dat de werknemers ‘alleen’ over hun arbeidstijd beslissen – en dat ook nog eens zonder inlevering van loon (: [a]us Sicht der Arbeitgeber kann es nicht sein, dass die Arbeitnehmer allein über ihre Arbeitszeit entscheiden - und das auch noch ohne Lohneinbußen.). Dat is de spijker op de kop. Het is de bijl aan de wortel van het kapitalisme. Per slot, wie over de tijd van anderen beslist heeft de macht en wie nog wel eens droomt van een samenleving waarin de mensen zelf beslissen over hun tijd weet dat in een dergelijke samenleving de hulp van gezin en familie en de hulp van je collega’s en bonden welkom is, terwijl in zo’n constellatie de werkgever thuis noch welkom is.

De actuele situatie is dat de arbeidstijden de bedrijfstijden volgen, dat de bedrijfstijden gedurig uitbreiden, dat de bedrijfstijden gedurig wisselvalliger worden en dat in een offensief dat nu al een kleine dertig jaar onder de noemer van flexibilisering voortgaat en dat de werkgevers in de kaart en de werknemers van het veld heeft gespeeld. Het resultaat is dat de werknemers de greep op hun eigen tijd tamelijk volledig kwijt zijn, soms ongewild korter werken dan ze willen, vaak langer en onregelmatiger werken dan ze willen, en niet zelf in staat zijn opvoeding, scholing, zorg, vrije tijd en werk ook maar enigszins fatsoenlijk op elkaar af te stemmen.

IG Metall meent dat het nu wel genoeg is geweest. De bond is begonnen met waarschuwingsstakingen en de werkgevers weten niet goed wat te doen. Over de looneis valt te praten. Over de arbeidstijd niet, in elk geval niet als de beslissingsmacht daarover naar de werknemer verschuift. Ik ben ervan overtuigd dat de werknemers heel rustig en heel beschaafd en vol consideratie met de onderneming van hun nieuw te verwerven recht gebruik zullen maken. Ik ben er ook van overtuigd dat de werkgevers het niet zullen accepteren omdat ze het niet kunnen accepteren. Ze zouden niet weten waar ze aan toe zijn. Ze zouden moeten afwachten, ze zouden zich flexibel moeten schikken in de arbeidstijdwensen van anderen.

Wij hadden in ons land ook ooit een industriebond. Die is ter ziele.

9 januari 2018

=0=