DAGBOEKHOUDER
Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam 2017

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010–2011–
2012–2013–2014–2015–2016-2017


Om naar het begin van de pagina te gaan: klik op =0=


November

Brisant

Allergisch

Schaarste

Modernisering

Strop

Gokken

Oktober

Zwendel

Paardenmiddel

Nieuw denken

Als een steen op de maag

Meel van Annabel

NATO

Probleemontkenning

Drieklapper

Schuldbewust

Besparen

Bevordering

Des vaderlands

Kiezel

Tempo!

Sprookje

Doorverwijzing

Meel

September

Wat? Nee, dat!

Bemiddeld

Correctief

Horizontaal

Knoppen

Baas

Normatief

Voorwaar

Hegemonie

Personen en zaken

Spelbreker


Augustus

Uniek

Openbaar

Immigrationist

Het beeld op zwart

Bucketlist

Systeemperversie

Juli

Bekentenis

Buitenbeentje

Gig

Pleinvrees

Babyboomer

Metafora

Representatief

Internationale

Wegens succes gesloten

Lease

NEP: Nieuw Economisch Product



Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 58
mei - juni 2017

Dagboekhouder 57
maart - april 2017

Dagboekhouder 56
januari - februari 2017

Dagboekhouder 55
november - december 2016

Dagboekhouder 54
september - oktober 2016

Dagboekhouder 53
juli - augustus 2016

Dagboekhouder 52
mei - juni 2016

Dagboekhouder 51
maart - april 2016


Dagboekhouder 50
januari - februari 2016

Dagboekhouder 49
november-december 2015

Dagboekhouder 48
september-oktober 2015

Dagboekhouder 47
juli - augustus 2015

Dagboekhouder 46
mei - juni 2015

Dagboekhouder 45
maart - april 2015

Dagboekhouder 44
januari - februari 2015

Dagboekhouder 43
november - december 2014

Dagboekhouder 42
september - oktober 2014

Dagboekhouder 41
juli - augustus 2014

Dagboekhouder 40
mei - juni 2014

Dagboekhouder 39
maart - april 2014

Dagboekhouder 38
januari - februari 2014

Dagboekhouder 37
november - december 2013

Dagboekhouder 36
september - oktober 2013

Dagboekhouder 35
juli - augustus 2013

Dagboekhouder 34
mei - juni 2013

Dagboekhouder 33
maart - april 2013

Dagboekhouder 32
januari - februari 2013

Dagboekhouder 31
november - december 2012

Dagboekhouder 30
september - oktober 2012

Dagboekhouder 29
juli - augustus 2012

Dagboekhouder 28
mei - juni 2012

Dagboekhouder 27
maart - april 2012

Dagboekhouder 26
januari - februari 2012

Dagboekhouder 25
november - december 2011

Dagboekhouder 24
september - oktober 2011

Dagboekhouder 23
juli - augustus 2011

Dagboekhouder 22
mei - juni 2011

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Brisant

Russisch nepnieuws bestaat al lang. Maar, zo columnt Nausicaa Marbe, het heeft geen effect. En juist dat maakt de paniek van minister Ollongren ‘brisant’.

Het is niet het woordje brisant dat hier opvalt, het is het woordje paniek. Was de minister in paniek? Het is me niet opgevallen. Ze was tamelijk bedaard, misschien nog een ietsiepietsie onwennig, maar zeker niet panisch, laat staan ‘brisant’. Mevrouw Marbe kletst uit haar nek. Brisant uit haar nek, maar niettemin uit haar nek. Niet voor het eerst, overigens, maar daar wil ik het nu niet over hebben.

Waar ik het over wil hebben is over de rechte lijn die nepnieuws verbindt met de gezagscrisis die, zoals ik het zie, alles te maken heeft met de crisis van de publieke zaak. Het publiek is gefragmenteerd en alleen nog terug te vinden in sociale media-accounts, de zaak heeft niets zakelijks meer (want over zaken moet je zakelijk van mening kunnen verschillen) en is teruggebracht tot aan de ene kant big data waar uitkomt wat er in is gestopt en aan de andere kant de hoeveelheid likes en retweets die je per oprisping weet te genereren.

Zonder het gezag van de publieke zaak is de vraag wat echt is en wat nep een loterij geworden – en loterijen kunnen net als big data gemanipuleerd worden. En worden dat ook. Het begint al met de idiote tegenstelling van nep en waarheid die wordt gesuggereerd. Wat waar is en wat niet-waar (wat vals is) is de uitkomst van zorgvuldig opgestelde procedures, die (het wantrouwen komt niet nergens vandaan) niet altijd getrouw worden gevolgd en, iets vaker dan niet altijd, die niet altijd even getrouw worden bewaakt en gehandhaafd. Dat betreuren we – in naam van de waarheid.

Er is ook een waarheid die met de wetenschap niets te maken heeft, de waarheid van het geloof. Maar, geloofswaarheden zijn geen waarheden maar geloof en wetenschappelijke waarheden zijn wel waarheden, gewoon, omdat ze zijn gedoopt in het geloof in de waarheid in plaats van in de waarheid van het geloof. Het is niet anders. Nep heeft met waarheid niets te maken, het leeft van de tegenstelling met echtheid en wat echt is, is in een mediacratie niet van echt en daarom ook niet van nep te onderscheiden. Daarom, nepnieuws is niet nieuw. Wat nieuw is en wat nepnieuws zo irritant maakt is dat er geen instanties en instituties meer zijn die erkend worden als faire arbiters in de strijd over de betekenis van informatie. Het gezag is als arbiter uitgeschakeld; vervanging is niet in zicht.

Overheidsinstanties en –instituties hebben zich te vaak onbetrouwbaar betoond en worden niet langer vertrouwd. Ze zijn door de politiek ‘op afstand’ gezet en worden steeds vaker begeleid door tandeloze autoriteiten die geen autoriteit hebben en die voornamelijk de ondoorzichtigheid dienen. Met als gevolg dat niet alleen het gezag irrelevant is geworden maar ook dat ‘transparantie’ het slagwoord is geworden om alles wat zelfs maar de gedachte aan gezag nieuw leven in zou kunnen blazen de wind uit de zeilen te nemen. Bij metingen van geluidsoverlast meten we niet meer maar we modelleren. Dat is het model, zal ik maar zeggen, het model waarmee elk gezag wordt ontmand door het op te sluiten in lachwekkende protocollen die problemen verhaspelen tot modelindicatoren en die indicatoren even verderop vervangen door afvinklijstjes. Het begon in de jaren tachtig met Thatcher en Reagan: de overheid is het probleem, niet de oplossing. Wij, politici, zijn de oplossing en wij zijn dat omdat we de overheid ten diepste wantrouwen. Dat is een geloof geworden, het neo-liberale geloof dat ons voorhoudt dat overheden incompetent zijn, onmachtig, en vooral vraatzuchtig.

De neo-liberalen (en het neoliberale geloof omvat het totale spectrum van wat bij ons de ‘middenpartijen’ heten) hadden het niet over de overheid moeten hebben, ze hadden het over politici en politieke partijen, en dus over zichzelf, moeten hebben. De overheid in Engeland wordt stukgemaakt door een stel hautaine volksverlakkers, verzameld in de Conservatieve Partij, een partij die het de premier toestaat om in het belang van de rust in de partij de gehele bevolking op te zadelen met een refererendum waar de honden geen brood van lusten en die de ene premier, zonder tussenkomst van de kiezer, kan vervangen door de andere – in beide gevallen met voorbijgaan aan het parlement. De overheid in de VS wordt stukgemaakt door de Republikeinse Partij, de partij die met behulp van gerrymandering en het opwerpen van barrières voor nieuwe, de Republikeinen onwelgevallige, kiezers erin geslaagd is het idee van vertegenwoordiging een aanfluiting te maken en die de macht die het daarmee verwerft enthousiast heeft ingezet om de overheid te ontmantelen en de opbrengsten in de zakken te doen belanden van een steeds selecter gezelschap. Ik weet, de associatie van Trump met select is verdacht, maar daarom ook is elke opmerking over Trump die niet bevalt een nep-opmerking. Volgens Trump, en volgens zijn re-tweeters.

We kunnen het ook dichter bij huis zoeken. Afgelopen week verscheen een evaluatie over de Nationale Politie. De conclusie hadden we vooraf al kunnen trekken en dat had gekund omdat de conclusie dezelfde is als die enige tijd geleden over de Amsterdamse Noord-Zuidlijn werd getrokken en dezelfde als die over Schiphol zo ongeveer jaarlijks wordt getrokken: we moeten vooral doorgaan op dezelfde weg, maar dan beter. De conclusie had moeten zijn dat politici er een rotzooi van gemaakt hebben, de troep vervolgens op het erf van de burger kieperen en de zaak afronden met de oproep de overheid efficiënter te leren werken. Het is maar één voorbeeld uit vele. Het brisante laatste nieuws is dat er geen tegenvoorbeelden meer zijn. De vraag is: is dat nieuws – of nepnieuws?

19 november 2017

=0=

 

Allergisch

Het begon met het gerucht. Dat kon overal vandaan komen, het verspreidde zich als een lopend vuurtje en het verdween weer. Om opgevolgd te worden door een nieuw gerucht. Het kon kwaadaardig zijn, verontrustend of hilarisch, het kon bewust in circulatie gebracht zijn of ook niet. Geruchten waren sociale media voordat sociale media bestonden. Het gerucht gaat dat geruchten beter gedijen in kleine gesloten gemeenschappen dan in grote anonieme, dat ze in refoland beter tot hun recht komen dan in de grote slechte stad. Het is maar een gerucht en bij een gerucht telt het niet of het klopt maar of het gerucht effect heeft. Geen gerucht is overigens dat we sinds kort geruchten, of die nu van de lokale tam-tam komen of van de sociale media, geen geruchten meer noemen maar nepnieuws.

Nepnieuws is meestal geen zelfstandig soort nieuws. Het is succesvoller als het meelift met ander nieuws. Door er chocoladeletters van te maken, bijvoorbeeld, door het met opvallende plaatjes te versieren, door het zo in te kaderen dat het verwijst naar andere zaken waar we nu ook wel eens het fijne van willen weten. Hecht een (politiek, commercieel, ideologisch, sociaal) belang aan nieuws en nepnieuws zal niet uitblijven. Hecht meer belangen aan elke snipper nieuws en nepnieuws wordt een industrie. Wie het over meer belangen heeft, heeft het over concurrentie. In de permanente veenbrand van de concurrentie kijkt men niet op een nieuwsturfje. Sinds de wereld globaal is geworden is alles concurrentie, van politieke partijen en hun financiers tot en met belastingdiensten en hun aanbiedingen aan vermogenden en kapitalen, van producten en diensten en hun bombardement met reclameboodschappen tot en met godsdiensten, onderwijs, onderzoek en wetenschap en hun gebedel om financiering.

Nepnieuws is overal. Dan kun je twee kanten op. Je kunt de kant op van de potsierlijke Europarlementariër Hans Van Baalen, die doodleukt beweert (vandaag, op Radio 1, even na elf uur ’s ochtends) dat ‘zij’ met nepnieuws invloed proberen te uit te oefenen en dat ‘wij’ dat niet doen. Een parlementariër is een vertegenwoordiger en Hans van Baalen vertegenwoordigt de onschuld. In al z’n onbeholpenheid vertederend, en in z’n politieke context volstrekt ongeloofwaardig en leugenachtig. Van Baalen is van de VVD, dat verklaart veel. Het verontschuldigt niets. Je kunt ook de kant op die door mensen gekozen wordt die doorhebben dat we allemaal wel eens een scheve schaats rijden en die ons daarop bij gelegenheid graag aanspreken. We zagen dat tien jaar geleden toen sommige hooggeleerde slimmeriken opmerkten dat we met z’n allen schuldig waren aan de kredietcrisis. We hadden toch allemaal geleend? En daarmee bijgedragen aan de instabiliteit van het kredietwezen? Nou dan! Is het dan ook niet redelijk dat we met ons allen, schuldige zielen die we zijn, de rotzooi van de kredietcrisis helpen opruimen? Ik dacht het wel!

Het aardige, en ook wel onthullende, is dat dit soort geluiden altijd komt van mensen die behalve de wetenschap ook andere belangen dienen. Meestal denken ze niet aan ons maar als puntje bij paaltje komt weten ze ons te vinden. Zoals, in het spoor van de onthullingen in de Paradise Papers, hoogleraar belastingrecht Gerard Meussen, tevens ‘technisch adviseur’ van Ernst & Young en van BDO Consultants, grote spelers op het gebied van belastingontwijking over alle grenzen heen. Belastingontwijking is erg, zegt Meussen, maar omdat we het allemaal doen gaat het niet aan met de beschuldigende vinger alleen te wijzen naar grote ondernemingen en grote vermogens en jezelf buiten de discussie te houden. Dat gaat zo: ‘[k]leine mensen met kleine inkomens doen op kleine schaal aan belastingontwijking, grote mensen met grote inkomens doen dat op grote schaal. Maar de ethische vraag is dezelfde: is het laakbaar?’. Het is een ethische kwestie die de man nogal kwelt en die hem inspireert tot vragen die niet de helderheid maar wel de verwarring bevorderen, nou vooruit, tot vragen die eerder in de categorie nepvragen vallen dan in de categorie eerlijke vragen.

Ik doel hierop: ‘[à]ls het al afkeurenswaardig is om belastingstromen via Nederland te laten lopen om in een ander land belasting te ontwijken, dan is het toch ook laakbaar dat mensen in Duitsland tanken omdat daar de benzine goedkoper is, via internet spullen in China bestellen of een boek in de VS kopen via Amazon in plaats van bij de plaatselijke boekhandel?’. Het staat er, ik kan het ook niet helpen. Meussen wel, maar die wast zijn handen in onschuld, dezelfde onschuld als waar Van Baalen zich al eerder in wentelde. Kennelijk leiden beide wegen naar dezelfde doodlopende steeg. Maar, Meussen, flauw is het wel om belastingen op alles wat mensen verdienen te vereenzelvigen met belastingen op alles waar mensen hun geld aan uitgeven. Nog even en Meussen zal het laakbaar vinden dat vakanties in het buitenland worden gehouden. Vakanties? Belastingontwijking!

‘Ik ben’ (zegt Meussen) ‘dan enigszins allergisch voor mensen die zich achter een journalistieke aanpak verschuilen en met het opgeheven vingertje roepen: dit mag niet. De filosofie achter hun motivatie raakt aan het antiglobalisme, omdat zulke financiële constructies integraal deel uitmaken van een soepele wereldhandel’. Gek, dat verbaast me nou helemaal niets. Alles is concurrentie, zegt Meussen, en elk nieuws dat daar zelfs maar een vraagteken bij (bij ‘financiële constructies’ bijvoorbeeld) zou durven zetten is nepnieuws.

14 november 2017

=0=

 

 

Schaarste (fragment van een inleiding)

Tussen 1965 en 1971 studeerde ik economie aan de Universiteit van Amsterdam. Ik dacht met behulp van die studie iets over het economisch reilen en zeilen van de wereld te weten te komen. Dat bleek een vergissing. Economie ging niet in de eerste plaats over het ervaringsobject van de strijd om het dagelijkse bestaan, economie bleek in de eerste plaats een kenobject, een manier om de wereld te leren kennen – het woord zegt het al.

Kennelijk kun je ervaren zonder te kennen (het voorrecht van allen die geen economie studeren) en kennen zonder te ervaren (de kunst iets te studeren los van en voordat je er de praktijk van kent). Heroïsche abstracties, dat zeker, en zo zouden we er in onze opleiding nog veel meer krijgen, te beginnen met het concept van de schaarste. De beginervaring van de student economie is de abstractie-ervaring. Kom je die aanvankelijke ervaring te boven (na het eerste propedeusejaar waren tal van studenten verdwenen) dan ben je misschien wel een goede kandidaat om met het kenobject op intieme voet te leren omgaan en tegelijk de ervaring op te doen dat je afstand tot het ervaringsobject steeds groter wordt. Economen zijn, net als refo’s, wel in de wereld maar niet van de wereld. Wel in en niet van: de sleutel tot een geslaagde studie.

Economie is volgens economen de discipline die het menselijk gedrag (het ervaringsobject van de economie in engere zin, als één van de sociale wetenschappen) bestudeert onder het gezichtspunt van schaarste (het kenobject). Schaars is elk middel dat voor verschillende doeleinden bruikbaar is en daarbij voldoet aan de regel dat we het middel voor diverse doeleinden kunnen inzetten maar niet voor alle doeleinden tegelijk. Alles kan, maar niet alles tegelijk. Het is de eerste regel uit de systeemtheorie en die is nooit weg. De consequentie is dat er gekozen moet worden. De regel van het ‘niet tegelijk’ veroorzaakt het temporele keuzedilemma dat ik schaarste noem. Zonder temporeel keuzedilemma geen schaarste. Zo eenvoudig en zo dwingend is het.

Daarmee leg ik een ander accent dan het gebruikelijke waarin schaarste wordt afgebeeld als de eeuwige strijd tussen onze oneindige en onstilbare behoeften en onze beperkte middelen. Van oneindige en onstilbare behoeften waar we altijd en eeuwig te weinig middelen voor hebben om er in te voorzien weet ik niets. We moeten elke dag eten maar wie zou willen beweren dat er te weinig voedsel is voor de wereldbevolking heeft ofwel niet goed opgelet ofwel te veel economische traktaten geconsumeerd. Er is voedsel genoeg, waar het aan schort is aan de manier waarop we het produceren, aan de manier waarop we het verdelen en, Sen indachtig, aan de manier waarop we de bevolking toestaan hun noden kenbaar te maken. Of de wereldbevolking ten onder zal gaan is me niet bekend, maar als ze ten onder gaat dan niet aan honger maar aan de wereld zelf.

De reductie van ons menselijk tekort tot menselijke behoeften lijkt me gemakzuchtige ideologie, ongetwijfeld ingegeven door het mensbeeld van een overbodige filosofische antropologie, maar wat het ook is, het is geen wetenschap. Wat ik wel weet is, daarentegen, dat we in de regel geen twee dingen tegelijk kunnen doen (we kunnen, filmrecensenten uitgezonderd, niet tegelijk aan het werk zijn en een bioscoop bezoeken) en dat we daarom moeten kiezen, op straffe van het verlies van allebei, het werk zowel als de film.

Het enige echte schaarse middel is tijd. Dat schaarste voor een ‘gegeven’ doorgaat in de economie komt doordat onze dag maar 24 uur telt, komt door het ‘gegeven’ van de 24-urige dag. En precies daarom gaat alle economie over tijd, over de omgang met tijd, met tijd die we immers op diverse manieren kunnen besteden maar, inderdaad, niet op alle manieren tegelijk. De klassieke politieke economie, in dit geval opgeluisterd met de aanwezigheid van Marx, wist dit. De neoklassieke economie weet het niet meer – het kan geen toeval zijn dat de economische wetenschap niet alleen van doelen abstraheert (de doelen zijn van ons, niet van de econoom) maar óók van het middel bij uitstek, de tijd, ‘abstraheert’. Daarmee bewijst de economie zichzelf noch de tijd een dienst.

Tijd in de economie is geen tijd want tijd kun je niet maken. Tijd is tijdsdruk, tijd is de eis van het steeds sneller. Snelheid is een aspect van tijd – de tragiek van onze tijd is dat alles onder de tijdsdruk van de versnelling staat, zelfs zozeer dat we alleen nog maar kunnen dromen van een tijd die niet onder tijdsdruk staat. De focus op de tijdsdruk, die we in ons bestaan tegenkomen als de eis tot versnelling, verengt het perspectief op tijd. Tijdsdruk is de modus operandi van tijdschaarste en tijdschaarste is een stigma, een merkteken van de tijd. Tijdschaarste is een economisch cultuurverschijnsel.

Ik geloof dat een zo opgevatte schaarste inderdaad een waardevolle bijdrage is aan het begrip van onze wereld. Je kunt zelfs beweren dat nu, onder invloed van de globale financiële flitshandel, tijd steeds meer het ultieme positionele goed aan het worden is, het niet toevallig is dat schaarste als aspect van alles oprukt naar tijdschaarste als inzet van alles. Per slot, een uur is een uur en een dag is een dag, en wie meer uren wil hebben zal tijd van anderen moeten kopen – die dan minder dan uren voor hun eigen besognes hebben. In die zin is tijd een nulsom en wanneer we proberen een nulsom te verdelen, terwijl we weten dat wat we ook doen er in totaal nooit meer dan 24 uur in één dag zullen gaan, dan kan dat alleen maar door te erkennen dat tijd een positioneel goed is, een goed dat ik naar me toe kan trekken omdat, voor zover en voor zo lang jij dat niet kunt. Wat ik win aan positie, verlies jij aan positie en omgekeerd. Van de economen neem ik het schaarsteconcept dankbaar over, zij het dat ik de nadruk op schaarse middelen vervang door een nadruk op dat ene middel waarmee we alles moeten en waarmee we ook alles kunnen doen, zij het niet alles tegelijk: het middel van de tijd.

Wanneer we het over markten hebben, hebben we het over tijd want alles waar ik via de markt aan kan komen bespaart me de tijd om het zelf te vervaardigen. Wanneer we het over arbeidsmarkten hebben gaat het ook over tijd, want het gaat over markten waar werkgevers tijd kopen van werknemers – tijd die de werkgevers vervolgens naar eigen inzicht mogen besteden. En wanneer we het over inkomens en vermogens hebben dan hebben we het opnieuw over tijd, over de tijd tussen de ontvangst van één inkomen en het volgende (en over de hoop dat aan het einde van je inkomen er niet nog zoveel maand over is) en over de tijd om te wachten, de tijd die hoort bij vermogen, de tijd die ontbreekt bij inkomen.

Zo, en kunnen we het dan nu over het kapitalisme hebben?

12 november 2017

=0=


Modernisering

In dezelfde week waarin de Paradise Papers verklappen dat multinational een ander woord is voor belastingtourisme, verdedigt het kabinet een belastingcadeau voor de multinational. Dat wisten we al, de Panama Papers hadden het eerder al aangegeven. Het zit het nieuwe kabinet mee. Nu moeten ze de traditionele hardnekkige leugen (multinationals vergroten onze welvaart en dus uiteindelijk ook de belastingopbrengst) verdedigen met de volgende (multinationals vergroten de werkgelegenheid en dus uiteindelijk ook de belastingopbrengst). Het kabinet geeft het cadeau in werkelijkheid ook niet aan de multinational, het kabinet geeft het cadeau in werkelijkheid aan de werkgelegenheid, aan de banen. Zegt het kabinet.

De oppositie wil daar enig bewijs voor zien. Dat is flauw van de oppositie. De oppositie heeft in meerderheid al lang de absurde redenering omarmd dat overheden geen banen scheppen en markten wel. Kabinetten niet, opposities niet, multinationals wel. Wil de oppositie recht van spreken hebben dan moet de oppositie eerst maar eens afscheid nemen van het marktfundamentalisme waarmee het argument over werkgelegenheid de laatste decennia is opgetuigd. Dan krijgen we misschien ook eens een echt debat over globalisering.

Want: globalisering is concurrentie van allen met allen, is concurrentie overal en op alles, van concurrentie op arbeidskosten tot en met concurrentie op belastingtarieven. Het resultaat is niet alleen een uitgeklede publieke sector, het is ook een uitgeklede kwaliteit van de arbeid – dat laatste in de brede zin van het woord: arbeidsinhoud, arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen, arbeidsvoorwaarden. Wanneer het kabinet pleit voor banen en werkgelegenheid dan pleit het voor meer hiervan, voor meer van hetzelfde. Wanneer de oppositie hetzelfde pleidooi voor banen en werkgelegenheid houdt, houdt het een pleidooi voor hetzelfde. Voor een gedereguleerde arbeidsinhoud, voor gedereguleerde arbeidsomstandigheden, voor gedereguleerde arbeidsverhoudingen en voor gedereguleerde arbeidsvoorwaarden. Geen wonder dat de werkgevers daar wel pap van lusten. Wel een wonder dat de werknemers (ik bedoel hun belangenbehartigers, woordvoerders en vertegenwoordigers) zich zo tam opstellen. Gelukkig hebben we de onderwijzers nog, met nieuwe belangenbehartigers, nieuwe woordvoerders en nieuwe vertegenwoordigers. Ik wens ze succes toe en vooral historisch besef.

Het is geen gewaagde veronderstelling om belastingtoerisme te verbinden met de overmacht van het financiële kapitalisme, net zoals het geen gewaagde veronderstelling is om de permanente aanval op de arbeidskosten te verbinden met het reële kapitalisme. In beide gevallen is overheidssteun onontbeerlijk en daarom zal de nieuwe minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Wouter Koolmees, de arbeidsmarkt gaan moderniseren. Dat doet elke nieuwe minister op dat departement. Zijn collega Wopke Hoekstra op Financiën daarentegen moet het deksel op de put van het belastingtoerisme houden en zo mogelijk die put nog wat dieper maken zodat er meer in kan zonder dat het opvalt. Gezamenlijk staan ze voor de majeure taak van de ontmanteling van de verzorgingsstaat.

Daarbij spelen de ‘arbeidskosten’ een hoofdrol. Om aan de kop van het banenpeloton te bliijven moet voortdurend op het hoofd van de arbeid worden gebeukt. Om werk te redden offeren we arbeid op. Dat is modern werkgelegenheidsbeleid, dat is het beleid waarin de modernisering van de arbeidsmarkt z’n rol moet spelen.

Marx schreef 160 jaar geleden dat rijkdom in de kapitalistische zin van het woord geworteld is in armoede. Daarmee doelde hij niet in de eerste plaats op de waanzin in de inkomens- en vermogensverdeling, hij doelde in de eerste plaats op het feit dat de maatstaf voor die rijkdom (de arbeidstijd ten tijde van Marx, de arbeidskosten ten tijde van de verzorgingsstaat en wat daar nog van over is) niets anders inhoudt dan dat een toename van rijkdom gekocht wordt met een verarming van arbeid.

Dat is een proces moet je weten. Het duurt even. Het is werk in uitvoering. Het schiet op, economen zijn het erover eens dat het zo moet omdat het ons, als het anders gaat, rijkdommen gaat kosten, politici zijn het erover eens dat het zo moet, omdat politici hebben geleerd dat als ze er zelf niet uitkomen ze de econoom moeten opzoeken, en de linkse oppositie, wordt gefluisterd, is op zoek naar een goed verhaal. Misschien dat een uitleg meer aan de orde is dan een goed verhaal. Een uitleg over de verschrikkelijke miskleun van ‘modernisering’ van de arbeidsmarkt, van het EU-jargon over de ‘structurele hervorming’ van arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Een uitleg, inclusief de uitleg over de eigen, nogal verwoestende, rol daarin. Is dat een goed verhaal? Nee, dat is geen goed verhaal. Maar misschien is het wel het schuchtere begin van het terugwinnen van enig vertrouwen in politiek en, in het bijzonder, in politieke opposities.

Zoeken naar een goed verhaal is het frame van mensen zonder verhaal, laat staan een goed verhaal. Het goede verhaal is het verhaal van media die de politiek verkrachten en ontkennen dat ze dat doen. Je kunt als slachtoffer niet eens met je verhaal naar de politie. Je kunt alleen naar diezelfde media en in medialand is het een verhaal zonder de mogelijkheid van verhaal.

11 november 2017

=0=


Strop

Dat de regel van gelijk loon voor gelijk werk vanzelf zou moeten spreken helpt ons eraan herinneren dat het nooit zo was en tot in lengte van dagen ook niet zo zal zijn.

De uitvinding van de cao hielp, maar verhielp niet dat vrouwen die hetzelfde deden als mannen (het kwam niet vaak voor maar het kwam voor) daar aanzienlijk minder voor kregen. Niettemin, de cao was de beste garantie dat er niet op het loon werd geconcurreerd.

Die garantie is er niet langer. Zzp-ers en andere gedetacheerden hebben van de regel van de gelijke beloning een aanfluiting gemaakt. In internationaal verband kwamen daar ook nog de premies voor de sociale en volksverzekeringen bij. Die waren nooit bedoeld om de onderlinge concurrentie tussen werkgever a in land 1 en werkgever b in land 2 aan te wakkeren, maar met dank aan wat er nog over is van de Bolkestein-richtlijn is het daar toch van gekomen. Op de bouwplaats, zo is het nieuws uit de EU, kunnen best Polen en Nederlanders naast elkaar werken en dan moeten ze hetzelfde cao-loon verdienen maar de Pool blijft toch goedkoper want de sociale premies zijn afgestemd op het land van herkomst en die premies wegen nu eenmaal minder zwaar in Polen dan in Nederland. En aan dat verschil mogen de detacheerbedrijven in Polen blijven vasthouden. Overigens, voor de internationale transportsector, toch een grote steen des aanstoots in de onderlinge naijver tussen werkenden uit verschillende landen, gelden de nieuwe regels niet.

De beste manier om de sociale zekerheid te ondergraven is door er een concurrentie-artikel van te maken. Dan heb je geen zekerheid meer, en in plaats daarvan wel een strop om de nek van de werkende. En dat is niet alleen zo voor de detachering, het geldt ook voor de vergelijking van de werknemer met de zzp-er. Ik las dat Asscher, op zo ongeveer de allerlaatste dag van zijn ministerschap, best tevreden was met het besluit van de EU. Het zou de oneerlijke concurrentie tussen werknemers uit de landen van de EU tegengaan, die riedel. Uit de eerste reacties blijkt dat het de oneerlijke concurrentie gaat aanmoedigen tussen landen met lage premies sociale zekerheid en landen met lagere premies. De Bulgaren tevreden, de Roemenen tevreden, de Polen ontevreden, de Tsjechen ontevreden. Het houdt pas op als we met z’n allen helemaal onderaan de sociale zekerheidsladder zijn beland. Dat Bolkestein daar blij mee is kan ik me indenken, dat Asscher dat ook zou zijn is, behalve feitelijk waar, een gotspe.

Op het vlak van de sociale zekerheid heeft Asscher niets substantieels tot stand gebracht. Hij had sociale rechten moeten losmaken van werkgevers en opdrachtgevers(die moet je zien te vinden via een premie op hun omzet en niet via welke titel dan ook waaronder ze mensen aan het werk zetten) en moeten verbinden aan iedereen die tegen betaling iets doet voor een ander. Sociale trekkingsrechten heet dat, in combinatie met de status van lid te zijn van de beroepsbevolking. Het levert een sociale zekerheid op die, los van land van herkomst, los van sekse en los van contractvorm, is afgestemd op de noden en belangen van de mensen wier zekerheid het is. Het verbreekt de huidige sociale zekerheid die steeds meer en steeds eenzijdiger is afgestemd op de noden en belangen van de toevallige werkgever en opdrachtgever voor wie niet de sociale zekerheid interessant is en juist wel het land van herkomst, de sekse en de contractvorm.

Of Asscher dit nu wel of niet heeft ingezien is een kwestie die me niet veel interesseert. Dat hij er vrijwel niets aan gedaan heeft (behalve erop bezuinigen), dat hij de zzp-kwestie over heeft gelaten aan kwibus Wiebes, dat hij een sociaal akkoord sloot dat door de kort daarna aantredende werkgeversbaas Hans de Boer als een waardeloos akkoord werd getypeerd en die zich navenant heeft opgesteld bij de uitvoering ervan, dat is voor mij genoeg om te concluderen dat hij er als minister veel minder van gemaakt heeft dan hijzelf met enig tromgeroffel liet weten.

Het nieuwe kabinet, met minister Wouter Koolmees voorop, gaat de arbeidsmarkt weer eens moderniseren. Ik word al moe als ik het woord hoor. Modernisering van de arbeidsmarkt is de mantra geworden van het afbouwen van de sociale zekerheid, van het ‘flexibiliseren’ (tot in het onherkenbare vervormen) van het arbeidsrecht, van het vastbinden van wat er nog over is van de sociale zekerheid aan het hebben van een baantje of opdracht. Modernisering is meer van hetzelfde en uitsluitend op rekening van de ‘factor arbeid’.

Modernisering? Het is niet modern – modern is een ontkoppeling van sociale zekerheid van de opdracht- of arbeidsrelatie. De enige zekerheid die het geeft is de zekerheid van de strop. Alles onder de noemer van modernisering van de arbeidsmarkt knoopt de werkende op en de enige die hem kan losmaken is de werkgever die hem niet meer wil dan wel de opdrachtgever die liever iemand anders wil. Het is een ontkenning van de ontkoppeling, te beginnen met de ontkenning van de elementaire noodzaak ervan. Het is resoluut anti-modern.

8 november 2017

=0=


Gokken

Het verschil tussen belastingontduiking en en belastingontwijking is het verschil tussen strafbaar en niet strafbaar, tussen geen en wel een onbetaalbare belastingadviseur, tussen onvermogend en vermogend.

En, zo las ik in De Morgen, tussen klein grut dat met hardnekkige justitiële machtsinzet achterna wordt gezeten en de grote vissen waarvan de opsporing geen prioriteit heeft. Waarom niet? Onvoldoende middelen. Waarom onvoldoende middelen? Omdat je voor voldoende middelen eerst de grote vissen moet zien te vangen. En omdat je die niet hebt, vang je ze niet. En omdat je ze niet vangt weet je ook niet wat je moet doen als ze een keer voorbijzwemmen en al bijna in je net verstrikt zijn.

Zoals nu, met de Paradise Papers. Dezelfde onderzoekrechter naar wie ik zojuist verwees wist het zeker: dit is een stormpje, en het waait zo weer over. Mensen die iets anders beweren – politici in het bijzonder – bezondigen zich aan goedkoop effectbejag. Kwam Pieter Omtzigt niet onmiddellijk voorbij? En wist hij niet weer even goed als altijd waar het aan lag en dat het weer niks zou worden als we niet nu en wel onmiddellijk werk gingen maken van een goede registratie?
Waren we nog niet aan toegekomen, aan registratie. Rule by non-registration, dat is de running gag in het politieke beleid met betrekking tot de belastingen.

Politiek dezer dagen is douceurtjes schenken waar ze niet nodig zijn en politiek is ook, en nog belangrijker, niet aan de zaken toekomen die wel nodig moeten worden aangepakt. De Kamer is boos. De Kamer is verontwaardigd. De Kamer vindt dat de staatssecretaris in actie moet komen. Een lijst moet overleggen, een lijst met registraties. Was daar niet al om gevraagd na de openbaarmaking van de Panama Papers? Nou dan. Dan wordt het nu toch echt tijd. Of zo. De Kamer maakt de verplichte bewegingen. De regering maakt de verplichte bewegingen. En, uiteraard, politiek is als gevolg daarvan ook doen alsof het nu afgelopen moet zijn met die ontduikende ontwijkingen. Of ontwijkende ontduikingen? Tja, zolang we dat niet weten, zolang we niet eens weten of we ons de titel van belastingparadijs– een wandelende uitnodiging om de regels naar je hand te zetten, an invitation to rule by deals – toch maar moeten laten aanleunen of toch maar niet, zo lang wordt het met de registratie ook niks.

De stap van deal naar gok is zo groot nog niet. We moeten maar aan het woord wennen, denk ik. Met de nieuwe fractievoorzitter van de VVD moet dat niet moeilijk zijn. Die gooit graag een balletje op. Het is een gok, erkende Klaas Dijkhoff. Je gokt met belastinggeld (de dividendbelasting van buitenlanders) en je verwacht werkgelegenheid als prijs.

Gokken met belastinggeld is een nieuw verschijnsel, in ons land dan, en voor andere landen durf ik mijn handen ook al niet in het vuur te steken. In de Tweede Kamer werd het in alle rust aangehoord. Niemand die zei dat dit weer een stapje verder op weg naar het dieptepunt was – de kritiek was eerder dat het volgens het CPB het een gok was met alleen maar nieten. Het geld (1.4 miljard euro) ben je kwijt, naar je werkgelegenheid kun je fluiten. Ja, zei Dijkhoff, maar daarom is het ook een gok. Hij mag graag de lachers op zijn hand hebben, onze Klaas, hoewel ik niet weet of het hem met deze zinswending is gelukt. Zijn premier meed het gok-woord – we hebben een protestants-christelijke premier die niet gokt en wel gelooft. In de goede werkgelegenheidsafloop van cadeautjes aan buitenlandse aandeelhouders die van in Nederland ingeschreven bedrijven dividend ontvangen.

Het geloof van Rutte is een gul geloof en het geeft aan hen die hebben en neemt van hen die niet hebben. Dijkhoff heeft gelijk: een hartelijk, zelfs een uitbundig, gelach, een hoongelach, zou hier niet hebben misstaan. Het kwam er niet van. Wat wel kwam was het rechttrekken van een onrechtvaardige en eigenlijk toch ook wel onduldbare scheefheid in ons belastingstelsel. Eindelijk! Nederlandse aandeelhouders betalen over hun dividend al inkomstenbelasting, buitenlandse aandeelhouders niet en daarom is het niet redelijk om buitenlanders wel dividendbelasting te laten betalen die Nederlanders niet betalen omdat ze al inkomstenbelasting betalen. Hallo? En natuurlijk, en om Klaas te steunen, voegde de premier eraan toe dat we met onze belastingen voor bedrijven altijd lager moesten uitkomen dan het buitenland – omdat anders onze concurrentiepositie in het gedrang zou komen.

Zou de Kamer dat nou niet snappen, dat verlaging/afschaffing van dividendbelasting en gestage verhoging van de BTW twee kanten van dezelfde zaak zijn, de zaak van het bedrijfsleven? Snappen ze het niet, of is het domme onwil? Altijd lager voor het bedrijfsleven, linksom of rechtsom of linksom en rechtsom, daar gaat het om. We krijgen pas even pauze als we het absolute minimum hebben bereikt, als we de race to the bottom hebben voltooid. Als eerste hebben voltooid. Daarna moeten we nieuwe manierer vinden om het vestigingsklimaat gunstig te houden.

Er is geen alternatief (er gaan geruchten dat het schoothondje van Rutte de doopnaam Tina heeft mogen ontvangen). Rutte is voor zover mij bekend de eerste EU-premier die de doelstelling van meer economische convergentie binnen de EU officieel ten grave draagt en die doelstelling al even officieel vervangt door de doelstelling van meer economische divergentie, het doel van het eeuwige concurrentievoordeel, de race naar de bodem. Ook dat pikte de Tweede Kamer i alle gemoedsrust. Nee, Rutte hoeft zich geen echte zorgen te maken over zijn oppositie. Jongens zijn het, maar aardige jongens.

Shell trok als eerste aan de bel over die dividendbelasting. Shell was het er niet mee eens omdat zo’n belasting ‘marktverstorend’ werkt. Zegt Shell, een bedrijf dat als zodanig één grote marktverstoring is. En omdat Shell zo groot is en omdat Shell als het de markt verstoort de markt ook groots verstoort (in het periodieke en compleet machteloze politieke gekissebis over de benzineprijs aan de pomp worden we er af en toe aan herinnerd) is VNO-NCW niet te beroerd zich achter elke oprisping van Shell te scharen. VNO schrijft een brief om de informateur eraan te herinneren dat die dividendbelasting weg moet. Om de werkgelegenheid te redden. Want daar gaat het om. Het gaat helemaal niet om dat stomme geld. Het gaat om de werkgelegenheid.

Het bleek niet eenvoudig die boertige oprisping van Shell via de brief van Hans de Boer in het regeerakkoord te fietsen (geen enkele politieke partij had het opportuun gevonden dit schreeuwende onrecht in hun verkiezingsprogramma aan de kaak te stellen en voor vernietiging voor te dragen), maar helemaal aan het eind van de eindeloze formatie werd bedacht dat de VVD ook wat mocht hebben. De andere partijen hadden heel veel binnengehaald, de VVD niet. Wat de VVD niet had binnengehaald is me tot op de dag van vandaag niet duidelijk geworden. Maar als er onrecht is begaan dan moet dat worden hersteld, zelfs al is het maar met de hulp van de dividendbelastingafschaffing.

Shell wou wat, toen wou VNO het ook en zo geschiedde. En Rutte is er goed voor. Hij hoeft er geen geitenpaadje voor te zoeken, hij zal met rechte rug en opgeheven hoofd zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze belofte nemen. Hij zal niet duiken, hij zal niet wijken. En hij zal zeker niet gokken. Dat mag Klaas doen.

7 november 2017

=0=

 

Zwendel

Dat het gezag van de overheid tanend is blijkt, onder meer, uit de agressie die het politie-, ambulance- en brandweerpersoneel ondervindt. Het lijkt erop dat zodra het gezag z’n gezicht laat zien datzelfde gezicht in z’n gezicht wordt uitgelachen, dat het wordt gehinderd, getreiterd en geslagen. De overheid faalt jammerlijk in z’n handhavingstaak en de onvrede daarover komt altijd bij de verkeerde mensen uit. Niet bij de politici, en ook al niet bij de tsunami van Autoriteiten die ons sinds de Grote Deregulering deelachtig zijn geworden, Autoriteiten die alleen in naam gezag hebben. In feite ontberen ze elk gezag. Ze zijn, gelet op hun handhavingsopdracht, ernstig mislukt.

Handhaving is de kern van het overheidsgezag. Maak er een zootje van en de mensen die voor de handhaving moeten zorgen zijn de klos. De overheid maakt er een zootje van. Het heeft het gros van z’n handhavingstaken over de schutting gekieperd en noemt dat ‘zelfregulering’, één van de grofste drogredenen uit het brede arsenaal van de neoliberale leugen. De overheid is zelfs zo ver gegaan dat het ook die handhavingstaken die het nog niet heeft uitbesteed stelselmatig is gaan verwaarlozen. Ik denk aan de arbeidsinspectie, die geen arbeidsinspectie meer mag heten en sinds een paar jaar als de inspectie werk en inkomen door het leven gaat. Dat houdt in dat op het werk nog maar amper wordt gelet, want arbeidsomstandigheden zijn duur en daar willen we de werkgever niet mee opknappen. De aandacht gaat uit naar de centjes van de sociale zekerheid want stel je voor dat daar een uitkering tussendoor glipt die onbeschadigd de bureaucratische mallemolen heeft overleefd.

En er is de Autoriteit Persoonsgegevens, een handhavingsorgaan dat, zo vermeldt de website, ‘toezicht houdt op het gebruik van persoonsgegevens door organisaties’. Een organisatie die over persoonsgegevens van jou beschikt mag die niet doorgeven aan aan andere organisaties (in de praktijk komt dat meestal neer op verkopen, en er wordt goed aan verdiend), althans niet zonder jou daar van in kennis te stellen. Het staat in de wet – die wet is een dode letter en de Autoriteit heeft niks met dode letters. De Autoriteit laat het totaal op z’n beloop en dus heeft de incasso-industrie sinds jaar en dag vrij spel. Afnemers genoeg, lees ik (bij Karlijn Kuijpers, Thomas Muntz en Tim Staal, U staat op een zwarte lijst; De Groene 25 oktober 2017), afnemers zo divers dat het zo ongeveer alles tussen telefoonmaatschappijen en woningcorporaties bestrijkt.

De zwendelende incassobureaus bieden niet slechts persoonsgegevens aan, ze bewerken ze ook tot scores over de betalingsmoraal van mensen. Hoe die scores tot stand komen? Dat geven ze niet prijs, de afnemer kan het niet schelen en de dupe (de persoon wiens gegevens het waren en nu tot in het onherkenbare vervormd niet meer zijn), nou ja de dupe is nu eenmaal de lul. Dat is ons land anno nu: bureaus zonder enige moraal vellen een oordeel over de moraal van anderen en verkopen dat oordeel zonder dat er een haan naar kraait. Volgens de bureaus zijn niet zij verantwoordelijk, maar de kopers. Het zijn pooiers die de klanten verantwoordelijk houden. En de overheid, die kijkt toe.

Buma kondigt aan dat een eventueel referendum over de sleepwet, en dus over de privacy-zorgen van burgers, voor hem niet telt, wat de uitslag ook is. Een verstandig man. Je bent bestuurder om anderen aan de wet te houden, niet om er zelf door gehinderd te worden. Los van krokodillentranen, welke bestuurder denkt er anders over? Is niet elke politicus een bestuurder? En welke politicus kan vandaag nog met droge ogen beweren dat de privacy van de burger hem wat waard is? De politicus is liever solidair met malafide incassobureaus. Dat zeggen ze niet en ze denken het evenmin, onze politici, maar ze doen het. Doen is het nieuwe denken, ik hoor het onze nieuwe minister van Defensie (net als Buma afkomstig uit het CDA) weer zeggen.

Een overheid die een Autoriteit inlevert bij het loket van het eerste het beste incassobureau heeft geen gezag en verdient het ook niet.

29 oktober 2017

=0=


Paardenmiddel

Als niets helpt, helpt het paardenmiddel. Soms. Misschien. Als je een gelovige van je af wilt schudden heb je vroeger of later het paardenmiddel nodig. Dat komt omdat een gelovige het nooit zomaar met je oneens kan zijn. De gelovige is het aan zijn geloof verplicht je te wijzen op, te waarschuwen voor en je te behoeden voor de dwalingen jouws weegs. Zolang hij kan wil hij je redden en als dat betekent dat je stapelgek van hem wordt, dan moet dat maar. Hij heeft geen keus. Er staan levens op het spel. Meer nog, er staan zielen op het spel. Wil je hem het zwijgen opleggen dan rest je alleen maar dat paardenmiddel.

Ik las de column van Bert Keizer, gisteren in Trouw. Het ging over het gesprek tussen doven, tussen de gelovige en de filosoof in dit geval. Een hopeloos gesprek dat best te dulden is zolang je elkaar niets belet maar dat onduldbaar wordt zodra de ene partij de andere het leven – meestal de dood overigens – onmogelijk maakt. Zoals de gelovige het de niet-gelovige onmogelijk maakt zelf het einde van het leven te regisseren. In dat geval heeft de niet-gelovige baat bij, en wat mij betreft zelfs recht op, het paardenmiddel.

Ik bedoel het referendum. Ik ben geen vriend van het referendum maar om te voorkomen dat een kleine club bevindelijken de hele bevolking gijzelt met hun bevindingen over leven en dood mogen de anderen het referendum hebben. Vind ik. We moeten het referendum pas van stal halen als het debat niet meer helpt, dus pas aan het einde van de rit, niet aan het begin. En alle betrokkenen moeten kunnen stemmen – ik heb het niet over de Catalanen. Maar wat wel vanaf het begin duidelijk moet zijn is dat het referendum tot de mogelijkheden behoort, tot de mogelijkheden om een minderheid te corrigeren die een meerderheid in de tang heeft (in ons parlementaire stelsel geen ongewoon verschijnsel). Alleen zo zal het christelijke smaldeel in het parlement ertoe geprest kunnen worden de argumenten van hun tegenstrevers serieus te nemen. Als aan het einde van het debat blijkt dat verder debatteren geen zin heeft en alleen een referendum ervoor kan zorgen dat een improductieve patstelling wordt doorbroken dan, vermoed ik, is het beroep op het geweten van de christen geen argument meer, geen legitimatie van een verbod op verandering, geen instrument dat sommigen bezitten en anderen niet.

In het parlementaire debat beschikt iedereen principieel (en er zijn geen andere principes) over dezelfde instrumenten. In de politiek mag men zich wat mij betreft best op de bijbel beroepen. Maar niet op de Bijbel. Wie dat doet (zoals de politicus van CU en SGP dat doet) verwart de lessenaar van de Tweede Kamer met de kansel van de kerk. Er blijkt uit dat in ons land de scheiding van kerk en staat nog niet voltooid is. Daar hoeven we ons niet bij neer te leggen en we hoeven ons ook niet door de complexiteit van het vinden van parlementaire meerderheden te laten vastbinden. Daar kunnen, en wat mij betreft ook moeten, we verandering in aanbrengen. Desnoods per referendum. Wat zou de vraag moeten zijn? De vraag is of een beroep op een hogere macht dan de rechtsstaat slechts een stijlfiguur is dan wel een heus argument. Ik ben gerust op de uitslag. Ik houd het erop dat we een dergelijk beroep niet als parlementair en wetgevend, niet als rechtsstatelijk argument zouden willen erkennen. In feite doen we tot op de dag van vandaag niet anders dan die regel met voeten treden en Rutte 3 heeft toegezegd dat zo lang dat kabinet zit er geen verandering in gaat komen. Dat is jammer. En het is een schande voor D66.

We zijn in dit land al wel zo ver om de moslims aan de rechtsstatelijke grondregels te herinnereren. Dat is, hoe nodig het ook kan zijn, lelijk als het zo selectief blijft als het nu is. Nu werkt het uit als pesterigheid –soms heeft het er de schijn van dat het ook zo is bedoeld. Dat is niet in orde. Het is pas in orde als het voor elke geloofsuiting van elk geloof in gelijke parlementaire mate geldt. Daarom, alle partijen moeten hoognodig (en zoals zo langzamerhand wel duidelijk mag worden geacht zo nodig met een referendum) op de seculiere argumentenregel worden vastgebonden, van SGP tot en met PVV in parlementaire termen, van de meest geharnaste tegenstanders van het referendum tot en met de meest geharnaste voorstanders ervan.

Los hiervan, de eerste vraag is en blijft: is een referendum nuttig in een vertegenwoordigend stelsel en zo ja, wanneer is het nodig?

28 oktober 2017

=0=

 

 

Nieuw denken

Hoe haal ik de kranten? Met een ferme uitspraak. En met een gele jurk. Die jurk droeg ze, gisteren op het bordes waar kabinet Rutte 3 werd gepresenteerd. Ook aan haar werden na afloop vragen gesteld door het verzameld journaille. En zo werden we vergast op een dame in een gele jurk en met een ferme uitspraak. Deze: doen is het nieuwe denken. Dixit de nieuwe minister van Defensie, Ank Bijleveld. Bijleveld is een mevrouw met een al wat langer durende politieke loopbaan. Het was geen oprisping, denk ik dan maar. Het was bedoeld, dat doen als het nieuwe denken. In de Nederlandse politiek wordt steeds minder gedacht en steeds meer gedaan – met nogal wat schade die in de regel liefdevol wordt toegedekt onder de broeierige deken van de goede bedoeling. Het lukt niet altijd en zo moest nog maar kort voor het scheiden van de markt de vorige minister van Defensie toegeven dat ze wel had gedaan in Mali en niet had gedacht over wat nodig was, daar in Mali. Dat de nieuwe minister die fout van haar voorgangster nu tot credo van het nieuwe denken verklaart is griezelig. Heeft mevrouw Bijleveld een bord voor de kop soms? Hoon aan je voorgangster, hoon aan de ondoordachte missie die soldaten hun leven en gezondheid en de minister haar positie heeft gekost?

Doen is volgens Bijleveld niet alleen het nieuwe denken, het is ook het nieuwe vertrouwen: ‘wij gaan vertrouwen winnen door dingen te doen’. We hebben een regeerakkoord met zeventig pagina’s gestold wantrouwen, we hebben een regeerakkoord dat zo weinig vertrouwen in het eigen akkoord uitstraalt dat de uitvoering ervan afhangt van nieuwe akkoorden met en in de polder, we hebben een regeerakkoord dat voor elke gedachte aan grote vraagstukken (migratie, de toekomst van de EU, een gevaarlijk man in het Witte Huis enz.) is teruggeschrokken, we hebben een regeerakkoord dat dringende medisch-ethische kwesties naar het sint-juttemis verwijst, we hebben een minister van Landbouw die net als de Rabobank uitdraagt dat je samen een heel eind komt, we hebben een premier die bij visie aan olifanten en slechtziendheid denkt, we hebben een minister van Buitenlandse Zaken die denkt dat zijn functie hem eindelijk net zoveel buitenlandse stages aanbiedt als hij wil hebben, we hebben een minister voor Rechtsbescherming omdat als we een minister voor iets hebben we daarmee zeggen dat het niets mag kosten, en we hebben een minister van Defensie die van deze bij elkaar geveegde en van een keurig nietje voorziene armoe een voordeel maakt.

Doen is het nieuwe denken. Ze bedoelt: nadenken is verboden. En nieuw is ook dat niet.

27 oktober 2017

=0=

 

 

Als een steen op de maag

Als je mensen de kans wilt geven hun leven aan te passen aan veranderende omstandigheden dan moet je ze daar de tijd voor geven. Is er in jouw vak geen droog brood meer te verdienen dan moet je omzien naar wat anders. Dat kost tijd.

Sinds wij in neoliberale vaarwateren terecht zijn gekomen, sinds het eerste kabinet Lubbers dus, is de aanpassingstijd voor werklozen verkort. Dat heeft hun machtspositie aangetast en omdat, eveneens sinds die tijd en eveneens door dat neoliberale vaarwater, iedere werkende weet dat hij de volgende werkloze kan worden is de machtspositie van de werkende bevolking in toto aangetast.

Om ervoor te zorgen dat er geen oorlog zou komen is er bij de uitvoering van deze aanval op de werkende bevolking op gelet de bestaande verhoudingen binnen die bevolking te respecteren. Een ieders aanpassingstijd werd bekort. Of je nu veel of weinig tijd nodig had om iets anders te kunnen gaan doen deed er niet toe – je kreeg net zo veel als je buurman. Eerlijk toch? Gelijkheid op deze manier accentueert de ongelijkheden.

Dat zagen we dan ook. De beter gesitueerden in de werkende bevolking ontvingen veel meer aan training en opleiding binnen het bedrijf dan hun minder fortuinlijke collega’s en verschenen dus ook niet alleen later maar ook beter uitgerust aan de start van hun ingekorte aanpassingstijd als werkloze. Daar is eindeloos over gerapporteerd en het beeld van Mattheus in actie werd keer op keer bevestigd. In politieke kringen fronste men er de wenkbrauwen over – en men liet het erbij. In vakbondskringen werd elk verworven recht beschermd en als dat tot gevolg had dat beter beschermde werknemers beter beschermd werden dan was dat zo. Ook de vakbonden, kortom, lieten het erbij.

Het was niet voorspeld en toch zo voorspelbaar: zou de oudere werknemer onverhoopt en ondanks al zijn beschermende lagen toch op straat komen te staan dan heeft hij vermoedelijk, net als de lager opgeleide, iets meer aanpassingstijd nodig dan zijn jongere en grosso modo ook hoger opgeleide werkzoekende lotgenoot. Die tijd krijgt hij uiteraard niet want bij de verdeling van de werklozenrechten is elke werkloze een gelijke monnik met een daarom gelijke kap. Het is een kenmerk van zowel de Nederlandse polder als het Nederlandse onderwijs dat je van alles kunt krijgen maar nooit de tijd die jij nodig hebt om in redelijkheid te voldoen aan de eisen en de nieuwe eisen om op een enigszins kansrijke manier mee te kunnen doen in de strijd om de prijzen.

Tijd is macht, de werkgevers weten het en de overheden weten het, de politieke partijen accepteren het en de vakbonden doen voor de politieke partijen niet onder. Vakbonden en politieke partijen lopen leeg – soms vraagt men zich in die kringen af hoe dat toch komt.

Het nieuwe kabinet gaat het ontslagrecht vergemakkelijken. Dat betekent dat het voor de werkgevers gemakkelijker wordt om werknemers te ontslaan en voor de werknemers ongemakkelijker om daartegen met succes in het geweer te komen. De werkgevers zullen een zucht van verlichting hebben geslaakt. Het is in Nederland vergeleken met andere landen al lang een fluitje van een cent om werknemers er collectief uit te gooien (en ze zo nodig en selectief weer in te huren tegen slechtere arbeidsvoorwaarden) maar nu mag je als werkgever ook mensen eruit gooien omdat ze je niet bevallen. De omweg van slechte bedrijfsresultaten is niet meer nodig. Bevallen ze niet dan geef je ze hun congé en klaar ben je. Ik vermoed dat dit nieuwe voorrecht van de werkgever binnenkort een rol gaat spelen in de toekomstkansen van de oudere werknemer.

Want zeg nou zelf, de oudere werknemer ligt als een steen op de maag van de Nederlandse werkgever. Ze presteren nog heel aardig maar ze zijn te duur en met de verlate en steeds later wordende AOW-leeftijd op de achtergrond vrezen de werkgevers voor steeds meer oudere werknemers die de eindstreep niet halen, en dan lang op werkgeverskosten ziek zijn, vervolgens ook nog eens op werkgeverskosten in een ‘transitie-traject’ gestopt moeten worden en het eindresultaat zal nooit een nieuwe baan zijn want wie wil nou een oudere werknemer? De werkgevers niet en als die ze niet willen hebben dan is de hele exercitie een wel erg dure en ook een zeer weinig oprechte manier van afscheid nemen. Daar hebben de werkgevers helemaal geen zin in en dat zullen ze dan ook niet doen. Nu nog pleiten ze voor een flexibeler AOW-leeftijd, zodat zij van de werknemers verlost zijn voordat die een duur ziektekosten- en een hopeloos transitie-traject ingaan. Flexibiliteit is hier geen woord voor bedrijfsvoering, het is hier een woord voor een sigaar uit eigen doos. Wie flexibel vertrekt voordat zijn officiële AOW-datum is aangebroken betaalt dat zelf met een lagere uitkering.

Het werkgeversgeblaat over de oudere werknemer die zijn aow-datum niet haalt is van een zeer bedenkelijk niveau. Je laat mensen jarenlang hetzelfde kunstje doen, je verdomt het ook maar een dubbeltje te investeren in betere arbeidsomstandigheden en vroegtijdige scholing, je huilt mee met een overheid die bij hoog en laag ontkent dat het mogelijk is ‘zware beroepen’ vast te stellen – en je zorgt dat het probleem van jouw bordje verdwijnt. Wil de overheid niet mee in die flexibele aow op kosten van de aow-er? Dan moet de overheid vooral niet vergeten dat met het versoepelde ontslagrecht in de hand de werkgever in het ganse land de zaken naar zijn hand zal weten te zetten.

De nieuwe minister van SZW, Wouter Koolmees, staat voor de opgave volgend voorjaar met een nieuw sociaal polderakkoord te komen. Het net ter ziele gegane sociale akkoord van Asscher is door de werkgevers, voorzitter Hans de Boer voorop, gesaboteerd bij het leven maar daar hebben we het niet over, we gaan werken aan een nieuw akkoord en uiteraard zal daarin de aow-leeftijd een rol spelen. En dat zal niet in het voordeel van de oudere werknemer zijn.

Econoom James Duesenberry zei ooit dat economie gaat over hoe mensen keuzes maken en sociologie over de vraag waarom mensen helemaal geen keuzes hebben die ze kunnen maken. Het was leuk, die uitspraak, maar hij klopt van geen kanten. Economie is, gelet op de ontwikkeling van de afwikkeling van werkloosheid, een samenspraak met de politiek geworden om mensen hun keuzes te ontnemen (gelet op de steeds kariger aanpassingstijd) dan wel keuzes tegen te maken (gelet op een aow-leeftijd die door het gekluns der politici zo’n dwangbuis is geworden dat zelfs de werkgevers er het nadeel van in zijn gaan zien).

De vijanden van de keuze zitten aan de kant van de economen en politici, dezelfden die zodra werknemers als collectief optreden dwang vermoeden waar ze zich, in naam van de keuzevrijheid, tegen afzetten. Van hen uit gezien is dat met zoetsappigheid aangelengde hoon, maar het echte schandaal is dat vakbonden en socialistische en sociaaldemocratische partijen zich dat nu al meer dan dertig jaar hebben laten aanleunen.

26 oktober 2017

=0=

 

 

Meel van Annabel

Als ik in één stukje wordt getrakteerd op zinswendingen als ‘PvdA-maffia’, ‘kartelbenoemde ambtenaren’, ‘partij-drone met meel in de mond’, dan weet ik dat het bloemrijke proza van Thierry Baudet school heeft gemaakt. Ik noem zij proza bloem-rijk en niet meel-rijk. Meel is te plat voor Thierry, te onverdund ook. Bloem daarentegen is gezeefd meel. Het is als het ware homeopatisch verdund meel, het is meel waaruit de voedingsstoffen verwijderd zijn. We kennen het verschil, en we proeven het: bruinbrood maak je van tarwemeel, witbrood maak je van tarwebloem.

En nu zit Annabel in haar wittebroodsweken met Thierry. Ze wordt zijn lijsttrekker voor de aanstaande verkiezingen voor de gemeenteraad. En ze doet nu al haar best in zijn gevlei te komen, door hem te verblijden met zelfgebakken idiote uitdrukkingen waarvan ik er hierboven een drietal debiteerde. Ik ken, ik noem maar wat, redelijk wat mensen die hun werkzame leven doorgebracht hebben als ambtenaar van de gemeente Amsterdam. Die wisten vast niet dat hun eerzame sollicitatie van destijds een rookgordijn was dat moest verhullen dat ze allemaal ‘kartelbenoemd’ waren. Of het iets over de sollicitaties van toen zegt waag ik te betwijfelen. Dat Annabel niet solliciteert naar de stem van Amsterdamse ambtenaren lijkt me daarentegen tamelijk zeker.

Waar ik helemaal opgewekt van raak is van een woord als partij-drone. De cursivering is van haar. Waarom een cursivering nodig is ontgaat me. Ik kan niet veel met het drone-woord. Tenzij, natuurlijk, die schat van een Annabel met drone een mannelijke bij bedoelt, een bij die er niet voor het werk is maar wel voor de seksuele noden van de bijenkoningin. Bij ons heet een dergelijke drone een dar, maar Annabel kent haar talen en heeft liever een Angelsaksisch (let op de ‘angel’ in Angelsaksisch) speeltje dan een Nederlandse. In beide gevallen gaat het om manbijen die uit een onbevrucht ei komen en niet kunnen steken. De angel is er uit en ik vermoed dat Annabel wel de suggestie maar niet de realiteit van de angel wil ervaren. De dronende dar en de darrende drone hebben als gevolg van dat onbevruchte ei geen vader, wel een grootvader. Ook leuk. Het is alsof je het kind bent van Pim, in plaats van van Thierry. Het opent tal van nieuwe mogelijkheden maar let wel, dronedar of dardrone, je kunt het maar één keer doen met je koningin. Paren is uit het leven wegvaren, vraag het maar aan de dardrone of dronedar die voor het antwoord de dichter nodig heeft omdat de dardrone of dronedar het zelf niet kan navertellen. U weet wel, die dichter die van meel bloem weet te maken en de bloem vervolgens aanbiedt aan alles wat bromt. Die het dan wel moeten afnemen want de schoorsteen moet roken en voor niets gaat de zon op.

Ook de kruik van de metafoor kan barsten. Of het te gek voor woorden is, mijn wending aan de woordwendingen van Annabel, ik zou het willen ontkennen. Niet alleen omdat Annabel Nanninga bij woorden nooit denkt aan wat ze betekenen en wel aan welk effect ze teweeg kunnen brengen, maar ook omdat ze op de lijst van het Forum voor Democratie wordt vergezeld door de voortreffelijke Yernaz Ramautarsing, de man die zich eerder vergeefs aanbood aan VNL en die een onvergetelijke indruk naliet met zijn aanklachten tegen de linkse indocrinatie in het wetenschappelijk onderwijs en als bewijsplaats een docent citeerde die het had bestaan om te beweren dat marktfalen een voldoende legitimatie was voor overheidsingrijpen. Dat kon helemaal niet, zei Yernaz. Waarom niet? Omdat markten niet kunnen falen, daarom suffie. Nooit geweten dat de economische wetenschap en linkse indoctrinatie twee kanten van dezelfde complotmedaille zijn.

Zijn bijbel (hijzelf had het over de ‘waarheid’) bleek geschreven door Ayn Rand. Yernaz dacht dat zijn bijbel de wetenschap was, de vindplaats van alles wat de eretitel van waarheid mag dragen. Hij maakt de indruk bereid te zijn voor zijn waarheid te sterven. Zo nodig dan, en ik denk dat hij hoopt dat het niet nodig zal zijn. Ik denk dat hij denkt dat hij in de politiek voor zijn levenswaarheid kan strijden, voor de waarheid van zijn wetenschap genaamd Ayn, voor de zuiverheid van de leer dat markten niet kunnen falen. En anders heeft hij gefaald. Dat zien we dan wel weer, voorlopig wil hij zijn naam dolgraag op die van Annabel plakken. Zoals te doen gebruikelijk bij de dardrone en dronedar.

Ik vraag me af, is Thierry nu de dardrone of dronedar van koningin Annabel of hoopt Yernaz op die eer? Of allebei? Ik laat het graag aan de lezer over maar weet dat bijenkoninginnen promiscue zijn.

Ze zijn gewaarschuwd.

23 oktober 2017

=0=

 

 

NATO

Volgens Martin Sommer (de Volkskrant, 14 oktober 2017) is dit de omschrijving van de gewone Nederlanders: ‘De gewone, normale Nederlanders zijn Nederlanders die al generaties een band met dit land hebben, en het in goede staat willen doorgeven aan hun kinderen en kleinkinderen.’ Sommer schreef dit naar aanleiding van de Schoo-lezing van Sybrand Buma. Ik denk dat hij het publiek voor wie het regeerakkoord is geschreven er heel effectief mee heeft beschreven. ‘Gewoon’ zal wel betekenen dat je weet dat je niet alleen bent en daarom een beetje rekening houdt met de anderen die er ook al de nodige generaties zijn en ‘normaal’ zal wel betekenen dat je ook capabel bent je een beetje naar de normen en waarden van je band met het land te gedragen. Dan zijn we er nog niet want je moet ook een idee hebben wat ‘in goede staat’ betekent en je moet kinderen en bij voorkeur kinderen plus kleinkinderen hebben – anders weet je niet waar je het over hebt. Zoals onze premier.

Het is een veeleisende beschrijving die door het tweede deel ervan tegen iedereen kan worden ingezet en die door het eerste deel ervan de allochtoon, oftewel de pema, de persoon met een migratieachtergrond (of soortgelijk koeterwaals), buitensluit. Een pema moet nog veel leren en we zijn altijd maar weer bang dat hij wel komt halen en niet komt brengen – een beetje zoals de uitkeringstrekker. De pema heeft een voornamelijk instrumentele band met het land, terwijl wij er een emotionele band mee hebben. De pema heeft recht op het land, wij voelen ons verplicht aan het land. Zou Martin Sommer dit, in navolging van Buma en Rutte, allemaal bedoeld hebben? Ik ben bang dat het wel zo bedoeld moet zijn – anders zou de typering nog onzinniger zijn dan hij al is.

Het is ook onzin, faliekante onzin zelfs, maar zo lang je er het verdeel- en heersspel mee kunt spelen is het politiek en ideologisch nuttige onzin. Je hebt nuttige idioten en je hebt nuttige onzin. Sommer grossiert in het laatste en hij kent z’n nuttige idioten. Hij is van alle markten thuis. Nuttige onzin markeert het werkterrein van de columnist Sommer en, belangrijker, het is een opdracht aan de politiek. Zoals Rutte en Buma weten en zoals Pechtold zal moeten accepteren. De paragrafen in het regeerakkoord over migranten, vluchtelingen, inburgering en de EU bewijzen ex negativo en inderdaad geheel uit het ongerijmde, wat en wie de gewone normale Nederlander is – en wat en wie dat niet is. Afkeer van het vreemde hebben we niet in ons land – we weten er altijd wel wat aan te verdienen. Afkeer van de vreemde hebben we wel. Toen we er niet veel hadden klopten we ons graag op de borst dat we zo tolerant en gastvrij waren, nu we er iets meer hebben overheerst de gedachte dat het er nog meer kunnen worden, dat ze ons gaan verdringen – en de weerzin die dat oproept. Dat is nu ook, met steun van D66, kabinetsbeleid geworden: we zorgen voor een exportgerichte economie met een munt, de euro, die onze exportpositie versterkt en we zorgen voor een selectieve onttakeling van Schengen, zodat we de ongewenste vreemdeling de deur al kunnen wijzen voordat hij de bel gevonden heeft. Het moet toch pijn doen, bij D66, dat het regeerakkoord op tal van punten eerder een gedeelde angst voor Wilders uitstraalt dan een gedeelde visie op waar het naartoe moet. Om te beginnen: een gedeelde visie op de staat en op, indachtig de staatscommissie parlementair stelsel, het parlementaire stelsel.

Het is wel zo handig even stil te staan bij de minimale greep die een staat op z’n onderdanen moet hebben om nog als staat te kunnen functioneren. Elementen van dit minimum zijn achtereenvolgens de informatiepositie van de staat, het gezag, de financiële middelen en de organisatie van het staatsapparaat. Knabbel aan de geloofwaardigheid van de staat en je ondermijnt zijn informatiepositie, knabbel aan de status van het gezag en het gezag staat voor aap, knabbel aan de solvabiliteit van de staat en de financiële middelen drogen op en knabbel aan de inzetbare capaciteit van de staatsorganisatie en je zet die organisatie op de tocht. Eerdere kabinetten Rutte zijn er niet in geslaagd de informatiepositie van de staat te behoeden voor een verval dat toch al was ingezet (de gedachte aan de nabije toekomst van Schiphol doet vrezen voor een verdere verzwakking van de geloofwaardigheid van alle desbetreffende overheidsinformatie). Ze zijn er ook niet in geslaagd het gezag van de staat en zijn functionarissen de status te geven die nodig is om datzelfde gezag tot recht te laten komen. Wat dat betreft is de populaire sport te twijfelen aan de onafhankelijke rechter en rechtspraak een teken aan de wand (recent bij elkaar geveegd in het woord van het ‘rechtssysteem’, een woord waarop, gelet op het aantal ondertekeningen van een petitie over ons ‘falend rechtssysteem’, moeiteloos een half miljoen mensen bleken aan te slaan), zoals eerder de aanvallen op de politie, de ambulance, de brandweer enz. tekenen aan de wand waren. De twee eerste kabinetten Rutte hebben er alles aan gedaan om de solvabiliteit van de schatkist te verstevigen – het nu aangekondigde kabinet lijkt er alles aan te willen doen de solvabiliteit weer richting ratsmodee te helpen. En, gegeven de organisatie van het staatsapparaat, wat moeten we nog zeggen over inzetbare capaciteit ervan, na het debacle van de Nationale Politie aan de ene en na het even grote debacle van dat ene Ministerie van Veiligheid & Justitie aan de andere kant? Wat moeten we er nog over zeggen na de berichten over de militaire missie in Mali?

Uit het regeerakkoord blijkt nergens dat men zich zorgen maakt over de greep van de staat. Het regeerakkoord bevestigt weinig anders dan een zichzelf feliciterende tevredenheid over de lijnen die al een tijdje geleden zijn getrokken. Nu ja, V&J overleeft de slag niet, voornamelijk omdat D66 om splitsing van het monster vroeg. Maar of dat de inzetbare capaciteit vleugels zal geven? Eerst zien en dan geloven, zou ik zeggen. Dat geldt a fortiori voor de gezagsproblematiek. Nog meer dan Rutte 2 zal Rutte 3 alles met in schone samenwerking te ontwerpen ‘akkoorden’ met de belanghebbende relevante sectoren regelen. Het regeerakkoord staat er vol mee en is er vol van. Dat wordt een dure grap want zonder boter bij de vis krijg je ondernemers en werkgevers niet mee. Die grap zal door andere sectoren betaald moeten worden – ook daar wordt met ‘akkoorden’ geschermd. Dat is slecht nieuws voor de democratische draagkracht van het regeren. De beweging naar het uitbesteden van de politiek naar regels, afspraken en instituties die zich aan de parlementaire besluitvorming onttrekken zal opnieuw toenemen.

En de centen? Toen politiek nog politiek was ging het over de toekomst en over het dromen van de toekomst. Rutte houdt niet van dromen en het komende kabinet evenmin. Politiek is voor het komende kabinet, net zoals het voor de kabinetten sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw het geval is geweest, een kwestie van financiering en van financiële haalbaarheid en dat is meer, steeds meer, afhankelijk geworden van de internationale financiële markten en machten. Daar kan parlementaire goedkeuring niet tegenop – in voorkomende gevallen wordt die ook gewoon uitgeschakeld. Zelfs de EU, de meest voor de hand liggende kandidaat om althans de richting en de intensiteit van de afhankelijkheid van de financiële wereld te beïnvloeden, komt bij dit kabinet niet in aanmerking – wij hebben liever een euro als wapen tegen de zuidelijke lidstaten van de EU dan als wapen tegen de internationale financiële machten. Wat het kabinet wel doet is het bijna achteloos intensiveren van de nationale financiële klassenstrijd met de belastingen als inzet: meer ophalen bij de kleine inkomens en meer uitdelen aan de grote inkomens waarbij we – over achteloosheid gesproken – de vermogens als vanzelfsprekend meenemen. Aangevuld met subsidies en belastingfaciliteiten en –douceurtjes voor het grote bedrijf dat ons zo aardig door de klimaat- en milieu- en de innovatieuitdagingen door zal loodsen, en aangevuld met een belastinghervorming die meer in het voordeel van rijk dan arm is en het ophalen van een extra miljard her en der met de verhoging van de BTW, ontstaat zo het beeld van een kabinet dat het met de solvabiliteit zo nauw niet neemt en van de schatkist een grabbelton maakt waar graaiers – het is de bekende mantra van het neoliberalisme – beter in thuis zijn dan burgers. Graaiers horen bij markten, burgers bij staten, vandaar.

Voor het geheel van informatiepositie, gezag, financiën en organisatie is ooit (Christopher C. Hood & Helen Z. Margetts, The Tools of Government in the Digital Age. Houndmills/New York, Palgrave Mcmillan 2007) het acroniem NATO voorgesteld, met de N van ‘nodality’ in het informatieverkeer, met de A van authority en dus het bevoegde gezag, met de T van Treasure, van de schatkist kortom, en met de O van organisatie. Het is een voortreffelijk acroniem voor dit kabinet van veel geschreeuw (‘delen’) en weinig wol (‘afschermen’) in het informatiegebeuren, van verdere horizontale en verticale verplaatsing van gezag, van meewaaien met de wind van de internationale financiën, van organiseren ongeacht de beschikbaarheid van capaciteit. Pief paf poef.

21 oktober 2017

=0=

 

 

Probleemontkenning

De Probleemverkenning staatscommissie parlementair stelsel is een teleurstellend document. Het ademt dezelfde sfeer als het verschijnsel dat het moet verkennen en weet zich ook niet uit die sfeer los te weken. De tekst draagt alle kenmerken van een compromis en het compromis is ondergedompeld in de sfeer van de consensus. Volgens de commissie is consensus een belangrijke smaakmaker in de Nederlandse politieke cultuur. De vraag of dat ook zo is komt niet aan de orde; het zou de consensus maar verstoren.

Welke problemen komen zo al voorbij? Dat zijn enerzijds problemen die we als tamelijk inherent mogen beschouwen aan vormen van (evenredige) vertegenwoordigende democratie. De commissie ziet de voordelen van de evenredige vertegenwoordiging en de commissie ziet er ook de nadelen van. Wel merkt de commissie op dat de nadelen, en dat is het ‘anderzijds’ van de commissie, in belangrijke mate het product zijn van ‘de maatschappelijke verhoudingen’. Die zijn, zegt de commissie, niet gemakkelijk te beïnvloeden en vallen bovendien buiten de taakopdracht van de commissie (: 61). Zo kan ik het ook, denk ik dan maar. Je hebt een stelsel dat de tand des tijds heel aardig doorstaat en je hebt ontwikkelingen die de soepele werking van het stelsel bedreigen. In de kern is het goed, eromheen zien we de zaak afbladderen, verwateren, verzwakken, wat al niet. Klopt altijd, klopt als een zwerende vinger – die niet vanzelf beter wordt. Het klopt altijd, desondanks. Zoals ook blijkt bij het thema van de politieke partijen. Zonder lukt niet (de commissie denkt dan voornamelijk aan de werving en selectie voor politieke ambten en dat hoort bij politieke partijen omdat het er, nou ja, altijd al bijhoorde), met gaat moeizaam, ook al omdat de politieke partijen, net als het stelsel als geheel, niet heel erg representatief zijn voor de opvattingen van hun kiezers en evenmin heel erg evenredig in de sociale samenstelling van hun kader en politici en bijgevolg steeds minder aantrekkelijk zijn voor leden en nog minder voor nieuwe leden. Zegt de commissie.

Of neem het afnemend belang van ‘Den Haag’, gelet op de verplaatsing van de politiek naar ‘Brussel’, en naar de provincies en in het bijzonder de gemeenten, en gelet op de verschuiving van de politiek van ‘government’ naar ‘governance’. Aan het laatste besteedt de commissie wel bijzonder weinig aandacht en ze blijkt ook niet van plan om dat in het vervolg van haar queeste te compenseren. Dat is jammer want daardoor ontbreekt het aan een plaatsbepaling van de oprukkende technocratie (‘expertocratie’ is volgens een dierbare vriend een beter woord en dat zal ik in de toekomst gebruiken) en van de welig tierende private bureaucratie waarvan de ziektekostenverzekeraars het treurig stemmende model zijn geworden. De effecten daarvan op ‘vertrouwen’ zijn niet te missen – de commissie heeft ze gemist. Wel keren de effecten, zonder als zodanig benoemd te worden, een beetje en ook nog via een omweg terug bij het thema van de decentralisatie: de problemen zijn groter dan de gemeenten kunnen verhapstukken en dus rukken de experts op en dus de rukt de commercie op en dus hebben vele mensen in vele gemeenten het nakijken. Dit bedoel ik als ik het heb over ‘probleemontkenning’.

Aan het eerste (de verplaatsing naar een hoger en naar een lager aggregatieniveau vergeleken met ‘Den Haag’) wordt iets meer aandacht besteed maar ook nu houdt het niet over. Dat er ooit een Europa van de regio’s zou kunnen komen, en dat ooit de grote steden via hun burgemeesters grote politiek gaan bedrijven, en dat de burgers in toenemende mate relevante politieke ‘platforms’ oprichten – het heeft de commisie kennelijk weinig tot niet mogen bekoren. Er gebeurt van alles, maar voor de commissie is dat geen reden tot blijdschap en niewsgierigheid en wel tot bezorgdheid en op de remmen staan. In het bijzonder het ongemak over de sociale media en ‘big data’ politiek straalt van de probleemverkenning af.

Daarom, geen verkenning, eerder een ontkenning. Dat kan beter. Daarover hoop ik morgen te berichten.

19 oktober 2017

=0=


Drieklapper

Waar geruild wordt is geld nodig en waar alles ruilbaar is, is geld de eerste levensbehoefte – dat is het bruggetje naar het ruilen van zaken en diensten die er weinig voor geschikt zijn. Zoals in de tegenwoordige ‘deeleconomie’. De deeleconomie is de meest recente economische drogreden om alles wat je hebt als verhandelbaar te zien, en het is verhandelbaar omdat, voor zover en zo lang het bruikbaar is in de calculatie van anderen. Tot je laatste uurtje nachtrust (als eigen deeleconomie-ondernemer hoef je geen rekening te houden met arbeidstijden en rusttijden), tot de laatste matras in je woonhuis (en dan zonder dat je nog kunt rekenen op ergens een plekje voor jezelf), tot de laatste kilometer van je auto (en dan zonder dat je nog kunt rekenen met de vraag wie je kinderen naar school brengt en wie je moeder bij het ziekenhuis aflevert). In de deeleconomie is alles schaars omdat alles een prijs heeft en in de deeleconomie bestaat aan niets een tekort. Per definitie. Maak van alles een finaal goed en voor alles ontstaat een prijs. Finaal? Ja, zij het niet in de zin dat we de finale ophangen aan de uiteindelijke, de ‘finale’, consument. Ook de producent kan heel goed de ‘finale’ zijn. In mijn woordenboek geldt als finaal alles dat via een markttransactie van de ene naar de volgende economische agent reist, op voorwaarde dat beide agenten zelfstandig en in ieder geval naar de vorm vrijwillig beslissen over wanneer ze in-, over- en uitstappen. Nietemin, ook met deze mitsen en maren zijn finale goederen niet het hele verhaal. Er zijn naast finale ook intermediaire en positionele goederen en nee, we kunnen aan het goed zelf niet aflezen of het finaal, positioneel of intermediair is. Dat kunnen we alleen aflezen aan de functie die het goed in kwestie vervult, aan de rol die het speelt. En alleen dat goed is dominant dat alle drie de functies heeft, dat alle drie de rollen kan spelen. In het kapitalisme is er maar één goed dat aan dit criterium voldoet, en dat is kapitaal. Een drieklapper. Een weinig verrassende conclusie, ik geef het toe, maar merkwaardig genoeg een conclusie die weinig wordt getrokken.

Finale goederen reageren zoals de theorie voorschrijft: stijgt de prijs dan neemt het aanbod toe. Dat gold tot op zekere hoogte zelfs voor de arbeid, hoewel hier kapitaal en staat paal en perk stelden aan de vrijheid van arbeidsvoorwaarden en aan de vrijheid van de werknemer om er diverse betaalde banen op na te houden. Een volledige werkweek is een werkweek die het kapitaal nodig heeft – en een meer dan volledige werkweek houdt in dat het ene kapitaal een slag slaat op kosten van het andere. Pas de ‘deeleconomie’ heeft ook van arbeid een finaal goed als elk ander gemaakt, in die zin dat arbeid in de deeleconomie wordt behandeld als finaal goed. Positionele goederen reageren geheel anders en ze reageren meer als goederen waar een grens aan het aanbod zit: bij stijgende prijs neemt het aanbod niet toe, omdat het aanbod door fysieke beperkingen (zoals bij grond: op=op) dan wel door sociale verhoudingen (zoals bij status), dan wel door economisch-financiële voorwaarden (deze club is alleen toegankelijk voor leden met een direct beschikbaar eigen vermogen van meer dan een miljoen) niet uitgebreid wordt. In dat geval is het beste alternatief een intermediair goed: het goed dat je nog een beetje in de buurt van het positionele goed brengt, zoals de auto die je vervoert naar een plek waar de lucht nog schoon is en waar nog wel enig groen te bewonderen is.

Kapitaal is een finaal goed, een goed dat je wilt hebben omdat je het wilt hebben. Zoals Dagobert Duck het wil hebben omdat hij het wil hebben. Hij mag er graag in zwemmen. Dan hebben we het over kapitaal in de zin van Thomas Piketty (vermogen dat steeds meer vermogen genereert zonder dat je je hoeft in te spannen). Sinds de financialisering van de economie gaat het dit type kapitaal steeds meer voor de wind, ook door de koppeling met een uiterst vriendelijk belastingregiem en de onderlinge concurrentie tussen belastingparadijzen. Kapitaal is ook een positioneel goed, een goed dat ik heb omdat en voor zo lang als jij het niet hebt. Dat is kapitaal in de zin van Marx, het kapitaal dat slechts kan bestaan bij de gratie van een proletariaat, bij de gratie van de tegenstelling kapitaal/arbeid. Zonder arbeid geen kapitaal, en omgekeerd. Een proleet kan geen lid worden van de ‘industriële club’, in eervoller dagen nog de ‘kleine club’ genoemd, zoals in het Rommeldam van Ollie B. Bommel. Ook hier zwemt men in het geld, maar in tegenstelling tot Dagobert Duck neemt men dat niet letterlijk. Adam Smith zou er een diep wantrouwen tegen koesteren want waar industriëlen elkaar tegenkomen is het marktbederf niet ver weg. In tegenstelling tot het kapitaal als finaal goed wordt hier met graagte de concurrentie de nek omgedraaid. Het is ongetwijfeld doordat geen enkel lid het zich kan permitteren die vuile was buiten te zetten dat dergelijke clubs niet aan de weg timmeren, al zullen ze het zelf geen verdoezeling maar noblesse oblige noemen.

Het opmerkelijke is dat in opleidingen economie aan kapitaal als finaal goed noch aan kapitaal als positioneel goed aandacht wordt geschonken en aan het laatste nog minder dan aan het eerste, aan Marx nog minder dan aan Piketty. Maar daar staat tegenover dat aan het kapitaal als intermediair goed wel aandacht wordt geschonken. Dat is ook passend, kapitaal alleen als middel naar een verder weg liggen doel – het doel dat de econoom in naam van zijn wetenschappelijke onbevangenheid niet hoort te interesseren en waarover hij zich dan ook niet uit. Het is kapitaal dat bijdraagt aan de totstandkoming van het product en het is kapitaal dat niet in strijd maar in samenwerking met arbeid dat product tevoorschijn tovert. In de tijd dat ik studeerde werd er druk gediscussieerd over uitgerekend dit type kapitaal met op de voorgrond de vraag: wat is de eenheid van dit heterogene zootje aan machines, grond- en hulpstoffen, energieverbruik, software en wat al niet? Op de achtergrond hiervan speelde de kernvraag: kunnen we die eenheid überhaupt wel vaststellen onafhankelijk van het inkomen dat het oplevert? Om dat laatste ging het natuurlijk want als je aan de ene kant zegt dat je kapitaal gebruikt om er een inkomen aan over te houden en aan de andere kant dat je pas weet hoeveel kapitaal je in wilt zetten als je daaraan voorafgaand dat inkomen al kent, dan ben je, zoals dat tegenwoordig wordt genoemd, niet goed bezig. Tot op de dag van vandaag is het mysterie niet opgelost. Je houdt er een inkomen aan over en je kunt niet verklaren hoe. Het mag de pret niet drukken. Laat ik dit het kapitaalgeheim noemen, het geheim van het kapitaal dat Marx ontdekt dacht te hebben, een gedachte die door de zichzelf serieus nemende (ja, dit is een nieuwe-kleren-van-de-keizer uitdrukking want hier staat helemaal niets) econoom ten stelligste wordt ontkend.

Sinds de jaren tachtig gaat het crescendo op en af met het kapitaal als finaal goed (met willige overheden en belastingdiensten die altijd klaarstaan om de schade af te wikkelen zodat wie wil zwemmen kan blijven zwemmen), is het kapitaal als intermediair goed ondergedoken in technologie (en verschuilt het geheim zich in het intellectuele eigendom), terwijl het kapitaal als positioneel goed zich aan de ene kant verdubbelt door naast de tegenstelling met de werknemer nu ook de tegenstelling met de opdrachtnemer op te zoeken en aan de andere kant bezig is om de concurrentie uit schakelen – vandaar ook langs deze kant de onrust over de multinationale mega-onderneming.

In de kabinetsvoornemens wordt gewerkt aan de cosmetica van het finale goed, wordt het intermediaire goed verblijd met subsidies voor transities en innovatie, en verkeert men in verlegenheid over het positionele goed. Natuurlijk, het kabinet draagt bij aan de uitschakeling van concurrentie, door het grote multinationale bedrijfsleven een extra douceurtje toe te stoppen. Daar staat tegenover dat het kabinet langs de werkgever/werknemer- en opdrachtgever/opdrachtnemer-lijnen wel een beetje richting werkgever en opdrachtgever schuift maar niet al te uitgesproken en ook niet erg helder. Dat is gevaarlijk want in het geval van positionele goederen heb je geen positie zonder oppositie. Het laatste tekent het dilemma van het nieuwe kabinet: men ontkomt er niet aan positie te kiezen en tegelijk is men als de dood voor oppositie. Als je het mij vraagt: niet ‘bewegen’ maar strijden.

15 oktober 2017

=0=

 

Schuldbewust

In Volkskrant en Trouw wordt ingegaan op de nieuwsgaring omtrent de moord op Anne Faber. Beide kranten zitten ermee in hun maag. Aan het einde van het artikel in de Volkskrant lees ik dat Anne Faber het ideaal voor de sensatiejournalistiek is: jong, aantrekkelijk, blank, middenklasse. Gaaf, als het ware, en van gaafheid moet je met je poten afblijven. Wie dat niet lukt is ziek, verdorven, wreed en had eigenlijk al lang uit de samenleving verwijderd moeten zijn. De Volkskrant constateert dat de meeste jonge vermoorde mensen niet zo blank, niet zo middenklasse, niet zo gaaf voor ons zijn. Daar hebben we minder aandacht voor. Ze lenen zich ook minder voor een aanval op ons ‘rechtssysteem’. Zover zijn ze meestal helemaal niet gekomen. Ze zijn blijven steken in ons ‘politieke systeem’, in ons ‘maatschappelijk systeem’, in ons ‘economisch systeem’. We willen een nieuw systeem. Gisteravond zag ik in de uitzending van Pauw een vrouw uit Dordrecht, een ‘moeder van drie dochters’ die een petitie online had gezet over ons ‘falend rechtssysteem’ en in luttele uren al een kwart miljoen handtekeningen had verzameld. Niemand aan tafel en zeker Pauw niet vroeg haar wat ze in jezusnaam bedoelde met dat systeem van haar. Wou ze af van de discretionaire bevoegdheden die her in der in onze rechtsorde zijn uitgedeeld? Wou ze die vervangen door een paar automatismen, in de lik-op-stuk categorie? Ik had de indruk, maar als het haar niet gevraagd wordt en zij kennelijk vrede heeft met een heel breed sleepnet voor mogelijke verantwoordelijken dan blijkt daar maar uit dat sleepnet-ministers en sleepnet-burgers elkaar best begrijpen en in het veen kijkt men niet op een turfje.

Ik zal het hier niet over de treurnis van het ‘politieke systeem’ hebben dat uit is op ‘deals’ met Libië en andere volmaakt onbetrouwbare staten, hoeveel doden, gewonden, gemartelden, verkrachten dat ook met zich meebrengt – daar dan en niet hier, want alles is erop gericht ze hier niet toe te laten. Ik wil het ook niet hebben over de perfecte hypocrisie van het ‘maatschappelijk systeem’, de habitat van de gewone, normale, gezonde, boze burger van Buma, ook wel aangeduid als het ‘maatschappelijke draagvlak’. Ik wil het wel even hebben over het, inderdaad, systematische wegkijken in het ‘economisch systeem’. In dat ‘systeem’ zijn elke keer opnieuw talloze doden te betreuren, voornamelijk als gevolg van nalatigheid en schraperige zuinigheid dan wel, aan de positieve kant van de zaak, de winstgevendheid en financiële soliditeit of ‘robuustheid’ van het ‘systeem’. Ook daar hebben we rangen en standen. Een minister moest aftreden wegens het overlijden van twee militairen en het zwaar gewond raken van een derde militair. Er moest bezuinigd worden, op materiaal, op onderhoud, op toezicht en inspectie, en toch wilde de minister en haar kabinet niet alleen voor spek en bonen meedoen. Tja, waar gehakt wordt vallen spaanders. Die vallen ook op de bouwplaats (ik neem maar een bekend voorbeeld). Dat kost levens en het leidt tot het afschuiven van verantwoordelijkheden en tot de mantra dat de formeel verantwoordelijken zich niet ‘in het beeld herkennen’. Toezicht en inspectie laten het ook hier afweten. Meestal ontbreekt het ‘beeld’ en daar kan het rechtssysteem weinig aan veranderen, terwijl het maatschappelijk systeem het veel te druk met Anne heeft, het politieke systeem wel wat beters te doen heeft en het economisch systeem het systeem is dat zichzelf wel reguleert en daar geen pottekijkers bij wil hebben. Laissez faire brengt ongelukken met zich, laissez passer veegt ze onder het tapijt. Men vertrouwt op het zelfregulerende vernuft binnen het economisch systeem. Dat is er ook, dat vernuft en het tovert ons voor dat er nooit iets plaatsvindt en dat als er iets plaats vindt dat het gevolg is van een menselijke fout. Dát systeem is in elk geval op orde, net zoals het politieke systeem en het maatschappelijke systeem van de zichzelf feliciterende gewone, normale, hardwerkende burger.

Dan blijft niet veel over – het ‘rechtssysteem’ is al bijna een geschenk uit de hemel.

Ik las overigens dat er in Den Dolder pas geklaagd is over de forensisch-psychiatrische inrichtingen aldaar nadat enkele jaren geleden op de beveiliging is bezuinigd. Dat stond nou net weer niet in de petitie van de dame, moeder van drie dochters. Beveiliging zit in een ander systeem.

Geen wonder dat je het over het hoofd ziet.

14 oktober 2017

=0=

 

 

Besparen

Technologie helpt je dingen te doen die je anders niet had kunnen doen, omdat je er de kracht, slimheid, fantasie niet voor had en je die ook niet kon mobiliseren.

Technologie is functioneel hetzelfde als andere mensen voor je aan het werk zetten, maar dan zonder hun gezeur en nukken en ook zonder hun warmte en gezelligheid. Het bereikt hetzelfde als organisatie en samenwerking.

Technologie is de beschikbaarheid van hulp bij afwezigheid van het hulpje. Dat is misschien een gemis. Het is als het leven, het blijft behelpen. Leuker kunnen we het niet maken. Wel gemakkelijker.

Bij de belastingdienst is dat niet goed afgelopen. Misschien zijn er andere diensten waar het beter gaat. In onze diensteneconomie wordt een groeiend deel van de diensten uitbesteed aan technologie. We nemen het graag af en toch ontbreekt er iets. Dat blijkt uit de groeiende vraag naar ‘ervaringen’ en ‘belevingen’. Daarvoor heeft de technologie-ondernemer de virtuele werkelijkheid in de aanbieding. In de gewone werkelijkheid leidt die vraag naar verkeersinfarcten en uitputting van de natuur, in de virtuele werkelijkheid naar belevenissen die je in je eentje beleeft. Spannend en zo maar ook hier missen we het hulpje – gezelschap dus. Je kunt het ook samen beleven maar dan zo dat ‘samen’ in dat samen een beslissing is geworden, die je ook anders had kunnen laten uitvallen. Het is niet meer hetzelfde. Samen was 1 keer 2, het wordt 2 keer 1.

Technologie veronderstelt aan de kant van de gebruiker wel enige vaardigheid om eruit te halen wat erin zit. Nieuwe technologie probeert ook dat gat te dichten, met weer een nieuw foefje, met intelligente machines of met de plaatsvervangende technologie van de know-how van een deskundige die de geplaagde gebruiker in arren moede inroept wanneer niets wil lukken. Dat drijft de prijs van het gemak wel op. Het is niet voor iedereen beschikbaar. Veel luxe is gedemocratiseerd, verschil moet er blijven. Ook hier biedt de virtuele werkelijkheid soelaas. De virtuele beleving heeft net als het e-book de eigenschap dat je het kunt hebben zonder iets te hoeven bezitten. Je hebt toegang nodig, geen bezit. De nadruk op ervaringen en belevenissen zet de code van het private eigendom onder druk. Wat ik heb kun jij ook hebben en wat ik afneem gaat niet ten koste van de voorraad voor jou. Dat zijn teksten op de muziek van het publieke eigendom. Ze passen niet bij het private eigendom. Dat verweert zich – en de wetgever is het private eigendom daarbij zeer ter wille – door het regiem van het private goed te transformeren in een regiem van clubgoederen: je wordt lid, je neemt een abonnement en je kunt onbeperkt afnemen zonder last te hebben van de patjepeeërs die wel willen afnemen maar niet willen betalen. Of niet kunnen betalen, dat ook.

Niet willen betalen of niet kunnen betalen, dat is de makkes geworden van de club die wij de vakbond noemen. Lidmaatschap is duur, de meeste baten die de vakbond verzamelt zijn er voor iedereen, lid of niet, dus de vraag is waarom je, als je je goeie geld ook aan iets anders kunt besteden, de moeite zou nemen om lid te worden. Er zijn tijden en omstandigheden geweest waarin sociale controle je dwong in de richting van lidmaatschap, maar die tijden en die omstandigheden zijn in ons land voorbij.

Dan is er nog de ideologie van de solidariteit. Wie geeft nog wat voor die ideologie? Solidariteit is van een vorm van collectief welbegrepen eigenbelang – zoals dat tot uiting kwam in zelfbeheerde kassen en ‘onderlinges’ – al lang veranderd in een nogal elitair soort altruïstische moraal. Als een bond in de richting wordt geduwd van de moraal op kosten van het collectieve belang dan kan die bond het succes wel op z’n buik schrijven. Er zijn nog succesvolle vakbonden. Dat zijn de bonden die nog wel in staat zijn hun collectieve belangen af te schermen van overheden en ondernemers/werkgevers die in naam van het algemene belang van de bonden verlangen hun collectieve belangen te laten verwateren. Dat is bij ons gebeurd. Dus inderdaad, waarom zou je lid worden?

Het antwoord is, zeggen de bonden, dat we voor jullie opkomen. Tja, zeggen we dan, je moet niet voor ons allen opkomen, je moet voor ons leden opkomen, je moet voor ons leden zaken uit het vuur slepen die je alleen maar als lid kunt krijgen. Zo niet, dan is solidariteit geen kwestie meer van belangen maar van ‘waarden’, van doeleinden, de ene nog fraaier en leger dan de andere. Dan wordt zelfs de verbeelding van solidariteit overgelaten aan de technologie van de marketing, die de gebalde vuist van het ‘samen’ vervangt door de sentimentele liefde van iedereen met iedereen, van ieder individu met ieder ander individu, een technologie die tussen zielige mensen en zielige dieren geen verschil ziet, behalve misschien een verschil in doelgroepen van ‘donoren’.

Zo ben ik weer waar ik begon: bij de technologie. De echte moderne technologie is die van de werving, van fondsen, van aanhangers, van ‘vrienden’, van ‘likes’. Het is de technologie van Instagram, van Tinder, van Facebook enz. En er is maar één ding waar die technologie uiteindelijk op bespaart. Dat is op het ‘samen’, of dat nu het samenzijn is dat ooit relaties definieerde en dat nu een keus, een ‘optie’ is, dan wel het samen van het collectief dat net wat meer en net wat anders is dan een club van consumenten, van individuele gebruikers en afnemers.

Je pensioen was ooit collectief. Totdat de werkgevers het te duur vonden worden, de overheid de pensioenfondsen privatiseerde, de pensioenfonsen door de financiële wereld werden overgenomen en de overheid tegelijk rekenregels voor de fondsen bedacht, als gevolg waarvan het pensioen niet langer een zekere ‘rente’ maar een onzeker dividend is geworden op beleggingen. De overheid zou graag zien dat de fondsen wat meer belegden in zaken waar de overheid het belang van belijdt zonder dat belang met eigen investeringen te willen opleuken. Onze premier noemt zo’n overheid een ‘kleine overheid’.

Om het af te ronden wordt het pensioen in een volgende ronde – die dit kabinet aankondigt – geïndividualiseerd. Dat scheelt, zeker als de pensioenspaarders worden verblijd met een handige app waarop je direct, met je smartphone in de hand, kunt zien hoe het er vandaag met jouw pensioen voorstaat.

12 oktober 2017

=0=



Bevordering

Koning en koningin zijn in Portugal. Om de export te bevorderen. Nederland heeft sinds de invoering van de euro de export nog meer bevorderd dan in de decennia ervoor al te doen gebruikelijk was geworden en dat kon ook omdat de andere landen in de EU die de euro hadden ingevoerd niet meer konden devalueren. Die landen devalueren nu voor straf ‘intern’ en daarmee wordt bedoeld dat je de lonen daar verlaagt en de sociale zekerheden vernietigt zodat je daarna minder dan ooit in staat zult zijn met ons te concurreren. Een voortreffelijk scenario dat de euro ondergraaft, de EU impopulair maakt, en de onevenwichtigheden in en tussen de Europese economieën verscherpt en bestendigt. Wij, zo zei Rutte bij de presentatie van het regeerakkoord, zijn de beste economie van de EU. Op wiens kosten en tot welke prijs we dit bereikt hebben zei hij er niet bij. Wel dat de ‘normale Nederlanders’, de komende jaren ‘allemaal’ gaan voelen hoe aangenaam dat is, de beste te zijn. Sneu voor de abnormale Nederlanders.

Of we er allemaal op vooruitgaan hangt af van hoe je ernaar kijkt. Als het er aan het einde van je maandinkomen nog zoveel maand over is dan sta je toch wat anders in het leven dan wanneer je weet dat je genoeg reserves hebt om het in elk geval een paar maanden uit te houden. Dat is niet alleen een kwestie van inkomen, het is ook – en hoe langer we de termijn kiezen des te zwaarder dat weegt – een kwestie van vermogen. In de plannen van dit kabinet komen de vermogenden en de vermogens er heel goed uit. De uitkeringsgerechtigden daarentegen niet – zij behoren niet echt tot de normale Nederlanders. Daarmee is het antwoord op de vraag of de normale Nederlander erop vooruit gaat opgehangen aan het antwoord op de vraag wie voor dit kabinet een normale Nederlander is. Dat is een glijdende schaal: hoe rijker je bent, hoe meer je verdient, en hoe meer je verdient, des te meer verdien je wat je krijgt. Heel eevoudig. Dus.

Behalve van inkomen en vermogen is de betekenis van erop vooruitgaan ook verbonden met het thema van de zekerheden waar je over beschikt: baanzekerheid, sociale zekerheden. Zelf vind ik dat het meest belangrijke aspect bij de beoordeling van wie er op welk vlak op vooruitgaat. Ook dat is heel eenvoudig: werknemers, zzp-ers, uitkeringsgerechtigden (inclusief de pensionado’s) kunnen het wel schudden. Dat hadden we ver van tevoren kunnen zien aankomen want het is al jaren aan de gang, maar nu ik zie dat Asscher direct begonnen is de aan de multinationals verstrekte zekerheden uit te spelen tegen de opgelegde onzekerheden die de door Rutte zo gekoesterde normale Nederlanders voor de kiezen krijgen, weet ik al genoeg. Dat wordt weer niks – als het iets moet worden dient Asscher allereerst de hand in eigen boezem te steken. Jarenlang minister van SZW spelen, zekerheden alleen maar afbouwen, in schone eendracht met Jeroen Dijsselbloem een multinationaal belastingparadijs optuigen, en dan gaan jeremiëren over een kabinet dat er alleen maar voor de rijken is?

Zeker is dat we de euro willen houden zoals die nu is. Dat exportbevorderende instrument willen voor geen prijs kwijt. Plaagvraag: wat heeft dit te maken met de beloning die Dijsselbloem kreeg, in de vorm van een verlenging van zijn voorzitterschap van de eurogroep?

10 oktober 2017

=0=

 


Des vaderlands

Gisteren is de burgemeester des vaderlands overleden. Ik noem het maar zo want de conjunctuur die Eberhard naar zijn laatste adem begeleidde deed me denken aan het op en neer bij het afscheid nemen van de voormalige denker des vaderlands, René Gude. In beide gevallen: een door het invoegen van de media opgewekte conjunctuur. Eberhard deed het per brief en, ook, via Zomergasten, René leunde op DWDD. Hij wou ons wijsheid meegeven, Eberhard wou ons hoop en liefde voor elkaar meegeven. Dank u, maar nee, dank u. Voor mij is privacy niet alleen een recht, het is vooral ook een plicht, een plicht waar de al te dienstbare media niets van hebben begrepen en een plicht die beide heren hebben verslonsd. Nu ja, niemand is volmaakt en voor het overige is er veel goeds over hen te melden.

Op de radio (een uitzending van het programma Kamerbreed) hoorde ik zojuist Guusje ter Horst zeggen dat we bij alle lof die Eberhard van der Laan nu wordt toegezwaaid niet mogen vergeten dat hij voor die lof wel eerst dood moest gaan. Dat klopt niet. Van der Laan werd al onder lof bedolven vanaf het moment dat hij zijn dood aankondigde en dat is al weer even geleden. Met die aankondiging gaf de burgemeester zijn privacy cadeau aan wie het wou hebben, en dat waren er velen. Dat vind ik zorgelijk en ik vind ook dat hij dat niet had moeten doen. Nu kijk ik al niet eens meer op van het wedstrijdje ‘delen van intimiteit tussen jou en Eberhard’. Privacy, zou ik zeggen, is ondeelbaar. Wat niet deelbaar is kun je niet delen, wel weggeven. Zonde en zonde en zonde als het gebeurt.

Gisteravond bevond ik mij in het aangename gezelschap van drie voormalige collega’s van de Haagse Hogeschool. Ze zijn nogal wat jaren jonger dan ik en wat voor mij een onuitputtelijke bron van verbazing is – de media-octopus – is voor hen dagelijkse kost. Ik vroeg hen of ik mij, omdat ik niets met Facebook te maken wil hebben, diskwalificeerde voor de tegenwoordige wereld. Zij vonden van wel. Ze zijn alle drie betrokken bij een programma ‘nieuwe economie’ en als je iets wilt betekenen in de nieuwe economie dan moet je je helemaal openstellen voor alle mechanismen, besmettelijkheden en andere attracties, herhaaleffecten en versterkers waar bedrijven als You Tube, Twitter en Facebook in handelen. Je bent niemand als je geen merk bent, je bent niemand als je geen merkbekendheid weet te genereren en het staat je vrij het niet bij één merk te houden. Meer is beter, als zodanig al en omdat het ene merk het andere kan bezwangeren. Heerlijk toch?

De grens tussen de tegenwoordige wereld en de nieuwe economie is zowel dun als poreus. Steeds meer nieuwe economie in je wereld, zelfs als het je niks bevalt ontkom je er niet aan. De nieuwe economie zal je weten te vinden. Ik hoop dat de publieke sfeer ooit weer de kracht en de moed verzamelt om zoveel hekken om de privacy te plaatsen dat het gedaan is met de gestage erosie ervan – maar veel fiducie heb ik er niet in. De privacy des vaderlands verdient een beter lot dan het nu heeft. De privacy des vaderlands is een dure plicht waaraan ook de denker des vaderlands en de burgemeester des vaderlands niet moeten willen ontsnappen, omdat ook zij er niet van ontheven zijn.

7 oktober 2017

=0=


Kiezel

Van het aanstaande regeerakkoord is al veel uitgelekt, zij het dat de samenhang in en het motto van het akkoord nog door duisternis zijn omgeven. Om te weten waar het komende kabinet nu echt voorrang aan gaat geven hebben we die samenhang wel nodig.

Maar we kunnen er altijd over speculeren. Door te letten op wat het eerst komt voor dit kabinet, waar vervolgens de aandacht naar uit moet gaan en wie daarvan het meeste profiteert. In trefwoorden: economie, innovatie en andere ‘transities’ (inclusief het wegwerken van de bende die het ondernemen heeft achtergelaten) en scherpere sociale ongelijkheid. Nog niet zo lang geleden dachten we dat een rijk land zou uitblinken in onderwijs, in zorg, in kwaliteit van leven. Die gedachte hebben we niet meer. Er zijn andere kapers op de kust. Nog niet zo lang geleden dachten we dat ‘werkende armen’ een Amerikaanse afwijking waren, nu weten we dat we er zelf ook heel aardig in vorderen. Nog niet zo lang geleden verbaasden we ons erover dat in het rijkste land ter wereld zoveel diepe armoede bestond. Nu weten we dat als wij steeds rijker worden sommigen daarentegen steeds armer worden. Dat heeft misschien best iets met elkaar te maken en daar kunnen we het beste over speculeren door het over belastingen te hebben – en dan moeten we letten op waar de belastinginkomsten vandaan komen en, in het bijzonder, op waar ze naar toe gaan.

Vanuit ondernemerskant gaat er procentueel minder binnenkomen omdat behalve het internationale bedrijf dat geen cent betaalt en dat eveneens de komende jaren niet zal hoeven doen ook de rest van ondernemend Nederland lichter gaat worden aangeslagen. We horen de mantra van het neoliberalisme: het zal het ondernemen bevorderen en daar profiteren we op de lange duur allemaal van want er druppelt altijd wel wat naar beneden. Op de lange duur hebben de mensen die nooit voorrang hebben voorrang. De meesten zijn dood tegen die tijd maar je kunt niet alles hebben. Naar beneden druppelen? Dat doet het inderdaad, maar dan is het geen welvaart maar zwaar vervuilde grond en andere ‘externe effecten’ van zichzelf regeulerende bedrijven, die anderen – de belastingbetaler – hun rommel laten opruimen. Ik voorspel daarom niet alleen minder belastingafdrachten vanuit ondernemend Nederland maar ook meer claims op de belastinginkomsten om hun rommel op te ruimen, claims die anderen zullen moeten betalen.

En wat voor ondernemend Nederland geldt gaat ook op voor vermogend Nederland: weinig betalen aan de staat en steeds hogere kosten die door de staat gemaakt moeten worden om te achterhalen wat de belastingdienst al lang moet weten, maar wat altijd met de mantel der liefde wordt bedekt. Omdat de belastingmoraal aan de bovenkant in ons land al heel lang zo rot als een mispel is zonder dat de politiek daar veel werk van maakt mogen we aannemen dat het gewoon z’n gangetje blijft gaan, met een kleine correctie in het voordeel van de middengroepen misschien maar dan wel zo dat de lasten daarvan door de onderkant zullen moeten worden opgebracht, niet door de bovenkant. En eerlijk gezegd is ook dat niks nieuws.

Het is niet voor het eerst, ten slotte, dat de denivellering wordt aangepakt door de arbeid te dereguleren, de uitkeringen te bevriezen en de BTW te verhogen. Arbeid wordt goedkoper, lees ik, en het leven wordt duurder. Goedkope arbeid is leuk voor de ondernemer (maar ook voor de werknemer want, tweede mantra uit het neoliberale kookboek, als arbeid goedkoper wordt komt er meer vraag naar arbeid en dat is goed voor de werknemer) en in een land waar het hebben van werk belangrijker is dan de vraag naar de kwaliteit ervan en de beloning ervoor kun je dergelijke flauwe kul nog wel een tijdje volhouden. Scribenten genoeg om de mantra aannemelijk te maken – de uitingen over stakende leraren en hun beloning zijn wat betreft leerzaam.

Nee, dit akkoord wordt geen steen in een vijver. Op z’n best een kiezel.

6 oktober 2017

=0=

 


Tempo!

In de Tweede Kamer verscheen Thierry Baudet in militaire uitdossing. Hij wou ermee aangeven dat er bij de militiaren een tekort aan alles is, van geschikt schoeisel tot en met een geschikte baret. Het is armoe bij defensie en Baudet dacht die wel te mogen verbeelden. Dat mag, maar het is niet waar het om gaat, het slaat de plank zelfs behoorlijk mis.

De vandaag aangetreden nieuwe opperbaas van de krijgsmacht had het niet in de eerste plaats over armoe en tekorten, hij had het in de eerste plaats over schaarste en wat hij zei kwam erop neer dat hoeveel er ook kan, het niet allemaal tegelijk kan. Dat is schaarste: de keuzedwang die je wordt opgelegd omdat je, hoeveel middelen je ook tot je beschikking hebt en hoeveel mensen je ook kunt mobiliseren, nooit alles tegelijk kunt doen. Schaarste is een temporele kwestie en de vraag naar de middelen en naar de mensen (de ‘zakelijke’ en ‘sociale’ kanten van schaarste) duikt pas nadat het temporele vraagstuk afdoende in kaart is gebracht. De nieuwe opperbaas rekent het, terecht, tot zijn taken om wanneer door politici te veel tegelijk wordt gevraagd gewoon nee te zeggen. Hij staat daarmee op het recht met gezag namens de krijgsmacht te mogen optreden. Dat hadden ook al eerder meer mensen moeten doen, leek hij te suggereren maar, zoals gebruikelijk in ons land, je zegt zulke dingen voornamelijk door ze niet te zeggen. Dat mogen wij doen.

Als het hoofdprobleem van defensie het tekort is moet er meer geld naar toe. De meeste partijen zijn daartoe ook best bereid en dat begrijp ik wel maar ik billijk het niet. Misschien zijn partijen en politici er achteraf zelfs inmiddels van te overtuigen dat we de miljarden die in de JSF zijn gestopt om vooral toch over de middelen te beschikken om mee te mogen doen in een politieke strategie die de onze niet is, veel beter aan andere middelen hadden kunnen besteden, aan middelen bijvoorbeeld om gedegen te kunnen oefenen voordat we ergens aan weer een missie beginnen. Soms moeten de militairen inderdaad nee zeggen tegen de haast van politici, maar laten we niet vergeten dat politici ook nee moeten leren zeggen tegen militairen die net zo lang drammen tot ze hun JSF binnen hebben gehaald.

Maar dat is een ander onderwerp, ik wil het hier over politici hebben die liever met de geldbuidel zwaaien dan te doen waarvoor ze zijn aangesteld: politieke besluiten nemen. Ik begrijp het wel omdat geld erbij de druk op de vraag wat er moet gebeuren op defensievlak verzwakt en zolang je daar als politicus mee wegkomt kun je de politieke keuzes (al dan niet op weg naar een Europees leger, al dan niet een aanbestedingsplicht binnen de EU, al dan niet de banden met de VS losser maken, al dan niet de VS aanspreken op het oorlogszuchtige gebral van hun president) prettig voor je uitschuiven. Dat had in de Nederlandse politieke arena altijd al de voorkeur en nu zich de gelegenheid aandient om deemoedig schuld te bekennen aan de armoe van de krijgsmacht en mee te kraaien in het koor van hen die onze jongens het beste van het beste gunnen, ja, nu laten ze zich niet kennen.

Alles om de politieke vragen buiten de deur te houden. En dat mogen we niet billijken. De politieke vragen gaan niet over tekorten (degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn moeten zich gaan schamen en voortaan hun mond houden), die vragen gaan over prioriteiten. Simpel: waaraan moet de tijd van defensie bij voorrang worden besteed?

Als alles kan maar niet alles tegelijk heb je voorrangsregels nodig zodat wat niet allemaal tegelijk kan dan toch op z’n minst netjes na elkaar kan en dan wel zo dat wat het zwaarst is het zwaarst weegt. Schaarste is in de allereerste plaats een temporeel probleem – en pas daarna een zakelijk en sociaal probleem. Kunnen we alles tegelijk dan hebben we geen temporeel probleem en evenmin een zakelijk probleem (wat we willen is er) en ook geen sociaal probleem (wat we willen is er voor iedereen die ernaar taalt). Omgekeerd, zou schaarste in eerste instantie niet temporeel zijn maar zakelijk dan spreken we van tekorten, niet van schaarste, en zou schaarste in eerste instantie een sociaal probleem zijn dan spreken we van armoede en opnieuw niet van schaarste.

Ik twijfel er niet aan of defensie krijgt er geld bij – met als gevolg dat de politieke beslissingen zoals altijd buiten ons om zullen worden genomen.

5 oktober 2017

=0=

 

Sprookje

De naam is sprookjesachtig: Ali Palali. De man die met deze prachtnaam door het leven gaat is als econoom verbonden aan de Universiteit van Tilburg en aan het CPB. Ik vond een verwijzing naar een artikel van hem, over de gevolgen van een vroege start met je rookcarrière (Early Smoking, Education and Labor Market Performance. De Economist, 2017/165: 222-270). Het is een hilarisch artikel. En ook wel een beetje treurig. Zelf beschouw ik het als een sprookje, een slecht sprookje wel te verstaan, maar er zijn ook slechte sprookjes, zelfs als ze geschreven zijn door niet-rokers (terwijl Godfred Bomans, die heel aardige sprookjes schreef, een verstokt roker was). Ik denk dat Ali niet rookt.

Het is het sprookje van het middel dat de persoon verbruikt in plaats van omgekeerd. Wij denken altijd maar dat het personen zijn die de sigaret oproken maar zo is het niet, in het sprookje van economen en econometristen is het de sigaret die de persoon oprookt en dat zie je eigenlijk al direct, aan de schoolprestaties die in rook opgaan, aan de arbeidsmarktprestaties die ook al in rook opgaan. Als het werkt, werkt het direct, anders schiet het niet op.

Palali zegt er wel bij dat die gevolgen bij mannen optreden, en niet, althans niet merkbaar, bij vrouwen. Dat had hem aan het denken moeten zetten: heeft hij het wel over de gevolgen van een vroeg begin met roken of heeft hij het over de manier waarop anderen (de docent bijvoorbeeld, of de personeelschef) reageren op rokers? En als dat zo is (en zo is het) dan kan het bijna niet anders dan dat, afhankelijk van hun geslacht en van hun neiging tot moraliseren en ook van hun eigen rookcarrière uiteraard, de anderen anders reageren op jongens dan op meisjes, en op mooie jongens weer anders dan op onappetijtelijke jongens en op mooie meisjes veel toegeeflijker en dus ook weer anders dan op lelijke meisjes. Het kan niet anders zijn dan dat we het effect daarvan terugzien in schoolse en arbeidsmarktuitkomsten (het woord prestatie of ‘performance’ is misleidend, het gaat om de uitkomst en nergens anders om).

Het sprookje van Ali is één ding, de naargeestige praktijk van dit type effect-onderzoek (onderzoek op zoek naar een ‘oorzaak’ van een effect en die oorzaak is steeds vaker een ‘middel’) is buitengewoon wijdverbreid, van studies over het effect van scholing op re-integratie, en dat dan los van enige motivatie en ambitie van hen die geschoold worden, tot en met studies over het effect van een medicijn op de kwaliteit van leven van patiënten en dat dan weer los van welk kenmerk van welke patiënt dan ook. Want we verwachten niets van de cursist of patiënt en alles van het middel. Zelfs als het middel in rook is opgegaan.

4 oktober 2017

=0=



Doorverwijzing

Als de arts er niet uitkomt verwijst ze door. Dat gebeurt in het ziekenhuis en dat gebeurt bij de huisarts. Het verschil is dat je bij een ziekenhuis nooit weet of bij de doorverwijzing de kosten een rol spelen, terwijl we er zo langzamerhand wel achter zijn gekomen dat de doorverwijzing van huisarts naar specialist sinds de privatisering van de ziektekostenverzekering net wat minder gemakkelijk gaat.

De specialist is duurder dan de huisarts en de verzekeraar heeft er daarom belang bij om het aantal doorverwijzingen zo laag mogelijk te houden. Een huisarts die verhoudingsgewijs veel patiënten doorverwijst naar dure specialisten krijgt problemen met de verzekeraar.

Hoe het precies werkt om die arts in het gareel te dwingen is me niet bekend maar dat de verzekeraar sterker staat dan de arts in de onderhandelingen over de vernieuwing van hun contract laat zich raden en zolang de huisartsen zich voor hun tarifiëring niet mogen verenigen in een belangenorganisatie om die onderhandelingen hun kant op te buigen wint de verzekeraar (een huisarts is een concurrerende ondernemer en concurrenten mogen niet samenspannen). De verzekeraar zal niet snel toegeven dat hij de zaak afknijpt, de artsen als beroepsgroep kunnen dat wel maar weten dat ze daar voorzichtig mee moeten zijn om te voorkomen dat er paniek uitbreekt, en je eigen arts zal uiteraard niet snel aan jou communiceren dat je betere zorg nodig hebt dan je wordt geboden.

Dat krijg je als je niet-standaardiseerbare handelingen (want afhankelijk van de individuele patiënt) in standaardtarieven per handeling vastlegt. Het is niet effectief en het is niet efficiënt, en daarmee genereer je wel onvrede en frictie en geen lagere kosten en betere zorg. Daar zijn de zorgverzekeraars inmiddels ook wel van overtuigd geraakt. Het heeft alleen acht jaar geduurd voordat ze iets hebben verzonnen dat, zeggen ze, de arts meer vrijheid geeft bij de patiënt meer op de persoon te spelen.

Voortaan, zo is het plan dat door Menzis overigens al in werking is gesteld, wordt de huisarts niet meer per handeling betaald maar voor z’n gehele patiëntenbestand. Een lumpsum als het ware. Kijk dokter, hier moet je het weer een jaartje mee doen en als je het voor minder kunt doen dan delen we het voordelig verschil. Dat delen van het voordelig verschil, lees ik in de Volkskrant vandaag, zal ook de innovatie bevorderen. Het delen van het voordelig verschil: de oude truc van het stukloon. De innovatie! De oude Taylor draait zich om in zijn graf zodra hij merkt dat zijn schitterende ‘differentiële stukloon’ gebruikt mag worden voor zoiets ongedisciplineerds als innovatie. Trouwens, is innovatie het probleem van de huisarts? Of is tijd het probleem? En helpt het dan om de tijd per handeling vrij te geven en tegelijk de totale tijd van de huisarts budgettair te maximeren?

Als Menzis er acht jaar over heeft gedaan om dit te bedenken en niet verder is gekomen dan een plannetje vol met losse eindjes en onbeantwoorde vragen, dan is het ondanks die acht jaar prematuur artsen nu al te verleiden met het plannetje van Menzis in zee te gaan. Overigens, Menzis heeft het niet helemaal alleen gedaan. Artsenorganisatie Arts en Zorg heeft eraan meegewerkt. In welke hoedanigheden (advies, medebeslissing, vetorecht?) kan ik uit het Volkskrantartikel niet afleiden en op de site van Arts en Zorg vind ik ook al niets. Toch zou het mij interesseren te weten welke overwegingen Arts en Zorg hebben bewogen de kant van Menzis op te gaan. Aan mijn eigen huisarts kan ik het niet vragen. Arts en Zorg heeft 21 vestigingen dwars door het hele land maar niet in bijvoorbeeld Amsterdam en Rotterdam.

Uit het bestaan van Arts en Zorg, opgericht in 2005, hetzelfde jaar als de privatisering van ziektekostenverzekering, mogen we concluderen dat hoewel samenwerkende onafhankelijke artsen direct onder het samenspanningsverbod van de kartelwaakhond vallen, dat verbod niet geldt voor samenwerkende afhankelijke artsen, zoals de artsen in dienst van Arts en Zorg. Arts en Zorg is een koepel met een actief acquisitiebeleid (zo hebben ze recent de aanbesteding curatieve zorg asielzoekers binnengehaald), en lijkt zich ‘pro-actief’ te richten op vermarkte zorg. Bij hen in ieder geval staat ‘innovatie’ voorop, bijvoorbeeld in hun pleidooi voor een vergoedingenmodel waarin niet de ziekte (hoeveel zieke mensen heeft u geholpen) maar het gezond-blijven (hoeveel mensen in uw praktijk zijn gezond gebleven) de eerste referentie is. Ik sluit niet uit dat in het praktijkbudget dat Menzis de artsen nu aanbiedt iets van deze gedachten terugkeert. Wie, overigens, beslist bij Arts en Zorg over het meedoen aan dit plannetje – de artsen in de centra, of Arts en Zorg als organisatie?

We weten het niet. We weten maar één ding: aan de patiënten is niets gevraagd. En dat is opmerkelijk. De ‘persoonlijker’ behandeling die de patiënt in de nieuwe opzet wordt beloofd is, zolang de ‘persoon’ van de patiënt niets anders is dan wat de arts ervoor geeft, een grote gok. Eerst hadden we de situatie dat de patiënt vertegenwoordigd werd geacht door de verzekeraar. Nu krijgen we de situatie erbij dat de patiënt ook vertegenwoordigd wordt geacht door zijn arts, die, al dan niet zelfstandig en al dan niet in schone afstemming met de verzekeraar, zijn stem overneemt. En hem doorschuift. Of afschuift. Of verschuift.

Van doorverwijzing naar doorschuiving/afschuiving/verschuiving. Het verbaast me niets en het stelt me nog minder gerust.

3 oktober 2017

=0=

Meel

Wat Asscher zei was wat iedereen had kunnen zeggen: wat er in het rapport over de miskleunen in Mali stond was ernstig genoeg om het aftreden van de verantwoordelijke minister niet uit te sluiten. De communis opinio was dat Asscher het niet had mogen zeggen.

In de Nederlandse politiek en in de met de politiek verbonden media zijn ze het er al lang over eens. Politiek is voor je beurt praten, is je mond voorbij praten, is iets zeggen voordat de kwestie is afgerond dus als je iets zegt dan moet je iets nietszeggends zeggen, dan moet je met meel in de mond spreken.

De voorlichters verstrekken het meel, de politici nemen het in de mond en het feest kan beginnen. Ik hoorde Gerdi Verbeet (bij Pauw) en Ruud Koole (bij Buitenhof) onafhankelijk van elkaar beweren dat zij niet gedaan zouden hebben wat Asscher deed. Hen werd uiteraard niet gevraagd wat Asscher deed, hen werd gevraagd wat zij er van vonden dat hij wat deed. Nou, daar vonden zij niet veel van, ze vonden het maar niks. Zelfs politici die niet meer actief zijn spelen het spel alsof ze nog wel actief zijn. Je vraagt je af wat actief in de politiek betekent, of het überhaupt iets betekent of het ooit iets heeft betekend en, als het ooit iets betekende, wanneer de overgang van betekenend naar betekenisloos dan plaatsvond. Ik zou denken dat we die overgang moeten zoeken in de mediatisering van de politiek – en niet in het ‘partijkartel’ waar mediakind Thierrey Baudet het zoekt.

Ik zou willen dat Asscher elke dag een uitspraak doet die nog iets met politiek te maken heeft. Uitspraken over de EU bijvoorbeeld. Uitspraken die Rutte uitdagen te erkennen dat de EU een politiek project is, en geen economisch. Uitspraken die de Brexit toejuichen omdat het VK van begin af aan heeft bewezen dat voor het VK de EU een economisch project is geweest en nooit een politiek project. Uitspraken die van Rutte eisen dat hij afstand neemt van het VK, juist omdat het net als hij heeft gedacht dat de EU er voor de portemonnee is en niet voor de lieve vrede. Uitspraken die Dijsselbloem eraan herinneren dat de euro een politieke splijtzwam is geworden en de Europese economieën uit elkaar drijft in plaats van ze meer met elkaar te verbinden.

Stel je voor. Een politicus die politieke uitspraken doet die beantwoord worden met politieke uitspraken van andere politici. Het moet niet nog gekker worden.

2 oktober 2017

=0=


Wat? Nee, dat!

Als het medium de boodschap is dan ligt het voor de hand dat niet wat je zegt telt, maar dat je het zegt de gebeurtenis is die het verschil maakt en we weten dat zonder verschillen (hij zegt wat!) die steeds nieuwe verschillen maken (nou zegt-ie alweer wat!) van informatie geen sprake is.

Marketeers proberen ons te porren met uitspraken dat als iets gratis is wijzelf het product zijn maar zelfs hier – ik denk overigens dat het niet om ‘zelfs’ maar om ‘juist’ hier gaat – kun je marketeers niet vertrouwen. Wij zijn het product helemaal niet, wij zijn de grondstof voor een serie producten die de media uit ons samenstellen, producten waar we behalve de grondstof ook de gratis arbeid voor leveren en producten, ten slotte, die we zelf weer afnemen. Gratis? Ja, soms. Duur? Altijd. Wij zijn de klik, wij zijn het aas, wij zijn de buit en dat allemaal omdat we aan de haak zijn geslagen door de clickbait. Dan hebben de media beet, dat ook. Maar dan heb je ook wat. Likes and friends, clicks and followers, tips and tricks.

Op Twitter kwam ik een tweet tegen waarin een journalist (het was Tom-Jan Meeus over het boekje van een aan de kant gezette en rancuneuze VVD-politica) zich beklaagde over mensen die uitsluitend berichten achterlieten om anderen ertoe aan te zetten op hun (‘voormalig VVD-Kamerlid doet een boekje open’) berichten te klikken: het bericht als aas, als bait, gericht op Tom-Jan die moet klikken (pun intended) en die zich vervolgens beklaagt over clickbait.

Dat is toch ontroerend, een journalist die denkt dat het wat belangrijker is dan het dat, die uitvindt dat hij gedurig beet wordt genomen met wat flodderig aas dat hem niettemin verleid heeft te bijten en die niet bij zichzelf te rade gaat maar het loze vissertje verantwoordelijk houdt. Politiek is clickbait, beste Tom-Jan, niet omdat politiek dat is maar omdat politiek dat is geworden en politiek is dat geworden door onder meer de media waar jij een exponent van bent. Je had je niet over de ongein van die aan de kant gezette politica moeten verbazen maar over de mediatisering van de politiek.

De verplaatsing van het wat, van de boodschap, door het dat, door het medium dat de boodschap pas zijn definitieve vorm geeft, is ontegenzeggelijk het product van de mediatisering van alles, van het verdwijnen van de boodschap in het medium. Dat een mediarepresentant dat niet doorheeft is enerzijds begrijpelijk, want waar je mee omgaat daar word je door besmet, en het is anderzijds dieptreurig want als je het niet bij jezelf kunt nagaan dan kun je het bij een ander slechts dan nagaan als je bereid bent de balk in je eigen ogen te negeren om de splinter in de hare aan de kaak te stellen – en daarom zegt Meeus zachtjes foei over onze Ybeltje Berckmoes, voormalig Kamerlid van de VVD en uit op wraak.

Foei is de moralisering van je eigen onvermogen. De paradox van de Nederlandse politiek is dat moralisering vrijwel altijd een schot in de roos is en het is een schot in de roos omdat het niet het wat maar het dat fêteert. Ja, u mag het best zeggen hoor, maar liever niet nu, niet hier, niet in deze context, niet in dit wat. Begrijpt u, en daarom wil ik het over het dat hebben, over het waarom van dat jij dit zegt. Is het niet voor de eerste keer? Had jij, Ybeltje, ook al niet eens je mond voorbij gepraat over Eurarabië in de polder? Had Wilders het daar niet ook al over? En, niet te vergeten, Anders Breivik? Reden te meer om je in de gaten te houden, reden te over om niet in te gaan op wat je zegt maar in gedachten te houden dat je wat zegt, dat je weer wat zegt, dat je nog steeds wat zegt.

Moet ik nog uitleggen dat Ybeltje hier wordt geslacht, geofferd, geslachtofferd? Nee toch? Is niet elke tweet als een hengeltje met aantrekkelijk aas en is niet elke twitteraar net als het loze vissertje op zoek naar de sensatie van de gelukte clickbait, gelukt omdat wij erin trappen en inclusief de luxe dat je bij succes kunt melden dat je helemaal niet op zoek was naar sensatie en zeker niet op zoek naar die sensatie? Ja toch? Nou, Ybeltje doet daar niet aan mee, ze staat ook hier buiten en ze suggereert nergens dat ze er boven staat.

Geef mij daarom Ybeltje maar. Die heeft geen emplooi voor zoetsappig geflikflooi en die heeft geen behoefte aan een verbloemende verpakking van haar reactionaire rimram. En ze heeft één ding bij het rechte eind en dat is dat de afdeling voorlichting (de afdeling clickbait) van een partij het verkommerde ‘wat’ van de partij in beheer heeft (elk ‘wat’ moet goed zijn voor een carrière als clickbait en inderdaad, dat leidt tot verkommering) en dat er voor de partij zelf alleen nog het ‘dat’ overblijft.

Doe jij ‘dat’ vandaag eens Ybeltje, loop eens bij voorlichting langs en dan vertellen ze je daar wel van het hoe en het wat van de boodschap, in die volgorde want het hoe is oneindig veel interessanter dan het wat. En als de partij na de eerste keer jou nooit meer het ‘dat’ toevertrouwt dan ben je al snel het meest onbekende Kamerlid, en dan heb je het niet goed gedaan en dan word je naar de uitgang gestuurd. Mag het arme mens haar aftocht dan misschien nog een beetje proberen te omlijsten en mag ze bij het omlijsten misschien een beetje hulp ontvangen van bekwamer lijstenmakers dan zijzelf is?

Nou dan.

Wat mij verbaast is niet de clickbait maar de verbazing over de clickbait.

30 september 2017

=0=



Bemiddeld

Gezagsrelaties zijn sociale relaties bemiddeld door publieke zaken (de zaak van recht en rechtvaardigheid, van orde en veiligheid, van vrijheid en de grenzen van vrijheid). Dat is, in de kortst mogelijke formulering die ik kan bedenken, mijn stelling met betrekking tot gezag.

Gezag staat in functie van de publieke zaak. Ik wil onderzoeken of je een vergelijkbare stelling kunt innemen met betrekking tot economische relaties. Dat zou dan zo moeten gaan: economische relaties zijn sociale relaties bemiddeld door private zaken (koop en verkoop van goederen en diensten, verwerving en vervreemding van eigendom).

Economie staat in functie van de private zaak. Het gezag verkeert in crisis. Eén van de vragen in de verklaring van de crisis is of het gezag zichzelf de das heeft omgedaan dan wel dat het gezag wordt verdrongen – dat de publieke zaak wordt verdrongen – door de economie van de private zaak. Om mijn positie aan te geven merk ik nu al op dat de publieke zaak mij zeer ter harte gaat en dat ik bij het private eerder denk aan een sfeer dan aan een zaak. Daar kom ik op terug.

Ik vermoed dat er tal van conceptuele, historische en theoretische bezwaren zijn tegen een vormgelijkheid van gezagsredeneringen en economieredeneringen. Historisch ligt het bezwaar voor de hand: de publieke zaak is veel ouder dan de private, publiek en privaat zijn bovendien geen ‘identiteiten’ (het zou vanzelf moeten spreken maar het enige wat vandaag nog vanzelf spreekt is dat niets nog vanzelf spreekt – zelfs deze uitspraak niet) en het weinige dat ik nog staande zou durven houden is dat tot op de dag van vandaag de grensbewaking in handen van de publieke zaak is. Voor hoe lang nog? De strijd om de grens is volop aan de gang en wie om grenzen strijdt, strijdt om vormen. In mijn geval om de vorm die het publieke aanneemt, om de vorm die het private aanneemt, om de overlapping, verstrengeling, verstikking van de ene vorm met en door de andere en, gelet op de teneur van de tijd, van de publieke vorm met en door de private. Dat is een vraagstuk, een problematiek. Het is een vraagstuk dat pas kan ontstaan als je beseft dat publiek en privaat geen etiketten zijn die je op zaken kunt plakken (zoals we geneigd zijn te doen als we worden geconfronteerd worden met voorstellen en beslissingen om het spoor publiek te houden en de trein privaat, of het netwerk publiek te houden en de stroom privaat enz.) maar dat het beslissingen zijn, of beter producten van beslissingen waarvan de uitkomst op elk gegeven moment wel en in elke voorstelbare toekomst niet vastligt en op elk moment anders dan het hier en nu ook nooit vastlag. Wat nu eens publiek is en dan weer privaat kan per periode van plek wisselen, kan vervormd en hervormd worden, van buiten naar binnen, van binnen naar buiten. Om in die context, in dat krachtenveld, verder te komen, om in die context zo te leren bewegen dat daaruit een constellatie wordt, moet je beschikken over conceptuele instrumenten om in elke voorkomende kwestie de knoop van publiek en privaat door te hakken en je moet beschikken over een theorie die de besluitvorming daaromtrent weet te duiden en tot inzet kan maken van weerlegbare hypotheses. Alles te doen, soms al als werk in uitvoering, soms als niet meer de kiespijn die je herinnert aan verwaarloosd onderhoud.

Je kunt beweren dat in ons tijdperk van het wereldwijde web de bemiddeling, met de formule van het medium dat de boodschap zelf al is (McLuhan’s vroege aankondiging van wat nu metadata en ‘big data’ worden genoemd), de zaak heeft overgenomen. Niet de zaak zoekt de bemiddeling die het nodig heeft, de bemiddeling zoekt de zaak die hem het meeste oplevert. Dat is meestal een ‘profiel’, de opvolger van zaken zowel als personen en wat een profiel is hangt niet van de persoon of zaak af, het hangt af van het algoritme dat aan het werk wordt gezet om misdaadgeneigdheid, geilheid, kooplust, verslavingsafhankelijkheid, doldriestheid enz. enz. te profileren en er ‘smoel’ aan te geven. Het smoelenboek, jawel. Ooit een aardigheidje om mensen te leren kennen die je toch wel zou leren kennen, later een dwangbuis om af te dwingen dat je erbij hoort als je je niet durft of kunt permitteren er niet bij te horen, om te garanderen dat je er niet bij hoort als je er niet bij hoort op de manier die bij facebook hoort (in de Groene van deze week een indrukwekkend stuk van John Lanchester over facebook). Tussen haakjes, ik schrijf facebook met een kleine beginletter, net zoals ik aspirine met een kleine beginletter schrijf. Het medium is de boodschap, het merk is de zaak. Is dat de nieuwe digitale wereld?

Het zou kunnen en ik zie er niet naar uit want de wereld zoals ze nu is wordt me gedurig vreemder en een onsje minder zou me deugd doen. Maar hoe? Ik zou denken dat het moet beginnen bij een her-denken van wat publiek is, een her-denken van wat we willen en besluiten dat publiek vertegenwoordigt – om zowel de publieke zaak als de private sfeer te redden.

29 september 2017

=0=



Correctief

Het aanstaande kabinet zal rust brengen. Het kan niet anders dan rust brengen. In het kabinet dan, niet daarbuiten.

Als ten langen leste elke komma in het regeerakkoord op de juiste plek staat, elk bijvoeglijk naamwoord de juiste zuurgraad heeft en elk werkwoord belooft vol overtuiging aan elk uitverkoren lijdend voorwerp te werken zonder daarbij de lieve vrede in het kabinet te verstoren – pas dan is het akkoord gereed en kan het motto voor de nieuwe regering worden verzonnen.

Welingelichte kringen fluisteren over ‘onbewogen bewogen’ (de eerste voorkeur van de VVD nadat ‘voortgaan op dezelfde weg’ was afgeschoten) en over ‘bewogen onbewogen’ (de eerste voorkeur van het CDA, nadat ‘er is maar één Wilhelmus van de gewone man’ door de andere formerende partijen was weggehoond). De CU schijnt te opteren voor ‘beweging in balans’ maar weet nu al dat hun motto het niet gaat halen, en van D66 is geen voorkeur bekend. Die partij heeft beloofd elk voorstel pragmatisch te zullen beoordelen maar kon, bij navraag, niet uitleggen wat pragmatisch hier inhield. Het hangt ervan af wat er tegenover staat, verzuchtte een onmiskenbaar geplaagde woordvoerder. Daar heb ik begrip voor, niet omdat ik er begrip voor heb maar omdat je dat nu eenmaal van D66 kan verwachten en als je verwachtingen eens een keer wel bewaarheid worden – een zeldzaamheid in deze tijden – dan vloei ik al snel over van dankbaarheid en, nou ja, van begrip.

Een ouderehand is gauw gevuld. Van mijn beste vriend mag ik niet zeggen dat ik tevreden ben als ik bedank voor zijn welgemeende aanbod van weer een lekkernij, maar ik denk dat hij de dialectiek van de oudere mens (dank u, maar nee, dank u) nog niet zo goed onder de knie heeft als ik. Daar staat tegenover dat hij een betere schaker is, dus zo hebben we allemaal wat (en ja, ook dat hoort bij de ervaringswereld van de oudere).

Het echte motto voor het nieuwe kabinet is: dood aan de gebeurtenis. Wij, zegt het kabinet, zullen ons door niets laten corrigeren, door het correctief van het referendum wel in de allerlaatste plaats. Elke gebeurtenis, inclusief de gebeurtenis van een referendum, is een bedreiging van de kabinetsrust, elke gebeurtenis staat in het teken van de dood aan het kabinet, indien het parlement achter de gebeurtenissen zit, elke gebeurtenis staat in het teken van de dood van het kabinet, indien blijkt dat de rest van de wereld zich nog minder van dit kabinet aantrekt dan het kabinet had voorzien. Het laatste is waarschijnlijker dan het eerste.

De rust van het nieuwe kabinet is geen rust, het is kramp. Het kabinet zal ongelooflijk veel energie besteden aan het bewaren van een evenwicht dat alleen in de geatrofieerde geesteswereld van dit kabinet bestaat. Het grootste vraagstuk van alle grote vraagstukken die dit kabinet gaat aanpakken is het kabinet zelf. Met dit kabinet is de politiek tot stilstand gekomen en de lange aanloop naar dit kabinet is er de aankondiging en het eerste bewijs van.

28 september 2017

=0=


Horizontaal

Ik keek naar een reportage over het toezicht op de veehouderij in Brabant. Er kwam weinig terecht van het toezicht. De eerste actie in het toezicht is aan de gemeenten. De gemeenten oefenen hun toezicht ‘horizontaal’ uit. De belasting kent dat ook, horizontaal toezicht. Horizontaal toezicht is toezicht gebaseerd op vertrouwen en toezicht gebaseerd op vertrouwen vertrouwt erop dat de bedrijven waar toezicht op wordt gehouden in eerste instantie zelf toezicht op zichzelf houden. Dan kan de gemeente daarop vertrouwen en horizontaal gaan en dan kan de provincie, een soort achtervang in het toezichtswezen, naar de gemeenten wijzen als blijkt dat het toezicht niet deugt. Daar kunnen we kort over zijn: het toezicht deugt inderdaad niet. De kans dat milieudoelstellingen in de mest van het falende toezicht en in de mist van de horizontaliteit verdwijnen is aanwezig. Zeer aanwezig, en uiterst voorspelbaar, dat ook nog.

De deregulering heeft van het toezicht – en dus van de kerntaak van de overheid: handhaving – weinig overgelaten. Of het nu gaat om de arbeidsinspectie, de voedsel- en warenautoriteit, het toezicht op de bescherming van de consument in reële en financiële affaires, ja zelfs als het gaat om het toezicht op de uitgaven van de centrale ondernemingsraad van de nationale politie, overal zien we dat de kat op het spek wordt gebonden en overal zien we na enige tijd dat de toezichthouders moeten bekennen dat er ergens onderweg iets fout is gegaan.

Het vak van toezichthouder is meer en meer een vak geworden dat de vaardigheid vereist het houden van toezicht onmogelijk te maken. Dat begint ermee het toezicht overbodig te achten omdat het toch meestal goed gaat en het eindigt ermee dat men naar elkaar wijst als het fout is gegaan.

Het was niet de politie die fout zat maar de minister, zei de vertegenwoordiger van de politiebond. En het was niet alleen de minister maar ook het hele kabinet dat zowel wou reorganiseren als bezuinigen en hoewel iedereen op z’n klompen kan aanvoelen dat die twee niet samengaan beslissen regering en parlement keer op keer dat het best kan, boeken de bezuiniging vooraf al in en beginnen alvast met de voorbereiding van Kamervragen voor de verantwoordelijke bewindspersoon. Dat de politiebond, overigens, zegt dat niet de politie maar de minister fout zat, geeft aan dat de politie de politie altijd gelijk geeft, dat de schuld altijd buiten de politie ligt, zelfs als de politie met groot gemak schulden maakt die niet verantwoord kunnen worden. Jammer, de politie bevestigt daarmee het vooroordeel van tal van burgers over de politie: dat je bij de politie nooit je gelijk kunt halen, zelfs al heb je het grootste gelijk van de wereld.

Niettemin, de zaak van de nationale politie en haar centrale ondernemingsraad is een bijzondere. Hier werd bezuinigd op de nationale politie met behulp van de best bedeelde centrale ondernemingsraad in de geschiedenis van de politie. Het was geen omkoping, vertelt een onderzoeksrapport waarin de wederwaardigheden van de bestedingen van de centrale ondernemingsraad in de context van de op een houtje bijtende nationale politie worden beschreven, een nationale politie die bovendien nog uit de grond moest worden gestampt. Tja, zal de verantwoordelijke korpschef hebben gedacht, dan heb ik de steun van de ondernemingsraad wel nodig.

Dat was fout gedacht. De korpschef had de steun van de politiemensen nodig want alleen zij konden de vaart erin houden. En als je de steun van de mensen hebt heb je ook de steun van de ondernemingsraad. In die volgorde, die de korpschef in het belang van de haast van de zaak met voeten trad, daarin overigens gelegitimeerd door een minister die iedereen z’n gang liet gaan. Ook de minister had haast en bovendien, deze minister vond het prestige van zijn project belangrijker dan de correcte bewerktuiging en uitvoering ervan. Ik geloof niet dat de rapporteurs opgemerkt hebben dat de verwisseling van personeel en centrale ondernemingsraad een leidinggevende blunder van de eerste orde is geweest. De rapporteurs hebben het wel over de gespannen relatie tussen de centrale ondernemingsraad en de politievakorganisaties, maar niet hierover.

Het toezicht van de korpschef op de bestedingen van de centrale ondernemingsraad was horizontaal, als gevolg waarvan de controlerende taak van de ondernemingsraad eveneens in de beste horizontale stijl werd uitgevoerd.

Je zou het ene een tegenprestatie voor het andere kunnen noemen maar daar zijn de rapporteurs het niet mee eens. Er was geen tegenprestatie en de paar mensen die wat monkelden over omkoping en corruptie konden desgevraagd geen bewijzen overleggen. Nou dan. Geen bewijzen. Wel een stelselmatige budgetoverschrijding van een budget dat toch al zeer ruim bemeten was en een korpschef die altijd bereid was bij te springen als het geld even op dreigde te raken. Wel het telkens akkoord gaan met het ontbreken van rekening en verantwoording. Maar geen tegensprestatie, welnee. Het heeft de rapporteurs ertoe verleid om te pleiten voor andere ‘omgangsvormen’ bij de politie. Dat is mooi. Nu alleen nog aangeven hoe dat moet en we kunnen weer jaren vooruit.

13 september 2017

=0=


Knoppen

Als je structureel wilt groeien, zegt Barbara Baarsma (AD, 7 september 2017), heb je maar twee knoppen waar je aan kunt draaien: het arbeidsaanbod en de productiviteit. Met het eerste gaat het beter (in het bijzonder door de verhoging van de AOW-leeftijd, volgens Baarsma) dan met het tweede. Marx zou, anderhalve eeuw na dato, opmerken dat als je arbeidsaanbod vertaalt met absolute en productiviteit met relatieve meerwaarde, je net zo ver bent als hij destijds – en dat als je beweert dat alles verandert en je je daarom voortdurend moet aanpassen, zoals Baarsma doet, je ons nog eens moet uitleggen waarom de economie bij Baarsma nooit verandert. Misschien dat in die uitleg ook enige aandacht kan worden besteed aan de verklaring van het waarom van de hapering in de productiviteitsknop?

Je zou denken dat na bijna vier decennia deregulering en financialisering het kwartje ook bij Baarsma wel zou zijn gevallen. Maar nee, bij haar als voorbeeldeconoom vinden we nog altijd de gedachte dat geld een gemaksartikel is. Leuk, maar niet echt nodig. Die gedachte blokkeert elk begrip van de werking van de economie. Een economie waar geld niet meer dan gemak is, ik mag er graag over dromen. Over denken, zeker ook, bijvoorbeeld aan de hand van de in dat geval wel zeer voor de hand liggende gedachte dat geld als gemak en een basisinkomen intrinsiek met elkaar verbonden zijn. Maar dat staat allemaal nog wel in het teken van het feit dat het in onze economie niet zo is, dat zulk gemak in onze economie in geen velden of wegen te bekennen is. Enig realisme zou hier helpen, al tref ik daarvan niets aan bij Barbara. Waarom lukt het haar toch nooit om te ontsnappen aan banaliteiten dat als meer mensen meer werken er meer gewerkt wordt? Heeft ze, ik noem maar wat, hulp nodig, een handreiking?

Ik doe een handreiking. Neem aan dat door de deregulering het arbeidsaanbod behoorlijk is gegroeid. Neem bovendien aan dat door de financialisering de mensen meer dan ooit afhankelijk zijn van de bancaire wereld (wie geen bankpasje heeft staat er slecht voor) en dat voor de meesten van hen dan weinig anders open staat dan zich te voegen in de rijen van het arbeidsaanbod en je bent waar je wezen moet: bij de ‘knop’ van het gedereguleerde en gefinancialiseerde arbeidsaanbod. Voor Barbara, die de kenniseconomie van de Rabobank in beheer heeft, een gouden kans ons voor te lichten over hoe het in elkaar steekt.

Echter, waar Barbara het ook over heeft, niet over geld. Wel over regulering – ze zou dolgraag arbeidscontracten voor een periode langer dan vijf jaar verbieden. Dat is toch interessant, een verbod op contractvrijheid. Ze bedoelt het natuurlijk goed en zo, maar toch, om mensen aan te leren dat permanente aanpassing geen onmondigheid betekent maar juist moderne mondigheid, ik vind het een raar staaltje redeneren en, bovenal, ik zie niet in wat het met economie te maken heeft – de omstandigheid daargelaten dat haar adviezen de werkgever en opdrachtgever meer in de kaart spelen dan de werknemer en opdrachtnemer. Of zou die omstandigheid nou net haar opvatting van economie weergeven?

Dat in ons land de ‘structurele groei’ achterblijft heeft alles te maken met de financialisering van de economie. En met een Rabo-econoom die dat vergeet te melden. Stel je voor dat Baarsma wel de aandacht zou vestigen op die financialisering, en op de gevolgen van de financialisering voor de productiviteit van de reële economie, wat dan?

Dan zou er een derde knop nodig zijn, een financialiseringsknop. Dan zou het CPB moeten leren de financialisering in te voegen in hun modellenfabriek. Dan zou per beleidsmaatregel bekeken moeten worden hoeveel van de veronderstelde noodzaak van de maatregel te wijten is aan effecten en neveneffecten van financialisering en hoeveel van de veronderstelde opbrengsten van de maatregel zullen weglekken naar de financiële sector. En dan moet Barbara opbiechten dat om ‘structurele groei’ te realiseren allereerst de productiviteit moet worden bevrijd van de loden last van de financialisering.

12 september 2017

=0=

 


Baas

Baas in eigen kring is een oude protestantse traditie in ons land. De traditie hield in dat de overheid in je eigen kring niets te zoeken had. De traditie hield in, met name en met reden en met opzet en met moedwil, dat in kringen waar onvrijheid en ongelijkheid heersten die niet op last van de overheid konden worden afgeschaft. De overheid had in die kringen niets te zoeken, want die kringen waren zelf al soeverein.

De eigen kringen van de protestanten (de katholieken waren daarin net wat minder uitgesproken) waren altijd al een oorlogsverklaring aan de staatssoevereiniteit. Dat de traditie een anti-liberale en anti-democratische vrijbrief voor alles was mocht de pret niet drukken. Meer nog, het was een deel van de pret. En een gedeelde pret, een pret die onze geschiedenis definieert, een pret die het dna van onze identiteit in belangrijke mate beschrijft. En aan ons dna moet je niet komen, zeker niet als je christelijk bent. Daarom, kom je zoals Buma uit een geslacht van bestuurders, dan is het praktisch je geboorterecht zelf ook bestuurder te worden, wat de bestuurden daar ook tegenin zouden willen brengen. In kringen van bestuurders fokt men bestuurders, net zoals men in kringen van Nederlanders Nederlanders fokt en iedereen die van elders komt verstoort het fokprogramma van Buma, die verstoort het evenwicht. Geen wonder dat de mensen daar boos over worden, zegt Buma. Boos is de gewone, de normale reactie op verstoring van de eigen kring.

In het land van Buma leiden bestuurders nieuwe bestuurders op, en schoenlappers nieuwe schoenlappers. Dat van die schoenlappers haal ik uit een artikel van Joost de Vries (in een bijlage bij de Groene van vorige week). De Vries schetst het opvoedingsideaal van Wilhelm von Humboldt, de man van de fameuze Bildung. Wat dat was? Het was in elk geval niet de situatie waarin de schoenlapper de nieuwe schoenlapper opleidde. Het was in elk geval wel de situatie waarin elk individu werd opgevoed tot burger en burger was je pas als je voor jezelf had leren denken.

Noem het eenheid boven verscheidenheid (ooit hadden we daar het ideaal van het openbaar onderwijs voor), dan heeft Buma met zijn eenheid in verscheidenheid ook nog wat (zijn ideaal dat sinds een eeuw en met artikel 23 in de hand zonder extra kosten voor de leden van zijn eigen kring kon worden aangeboden). Maar wat heeft Buma dan precies gekregen? Hij krijgt een herbevestiging van de verscheidenheid zoals weergegeven in het anachronisme van de ‘eigen kring’, van een sfeer die zowel voor- als buitenstatelijk is, van een sfeer die al lang in handen van de markt is gespeeld. Maar over dat laatste zullen we Buma niet over horen want de markt is in de kringen van Buma meer gemeenschap dan staat en dan is het wel in orde.

Buma vreest, denk ik, voor de vrijheid van onderwijs, of eigenlijk alleen voor de vrijheid van zijn onderwijs maar ook dat is al genoeg om op de rem te gaan staan. Zijn HJ Schoo-lezing van vorige week was bedoeld om die boodschap bij de formatietafel te laten landen. Handen af van artikel 23, of er komt geen kabinet. Pechtold moet het maar slikken en waarom ook niet, waarom zou Buma Pechtold niet de maat nemen, gegeven dat Pechtold al zoveel heeft geslikt dat dit er nog wel bij kan. Pechtold slikt alles. Hij heeft zich in het pak laten naaien en het zal hem ingepeperd worden.

Voor de vrijheid van zijn onderwijs is Buma bereid de vrijheid van onderwijs van anderen in te perken: ieder kind en iedere leerkracht moet elke schooldag staande het Wilhelmus zingen en meester Buma zal de maat slaan. Buma is tegen vrijheid en gelijkheid, maar hij is voor de broederschap van zijn nationale erfgoed en hij denkt – ten onrechte, maar dat is een andere kwestie – dat het Wilhelmus de lof van zijn natie zingt.

Ocharme.

11 september 2017

=0=



Normatief

Gisteren las ik in de Groene een uitgebreid profiel over Ton Wilthagen, ook wel aangeduid als ‘mister flexicurity’. Dat ‘mister’ bevalt me niet zo maar dat Ton de intellectuele vader van de ‘flexicurity’ is hoeft niet te worden betwijfeld. Hij zocht, al weer twee decennia geleden, naar verbindingen tussen flexibele arbeidsrelaties en werknemerszekerheid. Voor de werkgevers was de flexibiliteit, voor de werknemers de zekerheid.

Van het begin af aan had ik moeite met flexicurity, omdat me nooit duidelijk werd of met dat slagwoord nu een opgave werd bedoeld of een oplossing. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat aanvankelijk de opgave centraal stond en naderhand meer de oplossing en naderhand, dat is de periode sinds 2007, sinds flexicurity officieel een nieuwe credo van de Europese Unie werd. Daarna begon de crisis en zoals te verwachten ging het vervolgens nog weer beter met de flexibilisering voor de werkgevers dan het toch al deed en het ging daarna nog weer meer achteruit met de zekerheid voor de werknemers dan het toch al deed.

Bij flexicurity horen twee namen, een landennaam en een inspiratornaam. Het land is Denemarken, de inspirator is Günther Schmid. Denemarken wordt genoemd omdat in dat land een soepel ontslagrecht wordt gehanteerd, omdat de werkloosheidsuitkeringen hoog zijn en niet lang duren en omdat de Denen een scholings- en opleidingsaanbod hebben om je vingers bij af te likken.

Denemarken is een goed voorbeeld van een activerend arbeidsmarkt- en sociale zekerheidsbeleid. Het Deense model werkt goed maar niet voor iedereen. Het werkt voor mensen die in staat zijn zich te blijven ontwikkelen en zich te blijven aanpassen aan de veranderlijke eisen van de arbeidsmarkt. Het werkt niet goed voor laag-opgeleiden, voor allochtonen en voor ouderen. Dat had door de schrijfster van het profiel vermeld moeten worden, vind ik. Ton zelf heeft nooit een geheim gemaakt van die zwakke plekken in het Deense model, al was het maar omdat geen enkel model op alle facetten van welk probleem dan ook kan ingaan.

Ook Günther Schmid komt voorbij in het artikel, zij het op een rare en verfomfaaide manier. Veel meer dan dat Schmid iets met dynamiek wil en met sociale cohesie en inclusie, komen we niet te weten en dat is jammer. Schmid is de bedenker van het concept van de transitionele arbeidsmarkt, een arbeidsmarkt die niet wordt benaderd met aantallen en saldi van banen, werkenden, werklozen enzovoorts maar met stromen, met de overgangen van werk naar werkloosheid, van school naar werk en terug, van deeltijdwerk naar voltijdwerk en terug, van betaald werk naar mantelzorg en terug, van werknemerschap naar uitzendkracht naar zzp-schap en vice versa enzovoorts.

Steeds is de opgave: zorg dat iedereen die werk voor anderen verricht, betaald of niet, wordt erkend als lid van de beroepsbevolking, ken daar voor allen, zowel voor hen die werken als voor hen die mantelzorg verrichten en voor de combi’s van werk en mantelzorg, rechten en plichten (het werk legt een plicht op, het werk verschaft ‘sociale trekkingsrechten’) aan toe, maak die overgangen aantrekkelijk en richt daar de sociale zekerheid op in, zorg ervoor dat werkomgeving, sociale zekerheid en capaciteitontwikkeling goed op elkaar zijn afgestemd en, als vierde, schep een institutionele omgeving voor onderhandelingen over flexibiliteit en zekerheid. Die laatste wordt in ons land steeds meer afgebouwd, net zoals de aan het begin van de eeuw even opflakkerende aandacht voor de levensloop (en transitionele arbeidsmarkten staan in het perspectief van de levensloop en de kritische overgangen binnen de levensloop) al lang weer is gedoofd.

Soms komen de dingen bij elkaar. Vanochtend ontving ik van Günther Schmid een artikel van zijn hand over transitionele arbeidsmarkten, geschreven voor The New Palgrave Dictionary of Economics. De vier punten die ik zojuist opsomde stammen uit de conclusie van dat artikel en ze bevestigen eens te meer dat Schmid nog altijd bezig is met zijn project van een empirische geïnformeerde normatieve theorie over arbeidsmarkt en arbeidsmarktbeleid. Ook vanochtend ontving ik een boekvoorstel over een empirisch geïnformeerde normatieve theorie van de democratie. Ik ben nog altijd van mening dat ook ‘flexicurity’ in de geest van een emiprisch geïnformeerde normatieve theorie verder kan worden ontwikkeld – op voorwaarde dat uit het concept in eerste aanleg elke suggestie van een oplossing wordt verwijderd en dat het concept helemaal wordt geformuleerd en uitgewerkt in termen van een opgave. Dat we er dan achter zullen komen dat die opgave zich dicht in de buurt van de opgaven van de transitionele arbeidsmarkt bevindt durf ik wel te voorspellen.

8 september 2017

=0=



Voorwaar

Het waren voorwaar geen geringe kwesties die werkgevers en werknemers te bepolderen hadden. Ontslagrecht, flex, loondoorbetaling bij ziekte, de zzp-er en de verzekering, en nog zo het een en ander.

Voorwaar, een woord dat ik in het redactionele commentaar van dagblad Trouw tegenkwam, gisteren. Het dagblad bleek van mening dat het bepolderen van Nederland voorwaar de moeite nog wel loonde. Het riep werkgevers en werknemers op onze mooie traditie van vruchtbaar overleg niet zo maar te grabbel te gooien. In de hoop dat het zo’n vaart niet zal lopen. Dat zal het ook niet, lees ik vandaag in een column van Peter de Waard in de Volkskrant. Weglopen, steunen en kreunen, dreigen, het zeggen dat je er genoeg van hebt, de ander de wacht aanzeggen, het hoort allemaal bij het spel dat polder heet en dat we al bijna een millenium lang kennen en spelen.

Alleen, de polder is een zaak van lange adem. Het kost tijd de polder aan te leggen, het kost tijd de polder te onderhouden en het kost tijd de interactie tusen polder en omgeving te bewaken. Daarentegen kost het weinig tijd te weigeren nog tijd in de polder te steken en tijd, ja dat is nu eenmaal waar het in de economie om draait en in ons land betekent dat dat als de economie erom vraagt de export het wint van de thuismarkt, de financiële markten alle overige markten mogen overvleugelen en de belastingen voor de burger worden verhoogd om die voor het grootbedrijf te kunnen matigen. Dat laatste heet horizontaal toezicht – dan lijkt het tenminste nog ergens op.

Het bedrijfsleven neemt afstand van de lange adem, want die kan het zich in deze ‘volatiele’ wereld niet meer permitteren. Dat afstand nemen begon in de jaren tachtig van de vorige eeuw, versnelde in de jaren negentig (de jaren waarin als doekje voor het bloeden een poldermuseum, met Kok als conservator, werd opgetuigd dat ze in het buitenland voor echt aanzagen) en sinds de invoering van de euro is de beer pas echt los.

De inzet is het verplaatsen van de geldstromen van de verzorgingsstaat naar de marktstaat. De marktstaat is geen natiestaat, de markt erkent de natiestaat ook niet, de markt gebruikt de natiestaat als het zo uitkomt en gaat er aan voorbij (dat wordt de ‘tucht van de markt’ genoemd) als dat weer beter uitkomt. De verplaatsingsbeweging is heel aardig op streek, maar hij is nog niet afgerond. Zo lang er nog iets van duur zit in de regelingen van de verzorgingsstaat is het werk niet af, en geef toe, er zit nog een beetje duur in het ontslagrecht, in de WW, in de rechten die van flex naar vast kunnen leiden, in de loondoorbetaling bij ziekte. Zo lang die duurrestjes er nog in zitten zal vanuit de EU geroepen worden om ‘structurele hervormingen’ en dat zal bij de formerende partijen in vruchtbare aarde vallen.

De werkgevers zien het helemaal voor zich en hebben zich al enige keren gemeld bij de formerende partijen. Van verzorging naar participatie, is de leus en voor het overige worden onder het mom van innovatie, energietransities en meer van zulk moois de nodige aanslagen voorbereid op de belastingpot. Ja toch, als de verzorgingsstaat is afgeschaft, dan is dat geld toch voor ons, we bedoelen: voor de duurzaamheid? De duurzaamheid van de verzorgingsstaat staat de duurzamheid van milieu en klimaat in de weg. En dat ligt aan de vakbonden die traditiegetrouw weer op de rem zijn gaan staan.

Behalve in het AD (het commentaar van Hans van Soest, afgelopen dinsdag) ben ik nergens tegengekomen dat de werkgevers al geruime tijd en de laatste jaren ook nog eens steeds uitgesprokener volkomen onbetrouwbaar in de polder zijn gebleken. Dat is opmerkelijk.

Het is alsof de media hebben besloten dat alles wat de werkgevers doen welgedaan is en dat iedereen die hen daarbij een strobreed in de weg legt een azijnpisser is. Nou vooruit, als de president van de DNB roept dat de lonen omhoog moeten zijn de media de beroerdste niet en gaan op zoek de redenen waarom dat niet gebeurt. Dat er veel meer werklozen zijn dan officieel geteld, bijvoorbeeld, en dan weten we dat je het ministerie en het CBS wel, maar de markt niet voor de gek kunt houden en als je het over de markt hebt weet je weer dat de werkgevers daar in hun rol als ondernemers dichter op zitten dan de werknemers en hun bonden.

En bovendien, die president van de DNB zegt dat niet uit liefde voor de werknemers, hij zegt het uit liefde voor het monetair beleid van de ECB. want zo lang daar de inflatie maar niet oppikt moeten de werknemers het maar doen. Die geven hun geld wel uit, zeker als je jaren niets erbij hebben gekregen. En daar zijn ze voor, voor de klusjes, ook voor de klusjes van DNB/ECB. Je had ook kunnen aandringen op enig helikoptergeld van de ECB natuurlijk, al was het maar als voorschotje op de rekening van de vele schulden die de banken allemaal dankbaar hebben doorgesluisd naar de ECB (en als er rekeningen betaald moeten worden is de ECB van ieder van ons) en waarvan ongetwijfeld gaat blijken dat die deels volstrekt waardeloos zijn, maar daar beginnen we niet aan.

Gratis is geld is er voor de banken, gratis is geld is er via de staatshuishouding steeds meer voor de bedrijven, maar gratis geld voor de burgers, nee voorwaar, dat kan niet en het kan om dezelfde redenen niet dat een basisinkomen niet kan.

7 september 2017

=0=

 

 

Hegemonie

Dat de ideeën van hen die heersen een grotere kans maken de heersende ideeën te worden dan de ideeën van hen die niet heersen is een idee dat heersenden en niet-heersenden vermoedelijk wel kunnen delen. Marx schreef het al op tamelijk jonge leeftijd op en hij heeft die gedachte nooit losgelaten. Dat was verstandig van hem. Hij wist dat heersende ideeën en goede ideeën mijlenver uiteen konden liggen en van die ruimte maakte hij gebruik om met zijn ideeën de heersende ideeën te bestoken (hij noemde dat zijn ‘kritiek van de politieke economie’) en de niet-heersenden op nieuwe ideeën te brengen. Een meer dan loffelijk streven waar ik tot en met de dag van vandaag alleen maar mijn waardering voor kan uitspreken. Om het dubbelzinnig te verwoorden: dat zouden meer mensen moeten doen!

Het kon niet uitblijven dat de ruime aandacht die Marx voor economie had aan twee soorten behandeling zou worden onderworpen. De eerste behandeling werd de grondslag (ik zou ook basis kunnen zeggen; dat laat ik na want het leidt maar tot misverstanden) voor wat daarna ‘marxisme’ werd genoemd. Toen Marx daar op werd aangesproken zei hij bedaard dat hij geen marxist was maar voor echte adepten is dat geen beletsel. Zo kregen we marxisten en marxisme en marxistisch, een beetje zoals we christenen, christendom en christelijk hebben. Leuk, maar weinig productief omdat het enige waar je het over oneens kunt zijn de lezing van de leer betreft en exegeses ontdekken geen nieuwe werelden, exegeses leggen de bestaande werelden uit en hopen dan dat wij daarop zullen antwoorden: ja verdomd, zo had ik er nog nooit tegen aangekeken, nu valt het kwartje, de schellen zijn me eindelijk van de ogen gevallen, en meer van dat type ontboezemingen. Troostend ongetwijfeld maar van die troost kan ik geen koffie drinken.

Het is het soort troost waar het zich luidruchtig breedmakende betoog over ‘cultuurmarxisme’ het van moet hebben. Dat een dergelijk betoog bij Theodor Adorno als een kenmerkend voorbeeld van ‘Halbbildung’ zou worden opgevat (opvallende voorbeelden van Halbbildung in Nederland zijn Thierry Baudet en de verbazingwekkende, gisteren in Buitenhof te bewonderen, Sid Lukkassen) verklaart de haat tegen Adorno in de kringen die zich afzetten tegen het door henzelf geschapen monster van het cultuurmarxisme. Dat brengt me bij het tweede soort behandeling waar ik het over had.

De tweede behandeling had als vertrekpunt dat al die aandacht voor economie heel goed en juist was (liberalen delen met marxisten de overtuiging dat ook niet veel meer nodig is en dat daarin dan ook de zin respectievelijk onzin van de heersende, tegenwoordig neo-liberale, ideeën gezocht moet worden), maar dat we voor een goed begrip van wat heersende ideeën zijn nog wel wat meer nodig hebben. Toch, die kritiek van de politieke economie van Marx is een ideeënkritiek, een kritiek op heersende economische ideeën. Is vandaag de dag ook nodig, zelfs meer dan ooit nodig. Maar economische ideeën zijn geen politieke ideeën, geen ethische, geen culturele, geen strafrechtelijke, geen pedagogische en didactische, geen religieuze ideeën enzovoorts. Die gaan hun eigen gang, die hebben hun eigen ontwikkeling en hoewel ze elkaar beïnvloeden moet je vooral niet denken dat je ze tot elkaar kunt reduceren, of op één noemer brengen, zelfs niet als het de noemer van het cultuurmarxisme is.

In het zogenaamde austro-marxisme werd de nodige plek ingeruimd voor al die niet-economische ideeën. Hat austro-marxisme ging vooraf aan de stroom van ideeën over cultuur en de strijd om hegemonie van Antonio Gramsci, de Italiaanse communist die veelal door geleerden als Lukkassen en de zijnen als de bron en van het cultuurmarxisme wordt gezien. Daar klopt weinig van.

Lukkassen weet niet heel goed waar hij het over heeft maar mocht hij daarmee worden geconfronteerd dan weet hij daar feilloos de cultuurmarxistische hegemonie in te ontdekken, de hegemonie waar onze monoculturele droom onder wordt verpulverd – tenzij we er als de bliksem in slagen het multiculturele juk af te werpen, het juk dat ons is opgelegd door een groezelig genootschap van homo’s en andere lesbo’s, van linksen (te beginnen die van jaargang 1968), van communisten, van cultuurrelativisten en overige post-modernisten, van zwarten en andere negers, van wegkijkers en andere blinden. Wij, critici van het cultuurmarxisme, eisen de ons ontfutselde hegemonie weer op, goedschiks als het kan, kwaadschiks zoals het vermoedelijk moet gaan. Dat is de toon van de critici van het cultuurmarxisme, het is een schrille toon en de toon die de muziek maakt. En zeg nou zelf, hegemonie is in kwesties van cultuur, religie, filosofie, opvoeding en andere terreinen van ideologische klassenstrijd toch de term die door Gramsci in het spel is gebracht?

Nou dan.

4 september 2017

=0=


Personen en zaken

Afgelopen vrijdag trof ik op de site van De Correspondent een fascinerend interview aan met rechtsfilosoof Britta van Beers. Thema: personen en zaken. Vraag: wanneer is een embryo een persoon, wanneer een zaak (en indien een zaak: wat voor een zaak) en hoe zit het met de afgrenzing van persoon en zaak?

Een embryo was vroeger deel van de aanstaande moeder. Nu is het vrijwel ononderscheidbaar van een product (een ‘halffabrikaat’, zegt Van Beers op een gegeven moment) waar je aan kunt werken en dat je kunt bewaren, dat je kunt onderscheiden in meer of minder wenselijk en waar je vervolgens uit kunt selecteren welk embryo teruggeplaatst wordt en welk niet, nu is het een product waar je in de hybride variant ook nog mens/dier combi’s mee kunt uitproberen, en waarmee je – in de synthetische variant – zelfs uitsluitend voor experimentele doelen kunt knutselen. De laatste twee zijn wettelijk nog ver weg, maar technologisch allerminst. Ze zouden daar in de formatie van een nieuw kabinet wat meer aandacht voor moeten opbrengen, zegt Van Beers die de uitruil van euthanasie en embryo (tussen CU en D66) maar een goedkope koehandel vindt.

Het begin en het einde van een leven zijn te goed voor kleinzielige ruilhandeltjes tussen politici die onmachtig blijken de taken waar ze voor zijn uit te voeren. In dit geval: accepteren dat geen enkel ‘feit’, geen enkel wetenschappelijke ontdekking of geen enkel geslaagd laboratoriumexperiment het probleem van de waarde van het leven gaat oplossen.

Eén van de belangrijkste waarden die we hebben is het onderscheid van feiten en waarden. Dat onderscheid staat voortdurend onder druk, zeker in de politiek, en het aantal stemmen dat het een waardeloos onderscheid vindt neemt toe en het volume van die stemmen zwelt aan. Dat kan, het onderscheid zelf is immers in eerste instantie een waarde, en over waarden kunnen en moeten we twisten. Je kunt het onderscheid uiteraard ook van de feitenkant aanvliegen (bijvoorbeeld door op de enorm gestegen technologische kennis en kunde te wijzen), en dat kan de druk op de complexiteit van de waardenkant vergroten (wanneer is artificieel leven voor ons ‘echt’ leven met alle rechten en plichten vandien, bijvoorbeeld), maar dat zal de noodzaak van een waardendebat eerder onderstrepen dan overbodig maken. Van Beers roept op, terecht zou ik zeggen, tot een breed publiek debat – niet tot de omertà van een viertal met elkaar onderhandelende politiek partijen.

Hoe breed dat debat moet zijn hangt niet alleen af van de deelnemers maar ook van de thema’s want op het vlak van zaken en personen zijn er nog wel meer noten te kraken. Ik denk aan draagmoederschap, en aan de verhandelbaarheid van organen, zowel die uit donatie verkregen als die, die op de één of andere en al dan niet verhulde marktplaats worden gevraagd en aangeboden. Als een embryo als een zaak behandeld kan worden, geldt dat dan in principe voor elk ongeboren kind? Indien ik mijn organen mag verhandelen, geldt dat dan voor alle organen, ook die waarvan ik er maar eentje heb? Is het wachten in dat geval op nog weer nieuwe medische en biologische technologie of wachten we al veel te lang op dat onontbeerlijke publieke debat van Van Beers?

Zij zegt dat juridisch gezien een zaak ‘elk voor de menselijke beheersing vatbaar, stoffelijk object’ is en dat het onderscheid van personen en zaken teruggaat tot aan het Romeinse recht. Met zaken mag je alles doen, met personen daarentegen mag je lang niet alles doen – daarom schrikken we en roepen de wet in als dat wel gebeurt. Vaak was de moraal beter dan het recht: of de slaaf een zaak is roept, ongeacht de juridsiche inbedding ervan, altijd wat verlegenheid op, wat gekuch en geslik, wat gejamaar en wat enerzijds/anderzijds verzuchtingen. Nu, daar gaan we in de toekomst nog veel meer voorbeelden van krijgen, met het embryo-voorbeeld voorop: als een embryo steeds meer een zaak is, als je er in principe handel in kunt drijven terwijl het embryo zich even later als een heus persoon ontpopt dan hebben we twee vragen. De eerste is wanneer uit de zaak van het embryo een persoon wordt in de gedaante van een mens, de tweede is wat is, in het geval van menselijk leven, nog het onderscheid tussen persoon en zaak?

De juridische omschrijving van een zaak is knap stoffig en hoe meer je hem afstoft hoe stoffiger hij oogt. De toepassing van het zaakbegrip op het embryo toont inderdaad aan dat een embryo totaal verzakelijkt kan worden en in plaats van dat we daar een bevestiging in zien van de juistheid van de juridische zaakomschrijving, zien we er de noodzaak in van een nieuw zaakbegrip en een nieuw persoonsbegrip, want ze horen juridisch bij elkaar zoals de klok bij de klepel hoort.

Of, ik suggereer het met enige schuchterheid en tegelijk met grote zekerheid, zoals de arbeidskracht hoort bij de natuurlijke persoon. En de vraag is dan, als dat zo is, wat dat voor een rare constructie is waarin ik als persoon beschik over de zaak van mijn arbeidskracht, waarin ik die zaak echter niet kan losmaken van, of ‘objectiveren’ ten opzichte van, mijn persoon en dat ik, hoe zakelijk ik ook met mijn arbeidskracht omspring, diverse dingen niet mag doen met die zaak (ik mag me niet verkopen want dat is slavernij, ik mag alleen contracten tekenen die ook weer ontbonden kunnen worden).

In het arbeidsrecht wordt, ten aanzien van de werknemer, uitdrukkelijk bepaald dat deze een natuurlijk persoon is – daarom mag de werknemer zich ook niet eigener beweging laten vervangen. Bij zzp-ers ligt dat anders want een zzp-er kan zich wel laten vervangen, althans in principe, hoewel je het aantal opdrachtgevers niet mag uitvlakken dat deze zzp-er wil en niet zijn vervanger en zij het dat het daarom niet mag worden uitgesloten dat het de verzamelde werkgevers/ondernemers en opdrachtgevers, verenigd in VNO-NCW, lukt ook voor zzp-ers vast te laten stellen dat vervanging niet hun beslissing is maar die van de opdrachtgever. Ze hebben hun wensen aan de formerende partijen al voor de verkiezingen kenbaar gemaakt en het zou me niets verbazen als we over niet al te lange tijd een regeerakkoord krijgen aangeboden waarin met leedwezen de euthanasie op de werknemersstatus wordt aangekondigd en met grote blijdschap de geboorte van een zzp-embryo dat voor elke zaak geschikt is.

Ongehoord? Welnee, bij het vermakelijke onderwerp van het intellectueel eigendom kunnen we voldoende aanwijzigingen vinden hoe je objectivering van menselijke vermogens en de onmiddellijke juridische vervreemding ervan zo gecompliceerd kunt maken dat alleen duur betaalde advocaten er nog wijs uit kunnen worden.

Ik schrijf ‘gecompliceerd’, niet ‘complex’ want het heeft met complexiteit even veel te maken als een bankdirecteur met derivaten. Geen complexiteit dus, maar complicering. Complicering is niet te onderscheiden van vertraging en van vergroting van de kans op fouten en onzuiverheden bij elke nieuwe complicatie die zich aanbiedt en geloof me – het aanbod van complicaties is betreurenswaardig groot. Welke van zijn eigendom verloste intellectueel is in staat jarenlange en uiterst kostbare rechtszaken te voeren tegen een onderneming die veel machtiger is dan hij, die hem het leven en de arbeid onmogelijk kan maken? Bovendien, hij is er toch al lang voor betaald en hij had er toch bij het aangaan van het contract voor getekend?

Daarna is het slechts een kwestie van tijd voordat de echte euthanasie en de echte embryo-kwestie het keurslijf van de vervangbare/onvervangbare arbeid krijgen aangemeten.

3 september 2017

=0=

 

 

Spelbreker

In het nieuwste nummer van de VPRO-gids vind ik een column van Arnon Grunberg. Aanbod is het opschrift en de ‘conventionele’ gedachte is volgens Grunberg dat als ergens vraag naar is het met het aanbod wel in orde zal komen. Vervolgens somt hij een aantal situaties op waarin die gedachte niet wordt bewaarheid.

De conventionele economische gedachte waarmee ik een halve eeuw geleden aan de UvA werd opgescheept en opgevoed was precies omgekeerd: het aanbod schept z’n eigen vraag. Dat was een gedachte, een ‘wet’, die werd toegeschreven aan een Franse econoom die hem opstelde aan het begin van de 19de eeuw. De econoom heette Jean-Baptiste Say en de wet de ‘loi des débouchés’, de wet van de afzetgebieden of -mogelijkheden. Volgens die wet was een algemene economische crisis onmogelijk, dus als je per ongeluk met enige regelmaat op een heftige economische crisis werd getracteerd dan lag dat aan je eigen slechte begrip van de wereld, niet aan de theorie. En het lag aan de feiten natuurlijk maar dan gaat de oude regel op dat als de feiten niet stroken met het idee dat des te erger voor de feiten is. En voor hen die met die feiten moeten leven.

Het misverstand van de wet van Say was dat hij het geld even was vergeten. Hij had een argument in termen van een ruil in natura (bijvoorbeeld: om dit te kunnen aanbieden heb ik van jou een beetje tijd en moeite nodig, dus biedt dat aan, en in ruil krijg je van mij een stukje van mijn aanbod, als dat er mede door jouw hulp gereed is gekomen) en zijn stilzwijgende veronderstelling was dat de toevoeging van geld geen verschil zou maken. Over de wet van Say is de huidige wetenschap een beetje stil gevallen (niet helemaal overigens), maar over de overbodigheid van het geld heerst nog altijd een verontrustende eenstemmigheid.

Ook de huidige economische wetenschap onderwijst economie alsof het één grote ruilhandel is waarin het geld niets meer is dan een sluier – trek die er vanaf en je hebt het zuivere plaatje. De economische wetenschap volhardt in de misvatting dat we voor het goede begrip van de economie van de rol van het geld mogen afzien. Het compliceert maar en het is zo eenvoudig. Niettemin, introduceer het geld – en daarmee de mogelijkheid van het sparen en niet-direct uitgeven van je geld – en de wet van Say ligt op z’n gat, want voor je het weet zijn de spullen van de aanbieder bedorven of uit de mode. Net zoals het economie-onderwijs bedorven is en, inderdaad, heftig uit de mode.

Laat elke economie-docent uitleggen waarom het geld een spelbreker is. En vervolgens met de leerlingen aan de slag gaat om een realistisch in plaats van een leugenachtig beeld van de economie te schetsen. Slechter dan het huidige beeld kan het niet worden. Goed, het is een test, een spelbrekertest, en omdat garanties ook in onze nieuwe economie niet worden gegeven kun je ervoor zakken. En slagen, dat kan ook. Wie voor die test slaagt heeft recht op een forse salarisverhoging en een vaste aanstelling. Wie voor die test faalt wordt ontslagen en moet op kosten van het UWV een schriftelijke cursus zindelijk redeneren volgen. De eindtoetsopdracht is simpel: leg uit waarom de wet van Say nonsens is. Ministers en staatssecretarissen, bankiers en ondernemers hoeven de test niet te maken. Van hen wordt niet meer geëist dan dat ze geloven in de economie, en vooral niet dat ze er iets van begrijpen, zeker niet als dat begrip verder zou moeten gaan dan het begrip van de ruilhandel dat ze, hoe treffend, al met de paplepel ingegoten hebben gekregen en dat hen aan de positie heeft geholpen die ze nu hebben.

De eisen aan hen die hen zullen opvolgen zijn nog niet bekend gemaakt.

1 september 2017

=0=


Uniek

Twee elementen zijn uniek voor Rotterdammers, zei burgemeester Aboutaleb gisteren tijdens een lezing voor de leerlingen uit de hoogste klassen van het Emmauscollege ‘met filosofie of maatschappijwetenschap in het pakket’. Uniek is dat Rotterdam door bombardementen fysiek getroffen is in de Tweede Wereldoorlog en uniek is ‘de haven waardoor de stad heel internationaal is’.

Maar goed dat er geen leerlingen met ‘geschiedenis in het pakket’ waren uitgenodigd, denk ik dan, en dat denk ik opnieuw als Aboutaleb zijn bewondering belijdt voor Mandela, na diens vrijlating wel te verstaan, niet de Mandela van Umkhonto we Sizwe (de Speer van de Natie), de gevechtsorganisatie waarmee het ANC de wereld kenbaar maakte dat het apartheidsgeweld van de overheidsmoordenaars van Sharpeville (1960) beantwoord zou worden met tegengeweld. Mandela raakte ruwweg drie decennia van zijn leven kwijt aan gevangenschap als gevolg van zijn arrestatie vanwege zijn leidende rol in Umkhonto we Sizwe en in het ANC, dat bovendien als zodanig illegaal werd verklaard. Ik zou de burgemeester in de toekomst aanraden iets minder lichtzinnig, slordig en a-historisch met de geschiedenis om te springen. Ik bedoel, je kunt van je neiging van geschiedenis voornamelijk moraliserende geschiedenis te maken ook te uitbundig gebruik maken en dat is noch goed voor de geschiedenis, noch voor de moraal.

Ik weet niet waarom, maar mij irriteert dat complexe geschiedenissen op deze manier door Aboutaleb worden teruggebracht tot praatjes voor de vaak. Rot toch op, zeg ik dan maar, de goede man bij het woord nemend.

Daarom, een gratis module ‘vaderlandse geschiedenis’ voor het Emmauscollege, en voor de burgemeester trouwens, om goed te maken wat de burgemeester even was vergeten. Let goed op jonge burgers-in-opleiding en let goed op, altijd leergierige burgervader: uniek aan de joden is het ongelukkige bezit van twee elementen. Uniek in de eerste plaats is dat ze fysiek ongelooflijk zwaar te lijden hebben gehad in de Tweede Wereldoorlog, nog oneindig veel zwaarder dan Rotterdammers en als je bedenkt dat er ook joodse Rotterdammers waren kun je op je vingers natellen hoe zwaar dat wel niet geweest moet zijn en dat niet alleen fysiek maar ook psychisch, en uniek in de tweede plaats is dat ze zelfs in die beroemde internationale havenstad geen eigen haven hadden zodat ze nergens naar toe konden vluchten en ze te grazen konden worden genomen wanneer het de fascisten en anti-semieten, de nazi’s en de NSB-ers en de meelopers maar uitkwam, wanneer die er zin in hadden of er juist de pest in hadden, of wanneer die een uitweg zochten voor hun arbeidsvreugde, arbeidsdiscipline en arbeidsijver onder het motto dat hun uitweg elke uitweg voor de joden blokkeerde, en dat kon allemaal omdat de joden geen haven hadden en ze hadden geen haven omdat ze er toen en nu van verdacht worden dat ze overal en nergens thuishoren, dat ze zo internationaal zijn dat geen enkele natie ze voor vol aanziet en ze volledig accepteert.

Allemaal geschiedenis hoor, het was toen en toen was toen en nu is nu en nu is anders want we weten dat de joden zo verstandig zijn geworden in elk geval één eigen haven te stichten waar ze altijd naar toe kunnen en welkom zijn. Ja, dat roept her en der best wat jaloezie op want hier wonen en daar welkom zijn, dat zouden we allemaal wel willen, en nu we het er toch over hebben wonen er bij ons ook nog tal van andere lieden die behalve hier nog een haven elders hebben en ondertussen zitten wij, Rotterdammers, met een haven waar iedereen mag aanmeren en weer vertrekken en waar wij zelf niet uit wegkomen. Is het wonder dat we af en toe ‘rot toch op’ roepen?

31 augustus 2017

=0=


Openbaar

Naar ik vermoed is het voor VVD-ers onmogelijk te onderscheiden tussen openbaar in de zin van alles wat niet-privé is en openbaar in de zin van alles wat publiek gefinancierd is.

In het eerste geval is een school op religieuze grondslag, ongeacht de financiering, zo openbaar als maar kan, in het tweede geval is diezelfde school, indien privaat gefinancierd, niet openbaar maar privé. Het zal niet verbazen dat een beetje VVD-er voor openbaar in de tweede betekenis, die van de publieke financiering, kiest. Dat levert grote problemen van rechtsongelijkheid op want iets wat verboden is op plek V en toegestaan op plek D is een recept voor ellende. Dan heb je al snel nog een V nodig, die van het Volk, om wat krom is recht te praten en ja hoor, ook in die V voorziet de VVD.

Ik doel op een ingezonden stuk van Amsterdams VVD-raadslid Samira Bouchibti in het Parool van gisteren (De wet kan salafisme strenger bestrijden). Ze is geen vriendin van het salafisme en ze is vast van plan om het de salafisten moeilijk te maken. Dat verdient ondersteuning, geen twijfel aan. De vraag is alleen hoe en precies bij die vraag moet de VVD zich in ongeloofwaardige bochten wringen.

Hoe definieer en benader je ‘openbaar’ en hoe ga je om met financieringspraktijken die het onderwijs aan de openbaarheid onttrekken? Nu, aan wat publiek gefinancierd is kun je in elk geval publieke eisen stellen en, zo schrijft ons raadslid: ‘[d]us mag in het openbaar onderwijs geen onderscheid gemaakt worden tussen meisjes en jongens.’ Daar klopt natuurlijk niets van want het gros van het religieus geïnspireerde onderwijs is ook publiek gefinancierd en dus mag ook daar geen onderscheid gemaakt worden tussen jongens en meisjes.

Ik heb in mijn jonge jaren uitsluiteind openbare scholen bezocht en geloof me, die stonden stijf van het onderscheid tussen jongen en meisjes. In niet-openbare scholen (die in mijn versie van het verhaal wel degelijk openbare scholen zijn wat ze er zelf ook van mogen vinden, want het onderscheid openbaar/privé is een publiek onderscheid, is een door de openbaarheid gedefinieerd en gehandhaafd onderscheid) was het niet anders. Dat leidt tot de volgende vraag die voor mij heel moeilijk is maar die voor Samira niet eens een vraag is: hoe maak je geen onderscheid als je het onderscheid nodig hebt om geen onderscheid te maken?

Hoe doe je dat, Samira? Ik ben bang dat het voor Samira geen probleem is omdat zij het alleen gemunt heeft op scholen die gewoon zeggen en uitvoeren dat ze dat onderscheid maken en niet op scholen die daar liever Sire voor inschakelen zodat ze het onderscheid kunnen herstellen en toch beweren dat ze het onderscheid respecteren door het niet te maken.

In dit land is veel mogelijk als je er geduld voor hebt. Samira en de VVD hebben geen geduld. Maar toch wringt het en het gaat zelfs stinken als we weten dat we een mantel der liefde hebben waaronder we veel, maar niet alles, kunnen wegstoppen, zodat je moet kiezen wat je wegstopt – en kiezen is politiek, zeker met een Grondwet die onderwijsvrijheid en godsdienstvrijheid belooft, en dat juist van wege de kans op conflicten tussen de diverse aanhangers van de vrijheden die elkaar onder omstandigheden te vuur en te zwaard bestrijden en dat in het verleden niet alleen metaforisch maar ook letterlijk deden. Dan is een Grondwet als het nieuwe ‘letterlijk’ zo slecht nog niet. Dat er, daarnaast, privé-onderwijs bestaat en er ook nog privé-scholen zijn die elk onderscheid mogen opkopen en opknopen leidt opnieuw naar politici die moeten kiezen en dan niet de Grondwet maar naar zichzelf moeten wijzen. Of bedoelt onze Samira dat er een artikel in de Grondwet moet komen dat privé-onderwijs en privé-scholen verbiedt? Nee toch?

Samira wil van de Grondwet een instrument en zonodig een wapen maken, in plaats van een oproep tot gesprek. Daarvoor brengt ze artikel 6, dat twee leden kent, in stelling: ‘1. ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet; 2. de wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.’ Haar lezing van het tweede lid van artikel 6 is opmerkelijk en geeft blijk van een wetsbegrip waarin niet de wet de praktijk richt maar de praktijk de wet. Ik noem dat de neoliberale wetsuitleg en wetsopvatting. Dat gaat zo, bij haar: ‘[h]andhaven van het tweede deel van artikel 6 van onze Grondwet betekent concreet dat buitenlandse financiering van Nederlandse moskeeën verboden moet worden. En dat moskeeën die niet meewerken aan onderzoek en (financiële) jaarverslagen gesloten worden.’ Als het niet ter zake doende is dan moet het maar afdoende zijn, zal Samira gedacht hebben.

Moeten we om de verschrikkelijke Saoedi’s buiten de deur te houden nu ook al de Grondwet inleveren door elk onderscheid tussen binnen en buiten aan de willekeur van Samira uit te leveren? Is enige politieke moed van een VVD-premier bijvoorbeeld dan niet veel voor de hand liggender? Is een verbod op zakelijke transacties met Saoedi-Arabië niet de eerst aangewezen weg die we moeten bewandelen? Of zijn we dan bij de sector privé aangeland waarvan de VVD vindt dat je daar je handen thuis moet houden en als het erop aankomt liever het recht van de Grondwet dan de wet van de handel verkwanselt? Samira? Mark? En jij Frits, jij die altijd alles weet en alles op de maat van de markt, het contract, het individu, het private wil snijden en de sterke publieke arm van wet en orde daarop wil aanpassen, wat vind jij?

Ik zie het stuk van Samira Bouchibti als symptomatisch voor een al langer bestaande tendens om de openbaarheid te privatiseren, te beginnen met het definiëren van wat openbaar is en wat niet. Soms, ik denk aan de gretigheid waarmee gemeentebesturen elk stukje stoep en plein verpatsen aan horeca-uitbaters en ik denk aan bezoekers van het Vondelpark die hun eigen feestje hebben op een door henzelf afgebakend stukje gras, soms loopt de praktijk voor op de bepaling maar dat kan alleen maar, denk ik, omdat de overheid de openbaarheid met opmerkelijke gelatenheid laat verkommeren. Om er beter van te worden. En om ervan te schrikken als de dreiging van terreurdaden opduikt. Zoals de schrik van Samira illustreert en zoals ik weer schrik van de schrik van Samira vanwege haar bereidheid een loopje te nemen met de Grondwet en zijn betekenis.

Waarschijnlijk krijgen we binnenkort een kabinet dat elke openbaarheid zal privatiseren (VVD en D66) dan wel aan het ‘maatschappelijk middenveld’ zal overdragen (CDA en CU). Dan kan Samira haar plannen om de salafisten dwars te zitten tot uitvoering proberen te brengen, dan kan de handel met Saoedi-Arabië ongestoord doorgaan en dan kan de onderwijsvrijheid à la Néerlandaise gehandhaafd blijven. Ik zie er nu al naar uit.

30 augustus 2017

=0=

 


Immigrationist

Toen ik het woord ‘immigrationist’ las moest ik denken aan een immigrant die in het land waar hij terecht kwam zo goed uit de verf is gekomen dat hij meende iedereen die ongelukkig is op zijn huidige plek aan te moeten raden te doen wat hij deed: de stap naar immigrationist zetten. Doe als ik! Blijf niet zitten waar je zit, alleen omdat je er zit. Kom in beweging, migreer, wordt immigrationist!

Maar als ik Sylvain Ephimenco (De paus is een immigrationist die een onbeperkt toelatingsbeleid wil, Trouw 29 augustus 2017) lees begrijp ik dat zijn verhaal – het verhaal van een man die hier kwam, die goed gebekt is, en goed geboerd heeft – precies de andere kant op wijst. Een immigrationist is geen tevreden immigrant, het is de welgedane kosmopoliet die, verzekerd van eigen huis en haard, huis en haard van anderen te grabbel gooit, die van traditie, normen en waarden, zeden en gewoonten niet wil weten, die alle grenzen wil openen omdat grenzen beperkingen opleggen en de kosmopoliet geen beperkingen erkent, en om te beginnen geen beperkingen aan zichzelf oplegt. De paus, zo begrijp ik, is een immigrationist, Ephimenco een anti-immigrationist.

Ephimenco, die zijn klassieken kent, houdt de paus de woorden van Jezus voor: geef Caesar terug wat van Caesar is, en geef aan God wat van God is. Ephimenco leest in die uitspraak, onbekommerd anachronistisch, een prelude op de scheiding van kerk en staat.

Ik geloof meer in de lezing dat de uitspraak de beslissing van Jezus weergeeft om zich niet voor het karretje van provocateurs te laten spannen (de vraag aan Jezus was of je wel of geen belasting moet betalen aan de keizer).

Ephimenco klaagt de paus aan omdat deze de deur zelfs dan open wil zetten als het huis al overvol is. Dat is een provocatieve lezing van de stellingen van de paus. De paus stelt dat bestaande belangen niet altijd voorrang hebben op individuele nood. Dat is hetzelfde als de oude regel dat bij verdrinkingsgevaar hulp verplicht is voor iedereen die kan zwemmen. Ephimenco kan best zwemmen, het gros van de bevolking kan zwemmen, en dat degenen die niet kunnen zwemmen altijd degenen zijn aan wie gevraagd wordt in het water te duiken als er een probleem is – dat is het schandaal, en niet de reddingsregel. Het is zo lui, zo reactionair en zo gemakkelijk en goedkoop dat te vergeten en je te verschuilen achter de belangen van de ‘autochtone bevolking’ zoals Ephimenco doet. Een steeds relleriger man, onze Ephimenco.

Ephimenco houdt graag wat van hem is en voor de anderen heeft hij niets over.

29 augustus 2017

=0=

 

 

Het beeld op zwart

Onpartijdigheid is een deugd die in de politiek niets te zoeken heeft. Politiek is partij kiezen en onpartijdig partij kiezen is een vaardigheid die we de rechter toevertrouwen, en onze ouders als we geluk hebben gehad. In de politiek moet je niet liegen en niet bewust de zaken verdraaien, maar dat heeft met onpartijdigheid alleen in zoverre iets te maken dat je gemakkelijker liegt en draait als je partijganger bent. Wanneer Fleur Agema en Thierry Baudet beiden van mening zijn dat zij onpartijdig oordelen over een door hen partijdig bevonden documentaire dan houden ze zichzelf en ons voor de gek. Nu is het leggen van een partijdige claim op onpartijdigheid Baudet al vanaf zijn volstrekt partijdige proefschrift goed afgegaan en daarom mogen we in alle onpartijdigheid beweren dat Baudet alles kan roepen, alles ook al heeft geroepen en alles zal blijven roepen (daarin meestal bijgestaan door zijn promotor van weleer, Paul Cliteur) en tegelijk van mening kan blijven dat wat hij roept onpartijdig is. Ook hier wordt hij regelmatig begeleid door Cliteur. Met de partijdige onpartijdigheid van Agema ligt het anders. Haar onpartijdigheid is niet van haar maar van Wilders – en dat maakt de zaak van haar onpartijdigheid er niet beter op. Ik druk me beleefd uit.

De steen des aanstoots is een documentaire over Jesse Klaver, gemaakt door Joey Boink, tot voor enkele maanden ‘beeldvoerder’ van Klaver, en een goeie ook want alom wordt de verkiezingswinst van Groen Links mede op het conto van Boink geschreven.

Je zou denken dat Boink, die maanden heeft meegedraaid in het campagneteam van GL, beter dan wie ook in staat zou zijn een documentaire over Klaver te maken. Nee dus, juist omdat Boink eerder samenwerkte met Klaver en omdat het filmmateriaal ook stamt uit de periode van die samenwerking, die behalve zakelijke ook steeds meer sociale (samen sporten) en zelfs persoonlijke (op de drempel van vriendschap staan) kleuren aannam, is de documentaire niets dan verkapte propaganda voor Groen Links. Agitprop, maar dan zo lief dat het wel geniepig moet zijn. Is het zo? We mogen niet uitsluiten dat het zo is. We mogen er echter zeker niet van uitgaan dat het zo is, zoals de Telegraaf, Baudet en Agema op grond van beweringen en aantijgingen wel doen. Ik zou denken dat ik, gelet op dit weinig verheffende gezelschap, eerder tot de conclusie zou neigen dat zich hier een nieuw kartel aan het vormen is, het kartel dat ik voorlopig het smurriekartel noem en dat ik zeker niet het voordeel van de twijfel zou gunnen. Dat voordeel zou in mijn geval altijd naar Joey Boink uitgaan, de regisseur die er zelf nooit een geheim van heeft gemaakt dat dit project een soort ‘embedded’ journalistiek is, een soort participerende observatie waarvan de risico’s beheersbaar werden geacht door aan de opdrachtgever (BNNVara) al het ruwe materiaal af te staan, door Groen Links volledig buiten de montage te houden en door de opdrachtgever de volledige eindredactionele verantwoordelijkheid te geven. De opdrachtgever zag, gegeven deze afspraken, dat een risico niet alleen een bedreiging is maar ook een kans op een bijzondere documentaire, juist door de betrokkenheid van de maker bij de film bij Klaver. Of dat zo is zullen we voorlopig niet te weten komen want BNNVara hebben alle mogelijkheden om de film uit te zenden nu geblokkeerd. En waarom? Omdat het lafbekken zijn.

‘BNNVara had scherpe afspraken gemaakt met documentairemaker Joey Boink over zijn film ‘Jesse’. Maar die kende omroepdirecteur Gerard Timmer niet tot in detail, zei hij zondag op Radio 1. Nu er ‘onbedoelde twijfel’ is ontstaan over de integriteit van de documentaire, vindt hij het beter om de film niet uit te zenden. Want “die twijfel moeten we met z’n allen niet willen als het over onze eigen betrouwbaarheid en onafhankelijke journalistieke positie gaat.”. Ik lees het en verbaas me. Ik lees ook dat omroepdirecteur Gerard Timmer zegt: ‘Maar we kunnen niet controleren op welke momenten hij de camera heeft uitgezet’.

Dit land geeft me een vieze smaak in de mond. Die had ik al door Telegraaf, Baudet, Agema en consorten en die heb ik nu ook door de lafheid van BNNVara en van scribenten als Hans Wansink in de Volkskrant. Grote woorden als objectiviteit, onafhankelijkheid en zelfs oprechtheid zijn gevallen – dat laatste uit de pen van Wansink. De Wouter tapes (door Wansink in alle objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid geheel oprecht in 2010 geplaatst – wat niet klopt maar voor accuratesse hebben we geen tijd meer bij de krant), dat was oprechte tv, echt iets voor de publieke omroep. Waarom? Omdat, zegt Hans, ze door ‘buitenstaanders’ waren gemaakt en dan is het goed. Ik verwacht binnenkort in de Volkskrant een serie met daarin een aanklacht tegen elke vorm van embedded journalistiek en tegen elke vorm van journalistiek waarin een journalist eerst contacten legt bij de groep, de gebeurtenissen en de verschijnselen waarover hij verslag wil doen. Laten we het de formule van Joris Luyendijk noemen, die volgens Wansink op de brandstapel moet. Ja, oprechtheid heeft een prijs.

In ons land wordt het publieke van het publieke bestel vernietigd door zendgemachtigden en pers. Recent is een school het werken onmogelijk gemaakt door een verzameling Pegida-aanhangers, nu wordt een documentaire afgevoerd omdat een aantal rechtse leugenaars is begonnen te schreeuwen en omdat de opdrachtgever BBNVara weerzinwekkend laf blijkt.

28 augustus 2017

=0=

 

 

Dwerg

Van de benaming ‘dwerg’ houden we niet en ook lilliputter ervaren we als denigrerend. Zeggen de mensen die wij als dwerg of lilliputter betitelen. Zelf noemen ze zich ‘kleine mensen’, zij het met die kanttekening dat je mensen hebt die klein zijn en kleine mensen die behalve klein nog een eigenschap hebben en wel dat ze de figuur van hun kleinheid te danken hebben aan een groeistoornis.

In Canada worden dezer dagen de wereldkampioenschappen voor ‘dwarfs’ georganiseerd; in ons land spreken we van het wereldkampioenschap voor kleine mensen. We lopen graag voorop, hoewel zelfs bij ons niet alle kleine mensen mogen meedoen. In andere landen ook niet, maar ik weet niet of die het ook over kleine mensen hebben of toch maar over dwergen. Hoe dan ook, Schotlands voormalige voetbaltrots Jimmy ‘de vlo’ Johnstone voldeed bijvoorbeeld om en nabij wel aan de lengte-eisen maar hij had geen groeistoornis. Hij was als iedereen maar dan klein uitgevallen. Hij was gewoon een klein opdondertje, net zoals Elinkwijks van Robin Hood overgenomen wondervoetballertje Charlie Marbach (die bij Elinkwijk van 1956-1959 speelde). Is er al een boek over Charlie? Een ongelooflijke balgoochelaar. En een tragische jongen. En klein, nog kleiner dan Frank Mijnals (ook al van Robin Hood) die in dezelfde tijd bij Elinkwijk speelde (met zijn beroemde broer Humphrey Mijnals, de eerste voetballer die van Robin Hood naar Utrecht toog).

Kleine sportmensen met grote sportprestaties genoeg. En aparte wereldkampioenschappen voor weer andere kleine sportmensen. Verschil moet er zijn. De moeilijkheid is dat we niet altijd even goed opletten en daarom soms verschillen wegpoetsen (noem ons maar ‘kleine mensen’) om ze even later en met veel omhaal van woorden weer in te voeren (nee, niet iedereen die klein is mag meedoen). We hebben taal om verschil te maken; het wordt niet altijd op prijs gesteld als je in de taal verschil maakt. Non-binaire personen houden niet van binaire verschillen zoals man/vrouw. Je hoeft er ook niet van te houden, je moet er talig iets mee doen. Hun oplossing bestaat er voorlopig in om met het oog op genderneutrale taal het sekseverschil talig onherkenbaar te maken, er talig niets mee te doen dus. Dat is armoe. Dat valt niet bij ieder binair persoon in even vruchtbare aarde. Ik hoop dat het ook bij de nodige non-binaire personen niet in vruchtbare aarde valt. Ik vraag me overigens af of ‘vruchtbaar’ wel een genderneutraal woord is. Dat zouden we eens aan de muilezels onder ons moeten vragen.

Om de aanzienlijke variëteit onder mensen te vieren hebben we steeds meer benamingen nodig, niet steeds minder. Er is veel te zeggen voor paraplu-termen waar we iedereen onder kunnen scharen. Zoals burger, reiziger, aanwezige, kijker, luisteraar, lezer, laat ik de lezer niet vergeten. Al die termen zijn er al. Maar onder die paraplu moeten vooral de verschillen aanwezig blijven en je bewijst de verschillen geen dienst door ze onder te dompelen in een moraliserende non-binaire saus waar niemand aanstoot aan zal nemen omdat de saus toch nergens naar smaakt en die desondanks en precies daarom aanstootgevend is.

Een dwerg is een klein persoon en niet elke kleine persoon is een dwerg. Ze zeggen het zelf, de dwergen en de andere kleine personen.

Overigens zijn unisex toiletten best een goed idee. Thuis weten we dat al lang, dus als ze die nu overwegen voor publieke ruimtes zijn ze aan de late kant – maar beter laat dan nooit.

3 augustus 2017

=0=



Bucketlist

‘Maak jij je nou voorlopig maar geen zorgen over je pensioen’ is de begeleidende tekst bij een cartoon van Peter van Straaten. We zien een vrouw die, gezeten op een bank naast een opengeslagen krant, haar arm beschermend om de schouder legt van een voor de bank staand jongetje van een jaar of tien. Tegen de hoek van de bank ligt, om de jeugd van het jongmens extra te onderstrepen, een knuffelbeer. Een moeder en haar zoontje, denk je dan, met een krant om de opdringerige wereld aan te duiden die ook de jongsten onder ons steeds vroeger en steeds explicieter bereikt.

De moeder heeft het bij het verkeerde eind. Wil je in de toekomst nog ergens op kunnen rekenen dan moet je zo vroeg mogelijk zelf aan het rekenen slaan. Zegt hoogleraar financieel management Dirk Brounen (NRC Handelsblad, 29 juli 2017). Je moet eens een begroting maken voor je geluk, zegt hij.

Hij is zelf het gelukkige voorbeeld van zulk geluk. Al op z’n tiende hield hij een boekje bij waarin hij noteerde wat hij had en wat hij uitgaf, ‘met grafieken en al’. Hij doet het nog en hij vergast zijn gezin eens per jaar op een uiteenzetting over hun financiële situatie. Als je droomt van een tuinhuis moet je weten wat een tuinhuis kost, leert hij zijn kinderen. Of je ook van mantelzorg kunt dromen en rekenen, en of je van persoonlijke en gezinsdrama’s kunt dromen en rekenen, dat staat er niet bij.

Toch jammer, want het zijn bij uitstek deze kwesties waarvoor de mensen ooit op de verzorgingsstaat dachten te mogen vertrouwen, niet om daar gelukkig van te worden maar om er niet nog ongelukkiger van te worden dan je al kunt worden door ziekte en pech en tegenslag. Brounen houdt ons een spiegel voor: de overheid, zegt hij in navolging van Rutte, is geen geluksmachine. Dat was behalve Rutte en tot Brounen ook niemands mening, maar waar het Rutte en Brounen om gaat is ook helemaal niet het geluk of ongeluk, het gaat hen om het principe van eigen schuld, dikke bult. Je hebt het aan jezelf te danken, suffie. Had je maar beter en eerder en vaker moeten rekenen in plaats van bij je moeder te gaan sippen.

In de verzorgingsstaat dachten de mensen slapend rijk te worden, in de tegenwoordige participatiemaatschappij moet je er zelf voor zorgen ‘nooit meer slapend arm’ (de titel van het financiële receptenboek boek van Brounen) te worden.

Het geval wil dat Brounen niet alleen als hoogleraar financieel management door het leven gaat maar ook als hoogleraar vastgoedeconomie, de sector bij uitstek waarvan elke vastgoedbezitter weet dat je daar in goede tijden hartstikke slapend rijk van wordt. En in slechte tijden? Dat hangt er van af maar wees ervan verzekerd dat het vastgoed een financiële managementstak heeft (met ook hoogleraren vastgoedeconomie annex financieel management op die tak) die ervoor zorgt dat de door de overheid geschraagde verzorgingsarrangementen voor financiën en financiering van vastgoed overeind zullen blijven. Door op het belang voor de economie te wijzen, door op het belang van de financiële sector te wijzen, door op de verwevenheid van private en openbare financiën te wijzen. De verzorgingsstaat is niet afgeschaft, alleen het publiek ervan is ingrijpend van samenstelling veranderd. Ik denk dat de arme studenten van Brounen dat niet te horen zullen krijgen, althans niet van hem.

Trouwens, de participatiemaatschappij heeft ook voordelen, zoals bijvoorbeeld dat je daarin je bucketlist beter kunt afwerken. Zegt Brounen. Toch, nu is het zo dat je vermogen mede door fiscale regelingen vaker wel dan niet vastzit (want belegd in je huis, belegd in je pensioenvoorziening). Dat moet anders denkt de financiële sector en dus Brounen. Het kan beter, en wat is nou beter dan al dat vermogen steeds opnieuw in circulatie te brengen, het (het zijn economen als Brounen die het beeld gebruiken) voor jou ‘aan het werk’ te zetten?

Stel je voor, je hebt én je huis én je overwaarde én dus je tweede huis en je tuinhuis én je gebruikt je pensioen al voordat je pensioen hebt en zo heb je het nu leuker of je belegt het bedragje en krijgt het iets later leuker en je krijgt ook nog een mooier pensioen. Kunnen we allemaal voor je regelen, maar dan moet je wel een beetje met ons meedenken want anders geef je ons nog de schuld als je van een koude kermis thuiskomt en dat willen we niet, wat we willen is dat als je van een koude kermis thuiskomt je hebt geleerd het aan jezelf te wijten. Het was je eigen participatie die de zaak in beweging bracht en daarom moet je niet zeuren als het zaakje mede door jouw bewegingen uit de bocht is gevlogen.

Hadden we niet nog maar kort geleden een financiële crisis die juist was veroorzaakt door al die schitterende producten die elk snippertje vermogen wisten los te weken uit hun huidige gebruik, het een ‘nieuwe bestemming’ gaven en toen het toch eenmaal bewoog het wisten in te zetten voor steeds nieuwere en veelbelovender soorten gebruik, net zo lang tot het een keer fout ging en de mensen die zich hadden laten verleiden tot al die schitterende producten uit de slaap begonnen te houden – zonder dat hen dat hielp in het tegengaan van hun verliezen?

Ja, dat was nog maar kort geleden en misschien moeten we met de kans op terugkeer daarvan meer rekenen dan met het gelukkige tuinhuis van Dirk. Had Dirk dat er niet bij moeten zeggen? Nu, laat ik dat eens zo zeggen. Laat ik zeggen dat het heel rationeel is dat Dirk z’n boek pas in 2017 uitbrengt en niet in 2007. Het is niet redelijk, het is zelfs uiterst onredelijk maar het is wel rationeel. Vanuit Dirk bezien dan en Dirk is econoom en hij kan het weten. Ik heb het wel eens meer beweerd, rationaliteit is iets heel anders dan redelijkheid en Dirk’s publicatiegedrag en, in het bijzonder, publicatietiming is er het treffende bewijs van.

Peter van Straaten kunnen we niet meer op onze bucketlist zetten. Dat zegt alles over de overbodigheid van bucketlists en niets over de onmisbaarheid van Peter van Straaten. Maar leg dat maar eens uit aan Dirk Brounen en the likes. Bij dit laatste, de likes, zal Dirk wel denken aan facebook maar nee, Dirk, het gaat nu even niet over facebook, het gaat over onvervangbaar verlies waarmee je wel rekening moet leren houden en dat je toch niet kunt berekenen om het vervolgens een plaatsje op je bucketlist te geven.

2 augustus 2017

=0=




Systeemperversie

Volgens Amsterdams burgemeester Van der Laan is het politieke systeem pervers. Hij leidt dat af uit het gedrag van politici die elkaar liever vliegen afvangen dan gezamenlijk te zoeken naar oplossingen voor lastige problemen. Daar heeft de burger niks mee, weet Van der Laan, met dat vliegen afvangen. Ik zou graag weten hoe hij dat weet (ik ben allergisch voor mensen die zeggen te weten wat anderen weten), maar ik zou nog veel liever weten wat hij verstaat onder dat politieke ‘systeem’ van hem.

Kennelijk dwingt dat systeem politici tot perverse handelingen of tot handelingen met perverse effecten op de burgers en wie weet ook op politici zelf, maar wat hier de wat is blijft raden. En omdat hij het op tv zei ben ik ook wel nieuwsgierig naar de invloed van de media op zijn systeem. Zijn de media waarnemers, verslaggevers, producenten, versterkers van de perversie? Zijn de media een deel van de omgeving van het systeem of zijn ze al opgerukt tot binnen het systeem zelf? Enzovoorts. Vragen die niet werden gesteld en die Van der Laan ook zichzelf niet stelde.

Het is met systemen als met elites. Spreek de woorden uit en je wenkbrauwen staan al in de frons-stand nog voordat je hebt kunnen bedenken waarom het niet deugt. Je hoort de politici fulmineren tegen de elite en je hoort ze afgeven op de dwingelandij van het systeem. Voor Trump-stemmers, PVV-ers en Brexiteers zijn, zalig zijn de cynici van geest, elites en systemen hetzelfde. Het deugt niet en alles wat niet deugt is hetzelfde. Dat komt goed uit voor Trump, Wilders en oom Boris want zo denken ze verkiezingen te winnen en, in het enkele geval dat ze die winnen, dan hebben ze nog eventjes een voorsprong op het volk dat hen koos. Tot de kiezer erachter komt dat het verwijderen van de elite helemaal niet hetzelfde is als het verwijderen van het systeem. Het systeem blijft even oneerlijk als het was en omdat in dit systeem, net als in de economie, niets even gelijk of ongelijk, even eerlijk of oneerlijk kan blijven spuugt het systeem resultaten uit die nog oneerlijker dan voorheen zijn en die de ongelijkheid nog groter maken.

In dat geval heb je geen ‘systeem’ nodig, je hebt een rechtsstaat nodig, de onzichtbare handdruk (dixit Ewald Engelen, maar over deze parafrase mijnerzijds een ander keer) van de agenturen en agenten van de trias politica, de stilzwijgende praktijk dat wat er ook gebeurt de regels van het zelfcorrigerende vermogen van de politieke, bestuurlijke en juridische instituties in ere worden gehouden. En nee, dat is bij Trump, Wilders en Boris Johnson niet in goede handen en ja, de rijen van hun gezelschap groeien snel aan en zeker, dat is linke soep. Voor je het weet hebben ze van het politieke bedrijf een systeem gemaakt dat geheel conform de verwachtingen van Van der Laan gedragingen oplegt, en dan zijn de poppen pas echt aan het dansen.

De rechtgeaarde populist zet zich, ten onrechte maar toch, af tegen de politieke klasse waar hij desondanks zelf bijhoort. Maar er is verschil want de andere leden van de politieke klasse zullen het politieke falen nooit in de politieke klasse zoeken. Ze zoeken het falen bij andere partijen en dat leidt dan weer tot het gekissebis waar Van der Laan zich zo over beklaagt en dat hij aan het systeem toeschrijft. Gisteren schreef ik al dat hij zich beter kan opwinden over de politieke klasse en vandaag doe ik het weer. De politieke klasse is niet het systeem waar Van der Laan zich tegen afzet, het is het milieu dat hem even natuurlijk is als de lucht die hij inademt.

Zijn spaarzame opmerkingen over het perverse politieke systeem waren fout geadresseerd. Ze waren een slag in de lucht, en ze zijn een illustratie van de onmacht van de politiek-bestuurlijke klasse van Nederland om zichzelf de maat te nemen. Dát is de enige echte systeemperversie.

1 augustus 2017

=0=

 

Bekentenis

Toen Hanina Ajarai anderhalve week geleden in een column in het Algemeen Dagblad bekende dat de misère rond de MH17 haar niet veel deed en de misère rond Abdelhak Nouri wel, toen was het land te klein. Tot en met de redactieraad nam iedereen afstand van haar – de raad nog zonder schelden, de rest was voornamelijk bagger.

Mensen die op die manier de doden van de MH17 in ere houden zijn sneue mensen die behalve leeglopen weinig kunnen en nog minder in huis hebben, en een redactieraad die een columniste afvalt die in haar column geen onvertogen woord heeft geuit is geen knip voor de neus waard. Wie in haar column een ‘trap na’ las, zoals de paar nabestaanden die namens de nabestaanden dachten te moeten reageren, kan niet lezen en wil slechts horen wat het grote koor der reaguurders ook wil horen: gij zult meedoen met waar wij allen aan meedoen, op het moment dat we allen meedoen.

Op zo’n moment verlang ik naar een cabaretier. Er zijn tijden geweest dat we cabaretiers hadden maar nu zelfs de ombudsman van het NRC van mening is dat een cabaretier van nar tot clown is gedegradeerd hebben we geen cabaretiers meer. Nu ja, Claudia de Breij, maar dat is cabaret ter morele verheffing van het volk en dat is geen cabaret, zeg nou zelf. Overigens liet de arme Ajarai weten dat ze helemaal niet had willen natrappen. Dom, je moet het er niet in wrijven. Het is alsof ze met haar hoofddoekje, voordat ze de kassa zelfs maar heeft bereikt, uit de rij wordt gepikt om de inhoud van haar tas te laten controleren en in plaats van zich te verzetten uitlegt dat ze echt niet van plan was zich iets wederrechtelijk toe te eigenen. Maar ja, wat wil je, als je door je eigen redactieraad in de beklaagdenbank wordt geplaatst.

Rouw over de MH17 is verplicht, wenen voor Appie is verplicht en je bent pas geïntegreerd als je bereid bent voor beide fatale gebeurtenissen je tranen te trekken. Voor minder doen we het niet. Als het ter sprake komt of als je het ter sprake brengt en daar zal niemand je toe verplichten maar komt het/breng je het ter sprake dan hoeft de traan niet per se te vallen, we eisen niets, maar we stellen het toch wel op prijs als we die traan op z’n minst mogen vermoeden, bijvoorbeeld door het haperen van de stem of door een snik in de stem. Het is de ongeschreven regel van de mediacratie. Over de doden moet je niet slechts met respect maar ook met warmte en emotie spreken en over de bijna-doden met misschien nog wel meer respect, warmte en emotie. Dat is de regel. Wie zich er niet aan houdt is de klos. Wie zich er niet aan houdt verdient het om verrot te worden gescholden.

Dat zal Eberhard van der Laan niet gebeuren na zijn tv-optreden in Zomergasten. De recensies zijn zeer positief, om de verkeerde redenen die ik zojuist uitlegde en niet zal herhalen. Maar er was nog wat anders. Van der Laan deed in de uitzending ook aan geschiedschrijving, over de houding van de niet-joodse Nederlanders ten opzichte van de bezetter en ten opzichte van de joodse Nederlanders. Of het allemaal klopte wat hij daarover te berde bracht kan ik niet overzien. Hij bracht het rustig en met de nodige overtuigingskracht (waar het hem bij elk onderwerp niet aan ontbreekt). Daar staat tegenover dat hij geen woord wijdde aan de omstandigheid dat de oorzaak dat Nederland een politiek nazi-regiem kreeg en geen militair zoals in België gezocht moet worden in de vlucht naar Engeland van de Nederlandse politieke klasse, aangevoerd door de koningin.

De reden dat in Nederland verhoudingsgewijs veel meer joden zijn weggevoerd en vernietigd heeft het nodige te maken met het wegkijken van regering en vorstin, een wegkijken dat begon met het pakken van hun biezen voordat zelfs maar bekend was wat een bezetting zou meebrengen voor hen en voor de door hen vertegenwoordigden, en een wegkijken dat gedurende de oorlog werd voortgezet. Bijn tachtig jaar na dato is Nederland nog altijd niet in staat uit te spreken dat de verantwoordelijke politieke klasse zijn verantwoordelijkheid letterlijk heeft ontlopen in die dagen. En niet alleen Nederland is daar niet toe in staat, Van der Laan is dat evenmin, zoals we na de uitzending van gisteren weten.

Ik vraag me dan altijd af of het verzwijgen van deze politieke context van de jodenvervolging in ons land nodig is om het koninklijk huis uit de wind te houden, of dat het nodig is om de merkwaardige absences van onze politieke klasse in tijden van crisis te verdoezelen, of allebei. Maar hoe dan ook begint het met verzwijgen. Onopzettelijk, daar ben ik best van te overtuigen, zeker in het geval van Van der Laan. Maar het is precies dat onopzettelijke, dat vrijwel automatische, dat pijnlijk is. Ja, de staking was goed, zei (in een door Van der Laan aangedragen documentaire-fragment) een overlevende over de Februaristaking, maar waarom bleef het gedurende het verdere verloop van die moorddadige oorlog zo stil? Van der Laan wist het niet. Maar wat als hij de vraag had geherfomuleerd: waarom bleef de politieke klasse dier dagen, de klasse die hoog en droog in Londen verbleef, waarom bleef de politieke klasse van Wilhelmina zo stil?

Het verdriet van Nederland is een nog altijd ongeschreven verhaal. Zolang dat verhaal er niet is geef ik mijn afkeer van nationaal emotiebetoon niet op. Ook een bekentenis.

31 juli 2017

=0=


Buitenbeentje

Op refo-scholen wordt ermee gerekend dat de opvoeding van kinderen wordt gemarkeerd door een driehoek, de driehoek school-gezin-kerk. Het gaat uitstekend met die opvoeding, las ik gisteren in Trouw, en dat komt omdat de leerlingen ‘uit gezinnen komen die allemaal bekend zijn met begrippen als zonde en genade’. Wat de kinderen te horen krijgen, krijgen ze altijd in drievoud te horen. Bij de tweede keer denken de kinderen dat het hen bekend voorkomt, bij de derde keer vinden ze het al vertrouwd klinken. Elk geluid is bijgevolg, lees ik, een vertrouwd geluid. ‘Er bestaat voor hen geen andere waarheid’.

Beter pleidooi voor openbaar onderwijs heb ik in tijden niet gehoord. Met openbaar onderwijs bedoel ik uiteraard niet dat zulk onderwijs zijn openbaring aan de openbaarheid ontleent, ik bedoel dat zulk onderwijs op kennis is gebaseerd, op de openbaring van kennis en de openbaring van openbare kennis, en niet op geloof. Nou vooruit, het is gebaseerd op het geloof in kennis, kennis van de beste soort, kennis waarvoor de portemonnee moet worden getrokken en dan natuurlijk de openbare portemonnee, niet de portemonnee van afzonderlijke burgers want die bevat in veel gevallen niet genoeg rijkdom om op de best denkbare manier bij de best denkbare kennis te komen.

Refo-scholen zijn, als ik de kop in het artikel van Trouw mag geloven, ‘buitenbeentjes’. Ze zijn dat overigens niet door het geloof, ze zijn dat door de driehoek van kerk-school-gezin. Denk ik. Daarom zijn ook islamitische scholen ‘buitenbeentjes’, want daar speelt dezelfde driehoek. Of spelen, spelen is te onschuldig; opspelen is beter. Of zulke scholen goed onderwijs geven is een open vraag, maar dat zulke scholen via de kinderen de ouders opvoeden door de ouders bij de les te houden, dat lijkt me geen vraag, dat lijkt me een inzet. Het gaat niet alleen om onderwijs, het gaat om onderwijs als deel van de opvoeding en daar heeft de kerk een rol. Voor velen.

Achtereenvolgende Nederlandse kabinetten hebben dat geweten en toch nooit begrepen. Bij Ernst Hirsch Ballin is het kwartje pas gevallen nadat hij al jaren geen minister meer is. Gelukkig weet hij het nu. In een in de Volkskrant van vandaag gepubliceerd dubbelinterview (met hem en Beatrice de Graaf) zegt hij: ‘[i]ntegratie heeft ongeveer op alle ministeries gezeten waar politici het wenselijk achtten, maar op het enige departement waar het thuishoort, het ministerie van Onderwijs, zat het nooit.’

De commotie over een islamitische school in Amsterdam is een schoolvoorbeeld van het zojuist gesignaleerde gat tussen weten en begrijpen. We hebben een staatssecretaris van onderwijs die net als zijn premier vindt dat Achmed maar een beetje beter zijn best moet doen als dat nodig is voor zijn integratie, we hebben een wethouder onderwijs in Amsterdam die erg voor goed islamitisch onderwijs is en erg tegen slecht islamitisch onderwijs en die meent daar iets mee gezegd te hebben. Dat heeft ze ook, zij het niet over het onderwijs en wel over de integratie waarvoor ze opgewekte onderwijsexperimenten ongetwijfeld meer geschikt acht dan een grootscheeps offensief om zwarte scholen zo aantrekkelijk te maken dat het onderwijsbudget voornamelijk daaraan besteed zal moeten worden.

Maak de school aantrekkelijker dan de straat, daar komt het op neer. Zorg ervoor dat de straat de school niet kan binnenkomen en neem daarom (in navolging van de suggestie van Beatrice de Graaf, in het vermelde dubbelinterview) alle mobieltjes en andere technologische wonderen in zodra de leerling de school betreedt en geef ze pas weer terug als de leerling het pand verlaat, en zorg ervoor dat de beslissingen die je moet nemen om dat te realiseren door de politiek worden genomen en niet door schimmige schoolbesturen die menen dat onderwijsvrijheid hun vrijheid is, die alle problemen de klas in kieperen en pas als het uit de hand loopt een protocol verzinnen dat hen zal vrijpleiten en verder geen enkel probleem zal oplossen. De schoolbesturen hebben een wanvertoning gemaakt van hun onderwijsvrijheid. Het moet hen uit handen worden genomen.

Er is veel te zeggen voor het standpunt van Hirsch Ballin, buitenbeentje van de politiek. De moeilijkheid is dat de politici waar hij het over heeft niet toevallig de bestuurlijke link tussen onderwijs (weten) en integratie (begrijpen) hebben laten verslonzen. De moeilijkheid is ook dat met de huidige formerende partijen de verslonzing eerder zal verergeren dan afnemen. De Graaf is lid van de CU, Hirsch Ballin van het CDA en dan hebben we het over twee partijen die in de weg staan van de hoognodige opknapbeurt van de onderwijsvrijheid en die zich tot het uiterste in zullen spannen om de onderwijsvrijheid van refoscholen en -schooltjes te bevechten en om de onderwijsvrijheid van islamitische scholen en schooltjes tegen te werken, bijvoorbeeld en zo nodig door gemene zaak te maken met een VVD staatssecretaris van onderwijs en een Amsterdamse D66 wethouder van onderwijs.

Zonde en genade? In de islmatische opvoeding wordt daar ruimschoots in voorzien, in de liberale en pragmatische opvoedingsstijlen van VVD en D66 niet. Daar gaat het dus niet om, om die zonde en genade, en juist daarom is het zo treurig dat de cultuuroorlog tegen de islam onder het mom van de onderwijsvrijheid gewoon wordt voortgezet en tegelijk wordt weggemoffeld.

Ik vind dat De Graaf en Hirsch Ballin dat er, in het belang van de integratie, eerlijkheidshalve bij hadden moeten zeggen.

29 juli 2017

=0=

 


Gig

Een gig is een live muziekoptreden. Vroeger had je een gig ook als een voertuig op twee wielen, voortgetrokken door een paard. In de moderne economie, de platformeconomie, komen beide betekenissen bij elkaar: een gig is een klus verricht door een menselijk paard met een beloning die uiteenloopt van gratis eten en drinken, via een paar tientjes vergoeding tot en met een vorstelijk bedrag. Net zoals in de muziekwereld, de wereld van hen die optreden, de wereld waarvan Adam Smith al wist dat de rijkdom van weinigen werd betaald met de armoede van velen.

En toch ook weer niet. Iemand die optreedt biedt z’n eigen show aan. Iemand die door een platform aan een gig wordt geholpen biedt behalve z’n beperkte paardenkracht helemaal niets aan. Hij is gewoon iemand die opdrachten uitvoert waar hij geen zeggenschap over heeft. Er zijn tijden geweest dat we zo iemand een werknemer noemden maar in de huidige tijden waarin feiten hebben afgedaan kun je met een redelijke kans op succes over alles twisten, dus ook over de vraag of een een gig-werker een artiest is, een zelfstandig ondernemer, een zelfstandige zonder personeel, of een werknemer. Staatssecretaris Wiebes en minister Asscher zijn altijd bereid een luisterend oor te verlenen en ondertussen, zeggen ze, wordt gewerkt aan een herziening van het arbeidsrecht.

Dat is in het parlement geen controversiële kwestie, en het is het ook niet voor de formerende partijen, die met smart wachten op een SER-advies ter zake. Dat advies zal niet helpen, want van de SER kun je niet verwachten dat waar politici hun vingers niet aan durven branden door hen wel even zal worden opgelost. Maar goed, je kunt altijd hopen op een toverformule (‘deeleconomie’ bijvoorbeeld en ‘crowdworker’) om onder die noemer het nodige te regelen (het arbeidsrecht te moderniseren, ik noem maar wat) en dat zo te doen dat we er pas achter komen als het te laat is. De steen des aanstoots is ook hier, precies zoals bij de discussie over de zzp-er, wie moet luisteren naar de aanwijzingen van wie.

De betreffende werkers weten het wel: zij hebben niets te zeggen, nergens over. De betreffende opdrachtgevers weten het ook wel: het zijn zelfstandige aannemers die op hun aanbod ingaan en aannemers zijn dienstverleners en geen werknemers. Ik vertrouw het D66 toe om, met een beroep op de mondigheid die ons allen deelachtig is geworden, in het regeerakkoord te laten opnemen dat crowdworkers, zoals het woord al zegt, met velen (een crowd!) zijn om zo nodig hun spierballen te tonen. Dat kom dus best in orde, en dat met de festivallisering van alles ook de platformisering van alles oprukt, wie zal het verbazen?

25 juli 2017

=0=


Pleinvrees

Sjef Drummen is een man van meningen. Hij heeft een school, Agora, opgericht en hij vindt leraren mensen met mayonaise als hersens. Rutger Bregman (die een interview met Drummen heeft verwerkt in een artikel voor De Correspondent van 20 juli) is het misschien niet met die mayonaise maar wel met de filosofie van Drummen’s Agora eens. Nu is Bregman het ook eens met de filosofie van de Buurtzorg van Jos de Blok en omdat in die filosofie het vertrouwen in de professional central staat en bij Drummen de minachting voor de professional is voor mij de filosofie van Bregman niet erg helder – maar dat is een ander thema. Nu is het thema de filosofie van Drummen, en uiteraard hoe en waar die afwijkt van de filosofie van alle mayonaisehoofden.

Het ‘waar’ van het afwijkende is eenvoudig. Drummen gelooft namelijk niet in organiseren zoals anderen organiseren en wel in organiseren zoals er nog nooit georganiseerd is. De lat ligt, kortom, hoog, te hoog voor mij in elk geval want ik begrijp er niets van. Althans, hier begrijp ik niets van: ‘Leren is namelijk een procesmatig gebeuren en dat kun je niet organiseren. Of althans, wij proberen de onzekerheid te organiseren. Het niet weten is belangrijker dan het weten. In het gewone onderwijs gaat het om het weten. Om kennis en kennisoverdracht. Dat is een denkfout.’ Dat je processen niet kunt organiseren is onzin, dat je niet alle processen kunt organiseren is geen onzin maar waar het verschil in zit en wat de consequenties daarvan zijn voor het organiseren is dan nog een te beantwoorden vraag. Tenzij je net als Sjef vindt dat er niets te organiseren is en dat hij daarom Agora maar heeft georganiseerd. Mayonaise? Gebakken lucht komt meer in de buurt.

Goed, zegt Sjef, zo heet eten we de soep ook bij ons niet. Wat wij doen is ‘onzekerheid organiseren’. En dat doen we omdat het ‘niet weten’ belangrijker is dan het ‘weten’. Zelf denk ik altijd dat je wat moet weten om een idee te krijgen wat je niet weet en dat meer weten beter inzicht geeft in wat je niet weet dan minder weten, en dat het daarbij om twee verschillende typen ‘weten’ gaat, waarvan de één niet belangrijker is dan de ander omdat de één eenvoudigweg ‘anders’ is dan de ander. De rest is slechte metafysica. Ik denk ook dat wie daar, zoals Sjef, een hiërarchie in vermoedt, iemand is die kortaangebondenheid verwart met overtuigingskracht. Trouwens, welke ‘onzekerheid’ wordt hiermee door wie en voor wie ‘georganiseerd’? Uit het citaat maak ik op dat voor Drummen onzekerheid en proces inwisselbare termen zijn, en onzekerheid en ‘niet weten’ evenzeer. In dat geval zegt hij twee keer hetzelfde en doet alsof hij twee keer iets nieuws debiteert.

In het gewone onderwijs gaat het, dixit Sjef, om ‘weten’. Dat klopt, ik heb dat gewone onderwijs ook mogen genieten en ik herinner me van sommige leraren dat ze erop wezen dat betweterigheid de vijand van elk weten is. Daarmee waren wij nog niet genezen, natuurlijk, het verslaan van die vijand is de Sisyphus-arbeid van elk weten dat steeds beter weet dat het nooit af is. Je zou er zo een essay over kunnen schrijven, Sjef, er zijn voorbeelden waarvan je kunt leren en als je eenmaal bereid bent te leren – dat wil zeggen, Sjef, te accepteren dat jezelf niet de bron bent van alles wat je leert - kun je jezelf een heleboel leren. Maar, van Sjef pik ik op dat ik hier een denkfout bega en met Rutger vraag ik dan: waarom is dat een denkfout?

Met de vraag naar de denkfout betreden we het gebied van het ‘hoe’ van de afwijking van Sjef. Hij zegt er dit over: ‘Wij zeggen nu tegen de kinderen: wij leren je niets, jij moet zelf leren. Maar je mag ons misbruiken in je eigen zoektocht. En dan begrijpen ze meteen dat het geen zin heeft om in opstand te komen tegen ons. Daar zouden ze alleen maar zichzelf mee hebben.’ Het staat er, ik kan er ook niks aan doen. Sjef zegt dat de jongelui het zelf moeten doen maar dat ze al doende de docenten verrot mogen schelden, hen het vuur na aan de schenen mogen leggen, hen het werken onmogelijk mogen maken – en waar het ophoudt wordt door Sjef niet vermeld. Erg kan het niet zijn want de leerlingen ‘begrijpen meteen dat het geen zin heeft in opstand te komen tegen ons’. Ik zou eerder denken dat je de mogelijkheid niet moet uitvlakken dat het allemaal geen zin heeft en dat ze er daarom net zo goed een klerezooi van kunnen maken. Maar voor Sjef geldt dat niet want hij weet (!) dat elk kind en elk mens de behoefte heeft te groeien, dat kinderen en mensen ‘autonoom opbloeien’, en omdat groeien en leren hetzelfde zijn kan en zal het niet fout gaan. Ik ben benieuwd wat Sjef doet als de leerlingen besluiten hem eens publiek, over de grenzen van de beslotenheid van de school heen, te grazen te nemen door hem via social media te betichten van alles wat God ons heeft verboden.

Kinderen? Stop er niets in, haal er daarentegen van alles uit: ‘Het woord lesgeven is eigenlijk al een contradictio in terminis. Je kunt namelijk niks in kinderen stoppen. Je kunt er alleen maar iets uithalen. We zeggen tegen leraren: hier heb je honderd leerlingen, hier heb je een groot lokaal met alles erop en erin, nu moeten jullie als team samenwerken om deze kinderen - die autonoom opbloeien - te begeleiden.’ Kun je een les geven? Ja, toch. Nee hoor, zegt Sjef, die denkt dat lesgeven hetzelfde is als ‘overdracht’ en daarom verdacht want overdracht, dat is verdacht.

Ik ben geen vriend van de psychoanalyse maar de gedachte dat de in dat métier gebruikelijke zinswendingen over ‘overdracht’ en ‘tegenoverdracht’ iets te maken zouden hebben met ‘erin stoppen’ en ‘eruit halen’ is potsierlijk. Nee Sjef, als nu ergens dat fameuze ‘proces’ van jou opspeelt (een terechte metafoor in dit verband, vind ik) dan daar, in die spreekkamer waar de patiënt de analyticus voor rotte vis mag uitmaken en de analyticus dat niet alleen begrijpt als een kinderlijke poging in opstand te komen maar ook als de inleiding voor een liefdesverklaring even later.

Dat elke leerling iets moet doen met de les die wordt ‘gegeven’ is niet hetzelfde als de stelling dat elke leerling alles doet bij het leren (stop er niets in!) en dat de leraren niets anders en vooral niets meer hoeven te doen dan die leerlingen te ‘begeleiden’ (ze halen er kennelijk wat uit, maar wat dat dan mag zijn is, vermoed ik, alleen bij Sjef bekend).

Van deze Agora, van dit Leerplein, krijg ik pleinvrees.

23 juli 2017

=0=


Babyboomer

Veel overeenkomsten tussen Annabel Nanninga en Ewald Engelen zie ik niet, de voorliefde voor de overdrijving en de afkeer van babyboomers daargelaten. Engelen deelde ooit mee een ‘petshekel’ te hebben aan babyboomers en Nanninga doet dat vandaag nog eens dunnetjes over, in een tweegesprek met Jan Terlouw dat door de Volkskrant is opgetekend.

Voor Nanninga is Terlouw helemaal een babyboomer. Of eigenlijk nog erger, hij is een kwartiermaker voor de babyboomers geweest. Terlouw is bijna zesentachtig jaar. Voor Nanninga doet leeftijd er niet toe – als je zesentachtig bent ben je babyboomer of hulpje van babyboomers. Voor Nanninga doet leeftijd er toch toe – de babyboomers hebben het land met de hulp van Terlouw en diens ‘silent generation’ (?) kapot gemaakt. Met Nanninga kun je alle kanten op. In haar geval houdt dat in dat ze iedereen aanspreekt, nergens voor aansprakelijk is en ook nergens op wil worden aangesproken. Nanninga is nog net geen veertig en dan ben je volgens de wetten der generatiekunde niet verantwoordelijk. Annabel is GeenStijl en ThePostOnline in één persoon verenigd. Jullie zijn verantwoordelijk, ik niet, wij niet. Terlouw is verantwoordelijk, Nanninga niet, GeenStijl niet, TPO niet.

Voor Nanninga is Terlouw een ‘seniele’ oude man en zijn ‘touwtjeverhaal’ was ‘schofterig’. Nu ja, per tweet natuurlijk, zoals de groten der aarde dat doen en zoals seniele oude mannen dat niet doen. De Donald twittert, onze Jan twittert niet. Nanninga kiest voor Trump en voor verdachtmaken en beschuldigen. In het gesprek zegt ze dat het niet ‘persoonlijk’ was. Trumpiaanser kan niet. Je speelt op de persoon en je zegt dat het niet persoonlijk is. Zou iemand het wel persoonlijk nemen – dat is natuurlijk de bedoeling maar Nanninga is te laf om dat in een tweegesprek toe te durven geven – dan liggen de volgende beledigingen en schimpscheuten al klaar, per tweet dan want in een gesprek klimt ze nog liever op de schoot van, zeg, Maarten van Rossem dan hem te bejegenen zoals ze hem en zijn rotgenoten per tweet bejegent. Een gesprek, of slechts de fysieke aanwezigheid van de ander, transformeert Annabel in de slome nitwit die ze is en waar ze ongetwijfeld onder lijdt. Wanneer leeft Annabel? Als ze mag twitteren. Wanneer wordt Annabel een meisje dat aardig gevonden wil worden? Als ze Maarten van Rossem tegenkomt, of Jan Terlouw en dan voor het oog van de camera, of in de context van een krant voor en van linkse Gutmenschen. Voor Terlouw heeft ze nog een cadeautje meegebracht: een bericht over een heuse asielzoeker die ze zes maanden in huis heeft genomen! Rechtse Gutmenschen, ze bestaan. Hoe ze dat heeft klaargespeeld is een wonder, want waar haalde ze de ruimte vandaan om die man te herbergen? Die ruimte is er helemaal niet, volgens haar, want die ruimte is ingepikt, ingepikt door de babyboomers. Van schoolkinderen weten we dat als hun gedrag thuis en hun gedrag op school erg uiteenloopt ze een probleem hebben waar ze zelf niet uit zullen komen. Bij Annabel ben ik er tamelijk zeker van dat ze dat probleem nog steeds heeft. Dat is sneu.

Ik denk dat Ewald Engelen zich moet afvragen wat het geraaskal van Nanninga met haar Stijl te maken heeft en hij moet zich met name afvragen of ook zijn Stijl in de weg staat van datgene dat hij wil bereiken.
Ich bin ein Babyboomer.

22 juli 2017

=0=

 

Metafora

Het eerste metaforum is goddelijk. Lange tijd dachten ze bij de SGP dat ze daar wel mee uitkwamen maar sinds andere media god steeds meer naar de kroon zijn gaan steken is de SGP tot inkeer gekomen. De SGP is, zogezegd, om. Zonder beeld dringt het geluid niet meer door, die waarheid is de partij deelachtig geworden.

Het beeld is het tweede metaforum, het forum waar het woord wordt gezalfd naar het beeld dat de meeste indruk op de kijker maakt. Het is al bijna de terugkeer in de katholieke moederschoot, hoewel het in het echie veel banaler is. If you can’t beat them, join them en dus zien we Van der Staaij en kornuiten hun uiterste best doen hun steentje bij te dragen aan de beeldreligie die ze ooit tot het werk van de duivel rekenden. God beelden ze niet af, er zijn grenzen, maar verder zijn ze voor de duvel niet bang – en om dat te tonen beelden ze de duivel gedurig af in al zijn hemeltergende werken. Tegenwoordig zijn dat de werken van mevrouw Pia Dijkstra, Kamerlid van D66, de partij die de mens opvat als rechter over eigen lot en daartoe de wetten van het land wil aanpassen om de mens nog hovaardiger te maken dan hij toch al is.

Volgens Kees van der Staaij hebben artsen in Nederland het recht mensen te doden. Want dat staat zo in de Euthanasiewet en die is nog maar het begin. Hij heeft er de Wall Street Journal mee gehaald. De strijd wordt niet alleen in Nederland gevoerd, hij wordt wereldwijd gevoerd en Kees is er de boodschapper van. Dat Kees daarvoor moet jokken is in zijn beleving geen jokken. Elke euthanasie is moord en als de moordenaar een dokter is kan die dokter wel wijzen naar de wetten die hem vrijpleiten, in de ogen van god en van Kees is een moord een moord, wat D66 en mevrouw Pia Dijkstra daar ook van vinden. Als het gaat om het recht je leven te leiden op de manier die jou goeddunkt geeft de SGP niet thuis voor vrouwen en een beetje thuis voor mannen maar als het gaat om het recht je leven te beëindigen op de manier die jou goeddunkt geeft de SGP voor iedereen niet thuis. In het leven zijn mannen en vrouwen niet gelijk en wel gelijkwaardig en in het oog van de dood zijn mannen en vrouwen totaal en radicaal aan elkaar gelijk.

Het geeft aan die heerlijke gereformeerde uitspraak dat een gereformeerde wel ‘in’ maar niet ‘van’ de wereld is een nieuwe wending. Ze moeten er wel mee oppassen, vind ik, want voor ze het weten hebben ze van de wereld van het beeld, de wereld van het simulacrum, de hyperrealiteit bij uitstek gemaakt, het metaforum waarin alle andere fora verdwijnen.

21 juli 2017

=0=

 

Representatief

‘Wij zijn voor de overlegeconomie, maar tegen de huidige polderpartners, omdat zij niet representatief zijn voor de werkenden in het Nederland van nu.’ Was getekend: Hans Biesheuvel, Mei-Li Vos, Martin Pikaart. Biesheuvel is van Ondernemend Nederland (ONL), Vos en Pikaart van Alternatief voor Vakbond (AvV).

Beide clubs lijden onder een gebrek aan leden. Het AvV telt om en nabij de 2500 leden en dat is, na meer dan tien jaar belletje trekken, niet heel erg veel. Bij het AvV verdedigen ze hun gebrek als een kracht: de andere vakbonden zijn niet representatief en bij het AvV telt iedereen mee, ook de niet-leden, juist de niet-leden, de flexibele, slecht verzekerde niet-leden, en al die niet-leden zijn niet het product van de flexibiliseringsgekte van de grote ondernemers en de kostenfixatie van de kleine ondernemers, ze zijn het product van de grote vakbonden met hun vergrijsde leden, met hun leden met vaste banen, met hun leden met vette banen, met hun leden die hun vaste en vette banen met hand en tand verdedigen tegen kapers op de kust en die dat nog eens lukt ook.

Mij is onbekend wat de vakbeweging het afgelopen decennium allemaal is gelukt, ik denk dat het heel weinig is en dat de vakbeweging eerder achter de gebeurtenissen aanloopt dan ze zelf regisseert maar dat maakt voor het AvV geen verschil. Het was nodig in 2005, toen de club werd opgericht en het is vandaag nog even nodig en om exact dezelfde redenen. Ik zou dat uitleggen als een schrikbarende nederlaag. Je zet je voor van alles in en ruim tien jaar later heb je niets anders bereikt dan onder de duiven schieten van de grotere bonden. Omdat die niet respresentatief zijn met hun leden en het AvV wel met hun niet-leden. Nog even en het AvV vertegenwoordigt het volk.

ONL dan? Dat is voortgekomen uit MKB Nederland, bestaat sinds 2013 en is erop gericht een brug te slaan vanuit het ondernemerschap naar de politiek. Leden? Ze zijn er, ze zijn, voor zover ik kan nagaan, met weinigen en ze verzetten bergen. Het veel grotere en invloedrijkere MKB Nederland is daar kennelijk allemaal niet in geslaagd en Hans Biesheuvel, de voorzitter van ONL, kan het weten want hij was van 2011 tot 2013 voorzitter van MKB Nederland.

Of in Nederland ondernemers niet worden gehoord in de politiek of dat de politiek moet worden gemodelleerd op het ondernemerschap is mij nooit duidelijk geworden. Misschien wel allebei. Een opmerkelijk verschil met het AvV is dat ONL niet afgeeft op MKB Nederland en VNO-NCW, terwijl het AvV voornamelijk bestaat uit het toedichten van kwalijke motieven en praktijken aan de gevestigde bonden.

Beide, ONL en AvV, zijn kleine spelers, op zoek naar een achterban – en van dat gebrek maken ze hun kracht, ik wees er met betrekking tot het AvV hierboven al op. Wij doen wat iedereen laat liggen en daarom mogen wij zeggen dat we iedereen vertegenwoordigen. Daarin lijken ze op de talloze kleine partijtjes die ook uit naam van iedereen spreken en bijdragen aan nog meer versplintering en trots zijn als ze er een keer in slagen een splinter in de vinger van anderen te frommelen.

ONL en AvV hebben twee dagen geleden een Sociaal Akkoord 2017 gepresenteerd, een werkstuk van 20 kantjes vol met voorstellen die het akkoord van 2013 nog een dunnetjes over moeten doen. Mei-Li Vos vond het akkoord van 2013 wel goed, toen, maar omdat het anders heeft uitgewerkt dan ze toen dacht onderneemt ze een nieuwe poging – die ongetwijfeld ook anders zal uitwerken als er iets van terechtkomt maar dat zien we dan wel weer. In het nieuwe akkoord wordt 1 pagina besteed aan de positie van de zzp-er.

Mei-Li Vos was PvdA-woordvoerder over het zzp-gebeuren in de Tweede Kamer. Het kabinet had, met de wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) eindelijk iets fatsoenlijks gedaan met betrekking tot de zzp-er en dat leidde, voorspelbaar, tot boosheid bij de opdrachtgevers omdat die nu eindelijk ook eens enige verantwoordelijkheid werd aangerekend in plaats van de eenzijdige afrekening op kosten van de opdrachtnemer, de zzp-er, onder een vorige regeling, die van de VAR (Verklaring ArbeidsRelatie). Er kwam een opstand van de opdrachtgevers, VNO-NCW sprak er zijn steun voor uit, en Mei-Li Vos heb ik er niet over gehoord. Til het maar over de verkiezingen heen was de gedachte. Zo gebeurde en nu komen we de zzp-er bij haar weer tegen op pagina 12 van het kakelverse Sociaal Akkoord 2017.

Wat is een zzp-er? Niemand die het weet (anders hadden we wel een juridisch werkbare en sluitende omschrijving gehad) en daarom is het een opluchting dat ONL/AvV het samen en met elkaar wel weten: ‘Wij willen de motieven (mijn curs.) om zzp'er of werknemer te worden of blijven zuiver houden, en niet louter fiscaal of financieel gedreven laten zijn. Je kiest voor een bepaalde vorm van werken omdat dat bij jou of de levensfase waarin je zit past’.

Het is een geniale formulering die in één klap verduidelijkt waarom deze clubs niet thuishoren in de wereld van de arbeidsverhoudingen. Ook niet in de wereld van de opdrachtgevers en andere ondernemers overigens. Ook niet in die van de schijnzelfstandigen en evenmin in die van de zelfstandigen die willen ondernemen om financiële en, vooruit, fiscale redenen of ‘motieven’. Daarom, vinden ONL/AvV, moeten zzp-ers niks en mogen ze alles: verzekeren, scholen, you name it. Omdat het bij jou past, of bij je levensfase past. Of niet. Of soms wel en soms niet.

ONL/AvV streven een zuiver motief na dat zo zuiver is dat het door niets dan zichzelf kan worden gerepresenteerd – en dat sluit representatie uit. Iedereen weet het. Zij niet.

20 juli 2017

=0=

 


Internationale

Tony Blair denkt dat de Brexit niet hoeft door te gaan. Dat komt, zegt hij, omdat de Brexit voornamelijk neerkomt op een afkeer van buitenlanders en omdat die afkeer Europa-breed wordt gedeeld is niet meer nodig dan de afschaffing van het vrije verkeer van personen in de EU. Zo eenvoudig is het.

Blair behoorde, met zijn New Labour, volgens Thatcher tot haar ‘greatest achievements’. Wij hebben Neelie Kroes, zij hebben Margaret Thatcher en beide dames begrepen beter dan de sociaaldemocraten dat de Derde Weg een door spindokters en andere alchemisten bekokstoofde ideologie zonder idee zou zijn, goed om de sociaaldemocraten te paaien en voor het overige even vergankelijk als de hoogstaande sociaaldemocratische idealen die merkwaardig genoeg zelfs door Bill Clinton bleken te worden aangehangen. Niet van het echte neoliberalisme te onderscheiden. Stel je voor: Tony New Labour Blair, Wim Werk-werk-werk Kok, en Bill Workfare Clinton. De globaliseringsinternationale van de nieuwe sociaaldemocratie. Het poldermodel als exportproduct.

Een tiental jaar later bleek wat het echte exportproduct was: de arbeidsdiensten van Bolkestein die met zijn dienstenrichtlijn bewerkstelligde wat voor goederen al eerder was bewerkstelligd: het principe van het land van oorsprong, het principe dat als iets in één lidstaat van de EU mag, dat het dan in alle lidstaten van de EU net zo mag.

De arbeidsmarkt is in neoliberale ogen niet verschillend van de dienstenmarkt en de dienstenmarkt is niet verschillend van de goederenmarkt en als de Bulgaren hun diensten voor een schijntje in Bulgarije aanbieden dan mogen ze die overal in de EU voor een schijntje aanbieden. De sociaaldemocratische internationale is een marktinternationale geworden, een internationale waarin de arbeiders hun zelf bevochten en zelf betaalde kettingen verliezen: hun arbeidsvoorwaarden, hun arbeidsomstandigheden, hun arbeidsverhoudingen, hun arbeid zelf en hun sociale zekerheden.

Dat de Bolkestein-richtlijn tot ongehoord misbruik zou leiden was duidelijk voor iedereen die wilde zien. Daar hoorden de sociaaldemocraten niet bij, net zo min als het Europarlement en de Europese Commissie. Af en toe wordt een sigaar uit eigen doos verstrekt, met als enig effect dat ook die doos leegraakt.

Weer een tiental jaren later zagen we het resultaat van de inspanningen van Bolkestein. De woede over de oneigenlijke arbeidsconcurrentie slaat om in ressentiment, xenofobie, en anti-immigratiepartijen. De boze blanke man wordt ontdekt, zelfs door Tony Blair die dan maar voorstelt hem tegemoet te komen door weer baas over eigen grenzen te worden. Het is de typische oplossing van het slappe compromis. Beperk de bewegingsvrijheid van de arbeid, maximaliseer de bewegingsvrijheid van het kapitaal. Het omgekeerde zou beter en sociaaldemocratischer zijn – het is aan Blair niet besteed, het is aan de sociaaldemocratie van vandaag niet besteed.

Men moet de bewegingsvrijheid van de arbeid helemaal niet beperken – althans niet zolang de sociaaldemocratie er nog een emancipatie-ideaal op nahoudt. Men moet het oorsprongslandbeginsel uitbannen, Bolkestein bij het oud vuil zetten, en erop staan dat in Europees verband arbeid geen goed als alle andere is, dat de inherente traagheid van arbeid, vergeleken met kapitaal, niet moet leiden naar het land van oorsprong maar naar het land waar de dienst wordt verricht en de daar geldende voorwaarden. Als dat zo is, is iedereen welkom, en pas als iedereen welkom is, is de missie van de sociaaldemocratie vervuld.

Lodewijk Asscher heeft het tegenwoordig over progressief patriottisme en hij verstaat daaronder dat iedereen die onze waarden onderschrijft welkom is in zijn en ons vaderland. Onze waarden onderschrijven als voorwaarde om welkom te zijn is strijdig met onze waarden, die immers niet per voorschrift worden verstrekt, en inconsistenties gaan niet werken. Maar Asscher zou de sociaaldemocratie een dienst (!) kunnen bewijzen door niet het onderschrijven van onze waarden te eisen maar het onderschrijven van onze arbeidsvoorwaarden. Als hij dat zou doen wordt het misschien nog wel wat met die Internationale.

18 juli 2017

=0=



Wegens succes gesloten

Midden jaren negentig kwamen de geluiden op over een PvdA die zo ongeveer wel bereikt had wat bereikt moest worden. De geluiden kwamen van mensen die niet politiek maar bestuurlijk dachten en die dachten dat elk toekomstig probleem rond arbeid en emancipatie met de juiste overheidsmaatregelen wel op te lossen was.

De PvdA was een partij geworden die geen mensen nodig had, het was een partij die beleid nodig had en niets anders dan dat. Nou goed, ook het verhaal dat het beleid zou versieren en aan de man brengen. Het was de tijd waarin Neelie Kroes Bram Peper influisterde dat het weer eens tijd was enige ideologische veren af te schudden (moest, volgens Neelie, moest om de paar jaar), een suggestie die Peper maar al te graag overnam en verwerkte in de tekst van de Den Uyl-lezing van 1995, die door Wim Kok werd uitgesproken.

De VVD pronkte als nooit tevoren met zijn ideologische veren, de PvdA schudde ze op instigatie van de VVD juist af. De VVD heeft wel wat beters te doen dan veren afschudden, wat tante Neelie daar ook van vindt. De VVD vindt steeds minder van tante Neelie en van wat tante Neelie vindt. Ik heb lang gezocht naar een bondige karakterisering van paars, ik geloof hem hierin te hebben gevonden: de ideologie van de VVD gecombineerd met het ideaal van de PvdA. De PvdA vindt een politieke partij uit met idealen en zonder ideologie, de VVD vindt zichzelf meer dan ooit een partij met ideologische veren en voelt zich daar uitstekend bij (en D66 kiest zonder mankeren het pragmatische middenpad dat als altijd naar rechts afbuigt).

Waarom kon de PvdA het zonder ideologische veren? Inderdaad, omdat de partij had verwezenlijkt wat nodig was. Zo had de partij, zei Kok in 1995, de invloed van het ‘lot’ teruggedrongen en vervangen door de invloed van ‘bijstand’ door de overheid. In dezelfde lezing beweerde Kok dat armoede alleen niet genoeg is om mensen in beweging te brengen. Profetische woorden: de zowel ideologische als ideële armoede van zijn ‘lot’ en ‘bijstand’ bracht inderdaad alleen mensen in beweging die de uitgang zochten. Hij wou ze ook helemaal niet in beweging brengen, hij wou ze beschermen. Met een heuse ‘gemoderniseerde verzorgingsstaat’. Waarom moest die verzorgingsstaat worden ‘gemoderniseerd’? Omdat die te bureaucratisch was en met name: te duur. De bureaucratie (publiek én privaat) tiert weliger dan ooit als gevolg van de ‘modernisering’ en de kosten ervan worden meer en meer bij de burger gelegd.

Dan, is de hoop, wordt de verzorgingsstaat duurder voor de burger en dat is goed want het dwingt de burger tot prudent gebruik en het wordt minder duur voor de staat en dat is ook goed want de modernisering brengt organisatorische vernieuwing en onvermijdelijke eigen kosten met zich mee en die moeten per slot ergens (uit eigen bijdragen en eigen risico) worden afgeboekt. Linksom of rechtsom, tegenwoordig: linksom én rechtsom, is de verzorgingsstaat een bedreiging van de economie en de ideologie van de markt en daarom moet het goedkoop en met de afvink-efficiency van de markt. Dat niet beseft te hebben en dus te zijn meegegaan in de neoliberale ideologie van de jaren tachtig en later, dat is de crisis van de sociaaldemocratie, is mede verzonnen door sociaaldemocraten, is als een overwinning (de overwinning van het schrale en verschaalde maatwerk) gevierd door sociaaldemocraten.

Voor Kok is sociaal precies hetzelfde als voor de VVD: sociaal is een meelijwekkende categorie waarvoor we over ons hart moeten strijken omdat de mensen die het betreft niet voor zichzelf op kunnen komen. Dat is een ontkenning van de sociaaldemocratie die er ooit een eer in zag de mensen die niet voor zichzelf konden opkomen te organiseren – en daar zijn bestaansgrond aan ontleende. Mensen niet als slachtoffers te zien, mensen wel als handelingsbekwame actoren te zien. Niet de rommel van de globalisering wegpoetsen maar anders globaliseren. In het geval van Kok was die tijd wel voorbij. Hij heeft mensen en veren afgeschud. En het is voor de huidige sociaaldemocratie niet anders. Wat zou Neelie er van vinden?

Wie van de sociaaldemocratie het ‘sociaal’ verwijdert houdt alleen nog de democratie over. Daar kom ik nog op: wie is de demos van de sociaaldemocratie?

17 juli 2017

=0=

 

Lease

Eén van de eerste bedrijven die in 2008 mocht profiteren van de ruimhartig aan het bank- en verzkeringswezen verleende staatssteun was LeasePlan. LeasePlan deed in autoverhuur, was geen bank, maar had wel een onlesbare finnacieringsbehoefte en was daarom zo verstandig geweest ooit een bankvergunning aan te vragen want als je leent en uitleent, dan ben je een bank, ook al doe je in auto’s. En waarom ook niet, ook woningbouwverenigingen zijn banken geworden toen ze dat mochten en dachten te kunnen, zij het dat aan hen nooit een bankvergunning is verstrekt. In het benauwde jaar 2008 vroeg LeasePlan om toegang tot de garantieregeling van de overheid. Het bedrijf had een bankvergunning, Wouter Bos zag als toenmalig minister van Financiën dat het goed was en de regeling kwam af.

De vraag waarom aan autoleasebedrijven, en a fortiori aan autoleasebedrijven die volledig in buitenlandse handen zijn zoals in het geval LeasePlan, een bankvergunning is verstrekt bleek niet aan de orde. Toen niet en ook daarna niet. Toch is het niet overbodig om je af te vragen of we behalve krakkemikkige huizenfinancieringen ook krakkemikkige autofinancieringen (leaseconstructies en leningen) moeten aanmoedigen. Dergelijke vragen werden en worden door ons ministerie van Financiën niet gesteld en ook niet aangemoedigd. De helft van LeasePlan is in handen van Volkswagen, het bedrijf dat we kennen van de sjoemelsoftware. Laat ik het zo zeggen: sjoemelsoftware is een zeer generiek woord, een auto is een duur ding, de rente is vrijwel nul en een onderpand wordt niet gevraagd. Is dat niet een uitnodiging wat meer financiële risico’s te nemen dan verantwoord is, zeker als je als autohandelaar behalve over auto’s die je kwijt wilt ook nog over een bankvergunning en een garantieregeling beschikt?

In het Algemeen Dagblad van vandaag wordt gewezen op het financiële gevaar dat de enorme autoschuldenberg is geworden, in het bijzonder in de VS en het VK. Men maakt zich daar zorgen over subprime autofinancieringen, net zoals tien jaar geleden over subprime hypotheken. Met de huidige lage rentestand is het wel verklaarbaar dat een deel van de economische groei in die landen te danken is aan op krediet aangeschafte of via een leaseconstructie gehuurde spullen, zoals auto’s. Lease is tegenwoordig ook voor particulieren gemakkelijk geworden.

Wil je in een nieuwe auto rijden en heb je geen eigen geld dan is leasen een oplossing. Tot je de maandlasten niet meer kunt ophoesten, je van je contract af moet, je daar grote boetes op moet betalen, je in handen komt van de private schuldhulpverlening (waar zowel de Groene als de Correspondent de laatste tijd veel aandacht aan schenken) en het leven plotseling een stuk minder aardig is geworden. Ook voor de bedrijven aan de andere kant van de vergelijking is het niet prettig geconfronteerd te worden met wanbetalende klanten. Hun schuld doorverkopen is een manier om ze te lozen maar ook dan heb je verlies en mocht het wat langer tegenzitten (als door stijgende inflatie de rente omhoog moet bijvoorbeeld) dan kan het best weer heel lelijk weer worden.

Bij ons, lees ik in het AD, loopt het zo’n vaart niet. Daar staat tegenover dat wij nog altijd het hypothekenmirakel van de wereld zijn en dat zal ongetwijfeld het aan kunnen gaan van autoschulden bovenop een hypotheekschuld dempen. Maar je weet maar nooit – we weten inderdaad niet hoeveel miljarden leasekapitaal in ons land rondzwervenen en we weten al helemaal niet of dat kapitaal van even goede schokdempers is voorzien als de auto’s die ze aanprijzen. Een geruststelling is het niet, alles bij elkaar.

Bij het Ministerie zullen ze wel weer zeggen dat er geen reden tot ongerustheid is. En vermoedelijk zeggen ze niks want slapende burgers en slapende parlementariërs moet je niet wakker willen maken en LeasePlan blijft uit zichzelf wel wakker.

11 juli 2017

=0=

 

NEP: Nieuw Economisch Product

Nou goed dan, ik vertrouw het niet. Zojuist lees ik in dagblad Trouw een berichtje over de verklaring van het waarom van de lage inflatie in Europa en de VS. Wat de monetaire autoriteiten ook doen, schrijven ze zelf, de inflatie pikt maar niet op en hoe komt dat?

Dat komt doordat de werkloosheid eigenlijk veel hoger is dan de officiële percentages ons voorspiegelen. Ons, dat zijn wij, en dat zijn de monetaire autoriteiten en dat zijn de politieke gezagsdragers. Bij de percentages moet je de ontmoedigden optellen en een deel van de deeltijdwerkers en zzp-ers die graag meer zouden willen werken (dat is beleidsjargon voor mensen die misschien wel helemaal niet meer willen werken maar gewoon niet rond kunnen komen). Tel die mee en het percentage ligt in één keer drie keer zo hoog.

Neppercentages kortom en ook nepmotieven want de meeste ontmoedigden zijn niet zozeer ontmoedigd als wel genegeerd en overgeslagen en uitgespuugd en de meesten die meer willen werken willen misschien niet zozeer meer als wel voorspelbaarder, zekerder, verzekerder, kortom ze willen zoiets als een sociale zekerheid die er ooit geweest moet zijn maar die tegenwoordig voor steeds meer mensen onvindbaar is. Structureel hervormd, dat wel, en daarom onvindbaar.

Wat ik vooral niet vertrouw is de herkomst van de berichten uit de kringen van de monetaire autoriteiten. Die herverpakken (het zijn bankiers tenslotte) oud nieuws over de moeizame relaties tussen werkloosheid en inflatie en brengen het als nieuw nieuws. Dat is nep, maar verneukeratiever is dat diezelfde monetaire autoriteiten niet durven toegeven dat net zoals zij de greep op het aanbod van geld kwijt zijn (en daarmee op de ‘prijs’ ervan, de rente) de nationale autoriteiten de greep op het aanbod van arbeid kwijt zijn (en daarmee op de ‘prijs’ ervan, het loon). En als je de greep op het geldaanbod verliest, en je verliest de greep op het arbeidsaanbod dan is het de hoogste tijd na te gaan wat dat (de deregulering van het geldaanbod, de deregulering van het arbeidsaanbod) bij elkaar betekent voor de centrale referentie van al die hoeveelheden en percentages: het BNP.

Mijn vraag is: waarom verwijzen de monetaire autoriteiten niet naar de groeiende onbetrouwbaarheid van het BNP als indicator van bedrijvigheid en winstgevendheid, werkgelegenheid en arbeidsinkomensquote, en van de relatie daartussen? Waarom hebben wij nu een president DNB die in plaats van monetair beleid te voeren het vakbondsbeleid aan het opporren is? Die blijkbaar meent dat de vraag naar arbeid zal stijgen als gevolg van meer koopkracht als gevolg van hoger loon – en andere aangename mechanismen uit de tijd dat de reële economie en het BNP eruit de toon zetten? Die tijd is vervlogen, net als de tijd van ‘Klaas komt’. Ons BNP is al enkele decennia geen BNP meer; in plaats daarvan is het NEP geworden: Nieuw Economisch Product. Nieuw? Ja, nieuw en het nieuwe schuilt in de financialisering van de ooit overweldigend reële grootheid van het BNP.

Een paar dagen geleden kwam ik bij Paul de Grauwe een verwijzing tegen naar een paper uit 2016 (The Financialization of GDP and its Implications for Macroeconomic Debates) van een Amerikaanse econoom, Jacob Assa. De stelling van Assa is simpel: sinds we de financiële diensten als productie zijn gaan beschouwen en daarom meenemen in de bepaling van de omvang van het BNP is het nut van het BNP voor de bepaling van de relatie tussen bedrijvigheid, werkgelegenheid en inflatie achteruitgehold. Dat is ook niet zo vreemd. Als je de verkoop van slechte leningen als ‘productie’ opvat hoef je je niet te verbazen dat als het gif van de lening zich verspreidt het aanvankelijk positieve (want officieel zo gedefinieerde) effect van de lening omslaat in een negatief effect. En terugslaat op de reële economie uiteraard en dus op zulke reële zaken als reeële bedrijvigheid en reële werkgelegenheid. Mochten we willen weten wat het effect is dan hebben we meer aan betrouwbare informatie over de mate van giftigheid van leningen dan over de ‘productiviteit’ van de financiële sector.

Die betrouwbare informatie is er niet. De monetaire autoriteiten zouden ervoor moeten zorgen maar die hebben wel wat anders aan hun hoofd. Het is hun taak niet te wijzen op de verwoestende invloed van het behandelen van financiële producten als gewone producten op de betrouwbaarheid van het BNP, de verwoestende invloed ervan op de mogelijkheid en effectiviteit van beleid om werkgelegenheid en inflatie te sturen. Het is hun taak natuurlijk wel maar zij denken daar anders over. Kennelijk.

7 juli 2017

=0=