DAGBOEKHOUDER
Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam 2016

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010–2011–
2012–2013–2014–2015–2016


Om naar het begin van de pagina te gaan: klik op =0=

September

Oculair

Brokkenpiloot

Pech

Omslag

Nee vandaag

Album

Gezelschap

Foto's

Barsten in de spiegel

Hoek

Als de lamp uitgaat

Stampvoetend

Glimlach

Differentiëring

Juli

EU-only

Kompas

Gratis

Zeker

Juni

Meppen

Bindend

Gibraltar

Joke Smit

Sluipend

Handel

Verzet

Ras

Bril

Winnaar

Mei

Uiterlijk

Laatdunkend

Wacht even

Mislukt

Feuilleton

Helikopter

Gedrieën

Aanklacht

Voorafgaand

Heilig ontzag

Pardon

Langzaam

Centrum

Knoop


April

Borstklopperij

Magna Carta

Bemoeigoederen

Onbruikbaar

Wie het mooiste kan praten

Voor, tijdens, na

Grens

Slimmer

De wil niet te weten

Gelukkig

Angstige vrijheid

Ga je gang

Falend toezicht

Oogst

Stemmen - maar waarover?

Maart

Werving

Stuurloos

Bekering

Alliantie

Vierentachtig procent

Vraatzucht

Bezonken

Gedachtenpolitie

Plan B

Hyper

Benaderd

Raadpleging

Dubbel

Tekort of schaarste

Benoeming

Teleurgesteld

Afkomstig

Huurlingen

Werken zonder werkplek

Smeekbede

Nederlaag

Verjaardag

Wakker

Februari

Deconcentratie

Werk op maat

Links

Verwijderen

Testament

Allen

Arm gezag

Stelling

Belangengemeenschap

Prominent

Mislukt

Roosters en lokalen

Vlucht

Je gaat het pas zien als
je het doorhebt

School gemaakt

Verzelfstandigd en doorgesneden

Super

Bescherming

Januari

Witwassen

Stipt

Roof

Opstaan

Twee dingen

Desoriëntatie

En statistiek

Demasqué

Puur

Geven

Onderwerp

Emotioneel

Geloof, scepticisme
en demonstratie

Kam

Burgeroorlog

Voorbij

Politioneel

Praten en handhaven

Billijken

 

 


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 49
november-december 2015

Dagboekhouder 48
september-oktober 2015

Dagboekhouder 47
juli - augustus 2015

Dagboekhouder 46
mei - juni 2015

Dagboekhouder 45
maart - april 2015

Dagboekhouder 44
januari - februari 2015

Dagboekhouder 43
november - december 2014

Dagboekhouder 42
september - oktober 2014

Dagboekhouder 41
juli - augustus 2014

Dagboekhouder 40
mei - juni 2014

Dagboekhouder 39
maart - april 2014

Dagboekhouder 38
januari - februari 2014

Dagboekhouder 37
november - december 2013

Dagboekhouder 36
september - oktober 2013

Dagboekhouder 35
juli - augustus 2013

Dagboekhouder 34
mei - juni 2013

Dagboekhouder 33
maart - april 2013

Dagboekhouder 32
januari - februari 2013

Dagboekhouder 31
november - december 2012

Dagboekhouder 30
september - oktober 2012

Dagboekhouder 29
juli - augustus 2012

Dagboekhouder 28
mei - juni 2012

Dagboekhouder 27
maart - april 2012

Dagboekhouder 26
januari - februari 2012

Dagboekhouder 25
november - december 2011

Dagboekhouder 24
september - oktober 2011

Dagboekhouder 23
juli - augustus 2011

Dagboekhouder 22
mei - juni 2011

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Oculair

Vroeger, zo begrijp ik van Huub Dijstelbloem, was de democratie vocaal. Nu wordt de democratie oculair. Voor de vocale democratie hebben we het parlement, voor de oculaire democratie hebben we de opname- en verzendcapaciteit van beeldregistratie, een capaciteit waar we zo zoetjesaan allemaal over beschikken. Het beeld onthult en uit de ene onthulling vloeit de volgende voort en de daaropvolgende. Het beeld licht de doopceel van de publieke ambtsdrager en zorgt ervoor dat vuiltjes, ook die van lang geleden, aan de kaak worden gesteld. Of ze bestraft worden hangt weer van andere publieke ambtsdragers af. Als ik de eerste reacties op de onthulling van de stiekeme handel en wandel van Neelie Kroes bekijk mag ik er niet te veel van verwachten. In een vocale democratie verwacht je dan stampij (en die is er niet), in een oculaire democratie wordt de uitblijvende stampij waargenomen als een indicatie dat waarschijnlijk het hele corps publieke ambtsdragers boter op het hoofd heeft. Die hebben het er dan ook zelf naar gemaakt. Vraag in een parlement of in een gemeenteraad waar welk geld gebleven is en de kans dat je er een onderzoekscommissie op moet zetten is groter dan de kans op een begrijpelijk antwoord.

Ik ben er nog niet uit wat ik hiermee moet, maar het roept wel een vraag bij me op. Dit is de vraag: zijn we altijd al ongelooflijk bedrogen en opgelicht door onze publieke ambtsdragers of lijkt het, onder invloed van de oculaire democratie, alleen maar zo? Zijn leugen, bedrog en oplichting inherent aan het politieke bedrijf en laat het oog dat nu eindelijk ook zien, of spoort het oog alleen diegenen op die zich meer toeëigenen dan toegestaan en laat het oog de overigen met rust omdat ze vooralsnog in orde zijn? Ik weet het niet zeker. Dat oog is een veelheid van ogen en de veelheid gehoorzaamt niet aan een centrale leiding, aan een centraal plan, aan een centraal idee. Met het veelheidsoog correspondeert de veelheidsstem en niets garandeert dat een oog ook een stem is. Je kunt je kaken op elkaar houden en je kunt een oogje toeknijpen en over wie wanneer wat doet en wat laat kun je je vermoedens hebben maar je kunt je er niet op verlaten.

Door iets wat later gebeurde, schrijft Douwe Draaisma (Als mijn geheugen me niet bedriegt; Groningen, Historische Uitgeverij 2016), kan iets waarvan je zeker wist dat het vroeger gebeurd was een geheel andere betekenis krijgen, tot en met de ontkenning van het eerder gebeurde aan toe. De oculaire democratie is een democratie waarin wat vandaag gebeurt je op het spoor zet van wat vroeger best eens gebeurd zou kunnen zijn en soms ook inderdaad echt gebeurd is. Zelfs als dat het geval is weten we nog niet wat het betekende, toen het gebeurde, in de toenmalige context.
Wat niet wegneemt dat Neelie Kroes een onverbeterlijke marchandeur/koppelaar is. Maar dat wisten we toch al lang?

24 september

=0=

 

 

Brokkenpiloot

‘Het vaste contract is op zijn retour. Een groeiend aantal werknemers ziet geen kans zijn voorkeursoptie van een vast contract te verzilveren. Deze kans is bovendien relatief laag voor groepen met een zwakke arbeidsmarktpositie. De voorzieningen voor mensen met een flexibel contract zijn magerder. Payrollcontracten bieden doorgaans minder bescherming, de regelingen voor werkloosheid en pensioenen met hun opbouwregimes en wachttijden zijn niet toegesneden op mensen met wisselende, onzekere contracten. De zzp’er is meer tevreden, maar de legitimatie voor de huidige fiscale faciliteiten is broos. Voor deze groep is er een relatief groot vertrouwen in de zelfredzaamheid en beperkte mogelijkheden voor een beroep op de risicodeling en solidariteit. Een herontwerp van de regulering startend vanaf de basis zou vermoedelijk een ander resultaat opleveren. Over hoe dan wel is veel debat mogelijk, zo is ook gebleken in de afgelopen jaren. De ervaring leert dat de kans op actie in Nederland het grootst is als iets in een Regeerakkoord is vastgelegd en er voldoende voorbereidende studies zijn verricht. Dat treft. De afgelopen periode is een flinke stapel studies geproduceerd en de verkiezingen zijn nakend. Geen woorden, maar daden, zouden ze in Rotterdam zeggen.’ (MEV 2017: 22-23).

Ik dacht, ik neem maar een brokje over uit de ‘beschouwing’ van de MEV, een beschouwing die dit jaar in het teken staat van de vraag hoe het toch kan dat we in ons land altijd zo moeten overdrijven en toch nooit helemaal op de goede afloop durven vertrouwen. Vrijheid, maar dan met toezicht. Dat laatste voor de vorm, maar toch. Of er mag niks, of alles mag, of we denken alles te kunnen regelen, of we denken dat alles zichzelf maar moet regelen. Onder toezicht want de werkgelegenheid wil ook wat.

Nu, zegt het CPB in deze MEV, op de arbeidsmarkt mag zo langzamerhand alles en we vinden ook dat alles zichzelf wel zal regelen. Dat is overal zo, niet alleen bij ons, maar bij ons hebben de politici het nog niet door. Politici denken dat ze aan de ene kant alles van waarde kunnen dereguleren en aan de andere kant dat er toch normen nodig zijn. Dat gaat natuurlijk niet. Je kunt geen verwachtingen bij de werkgever wekken dat hij nu eindelijk eens zijn goddelijke gang kan gaan en hem tegelijk verplichtingen opleggen om het nog een beetje netjes te houden. Het is het één of het ander en we zien dat sommige politici niet goed weten hoe ze de boodschap aan de werknemer moeten overbrengen. Het flexibiliteitswoord is sleets geworden, het voorkeursargument was altijd al hogelijk verdacht, dus wat blijft er dan nog over, behalve wetten waar iedereen gewoon omheen kan wandelen als dat zo uitkomt?


Een ‘herontwerp van de regulering’ vanaf de basis zou, vermoedt het CPB, iets anders opleveren dan de misère van nu. Helemaal geen regulering ook, en een regulering waaruit de ‘sociale partners’ zijn weggelaten al evenzeer, dus de meerwaarde van deze suggestie is nul. Het CPB schrijft, los van alle verhullend taalgebruik, dat de decentralisering van de arbeidsverhoudingen nog wel even zal doorgaan en zal leiden tot een resultaat dat als twee druppels water lijkt op een ‘herontwerp’ van onderaf. Als je dat vindt kun je het beter zeggen, vind ik. Dat Henk Kamp, baas van het CPB, het vindt kan ik me indenken en dat mevrouw Van der Geest als directeur van het CPB en voormalig topambtenaar het vindt kan ik me ook al weer indenken – zij het dat al dat indenken twijfels oproept over de ‘onafhankelijkheid’ van het CPB. Tja, denk ik dan, wat is herontwerp vanaf de basis? Het CPB schrijft het op, wij mogen het invullen.

Mijn invulling is dat het een invulling wordt die de huidige krachtsverhoudingen bestendigt. Ik wil daar geen grappen over maken, wel indiceren welke kant dat opgaat. In de Groene van deze week vind ik mijn leidraad, in een onderzoeksartikel (Sophie Kluivers & Saskia Naafs, Zwijg of je vliegt eruit, De Groene 220916: 28-33) over piloten die dankzij de deregulering sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw steeds meer kans maken zich tot brokkenpiloten te ontwikkelen. Die kansen, overigens, zijn geen risico’s die ze nemen, het zijn gevaren die ze lopen als gevolg van de agressie van de ondernemers in de luchtvaart.

Zijn de piloten nog in dienst van een luchtvaartonderneming? Steeds minder. Sinds de deregulering is de praktijk dat de piloot, die zich voor de pilotenopleiding zwaar in de schulden moet steken en die om voldoende vlieguren te halen dat nog een keer moet doen, zich als zzp-er moet laten registreren en dan via een intermediair terechtkomt bij een luchtvaartmaatschappij die slecht betaalt, lange arbeidsdagen eist, geen ziekte tolereert en al helemaal geen ziekengeld wil uitkeren, die op rusttijden en rustfaciliteiten beknibbelt, en die piloten en ander personeel uitnodigt over elkaar te klikken. Ik vergeet vast nog iets maar als schets mag het volstaan.

Het resultaat is dat van alle personen in een vliegtuig het de piloot is die het meest heeft betaald voor zijn zitplaats. Een baan is duur en als je opdrachtgever weet dat je die baan nodig hebt om je schuld en de rente op rente op die schuld te betalen en dat er tal van anderen zijn die in dezelfde situatie verkeren, wat let de opdrachtgever je het vel over de neus te halen? Ja, vroeger hadden we daar regels voor maar het aardige van de dergulering was nou net dat die regels ‘vanaf de basis’ zijn ‘herontworpen’. Dus? Uiteindelijk, zo besluit het artikel in de Groene, ‘zal de wal het schip keren als er een paar vliegtuigen uit de lucht vallen’ (o.c.: 33).

23 september

=0=

 

 

Pech

Een niet onbelangrijk deel van de algemene politieke beschouwingen ging gisteren over het eigen risico in de zorg. Roemer zwengelde het debat aan en, gelet op de vele discussies die zijn interventie teweeg bracht, hij deed dat met succes. De schaduwkant van het succes was dat het niet over de zorg ging maar alleen over de ‘betaalbaarheid’ en dan weten we wel hoe laat het is. Hoe hoger de draagkracht, hoe geringer het draagvlak, men moet Samsom nog maar eens vragen ons deze eenvoudige regel uit te leggen met als voorbeeld het door zijn partije opgeloste probleem dat de VVD had met de inkomensafhankelijke zorgpremie, de premie waar de VVD voor had getekend, die tot een opstand in die partij leidde en die werd gesust door Samsom. Jongens, als het zo’n probleem is, dan doen we het toch gewoon niet? Samsom weet heel goed dat in VVD-kringen het heiligen van de draagkrachtverhoudingen het enige principe is dat op draagvlak mag rekenen.

Zo is in Zwitserland het referendum over het basisinkomen gestruikeld want ergens moet de rekening worden aangeboden en dan geldt net als hier dat overal waar je dat zou kunnen doen, waar de draagkracht er wel is, het draagvlak ervoor ontbreekt. Wat is de overeenkomst tussen een publieke zorgverzekering en een basisinkomen? Dat zijn er twee. De eerste is dat iedereen er de voordelen van plukt en sommigen er naar draagkracht meer aan moeten bijdragen dan anderen. De tweede is dat de voorstanders ervan zich niet verschuilen achter draagvlakargumenten, maar zich beroepen op draagkrachtargumenten en aan die argumenten, gewogen door de voordelen van een publiek zorgstelsel en een publiek gegarandeerd basisinkomen, genoeg vertrouwen ontlenen om ze in te brengen in de politieke arena. De voorstanders zijn een minderheid die over een groot maatschappelijk draagvlak beschikken maar in termen van draagkracht en dus in termen van de huidige politieke windrichting weinig voorstellen. De huidige politiek houdt er dan ook amper rekening mee. We hebben te maken met onmachtige politiek en onwillige politici.

Ooit werden belastingen verplicht opgelegd omdat iedereen heel goed wist dat de verplichting nodig was om niet verlamd te worden door een ontbrekend draagvlak, tegenwoordige politiek gebruikt de retoriek van het draagvlak om de draagkracht uit de wind te houden. Dat wordt ‘betaalbaarheid’ en ‘financiële onderbouwing’ genoemd en wat dat inhoudt wordt al lang niet meer door de politiek bepaald maar door het CPB, de overheidsinstantie die eerst de gehele economie als een fabriek modelleert en dan verordonneert dat alleen als de fabriek tegen de laagst denkbare kosten levert het met de betaalbaarheid wel goed zit en de financiering geen probleem hoeft te zijn – tenzij de ‘politiek’ natuurlijk liever in innovatie en andere speeltjes belegt, maar daar gaat het CPB dan weer niet over, het CPB kan daar hooguit over adviseren. Het CPB gaat niet over draagvlak, althans nog niet. Wat niet is kan nog komen.

Goed, het ging dus over het eigen risico. Dat risico is helemaal geen risico, het is domme pech. Risico’s betreffen gebeurtenissen waarin mensen zelf de hand hebben gehad, gebeurtenissen die ze door hun eigen gedrag en handelen pogen te beïnvloeden en dat kan voor hen van voordeel en van nadeel zijn. Dat noemen we dan risico, of in geldtermen: winst of verlies. Als je geen zorgkosten hebt heb je ook geen eigen risico.

Pure winst toch? Als je wel zorgkosten hebt dan ben je pas verzekerd als je eerst je eigen risico hebt betaald en dat is dan verlies. Tot dat bedrag ben je nominaal wel en feitelijk niet verzekerd. Dat hebben de nominaal verzekerden goed begrepen en dus gaan ze pas naar de dokter als ze weten dat ze dat kunnen betalen. Is dat erg? Dat weten we alleen achteraf, want sommige zaken kun je aardig voorspellen maar zorgbehoefte valt daar niet onder en voorzover je die behoefte wel kunt voorspellen dan ben je vermoedelijk langdurig gevangen in een ziekte waar je geen invloed op hebt, een ziekte die dus buiten het type gebeurtenissen valt waar je zelf iets aan kunt doen.

Ik geef toe, dit heeft met de ‘betaalbaarheid’ van ‘de’ zorg niets te maken. Het heeft alleen iets te maken met een type politiek argumenteren dat mensen die het met hun gezondheid (en we kunnen hetzelfde stellen voor hun arbeidsmarktgezondheid) niet hebben getroffen aanspreekt alsof ze hun pech over zichzelf hebben afgeroepen. Dat is niet juist. Het enige dat ze over zichzelf hebben afgeroepen zijn de politici die hen verantwoordelijk houden voor hun gezondheidsituatie. En ach, dat alsof, dat bekt niet, dat laten we weg: pech roep je over jezelf af. Dat is de bijdrage van de politici aan de verkrachting van het risicowoord.

22 september

=0=

 


Omslag


Er zijn veel mensen die onze cultuur de beste vinden. Ik neem gemakshalve aan dat zij dezelfde mensen zijn die als er stront aan de knikker is zeggen dat er een cultuuromslag moet komen.

Het woord cultuuromslag is van hetzelfde laken een pak als het woord reorganisatie. Ik werkte nog niet eens zo heel lang aan de universiteit toen er gereorganiseerd moest worden. Hier liep de studenteninstroom terug, daar steeg de instroom en er waren geen mechanismen om het personeelsbestand daarop aan te passen. Nou ja, mensen erbij dat ging nog wel, maar mensen eraf, dat was lastiger. Je zou denken dat de bestuurders dat wel wat eerder hadden kunnen bedenken maar ze bedachten het niet en daarom moest er ‘gereorganiseerd’ worden. Ze konden slecht uitpakken, die reorganisaties maar dan nog was het reorganisatievermogen geactiveerd en dat was nooit weg. Zonder reorganisatie slaapt het reorganisatievermogen in. Een geniale gedachte, met als conclusie dat reorganisatie nooit meer weg zal gaan.

De reden dat reorganisaties niet opleveren waar behoefte aan is, is eenvoudig. Dat is de cultuur. Daarom, geen reorganisatie zonder cultuuromslag. Het heeft, gerekend vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw, gauw een decennium gekost voordat deze harde waarheid op tafel lag maar nu we het eenmaal weten is er geen ontkomen meer aan. Reorganisatie + cultuur = de beoordeling van managers en bestuurders door andere managers en bestuurders met alle overigen als wisselgeld. Als het echt te schunnig voor woorden is geworden met de organisatie en het bestuur ervan, dan is een cultuuromslag des te harder nodig. Voor een succesvolle reorganisatie moet een boel gepolderd worden, maar het resultaat van een cultuuromslag gaat nog wel wat verder dan gepolder. Het resultaat van een cultuuromslag is een polder met een nieuw elan, een polder van frisse zin, een polder van hardwerkende Nederlanders, een polder waar we trots op mogen zijn, een polder die in geen enkele andere cultuur z’n weerga kent, een polder die de bokken van de schapen scheidt.

Het is de cultuur van het draagvlak. Het draagvlak zorgt ervoor dat de gevolgen van de reorganisatie precies daar terechtkomen waar we er het minste last van hebben, bij de mensen waar we toch niks meer aan hebben. Het draagvlak is flexibel, het is als het ware al gemaakt om om te slaan zodat degenen die al een paar keer gepakt zijn ook eens overgeslagen kunnen worden en, wie weet als het een beetje meezit, hun eigen draagvlak als argument kunnen inzetten om anderen de toegang te ontzeggen – met een beroep op hun cultuur die niet elke omslag goedkeurt en met instemming van de bestuurders die er hun vingers niet aan willen branden.

Ik lees in het FD van vandaag dat de mini-enquête van de Tweede Kamer naar aanleiding van de onthullingen in de Panamapapers over particulieren en trustkantoren moet gaan – niet over multinationals. De SP is daar boos over, had misschien wel gerekend op steun van GL en PvdA maar komt bedrogen uit. Waarom doen die partijen niet mee? Nu, schrijft het FD, ‘de mini-enquête kent de mogelijkheid van een verschijningsplicht en een verhoor onder ede. De beide andere linkse partijen vrezen daardoor dat het draagvlak voor de enquête wegvalt, omdat VVD en CDA daar niets voor voelen’.

Draagvlak. We hadden het kunnen weten. Want dat was ik nog vergeten: draagvlak is met de vinger naar anderen wijzen. Wij willen wel, maar zij niet. De omslagcultuur is een doorschuifcultuur; niemand is nog verantwoordelijk. Het is de cultuur van de lafheid en geen lafheid zonder plan B: zorg dat er altijd iemand is die je de schuld kunt geven.

20 september

=0=

 



Nee vandaag; nee stront


Het is een kindermopje, dat van Pudding en Gisteren. Pudding en Gisteren zijn twee ongezeglijke jochies die voor straf door hun moeder op hun kamertje boven worden opgesloten. Als één van hen moet poepen openen ze het raam en de rest laat zich raden. De stront komt op het hoofd van een voorbijganger. Die gaat z’n beklag doen, de moeder vraagt of het gisteren was, waarop het antwoord is: nee, vandaag. Daarop vraagt de moeder of het pudding was en het antwoord is: nee, stront. Kat in ’t bakkie.
De volwassenenvariant van de mop gaat niet over Pudding en Gisteren, maar over Ismail en Rutger. Ismail die een lokale politica provoceert, Rutger die een voormalig minister provoceert. De ene hoopt er wat aan te verdienen, de ander heeft er grof aan verdiend. De ene wordt verketterd, de ander vertroeteld. Is het Ismail? Nee. Is het Rutger? Nee. Wat is het dan wel? Het is bagger, stront. Het is treiteren, jennen, uitdagen, pesten. Het is laf.

Fotograaf Arjen van Veelen is de eerste geweest die Ismail met Rutger associeerde en het vloggen met Powned/Geen Stijl. Dat is opmerkelijk. De algemene verontwaardiging over Ismail steekt schril af bij het soms besmuikte, soms vrolijke, soms rancuneuze leedvermaak dat Castricum en consorten in de aanbieding hadden en waar ze zoveel waardering kregen dat ze hun ongein een paar jaar lang op de publieke omroep mochten etaleren. Soms vroeg ik me af of Castricum en Plasterk elkaar aan het opvrijen waren. Hoe dan ook, afnemers zat. Maar zo’n Ismail, ‘die moet je geen podium geven’. We zouden het willen verbieden.

Verbieden! Verbannen! Uitkotsen! Die wens verenigt Pauw, Van Nieuwkerk en andere fatsoenlijke mensen (met de minister-president voorop), tot Arjen Lubach aan toe. Lubach maakte, in de uitzending van Zondag Met Lubach van 18 september, gehakt van Van Veelen – en sloeg gemakshalve de door Van Veelen genoteerde en door alle overige commentatoren, columnisten en sprekende hoofden genegeerde overeenkomsten tussen Ismail en Rutger Castricum over. Ik begrijp dat als volgt: Rutger hoort erbij, Ismail hoort er niet bij. Rutger is een kwajongen, Ismail is tuig. Rutger bloeit op als hij ons van hen kan scheiden, Ismail doet dat ook maar dan de andere kant op. Ze zijn elkaars spiegelbeelden. Het had Lubach gesierd als hij het had opgemerkt en, wie weet, het met zoveel woorden had gezegd. Dat deed hij niet. Toch is Lubach geen vergeetachtig mens.

Hij is het niet vergeten, hij had er geen zin in, het laat hem compleet onverschillig wat die treiterkop van een Ismail drijft. Die Ismail is stront voor hem en over Rutger hoeft hij het niet te hebben. Rutger is een ander verhaal, want Rutger is van ons. Liever Castricum dan Zaandam. Liever leedvermaak dan besmetting.
De andere kant van besmetting is quarantaine, de andere kant van leedvermaak is selectieve verontwaardiging. Toch jammer, van Lubach.

19 september

=0=

 


Album


Een beetje krantenredactie beschikt over een album met foto’s van mensen die met enige regelmaat in het nieuws opduiken. Dan heb je wat te kiezen. Vind je dat een persoon wel een steuntje verdient dan plaats je een andere foto dan wanneer je die persoon niet ziet zitten. De Telegraaf bijvoorbeeld vindt PvdA-ers zurige mensen en zoekt daarom bijpassende zurige foto’s. De foto is echt, de zurigheid is des Telegraafs. Goed, ik vind het een beetje kinderachtig maar bij die krant kunnen ze er wel chocola van maken. Laat ze.

Het wordt gemener wanneer kranten voor de opgave staan om thema’s een ‘gezicht’ te geven. Thema’s hebben niet zelf een gezicht, de kranten geven het een gezicht, de kranten maken het gezicht. Ze hebben en claimen het copyright. Fatsoenshalve zou je verwachten dat kranten daar dan ook de verantwoordelijkheid voor zouden nemen. Ik geef toe, de Telegraaf en verantwoordelijkheid zijn bien étonnes elkaar tegen te komen, maar de Volkskrant en verantwoordelijkheid, dat past toch bij elkaar?

Dat had je gedacht. De Volkskrant heeft wel rechten op foto’s maar geen plichten ten aanzien van hen die erop staan, ook niet als die door de begeleidende tekst en de context van de foto in een onprettig daglicht zijn geplaatst. Zoals het geval is bij een foto die de krant op de voorpagina plaatste, een foto van een automobilist die op weg naar de luchthaven door een zwaarbewapende militair staande wordt gehouden, een foto met als bijschrift ‘of het nog wel veilig is op Schiphol’. Mag toch? Is toch de werkelijkheid? Dat een krant ‘de’ werkelijkheid zou kunnen fotograferen is een godswonder, dat een krant daar nog tekst bij nodig heeft is een smet op het goddelijke blazoen dat kennelijk niet voor zichzelf kan spreken, maar dat een krant daar rechten aan zou mogen ontlenen zonder enige plichten te hebben – dat is willekeur, de willekeur van de macht. Zou de Volkskrant die plichten wel hebben dan, redeneert de Volkskrant, zou de persvrijheid in het geding zijn.

Zo doe je dat, je wordt bekritiseerd vanwege een suggestief bijschrift en je zet gelijk je zwaarste wapen in. Wij van de Volkskrant zijn dol op discussie maar niet als wij ter discussie komen te staan. Dan wordt de persvrijheid bedreigd. Bij de onvermijdelijke Pauw, gisteravond, bleek de Volkskrant een medestander te hebben in de Telegraaf. Er zullen tijden geweest zijn dat ik me daarover verbaasd zou hebben. Nu niet meer. In tijden van Kulturkampf weten de echte vrijheidsstrijders elkaar feilloos te vinden. Het is een foto waard. Voor het vrijheidsalbum.

15 september

=0=

 

 

Gezelschap

Wat is de overeenkomst tussen een circus en een theater? De overeenkomst is dat het beide ooit gezelschappen waren en nu niet meer. Een circus is een circusvoorstelling geworden, het theater een theatervoorstelling en beide zijn ‘producties’ – met de bijbehorende scheiding van producenten en uitvoerders. Buiten de voorstelling bestaan circus noch theater. Subsidies gaan niet langer naar gezelschappen, ze gaan naar de makers, de producenten, niet naar de circusartiesten en de theateracteurs.

Van de 1500 acteurs die Nederland rijk is heeft nog een 50-tal een vaste aanstelling bij een gezelschap, een miezerige 3% dus. Wanneer theatergroep De Appel binnenkort zijn subsidie verliest (het schijnt alleen nog een kwestie van tijd te zijn) duikelen we van 50 naar 43 vaste aanstellingen (bron: dagblad Trouw, 13 september). In de toekomst, vermoed ik, blijven alleen coördinatoren, organisatoren, marketeers en fondsenwervers over als kandidaten voor een vaste baan en kan ook hier het winner-take-all festijn de touwtjes in handen nemen. Het ‘tel uit je winst’ schuift door van metafoor naar risicocalculatie. Daar aangekomen zijn circus en theater eindelijk volwassen geworden, bedrijfsmodellen die je kunt vergelijken met alle overige bedrijfsmodellen. Steeds meer keuze, steeds meer variatie op eenzelfde thema. Welk thema? Het thema van het monoculturele bedrijfsmodel, wat anders?

Ook de politiek is dezer dagen een bedrijfsmodel. Het politieke bedrijfsmodel is het model van waarden en normen, ingekaderd in het harnas van ‘onze’ waarden en normen. ‘Ons’ is een monocultuur, met heel veel smaken, maar, zoals Monty Python ons al voorhield, geen smaak zonder spam en een bestelling zonder spam wordt niet geaccepteerd. We kunnen bij spam aan reclame denken, aan talkshows, aan een premier die nu al op de kiezers van Wilders jaagt en hen met een welgemeend, zij het aan het adres van anderen gericht, ‘pleur op’ denkt te kunnen verleiden, en aan parlementariërs die eensgezind de enkele parlementariër excommuniceren die het spamwoord niet wil bezigen, die daar nog over wil nadenken en bij voorbaat aankondigt er ‘genuanceerd’ over te zullen oordelen.  Kijk, wij vinden heel veel goed en kom daar maar eens om in landen die spam verwerpen, maar er zijn grenzen en wie spam verwerpt trapt ons op onze ziel. Mogen we dan terugtrappen, misschien? De subsidie intrekken van clubs die spugen op spam? Een loyaliteitsverklaring van hen eisen?

Wat is spam? Spam is wat wij vinden dat iedereen zou moeten vinden en daar horen zij, zeg nou zelf, niet bij. Wij, wij zijn ons eigen gezelschap.

14 september

=0=

 

 

Foto’s

Als je alles kwijt bent maar de foto’s nog hebt zeg je: gelukkig hebben we de foto’s nog. De foto’s die illustreren dat het ooit beter was en aan de hand waarvan je kunt dromen over tijden waarin het beter zal zijn. Foto’s waar je vertrouwen aan ontleent, foto’s die niemand kan ontkennen ook al ontkennen ze verder alles.

Aan de andere kant, als je alleen nog foto’s hebt moet je oppassen het belang ervan niet te overdrijven. Je moet er geen magie van maken, je moet niet vergeten dat er een steeds groter wordend gezelschap mensen is dat geen boodschap aan die foto’s heeft, dat er niets in herkent en dat er z’n schouders over ophaalt, je vergist je als je denkt dat de foto’s verwijzen naar een gedeeld verleden, naar een gedeelde ervaring, naar een gedeeld vertrouwen, dat je alleen maar op gezette tijden hoeft aan te roepen om het sentiment weer op te roepen.

Jeroen Dijsselbloem heeft zo’n sentiment bij de herinnering aan het Europese Stabiliteits- en Groeipact, het pact van niet meer dan 3% begrotingstekort en niet meer dan 60% staatsschuld, het pact dat moest tegengaan dat de euro uit de bocht zou vliegen. Het pact werkt niet en heeft eerder bijgedragen aan de monetaire instabiliteit dan aan zijn tegendeel (hoewel Dijsselbloem dat laatste wel beweert, blijkens het interview in dagblad Trouw van vandaag). Waarom de Europese Commissie meer druk zet op het doel van een beperkt begrotingstekort dan op dat van een plafond op de staatsschuld, dat weet Dijsselbloem ook niet. Nu, schulden kun je verhandelen, en tekorten moet je financieren. Schulden kunnen worden opgekocht en als het particuliere bedrijfsleven daar geen trek in heeft, dan mag de ECB opdraven. Tekorten koop je niet op, je moet er de boer voor op en dan kun je niet vermijden dat je het particuliere bedrijfsleven in de weg zit. Zou dat het zijn? De minister zwijgt erover. Wel weet hij dat het voldoen aan de begrotingsrichtlijnen zo langzamerhand zo ingewikkeld is geworden dat zelfs hij het niet meer kan uitleggen en wat hij niet kan uitleggen, dat valt niet uit te leggen. Maar hoe ingewikkeld is de uitleg? Toch niet ingewikkelder dan de uitleg dat de lidstaten het Europa van de gekozen politici niet en het Europa van de niet-gekozen centrale bankiers wel vertrouwen, een vertrouwen dat stukje bij beetje is geslonken, zodat ons, behalve de foto’s, niets rest?

Liever de foto’s dan niets, dat is de mening van Dijsselbloem. En, zegt hij, Draghi denkt er precies zo over. Betere samenvatting van de monetaire politiek kan ik me niet wensen.

13 september

=0=

 


Barsten in de spiegel


‘Samenleven, samen beslissen en samen betalen, daarvan is het belastingstelsel een uitdrukking, het is een spiegel van de samenleving’. Het zijn de woorden van Leo Stevens, belastingexpert, opgetekend in het FD. Belastingen zouden moeten verbinden, wat ze tegenwoordig doen, zegt Stevens, is polariseren, is het oproepen en versterken van tegenstellingen (huurders versus huiseigenaren, werknemers versus zzp-ers, éénverdieners versus tweeverdieners en, Stevens noemt het overigens niet, het nationale versus het multinationale bedrijfsleven). Mij lijkt het een heel behoorlijke ‘spiegel’ van de samenleving maar Stevens verwacht meer van een spiegel. Zoals de spiegel er nu bijhangt is het volgens hem een spiegel met ‘barsten’ en dat wil hij niet. Hij vergist zich. Het is niet de spiegel die gebarsten is, het is de samenleving.

Dat ik dit zo stellig durf te beweren komt door de politiek. Er is een tijd geweest dat politici zeiden, jongens waar de barsten ook door zijn veroorzaakt, het is geen gezicht en wij gaan het zaakje opkalefateren. Dat zeggen ze niet meer, in ieder geval niet meer sinds de wereld zo is ingericht dat financiële stromen alles beheersen, hen op de eerste plaats. Dan krijg je het abjecte gestoethaspel dat Jeroen Dijsselbloem en Eric Wiebes nu om zich heen strooien om hun belastingonduikingswinkel uit de wind te houden. Een Europees minimutarief? Aan Europa en dus uit handen geven waar we nou net wereldkampioen sjoemelen in geworden zijn? Daar zijn we nog niet ‘rijp’ voor (Dijsselbloem), daar is Europees gezien geen ‘draagvlak’ voor (Wiebes). We? De samenleving wel hoor, Jeroen. Geen draagvlak? Zelden zoveel draagvlak in de samenleving geconstateerd, Eric. Voor deze twee mensen is elke leugen toegestaan, voor deze twee mensen is burgerbedrog hun dagelijks werk.

De vraag die Stevens niet stelde was: cui bono? Wie profiteert van de huidige onevenwichtigheid? Wie profiteert van het tegen elkaar uitspelen van hele bevolkingscategorieën? Met betrekking tot werknemers versus zzp-ers is Stevens duidelijk: het zijn de werkgevers en opdrachtgevers die profiteren. Ik zou denken dat we dat wel een beetje mogen generaliseren: het matteüseffect, het effect dat zij die hebben krijgen en zij die niet-hebben betalen, dat effect houdt niet op bij werkgevers en opdrachtgevers, het geldt algemeen en zeker op het terrein van de belastingen, het geldt bij de huiseigenaren en huurders waarbij de hypotheekbanken en de vastgoedsector handenwrijvend toekijken. Het geldt bij nationaal versus multinationaal bedrijfsleven waarbij de financiële economie de winst incasseert die het aan de reële economie onttrekt.

Een deel van de 20ste eeuw leken we Matteüs voorbij te zijn – die illusie kunnen we inmiddels achter ons laten. Het is nu buigen of barsten.

12 september

=0=

 


Hoek


Ergens onderweg zijn ook de mensen die dachten dat zij de wereld wel zo’n beetje snapten het spoor bijster geraakt. Hun wereld werd onoverzichtelijk, ze zochten naar een nieuw overzicht en vonden dat in een terugkeer naar de natuur. Daar pasten ze hun gedrag op aan, net zoals populisten hun gedrag aanpassen aan de oorspronkelijk onbedorven natuur van hun eigen volk.

In een net wat ander verband beschrijft Hidde Boersma (De Correspondent, 5 september 2016: Het wantrouwen tegen de wetenschap, wat kunnen we daaraan doen?) hetzelfde: ‘Maar het gedrag teert wel op hetzelfde sentiment: het gevoel de controle kwijt te zijn over het leven in een onoverzichtelijke wereld, en de zoektocht naar een manier om die terug te winnen’. De zoekenden worden door Boersma ‘neo-romantici’ genoemd. Hij heeft sympathie voor ze want ze zijn net als hij links en anti-autoritair en tegelijk is hij het oneens met ze, want ze gooien het kind (de wetenschap) weg met het badwater (de ruis van de industrie-bias, de ruis van de witte-oude-mannen-bias en de ruis van de doorgeschoten-specialisatie-bias). 

Behalve links/anti-autoritair hebben we links/autoritair, rechts/anti-autoritair, en rechts/autoritair. Dat zijn van die indelingen waar we niks mee opschieten want ik ben er tamelijk zeker van dat onder de neo-romantici van Boersma niet alleen zijn links/anti-autoritairen een schuilplaats vinden maar ook tal van rechts/autoritairen, lieden die nooit en nergens enige onzekerheid over ervaren, die aan geen enkele verwarring ooit onderhevig zijn en die even zeker weten welke kant het met de aarde opgaat als we zo doorgaan als Wilders weet welke kant het met ons land opgaat als we zo doorgaan. Wie zeker wil zijn waar onzekerheid het parool is, moet niet kieskeurig wezen. Elke twijfel aan een keuze is op zich al funest en zou uitgebannen moeten worden. Meer nog, als wij aan de macht zijn wordt het uitgebannen. Zo en niet anders luidt de vertaling, de enige correcte vertaling om in stijl te blijven, van de uitdrukking ‘beggars can’t be choosers’.

Het probleem met dit type indelingen is dat wat slechts op min of meer geïnstitutionaliseerd groepsniveau kan worden afgehandeld tot het niveau van individuen wordt teruggebracht. En het gevolg daarvan is weer dat in plaats van de vraag te stellen naar de regels waaraan groepen zijn onderworpen (en die naarmate de groepen meer geïnstitutionaliseerd zijn ook meer door henzelf worden ingekleurd) we worden verwezen naar hun, aan de hand van vragenlijsten opgetekende, opinies over het hoe en wat van hun politieke voorkeuren. Hang een wereldbeeld op aan een individu en je krijgt geen wereldbeeld maar een bungelend individu dat bij elk zuchtje wind een andere temperatuur toont. Het is het individu van Maurice Hond, het individu waaruit elke individualiteit is verwijderd en vervangen door een grotere of kleinere batterij ‘achtergrondskenmerken’: opleiding, herkomst, religie, geslacht, nationaliteit, burgerlijke status. Het is het individu als respondent, en een respondent wordt niet bevraagd op wat hij weet maar op wat hij meent te weten.

Ik bedoel dat de wetenschap nog wel wat meer is dan de ruis van de valorisatie waarbij de industrie bepaalt wie een valeur en wie een non-valeur is, meer ook dan de ruis van morisge witte oude mannen die dames en ander divertiment bekijken als, inderdaad, divertiment, en meer ook dan de ruis van Babylonië waar iedereen wat wil zeggen en niemand elkaar kan verstaan. De wetenschap is nog wel wat meer en om te achterhalen wat dat is zouden we moeten beginnen met de erkenning dat de wereld inderdaad onoverzichtelijk is, dat de wereld dat altijd was en dat altijd zal blijven (althans zo lang de wereld zal blijven) en dat de mensen die denken (die de denkende mensen zijn, denken ze zelf) dat ze iets zijn kwijtgeraakt dat ze terug willen hebben, dat uitgerekend die mensen niet romantisch zijn of neo-romantisch, nee, dat zij de mensen zijn die zichzelf voor de gek hebben gehouden en die nu vinden dat niet zij zich voor de gek hebben gehouden maar de boze wereld die hen een kunstje heeft geflikt. Denkende mensen die de kwakzalver in goed vertrouwen de hand boven het hoofd houden en de dokter betrouwbaar maar toch eigenlijk ook wel beetje, en als puntje bij paaltje komt zelfs, té beperkt vinden, die waar niets is juist daarom het iets van het ietsisme een kans willen geven omdat het met alleen maar leegte ook niet gezelllig is, die in de voedselketen geen kapitalisten maar wel complotteurs-verkleed-als-kapitalisten tegenkomen, die ooit om de foute redenen op de wetenschap vertrouwden en nu om nog meer foute redenenen tussen wetenschap en willekeur geen verschil meer maken. Ze zijn doorgeschoven van het wetenschappelijke bolwerk naar het sectarische clubhuis. Daar hoorden ze altijd al en net als toen willen ze het niet weten want wie weet zoals zij weten, die weet beter.
Het is een komen en gaan in de alternatieve hoek, schreef Dirk Waterval in dagblad Trouw van 27 augustus. Het klinkt bijna troostend.

11 september

=0=


Als de lamp uitgaat

Een socioloog, schreef Jan Blokker, ‘is iemand die bewijst dat het donker wordt als de lamp uitgaat’ (Jan Blokker, Ben ik eigenlijk wel links genoeg? Amsterdam, De Harmonie 19775: 74). Blokker was, als altijd, veel te mild. Hij had het niet alleen over de sociologie maar over het geheel van de sociale wetenschappen moeten hebben, en hij had het, nu we het toch over ‘eigenlijk’ hebben, eigenlijk over het geheel van de gedragswetenschappen moeten hebben. De toekomst is aan de α- en β-wetenschappen, de γ-wetenschappen hebben het verbruid. De eeuw van de gedragswetenchappen is voorbij en ze hebben het aan zichzelf te wijten. Ik heb m’n werkzame leven lang in de γ-sector gezeten. Ik had beter rechten of geschiedenis kunnen doen (voor veel meer acht ik mezelf niet geschikt). Overigens was Blokker vast niet gesticht geweest van mijn kwalificatie van zijn mildheid.

Is het toeval dat de enkele γ-wetenschappers in de zesdelige serie ‘Kijken in de ziel van wetenschappers’ niet alleen verhoudingsgewijs weinig aan het woord komen, maar ook nog eens niets te zeggen hebben? Gisteravond had ik het weer, het kromme-tenen-gevoel. Dat kwam door een uitspraak van Barbara Baarsma. De vraag was of er een conflict kan bestaan tussen wat je persoonlijk vindt en wat je, in haar geval, als econoom vindt. Mij lijkt dat een open deur van jewelste en dat al vanaf de dagen van Bernard de Mandeville (private vice, public benefit), een ruwe vierhonderd jaar geleden.

Ik bedoel, deze open deur illustreert de inleidende schermutselingen tussen zedenmeesters en rekenmeesters, schermutselingen waar te langen leste de economische wetenschap uit voort zou komen die de zedenmeester in de hoek en de rekenmeester op het voetstuk zou plaatsen. Voortaan waren de zeden voor de persoon en was het rekenen voor de econoom. Nu is Barbara een moderne econoom en aangezien moderne economen niets meer weten van economische ideeëngeschiedenis, voelde ze zich geroepen de open deur voor ons te openen. Haar voorbeeld was belasting op erfenissen. Als persoon werd ze er niet blij van, vertelde ze, want dikke kans dat die erfenis keer op keer op keer wordt belast en dat is niet eerlijk. Vond ze. Ik zie het oneerlijke niet maar waarom het oneerlijk zou zijn werd er niet bij verteld. Het was zo en dan is het zo. Economisch gezien daarentegen was ze voor een hoge belasting op erfenissen. Want zo’n cadeau neemt de prikkel weg om je beste beentje voor te zetten, je talenten aan te spreken en je tot het gaatje in te spannen.

O, denk ik dan, is dat zo? Neemt, ik noem maar wat, het cadeau van een basisinkomen de prikkel weg om er het beste van te maken? Een econoom die dat beweert lijkt mij een fluteconoom, een goedkope ideoloog en bovendien iemand die op gemaakt onweerlegbare toon onbewijsbare en onbewezen veronderstellingen invoert. In het geval Baarsma de veronderstelling van prikkels, met als onderliggende vraag: wie staat er, als puntje bij paaltje komt, boven prikkels, boven de prikkelsvan mevrouw Baarsma? Sneu, je wou je erfenis gebruiken om aan Harvard te studeren en nu mag het niet van mevrouw Baarsma want het zou je de foute prikkels geven en dat wil ze je niet aandoen en dat weer niet als persoon maar als econoom. Jij denkt intuïtief dat zij niet goed snik is maar zij weet dat jij dat denkt en dat ze daar in het landsbelang maar mee moet leren leven. Het leven van een gedragswetenschapper is één grote opoffering en dan willen wij hun offer nog niet eens hebben ook.

Zo krijgen de gedragswetenschappers een slechte naam. Ze doen het zelf want ze willen ons verbeteren en zijn zelf onverbeterlijk. Ze debiteren trivialiteiten, ze maken van hun waardeloze veronderstellingen (de prikkels van Baarsma) onneembare vestingen en schenden daarmee achteloos de regel van de weerlegbaarheid als hoogste wetenschappelijke principe, en ze menen daarmee het land een dienst te bewijzen. Ze zouden hun heil moeten zoeken in een verbinding met de α-wetenschappers, de wetenschappers van de filosofie en de letteren en de geschiedenis. Ze zoeken het in een potsierlijke nabootsing van de β-wetenschappen en weten achteraf steeds beter wat ze vooraf hadden willen voorspellen, wat ze desondanks vooraf fout voorspelden, wat ze volgens de neutrale toeschouwer ook alleen maar fout konden voorspellen en wat ze volgens henzelf in de toekomst beter zullen doen – door hetzelfde te doen en toch beter.

Tot we door het maximum aantal branduren van de lamp heen zijn. Een econoom is, als lichtend voorbeeld van een gedragswetenschapper, iemand die bewijst dat het licht is als de lamp niet aanfloept.

10 september

=0=

 


Stampvoetend


De jongelui die het Brexit-referendum verloren waren woedend. Je hoorde ze stampvoeten, de Britse millenials. Het is niet eerlijk, oude mensen die met één been in het graf staan zouden niet over onze toekomst mogen beslissen – dat soort ongenoegen. Alles hebben ze cadeau gekregen, en nu zit het een keertje tijdelijk tegen, tijdelijk want zij weten net zo goed als alle anderen dat ze toch niet kunnen verliezen. Maar het frame voor hun razernij is niet toevallig: het is het leeftijdsframe. Wie te laf is in tegenstellingen van klasse te denken kan altijd nog in de tegenstelling van leeftijdsklassen vluchten. Zo zie je maar: er is verschil tussen babyboomers en millenials.

Babyboomers zijn geboren tussen 1945 en 1960. Mathijs Bouman rekte de zaak op tot 1970. Dat zou inhouden dat iedereen die tussen 1965 en 1990 volwassen werd een babyboomer is. Ach, zal Bouman gedacht hebben, wat kunnen mij die losers van generatie X (de opvolgers van de babyboomers) schelen? Wat kan mij het schelen dat de Nederlandse vrouwen pas vanaf 1980 massaal aan de arbeidsmarkt zijn gaan deelnemen en daarom pas vanaf die tijd de cijfers van de gehele categorie babyboomers in fors positieve zin hebben helpen bijstellen? Ja, wat kan het schelen? Het gaat er niet om wat gebeurd is, en het gaat er al helemaal niet om te verklaren wat gebeurd is, het gaat er alleen om de zaken zo te presenteren dat anderen meer hebben dan jij en dat niet ‘fair’ te noemen. Mathijs voelt zich graag schuldig. 

Millenials daarentegen zijn volwassen geworden rond de eeuwwisseling, dus geboren zo tussen 1980 en 1982. De vergelijking gaat dus over een categorie met twee geboortejaren als referentie en een categorie met vijfentwintig geboortejaren als referentie. De eerste vraag is: wat vergelijk je dan? Mice and men? Vergelijk je twee leeftijdscategorieën waarbij de ene de omvangrijkste ooit is, een reus, en de tweede een dreumes die nooit groot zal worden? In het laatste geval kun je wel wat steun gebruiken.

Die had dreumes Frederieke Hegger, naar eigen zeggen een ‘millenial’, ook meegenomen naar de woensdaguitzending van DWDD waar zij haar klachten over de babyboomers mocht uitventen (langs de bekende weg: ik, millenial, klaag niet, zij, babyboomers, klagen). In gezelschap van Matthijs Bouman, net als zij van RTL-Z,  en naar eigen zeggen ‘babyboomer’. Hij mocht haar begeleiden en statistisch ondersteunen.

Nee maar! Grafieken! Cijfers! Hoe speelt hij het klaar? Inderdaad, door het statistisch onvergelijkbare te vergelijken en daar unverfroren conclusies uit te trekken, wat zullen we nou hebben. Ik kon in het verleden af en toe wel lol hebben bij het lezen van de columns van Bouman maar nu hoeft het niet meer. Bedriegers lees ik niet, tenzij het om bedriegers gaat die met smaak en vaart hun malversaties opdissen en het publiek daarmee, met dank aan Hans Teeuwen, ‘boeien’ (in dit geval was het publiek Matthijs van Nieuwkerk, de man die zodra er een econoom in de buurt is het gezicht op aandachtig zet en al begint met gevouwen handen instemmend te knikken voordat er zelfs maar één woord gesproken is).

Het klopte allemaal als een zwerende vinger. Hegger, de aanklaagster, is geen millenial (ze is in 1999 naar het gymnasium gegaan en daarom, vermoed ik, in 1987 geboren) en Bouman, de deemoedige getuige à charge, is niets meer dan een zelfbedachte babyboomer (hij is van ver na 1960). Twee poseurs in een tv-programma dat er geen genoeg van kan krijgen.

Hoe vergelijk je het onvergelijkbare? Dat is eenvoudig. Je verbindt de ene categorie, die van de babyboomers in dit geval, met een batterij zelfzuchtige motieven en met het dreigement van de wraakzucht, en de andere, die van de millenials, met de nobele maar natuurlijk vroeger of later tot razernij drijvende status van het slachtofferschap en je bent bijna klaar. Om het af te maken moet je de babyboomers nog even omtoveren van een categorie in een groep. Een categorie heeft geen gevoelens en geen bedoelingen, een groep heeft wel degelijk gevoelens en bedoelingen. Categorieën kom je niet tegen op straat, groepen wel.

Voor Bouman en Hegger zijn de babyboomers een groep – ze zijn het op dit punt helemaal eens met Henk Krol. Ik  weet niet of die laatste er blij mee is maar ik denk het wel want Henk houdt erg van mensen en in zijn veen is elk turfje welkom, in zijn veen kijkt hij niet op een turfje. Het sneue is dat zelfs de vergelijking tussen turfjes alleen opgaat als je dan ook de turfmillenials als een groep met (zelfzuchtige) motieven en (wraakzuchtige) gevoelens beschrijft, gevoelens waar je boos van wordt, die je tot stampvoeten verleiden omdat zij iets hebben wat jij niet hebt en jij hebt het niet omdat zij het hebben. Dat zijn niet eens gevoelens van jalouzie meer, het zijn gevoelens van afgunst, en dan wordt het link. Niettemin, vergelijken gaat zomaar niet. Je kunt niet alle spelregels aan je laars lappen. Of toch wel? Ach, als het in de politiek kan, kan het in de journalistiek toch ook?

De politiek is sinds het populisme de prooi van poseurs. De media volgen het voorbeeld – vermoedelijk roept het een het ander op en kan het begin niet teruggevonden worden. Poseur? Ik? Ik poseer niet. Het is de mantra van de poseur, de poseur waarvan het definitiërende kenmerk is dat de poseur ontkent poseur te zijn.

Voor Erdogan-aanhangers zijn Gülen-scholen een ‘groep’. Zij zelf zijn geen groep, zij verdedigen de gelijke rechten van allen, behalve van hen die die gelijkheid naar het leven staan. Terroristen en zo. De categorale scholen die met Gülen worden geassocieerd ontkennen een ‘groep’ te zijn, maar de verdenking is al genoeg. Waar rook is, is vuur. Toch? Het beste frame is van een leeftijdscategorie een leeftijdsgroep te maken en van een scholencategorie een scholengroep. Erdogan en Denk, Bouman en Hegger: les extrêmes se touchent.

Over extremen gesproken. Ik wijs erop dat de interne verschillen, de interne ongelijkheden, ja zelfs de polarisatie in inkomens, vermogens en kansen binnen de categorie van de millenials groter zijn dan in enige andere leeftijdscategorie. Dat is zorgelijk en de scheidslijnen zijn sinds de millenials volwassen werden harder geworden, moeilijker te passeren en ze worden steeds vroeger aangelegd en zichtbaar. Daar hebben de zich noemende millenials het niet over. Het gaat niet om mij, riep Hegger, het gaat om de allerarmsten. Horen jullie dat, babyboomers? Die mensen moeten geholpen worden. Door jullie, met jullie centen, want wij, millenials hebben de centen niet. Ik zag de charitas, de millenial-uitdrukking voor solidariteit die van anderen moet komen, zo’n uitdrukking die je doet beseffen dat ze noch iets van charitas en al helemaal niet van solidariteit weet. Millenials zijn poseurs. Voor mij zijn poseurs een groep, en Bouman en Hegger ijverige groepsleden.

9 september

=0=


Differentiëring

Een beetje modern mens heeft zich ermee verzoend dat het beeld van het geheel en de delen, en het beeld van de vorm en de inhoud, dat die beelden vervangen zijn door dat van het systeem en zijn omgeving. Dan wordt de vorm een grens, de inhoud een altijd door grenzen onderbroken en soms geaborteerd proces, het geheel een geheel-in-context en het deel een geheel-in-context binnen weer een geheel-in-context. Differentiatie en voortgaande differentiatie. Het kan zich steeds maar uitbreiden zoals blijkt uit de dynamiek van de omarming van arbeidsdeling en markt, en het kan zich in zichzelf steeds verder opdelen, zoals blijkt een EU die zich in zichzelf heeft laten opsluiten. Beide tegelijk kan ook – dit ongetwijfeld ten overvloede.

Zo wordt begrijpelijk dat het eerste hek de opmaat is voor nog een hek en nog een hek en nog een. Het hek kan worden vervangen door of aangevuld met een muur. Muren zijn de nieuwe hekken. Een hek is zo opgeruimd, een muur kost meer moeite. Muren zijn er om te blijven. Hekken zijn grenzen in ijzer, bij voorkeur ook nog gelardeerd met prikkeldraad, muren zijn grenzen in steen, opgesierd met glasscherven of driekantige stalen uitsteeksels. Hysterische politici vermoeden overal een tsunami en vinden desondanks dat hekken de beste grenzen zijn, iets bedachtzamer politici vinden hekken geen grens maar een obstakel, en vrezen dat met het hek de binnentemperatuur zo gaat oplopen dat explosiegevaar ontstaat. Waarom? Omdat de grens zich ook binnen weer herhaalt en nogmaals herhaalt en herhaalt. Ghetto’s en gated communities tegelijk? Dit boek gaat over u, zegt de dichter en zo is het maar net.

Ja, zegt men, bij gebrek aan buitengrenzen zijn binnengrenzen nodig. Och arme. Een grens is een bepaling van wat binnen en buiten is, wat de binnenstad en wat de voorsteden, wat binnen de ring zit en wat buiten, grenzen zijn, kortom, ondenkbaar zonder de andere kant ervan, zonder de scheiding van wat aan de ene en wat aan de andere kant staat.

Een ontbrekende buitengrens is niet het signaal van de overbodigheid van grensconflicten, eerder is het er de aanjager van. Omdat de EU zichzelf het politieke vermogen heeft ontzegd zijn buitengrenzen te markeren (en er al lang ook de politieke wil niet meer voor heeft en het heeft die wil niet meer omdat de EU er de moed niet toe heeft), wordt de EU overspoeld met binnengrenzen, grenzen als waren de tijden van de neutronenbom weer terug: de spullen mogen er langs, de mensen niet. Dat durft de EU niet uit te spreken, daar heeft het Engeland voor nodig om dat uit te spreken, en Hongarije en Polen, en Slovenië en als het die al heeft, dan hoeft de EU niets te doen dan te wachten tot ook de Duitsers en de Fransen, de Nederlanders en de Scandinaviërs hun Rubicon oversteken.

Er wordt aan gewerkt. Aan de binnengrenzen dan, en ter bescherming van de nationale belang (ik luister naar de overheidsdienaren), het nationale volkskarakter (ik luister naar de parlementariërs plus Jan Roos), en elk volk in zijn eigen tijd (ik kijk met stomme verbazing naar deze tijd van de sociale media – enerzijds grenzeloos en grensoverschrijdend, en anderzijds, nog veel grenzelozer en afgrenzender ineen, in vakjes en hokjes opgedeeld, achter muren en hekken verschanst).
Zelfs flessenpost is verdacht.

8 september

=0=

 

 

Glimlach

Als ik iets lees over het glimlacheffect kan ik een glimlach niet onderdrukken. Het glimlacheffect is dat we gelukkiger worden als onze mond de glimlachstand aanneemt. Elke glimlach zorgt voor z’n eigen nageslacht, dat is het eigenlijk. Lachen steekt anderen aan, met glimlachen steek je jezelf aan.

Psychologen hebben het experimenteel uitgezocht en iets dat experimenteel is uitgezocht heeft meer status dan gewoon gezond verstand. Hoe ik dat weet? Omdat we ons op gezag van de media heerlijk in slaap mogen laten sussen door het experiment en omdat we ons gezonde verstand niet meer vertrouwen dan het gezonde verstand van de buurman. Niet dus. Liever het eindeloze herkauwen van het experiment dan het laten gelden van het gezonde verstand dat ons zegt dat het vast wel eens zal voorkomen, dat glimlacheffect, maar lang niet altijd en zelfs en misschien wel vooral niet als we er volgens de experimentele wetenschap op mogen rekenen dat elke glimlach altijd al zwanger is van de volgende.
Daar doen we niet aan mee en dat had iedereen kunnen weten (en vrijwel iedereen weet het ook) maar ook daar hebben we een experiment (een herhaal-experiment, een ‘replicatie’-onderzoek) voor nodig voordat we het echt, met de zegen van de geleerden, mogen geloven. De wetenschap is ook een markt en de beunhazen van het gezonde verstand worden weggejaagd.

Herhaalexperimenten en replicaties zijn de stiptheidsacties van de wetenschapper die niet senang is, die ook al geen idee heeft; en die toch wat te doen moet hebben. Elk experiment moet repliceerbaar zijn, dat is onvermijdelijk. Aan de andere kant, de vernieuwing waar ons land zo naar snakt hoeven we er niet van te verwachten. Dat heb je met effecten die zichzelf nadoen. Het experimenteereffect zou ik het willen noemen – elk afzonderlijk experiment zorgt voor z’n hoogsteigen nageslacht. En net zoals het glimlacheffect vroeg of laat wegebt (we kunnen niet aan de gang blijven) zo ebt ook het experimenteereffect weg: we geloven evenmin nog in het glimlacheffect als in het experimenteereffect.

Omdat de psychologie zich afficheert als een experimenteerwetenschap is het afnemende geloof in het experimenteereffect een directe bedreiging van de psychologie. Ja, dat is dan wel een non sequitur, maar wel eentje die tot een prikkelende kop boven een artikel heeft geleid (Opnieuw cruciale psychologische studie onderuit. Maarten Keulemans in De Volkskrant, 7 september). Cruciaal. Maarten? Echt? Hoe weet je dat nou weer? Ik bedoel vanzelfsprekend: hoe kom je erop? En hoe kom je er weer vanaf? Ik kan een glimlach niet onderdrukken, zonder te willen suggereren dat ik het met een glimlach af mag doen. Daar is de zaak te ernstig voor. De zaak: is de monocultuur van het experiment als maat en maatstaf van goed onderzoek niet de echte bedreiging van de psychologie?

Ik denk overigens dat er met die inmiddels bevroren glimlach sprake is van een omgekeerd Thomas-theorema: als media iets voor echt verkopen (echt waar!, echt gebeurd!), heeft dat echte consequenties, of het nu echt is of niet. Ik stel voor dit het Orson Welles-effect te noemen. Welles!

7 september

=0=

 

EU-only

De Canadese TTIP, de CETA, gaat nu in Brussel de goedkeuringsfase in. Juncker heeft een voorstel in de maak om het verdrag EU-only te verklaren. Bij EU-only hoeft het verdrag niet langs de nationale parlementen en het verdrag kan ook niet per referendum onderuit worden gehaald. Nemen we daarbij in ogenschouw dat via de CETA feitelijk ook TTIP wordt binnengehaald (het wordt dan wel zeer aantrekkelijk om een vestiging van je bedrijf in Canada te hebben en heb je zo’n vestiging dan val je onder CETA) en we weten dat het groeiende verzet tegen TTIP langs deze weg tandeloos gemaakt kan worden. Handig voor politici en beleidsmakers die steeds meer met TTIP in hun maag zaten.

Of Juncker in zijn opzet zal slagen is nog niet duidelijk. Wat die opzet is, is wel duidelijk. Het is de zoveelste stap op het pad van de deregulering, het proces waarbij overheden zich erop toeleggen van hun landen aangename locaties voor bedrijven te maken en alles wat daarbij in de weg staat uit de weg te ruimen. Wetten kunnen in de weg staan – maar daar heeft de quasi-grondwet van de EU een einde aan gemaakt. Parlementen kunnen in de weg staan en burgers, en daar heeft Juncker even geen zin in. Wat je er ook van vindt, de man is op z’n minst consequent en uiteindelijk moet iemand de kastanjes uit het vuur halen. Was het Juncker niet geweest dan was het Timmermans geworden die ons in zeven talen had mogen uitleggen dat het heus niet zo is dat we met dit verdrag in zeven sloten tegelijk lopen.

Protesteren heeft geen zin, dat is de boodschap van Juncker. Ik twijfel eraan of hij het slim heeft gespeeld, maar dat doet weinig af aan de boodschap. We kunnen de Brexit als een protest zien en ons vervolgens afvragen: een protest waarom ook weer? De sprekende hoofden voor een Brexit hebben hun feestje gehad en zijn met een kater wakker geworden. De tegenstanders van een Brexit kunnen en willen niet geloven dat ze verloren hebben. Verlies is een persoonlijk affront. Ze kunnen opgelucht adem halen. De Britse minister van financiën overweegt een forse verlaging van de vennootschapsbelasting.

In de race to the bottom nemen de Britten een voorsprong en ze zijn vast van plan die niet meer uit handen te geven. De Brexiteers waren ongetwijfeld van mening dat hun land al veel te ver was gegaan in die race. De Brexiteers weten dat de kosten van de race opgebracht worden door de afbraak van de verzorgingsstaat. Ze krijgen hun trekken thuis. Losers shall be losers. Het moet niet nog gekker worden. EU-only of City-only: meer smaken zijn er niet.

5 juli

=0=

 


Kompas


Journalist en historicus Sander van Walsum is z’n morele kompas kwijt (de Volkskrant, 1 juli 2016: Mijn morele kompas lijkt te haperen). Hij had er ooit eentje, dacht hij, en nu is het weg. Vroeger mocht hij het over negers en blanken hebben, nu moet hij het over zwarten en witten hebben. Vroeger heette ‘de hut van oom Tom’ nog ‘de nergerhut van oom Tom’. En dat mag niet meer. Waarom niet?  Omdat de benaming ‘neger’ door degenen over wie het gaat als kwetsend wordt ervaren. Het sleutelwoord is overigens niet ‘kwetsend’, het sleutelwoord is ‘ervaren’. Neger is een ervaringsbegrip. In de 19de eeuw nog stond in ons land ‘neger’ gelijk aan ‘zwarte slaaf’. Dat je dat er tegenwoordig bij moet zeggen om uit te leggen dat de betiteling ‘neger’ een belediging is, een herinnering aan een geschiedenis van ontrechting en vernedering, is op zichzelf al een nieuwe belediging. Ja sorry, meneer neger, meneer zwarte bedoel ik, ik was het even vergeten maar nu weet ik het weer.

Zwarte is misschien minder beladen dan neger, maar, zoals ze in de VS weten, Afro-Amerikaan is nog beter, althans als er in Amerika geen Amerikanen wonen maar uitsluitend Afro-Amerikanen, Euro-Amerikanen, Azië-Amerikanen enzovoorts. Die wonen er niet, dus het blijft behelpen, maar dingen gaan langzaam, als ze al gaan, en de voorwaarde daar weer voor is dat men beseft dat er ergens een probleem is, en dat problemen net als risico’s en ongelijkheid de vervelende eigenschap hebben meer naar de kant te vallen van hen die al de nodige problemen hebben dan naar de kant van hen die betrekkelijk probleemloos rondwandelen. Dat besef is in ons land niet wijd verspreid en het stukje van Van Walsum is er een voortreffelijke illustratie van. Ik kwets toch niet en als ik het per ongeluk een keertje doe dan weet iedereen toch dat ik het goed bedoel?

Het is de Nederlandse neutraliseringsformule van discriminatie: een begrip waaruit de ervaringscomponent is verwijderd en een begrip waarvan je de eventueel opgelopen kwetsuur maar moet zien aan te tonen – en als iemand waarvan jij zegt dat die jou heeft gekwetst zelf zegt niet te kwetsen, zegt niet te hebben willen kwetsen, niet te discrimineren, nou dan is dat zo. Niet zeuren, man. En voor het overige, voor al het overige, bestaat er in dit land vrijheid van meningsuiting of niet?

Ik ben ook historicus, is de boodschap van Van Walsum. Hij ondertekent zijn stukjes ermee, hij afficheert zichzelf als zodanig (‘historicus, probeert op gezette tijden geschiedenis in de krant te krijgen – om de actualiteit profiel te geven’) en hij maakt er achteloos een karikatuur van.

4 juli

=0=

 

 

Gratis

Stel gratis een financieel adviseur ter beschikking. Ik las het in de Volkskrant. Het zou helpen om de voorspelde pensioenproblemen op te lossen, pensioenproblemen die voornamelijk het product zijn van de afbouw van de verzorgingsstaat en van het verdwijnen van het soort banen waarvan het pensioen nog een serieuze secundaire arbeidsvoorwaarde was. De kosten stijgen, de inkomsten nemen af. Voor het eerste staat de overheid, voor het tweede de werkgever. Het pensioenprobleem is het product van overheid en werkgever. Dat kan de bedoeling niet zijn.

Wanneer iets gratis is, hoor ik altijd, ben jijzelf het product. Het schoolvoorbeeld is nog altijd de begrafenispolis. De generatie van mijn ouders had dat nog, zo’n ding waar je decennialang aan betaalde, waar weinig tot niets tegenover stond en waar de verschrikkelijke verzekeringswereld schatrijk van werd. Het financiële advies eromheen werd toen nog gratis verstrekt door een agent namens de verzekeringsmaatschappij, en dat mag nu niet meer. Gratis nog wel, maar ook ‘onafhankelijk’. Belangeloos als het ware. Iemand die je advies geeft over de onderwereld en die zelf geen lid van de onderwereld is. Wat heb je aan een advies over de onderwereld – tenzij je vertrouwt op eerlijke oplichters? Op die vraag wordt niet ingegaan, in de Volkskrant.

Gratis advies houdt in dat je wordt aangeraden om te sparen, te beleggen, te spreiden, op te nemen, te temporiseren en ja hoor, de financiële producten te dien einde zijn er al, en hoe meer gratis advies des te groter het aantal van en de variatie in financiële producten. Een begrafenis met muziek en zonder, met cake en zonder, met een borrel of juist niet, met een kist waarvan het zonde is hem te verbranden of een kist van een paar plankjes hout die over waren, voor alles hebben we een product en bij ons is uw zorg over een optimale prijs/kwaliteitverhouding in de beste handen. Hoe weet je dat? Om je in dat oerwoud een weg te banen heb je echt advies nodig, deskundig advies, gratis advies. Lost dat het probleem op? Nee, het zorgt ervoor dat je zelf verantwoordelijk wordt voor het probleem, voor het probleem dat je niet zelf schiep, waar je totaal geen behoefte aan had, dat je wordt opgedrongen.

Gratis advies over ontwikkelingen die je niet controleert, in een wereld die van jou een product maakt waar altijd nog wel wat op te verdienen valt, wat lost het op? Dat weten onze adviseurs. Maar, zou genadeloos toezicht op de frauduleuze bende die dit type ‘producten’ verzint en aanbiedt niet beter zijn? De vraag stellen is hem beantwoorden. De vraag wordt niet gesteld. Niet door de Volkskrant. Ook niet door de gratis adviseur.

2 juli

Zeker

Volgens schattingen zijn er sinds de jaren negentig van de vorige eeuw zeven miljoen woekerpolissen verkocht. Totale waarde: 100 miljard €. Totale schade voor de polisbezitters: 20 tot 30 miljard €. Er zijn ook hogere schattingen.
Duizelingwekkende bedragen. Ontluisterende verhalen. Ze staan in de Groene van deze week (Bram Logger en Parcival Weijnen, Verzekeringsmaffia; onderzoek – het woekerkartel). Een woekerpolis heb je als je bij de DSB van Gerrit Zalm een beleggingsverzekering afsloot: want dan werd je die polis zo ongeveer door de strot geduwd. Gouden bergen werden beloofd, de kosten – grotendeels flauwe kul en gebakken lucht – bleken torenhoog, werden verborgen voor de klanten, en de beleggingen rendeerden niet echt. Volgens diezelfde Zalm, toen nog minister, was er niets aan de hand. Te hoge kosten? Dat zal de markt wel corrigeren, antwoordde de voortreffelijke man op Kamervragen.

De verzekeraars deden goede zaken, de financiële adviseurs (die kennelijk geen flauw idee hadden wat ze de mensen aansmeerden en daar ook geen probleem mee hadden want hun provisies waren vorstelijk) voorspelden altijd mooi weer, de overheid ‘schaterlachte’ elke vraag weg, de toezichthouders (de voorloper van de AFM en de DNB) letten niet op het klantenbelang, de actuarissen deden niets, kortom het was een gouden handel en er werd zoveel mee verdiend dat de enorme schade die werd toegebracht aan de kopers van de polissen niet kon worden gecompenseerd want, zou dat wel gebeuren, dan zou er ‘onrust’ op de financiële markten ontstaan en dat wou niemand op z’n geweten hebben.

De verzekeringen werden populair in de jaren negentig omdat ze meer opbrengsten beloofden dan sparen. Die jaren zijn weer helemaal terug. Tegenwoordig leidt sparen zelfs tot verlies. De markt zal wel concluderen dat er grote behoefte is aan en grote kansen zijn voor ‘beleggingsproducten’. Het reclamebombardement ter zake is in volle gang. Ja, wordt er bij gezegd, de financiële adviseur is vandaag de dag onafhankelijk dus wat we voorheen niet konden vertrouwen kunnen we nu wel vertrouwen. Zou het? Begrijpt de financiële adviseur van nu producten die zo ondoorgrondelijk zijn dat behalve de bedenkers niemand ze begrijpt?

Nee, natuurlijk. Maar wat zou het, je doet niks illegaals, en de schade is, met de schaterlach van Zalm erbij, voor de koper. Dat is, uiteindelijk, het enige dat zeker is. Het klopt, het is het type zekerheid dat ook de maffia biedt. Laat dat ons tot troost zijn.

1 juli

=0=

 


Meppen


In de Groene van deze week veel aandacht voor de Brexit. Ook voor Henk Hofland gelukkig, twee artikelen bewijzen hem de eer die hem toekomt. En er is een groot onderzoeksartikel over verzekeringen waarvan iedereen hoopt dat ze bona fide zijn en waarvan iedereen weet dat ze malafide zijn. Voortschrijdend inzicht, het inzicht dat je naïef bent als je denkt dat er goede en slechte maatschappijen zijn, dat het een dure les is geweest en dat je nu wel eens terug wilt meppen.

Zo zie je maar, een Brexit is nooit ver weg. Ik bedoel, ik vind de uitleg dat de Brexiteers niet voor iets kozen, maar ervoor kozen om gewoon iets af te breken, iets stuk te maken, ik vind die uitleg overtuigender dan de goedkope wijsneuzigheid over blanke, laagopgeleide mannen op leeftijd. Wij geen feestje? Dan jullie ook niet. Dat was het referendum. Decennia lang de schouders ophalen over de eenzijdige afwenteling van de nadelen van een meer open economie op diezelfde blanke, laagopgeleide aanstaande bejaarden, decennia lang met een stalen gezicht beweren dat het op de lange termijn voor iedereen beter zal worden – een referendum is, waar het over gaat doet er niet eens toe, een voortreffelijk medium om die leugenaars van gisteren de dampen aan te doen. Dat de leugenaars van vandaag en morgen daar goed mee wegkomen, ach, hun beurt komt nog wel. En ze weten het, dat wil zeggen ze weten niets en zeggen het bijna, bang als ze zijn dat ze op alles wat ze naar buiten brengen kunnen worden afgerekend. Afrekening, het woord alleen al smaakt naar referendum.

Ooit hadden we regeringen die namens de gehele bevolking poogden te spreken en te handelen. In Engeland is daar nu afscheid van genomen. Als de helft van de bevolking niet kan worden gediend dan is dat zo, pech gehad en wie weet ben jij volgende keer van de winnende partij. Dan kun je het nog eens dunnetjes over doen, je kunt je gram halen en meer dan dat. Afrekenen? Rekeningen vereffenen, daar gaat het om, met dank aan David Cameron.

In de Guardian kwam ik een column (Philip Allott, Forget the politics – Brexit may be unlawful)tegen waarin de vraag werd behandeld of het wel legaal was, wat Cameron met zijn referendum heeft bedacht, of daarmee de uitvoerende macht z’n hand niet overspeelde, of de rechtsprekende macht daar geen stokje voor kon, dan wel zou moeten, steken. Ik kreeg al lezend de indruk dat er op een proefproces werd gehoopt.

In de Groene houdt Thijs Kleinpaste een pleidooi dat als er al een referendum mocht komen daar zware procedurele eisen aan te stellen: een hoog opkomstpercentage, en een stemming die, net als bij een grondwetsherziening, twee ronden moet zien te overleven. Het zou kunnen. Ik weet niet hoe je daar nou weer een meerderheid voor krijgt en bovendien, het is geen oplossing voor het probleem van onverantwoordelijke premiers, van onverantwoordelijke partijen en, in het bijzonder, van een parlement dat weigert z’n taak te doen, de taak van een vertegenwoordiging voor en van allen te zijn, de taak die je per definitie niet per referendum kunt afdoen, nooit niet en dus ook niet na een referendum – behalve als we een referendum organiseren met als vraag of voortaan het parlement door een referendum moet worden vervangen.

30 juni

=0=

 

 

Bindend

Hoe zou dat eruit zien, die juridisch bindende verklaring waar Rutte om heeft gevraagd in Brussel? Iets in de geest van ‘de EU-lidstaten spreken plechtig uit dat alles wat niet in het associatieverdrag met Oekraïne staat echt niet in het associatieverdrag staat en er ook niet in komt te staan’?

Papier is geduldig. De kiezer is dat niet. De gemiddelde kiezer kan misschien geen nepkaviaar van echte onderscheiden. De gemiddelde kiezer kan wel knollen van citroenen onderscheiden. Het is niet uit te sluiten dat behalve premier Rutte de overige 26 leiders van de EU-lidstaten dat weten en Rutte zullen opdragen z’n eigen huiswerk te maken, in plaats van hen daarmee lastig te vallen. Dat zou de overige 26 sieren.

Rutte respecteert uitslagen van referenda door er een botte grap van te maken. Zou het kabinet hier met één mond spreken? Het zou zo maar kunnen en in elk geval, Rutte komt ermee weg. De enige parlementariërs die het referendum steunen zijn de non-parlementariërs van de PVV. De SP wil ook wel een referendum maar dan een eigen referendum dat niet over in of uit de EU gaat maar over de (on)wenselijkheid van een EU-light. Je verzint het niet. Het is alsof je een grasveld aanlegt en verbiedt dat er onkruid meekomt. Bij de SP denken ze dat niemand het verschil tussen EU-light en denken-light zal opvallen omdat het Emile ook niet opvalt. Bij de SP denken ze dat wanneer het voor Roemer te ingewikkeld wordt het voor iedereen te ingewikkeld is, en klaar zijn ze. Van de blijmoedige jongens en meisjes van D66, ooit de kampioenen van het referendum, horen we alleen nog afwijzende geluiden. Zo lang het referendum nergens over ging waren ze voor, nu het ergens over gaat zijn ze tegen. Zo kom je nog eens in de regering en daar heeft Pechtold wat aan – zijn houdbaarheidsdatum is in zicht – en daar heeft D66 wat aan want een nieuw geluid in het parlement met een nieuwe fractievoorzitter is nooit weg, en daar heeft het land wat aan omdat het goed is te weten dat zelfs referenda geen oplossing bieden voor kleingeestigheid. Van het parlement zal Rutte geen last hebben. 

‘Wij, leiders van de EU-lidstaten, verklaren voor verleden, heden en toekomst dat wij nooit verdragsteksten hebben opgesteld of zullen opstellen waar niet in staat wat er niet in staat. Wij voegen er ten behoeve van premier Rutte (NL) aan toe dat deze verklaring juridisch bindend is en wij verwijzen voor de uitleg van wat juridisch bindend is graag naar de handtekening van de vertegenwoordiger van het VK onder het Europese verdrag’.

29 juni

=0=

 


Gibraltar


In Gibraltar stemde 96 procent van de mensen voor Bremain. Op het totale aantal uitgebrachte stemmen is het een verwaarloosbaar percentage. Er zijn 30.000 stemmers in Gibraltar. Ze zagen de bui hangen en dat hebben ze goed gezien: Spanje is gisteren direct begonnen met het spreken over ‘gezamenlijk beheer’ van Gibraltar. Het had de Conservatieven in Londen gesierd als ze hier vooraf, en zeker achteraf, aandacht aan hadden geschonken. Maar de Conservatieven hebben alleen met zichzelf te maken. De rest van de wereld kan wat hen betreft opzouten.

In Engeland wordt nu door de voorstanders van de EU met de vinger gewezen naar ouderen en laagopgeleiden. Ik las een commentaar van een student die vond dat ouderen het recht niet hadden over zijn toekomst te stemmen. In ons land is de altijd fijnzinnige Marianne Zwagerman eenzelfde mening toegedaan (‘mensen die zelf alleen nog maar op weg zijn naar de dood zouden niet over de toekomst van andere mensen mogen stemmen’). Ik meen overigens te weten dat Marianne, net als iedereen overigens, op weg naar de dood is. Het stemrecht is aan niemand besteed. Een goede paradox is nooit weg. Het doet denken aan mensen die verdeeldheid aanwakkeren en vervolgens iedereen die het niet met hen eens is van het zaaien van verdeeldheid beschuldigen. Dat trucje kan iedereen uithalen: de Schotten en de Noord-Ieren, Gibraltar, en, waarom ook niet, de Falklands hebben nog wel een appeltje te schillen met het grote Brittannië dat misschien over enige jaren zo groot niet meer zal zijn omdat het zo nodig de politieke huid van de Conservatieven moest redden door tal van belangen met voeten te treden.

Hoogopgeleid, laagopgeleid, jong, oud, stad, platteland. Wordt hier drie keer hetzelfde gemeten? En als dat zo is, meten we dan niet vier keer hetzelfde omdat ook winnaars en verliezers langs lijnen van opleiding, leeftijd en locatie getraceerd kunnen worden? Zou zo maar kunnen: jonge en hoogopgeleide stedelingen leven en werken in een vernetwerkte wereld, oude en laagopgeleide plattelanders zijn meer in lokale en minder in globale netwerken vertegenwoordigd. De eerstgenoemden hebben het referendum verloren. Dat de anderen, de Brexiteers, daarmee gewonen hebben is weer wat anders, die winnen namelijk nooit, en dat gaan ze ook nu niet doen. Ze winnen een slagje en verliezen de oorlog en dat weten ze en dat weten de anderen ook, de jonge, hoogopgeleide stedelingen weten het en ze zijn boos. Je bent de lul, of je bent de lul, dat zijn de keuzes en als de Brexiteers dat even vergeten zijn dan moet het ze alsnog worden ingepeperd.

Dat de ‘verliezers voor even’ die elkaar nu in de City beteuterd aankijken, de winnaars van gisteren waren en de winnaars van morgen zijn laat zich raden. Iedereen weet het, zij ook, en dat het hen even tegenzit is voor hen onverdraaglijk. Het zijn slechte ‘verliezers voor even’ – ook daarin herken ik de aanmatigingen van de heersende klasse. Ze willen een nieuw referendum, de schatten. Natuurlijk, nooit je verlies nemen als je altijd gelijk hebt, als het je geboorterecht is gelijk te hebben. En na dat referendum een nieuw referendum want wat de één mag moet de ander ook mogen. Enzovoort.

Gibraltar bij Spanje, de Falklands bij Argentinië, Schotland onafhankelijk, Noord-Ierland bij Ierland. De wereld zou er een stuk normaler uitzien als dat allemaal doorgaat. Een echt onafhankelijk Engeland, een Klein-Brittannië – ik vind de gedachte wel aardig. En maak je vooral geen zorgen jongens en meisjes. Jullie blijven welkom op de internationale arbeidsmarkten, jullie wel, julie altijd. Al die retoriek over migranten en parasieten, dat ging helemaal niet over jullie, dat weten jullie toch?
Winners shall be winners.

26 juni

=0=

 

 

Joke Smit

Eén aspect van de commotie rond Denk is het ongemak van een partij die mensen organiseert op basis van hindernissen die zij wel ondervinden en anderen niet of minder. Je kunt die hindernissen etniciteit noemen, dat klinkt al bijna gewoon en het heeft het voordeel dat het spreken over etniciteit altijd over de etniciteit van anderen gaat. Wij hebben geen etniciteit, wij zijn Nederlanders en daar hebben we genoeg aan. Zij daarentegen willen én Nederlander zijn én moslim én Turk én Marokkaan én Surinamer. Etniciteit is een rupsje-nooit-genoeg en daar hebben we het niet op. Het roept afkeer op en daar hebben ze het zelf naar gemaakt. Toch? Nee, we zijn niet blij met Denk.

Of toch? Ik herlas, bijna vijftig jaar na dato, Joke Smit. Was die niet voor een eigen partij tegen het onrecht, een vrouwenpartij? Ja, dat was ze, ze begon er niet mee, ze eindigde ermee.                                                                                                                                                Dat Joke Smit nog altijd  progressief is zullen weinigen willen ontkennen (er even van uitgaande dat we nog weten wie Joke Smit was), althans als we haar voortreffelijke omschrijving van progressief aanvaarden: ‘onder een progressief versta ik iemand die opinies aanhangt die later gemeengoed en al of niet onvermijdelijk zullen worden’ (Joke Smit, 1967, Het onbehagen van de vrouw, in idem Er is een land waar vrouwen willen wonen. Teksten 1967-1981. Dnbl/erven Joke Kool-Smit 2007: 30). Ik houd van die omschrijving omdat het een totaal onbevooroordeelde omschrijving is. De sleutel is ‘gemeengoed’, en gemeengoed lees ik als ‘cultuur’, ‘dat wil zeggen het realisme van het verleden en het heden’ (ibid.: 18). Je hoeft niet blij te zijn met het gemeengoed of er ‘gelukkig’ (net zo min als vrouwen ‘gelukkig’ moeten zijn als het feminisme zich weet door te zetten, vgl. ibid.: 41) van te worden (vandaar het ‘al of niet onvermijdelijk’), maar het is er. Opinies zoals de gelijke rechten van mannen en vrouwen zijn ‘gemeengoed’, zelfs bij hen die ertegen zijn en die hopen de ‘onvermijdelijkheid’ ervan in elk geval in eigen kring nog even te kunnen tegenhouden. Dat komt voor, maar zij hebben wat uit te leggen en je merkt dan dat ze het uitleggen alsof hun afwijking van het normpatroon dat patroon meer respect betoont dan het normgeval. Elke samenleving heeft een ‘gemeengoed’ (zonder gemeengoed geen samenleving) en een vrije samenleving hamert zo min mogelijk op ‘onvermijdelijkheden’, want bij ons gemeengoed hoort het recht op meningsverschillen.                                                                                     

Het essay over ‘het onbehagen van de vrouw’ is volgend jaar, in 2017, vijftig jaar oud. Het staat nog altijd als een huis. De redeneringen zijn kristalhelder en juist daarom zou het de moeite waard zijn het essay opnieuw te schrijven – met de redeneringen intact en de voorbeelden vernieuwd. Een aangrijpingspunt zou de cultuuromschrijving kunnen zijn, dezelfde omschrijving die ik benutte om cultuur met gemeengoed in verband te brengen (een verband dat Joke Smit niet legt maar, meen ik, heel goed verenigbaar is met haar zienswijze). Het realisme van heden en verleden – ik blijf het een culturele voltreffer vinden – zag er voor mannen en vrouwen zeer anders uit want, stelt Joke Smit, het ‘heeft voor de man heel andere lessen in petto dan voor de vrouw’ (ibid.: 18). Hoe tijdgebonden is dat ‘in petto’ gebleken? In 1967 was dat nog niet zo’n raadsel: ‘[a]ls een man trouwt kiest hij een levenspartner, een vrouw kiest in de meeste gevallen bovendien een levenswijze, het huisvrouwschap.’ (ibid.) Het grootste deel van haar essay is een uitwerking van deze zinsnede. Een krachtige uitwerking, toen. Ik vermoed dat de zaken er sindsdien alleen maar ingewikkelder op geworden zijn. De banen van mannen, bakens waren het in haar tekst, zijn geen bakens meer, maar steeds bewegende doelen, die tegen de tijd dat je denkt er bij te zijn aangekomen alweer verplaatst zijn, de deeltijdbanen van vrouwen zijn er nog maar niet meer als extraatje bij een huishoudinkomen, éénoudergezinnen tieren welig (zij had het er nog niet over), de discriminatie in arbeidsvoorwaarden is (ondanks wettelijke veranderingen en een minder ontmoedigend belastingregiem) hardnekkiger dan zij toen voorzag, de promotiemogelijkheden voor vrouwen hinken nog altijd na – en dan heb ik nog slechts gehad over de eenvoudiger kwesties. De ingewikkeldheid zit elders; die zit bij wat we combinatiestress zijn gaan noemen, een woord dat zij nog niet kende, en bij combinatiestress hoeven we niet alleen te denken aan volle agenda’s en tijdsdruk, maar ook aan het zelfbeeld van mannen en vrouwen, met het oog op de verdeling van huishoudelijke taken, van mantelzorg en, in het bijzonder, met het oog op de opvoeding van hun kinderen en alle gevoelens van trots en van schuld als het goed dan wel fout gaat, als je kinderen lekker in hun vel zitten of niet tot hun recht komen. Wat is daar veranderd?                                                     

Nu, wat in ieder geval veranderd is, is de hardheid van de samenleving waarbinnen kinderen opgroeien. Joke Smit zag al dat flats en autoverkeer de wereld van de kinderen verkleinden door ze hen het gebruik van buurt en straat te ontnemen (ibid.: 22) en dat het gevolg daarvan was dat de ‘schildwachtfunctie’ van de moeder zwaarder zou worden. Van de moeder? Ja, ik denk dat daar niet zoveel in is veranderd – en dat heeft weinig met Freud te maken (de passages over Freud, o.c.: 31-33, komen me nogal achterhaald voor in een essay dat verder weinig aan waarde heeft ingeboet). Je kunt veel kopen door anderen in te schakelen, maar niet iedereen kan dat en wie dat niet kan is afhankelijk van de straten en buurten van weleer, straten en buurten die er niet meer zijn. Bovendien, vaak is kopen hetzelfde als schipperen. Overigens denk ik dat nu heersende ideologie van de keuze de zaken bemoeilijkt. Bij Joke Smit speelt de keuze slechts op twee momenten een hoofdrol: in de keuze tegen ongewenste zwangerschap en dus voor het recht van vrouwen te beslissen over abortus, en in de keuze voor zichzelf, een keuze die bevrijd moet worden van de naargeestige gewoonte te denken dat de vrouw dan tegen (haar) kinderen en tegen haar man kiest. Pas dan, stelt ze volkomen terecht, beschikt de vrouw over vergelijkbare keuzevrijheden als de man. ‘De rest is dan een kwestie van het vinden van oplossingen, waarbij de maatschappij overigens wel mag worden aangespoord tot behulpzaamheid’ (o.c.: 36). De maatschappij is er, ondanks deze wens, niet behulpzamer op geworden.

Een bijzonder actuele kwestie is die van het oprichten van eigen politieke (en vakbonds-) bewegingen binnen of naast de bestaande. Ze begon ‘binnen’. Daar is iets maar niet veel van terecht gekomen en nu staat de kwestie opnieuw op de agenda, in het bijzonder door toedoen van Denk. De gedachte van Joke Smit (o.c.: 39-40) was direct: zonder collectieve emancipatie blijft de individuele emancipatie een (zij het onmisbare) toevalstreffer en hoewel haar hoop was gevestigd op bestaande politieke partijen en organisaties zou ze, gelet op de meer opportunistische dan principiële steun die haar, en met haar andere strijdsters voor de vrouwenzaak, ten deel is gevallen, haar positie vijftig jaar later niet anders hebben ingeschat? Geen toevoeging aan maar een alternatief naast of, nog ambitieuzer, voor? Ik denk dat ze in het benadrukken van politieke organisatie het grootst mogelijke gelijk van de wereld in had en heeft en ik denk dat die kwestie ten onrechte op de achtergrond is geraakt – met, als vermeld, de mogelijke uitzondering van Denk en soortgelijke initiatieven.                               

In de hoop op de gevestigde partijen werd Joke Smit bedrogen. In een interview met Hedy d’Ancona, kort voor haar dood zei ze: ‘[d]oor meteen binnen de bestaande partijen te gaan werken zijn we kennelijk te optimistisch geweest; we hebben het stadium van de eigen partij overgeslagen. Kijk, toen de SDAP werd opgericht waren er ook binnen andere partijen wel mensen die vonden dat er arbeidswetgeving moest komen en een acht-urige werkdag. Maar wat Troelstra en de zijnen goed hadden begrepen was dat er geen beweging in de zaak zou komen als niet één partij het voortouw nam, dat de andere geleidelijk zou meetrekken. De conclusie dat het niet kan zonder een vrouwenpartij heb ik niet zo maar bereikt: wat voor mij de doorslag geeft is dat zelfs de meest intelligente mannen in de PVDA na al die jaren nog steeds niet willen zien dat het feminisme geen belangenbehartiging is, maar strijd tegen onrecht’ (o.c.: 366-367).

Het geloof in partijen is er nog in dit interview – dat zou vandaag de dag heroverwogen kunnen worden, maar dan wel zonder het inzicht van de ‘strijd tegen onrecht’ over te slaan.

Het realisme van het verleden en het heden bracht haar tot de wens een eigen vrouwenpartij op te richten. Datzelfde realisme, vinden we dat terug bij Denk? En is Denk progressief, in de betekenis die Joke Smit daar aan gaf: dat het gaat om opinies die later gemeengoed en al of niet onvermijdelijk zullen worden? Dat ‘gemeengoed’ zal worden dat bestaande partijen niet in staat zijn om al diegenen die in de ‘strijd tegen onrecht’ aan het kortste eind trekken een adequaat platform te biden?
Het is de vraag naar noodzaak en toekomst van het verschijnsel van de politieke partij.

21 juni

=0=

 


Sluipend


Een sluipende privatisering van het onderwijs en ‘schaduwonderwijs’: ik lees het in De Correspondent van vandaag. Aanleiding is een rapport van de Onderwijsinspectie waarin geconstateerd wordt dat de ongelijkheid in het onderwijs door niets zo stevig wordt aangejaagd als door huiswerk-, training-, coaching- en examenvoorbereidingsklasjes waarvan het aanbod de laatste jaren is geëxplodeerd, en waar we voornamelijk kinderen aantreffen van wat hoger opgeleide en wat beter verdienende ouders. Dat zullen dan wel tamelijk homogene klasjes zijn – precies het soort klasjes dat het CPB in haar jongste rapport (Kansrijk onderwijs)aanbeveelt want homogene klasjes leveren betere resultaten en je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen. Ja, sociaal (ze zullen wel pedagogisch bedoelen) vaardiger docenten schelen ook een slok op een borrel maar het tegengaan van verschillende leerniveaus in één klas is toch wel het beste. Dommen bij dommen, slimmen bij slimmen. Beter argument om vooral grote scholen te willen hebben is er niet. Het is Babbage all over.

Het CPB concludeert dat op basis van internationaal wetenschappelijk onderzoek, volgens de formule dat het beste onderzoek het experimentele onderzoek is, gevolgd door quasi-experimenteel onderzoek, kortom onderzoek waar docenten en leerlingen studie-objecten zijn, geen subjecten die er uit zichzelf ook iets toe doen, objecten experimenteel gemanipuleerd door ‘interventies’ (kleinere klassen, vaardiger docenten, homogenisering van de populatie, tientallen interventies alles bij elkaar en allemaal van een keurig prijskaartje per leerling voorzien) – en daar maar kijken welk interventiemedicijn het hoogste effect sorteert. Er komt altijd wat uit, laat dat ons tot troost zijn.

Van het schaduwonderwijs met al z’n aanlokkelijke homogene klasjes (waar mobieltjes verboden zijn, waar gestampt en gestampt en gestampt wordt – precies de dingen die juist voor de lagere onderwijssoorten zo goed geacht worden te zijn en daar niet meer mogen worden opgelegd omdat het dan te saai wordt en wil je iets saais dan moet je betalen, zo is dat nu eenmaal) wordt niet gerept en dat is jammer want nu weten we nog niet of de gemeten effecten het product van schaduwonderwijs zijn – die dan in het reguliere onderwijs worden versterkt als dat reguliere onderwijs dezelfde homogeniteit gaat vertonen als het schaduwonderwijs. Dan krijg je de uitkomsten die het CPB ook vond, maar dan zijn het uitkomsten van een proces dat buiten het reguliere onderwijs om gestalte heeft gekregen en dat dus geen effect van ‘parallelklassen’ voor slimmen en dommen, west en oost, and never the twain shall meet, is maar van sociaal-economische en wie weet ook van culturele selectie. Wat zeiden de Amerikanen toch ook, toen ze het nog mochten zeggen en uitvoeren? Juist, separate but equal.

Het is ook wel sneu voor het CPB. Krijgen ze een prachtig natuurlijk experiment als het ware in de schoot geworpen, op een presenteerblaadje aangeboden, en ze zien het niet. Dat heb je met dingen die sluipend binnenkomen – voor je het weet denk je dat ze erbij horen.

20 juni

=0=

 


Handel


Als je in de handel ergens je handtekening onder zet dan zit je vast aan het contract dat je met je handtekening bezegelde. Als je probeert je eronderuit te wurmen dan word je voor het gerecht gesleept, met boetes bestookt, en met de kosten van de rechtszaak zelf opgezadeld. In de internationale handel wil men dat bedrijven ook regeringen kunnen aanklagen met als gevolg dat regeringen aan dezelfde rechtspraktijken onderworpen worden. In de strijd tussen private en publieke partijen winnen de private.

Dat zal publieke partijen leren zorgvuldig om te gaan met hun handtekeningen. Ik vind het wel de omgekeerde wereld, maar de wereld waarin regeringen verdragen en afspraken ondertekenen om er vervolgens van af te willen, die bevalt me ook niet. En als dan de bevolking een referendum voor elkaar weet te krijgen om hun afkeer van de regering een stem te geven – mijn voorkeur heeft het niet maar het is oneindig veel beter dan de situatie waarin een premier en partijleider om interne en partijpolitieke overwegingen een referendum bedenkt om vooral maar aan de macht te blijven.

Alleen al daarom hoop ik dat Cameron wordt afgestraft en ik hoop het ook omdat de Britten de EU altijd uitsluitend als een handelsblok wilden zien, en in een handelsblok heb je je handtekening gezet in de wetenschap dat als je dat doet, je er ook aan vastzit. Zo niet Cameron, en, gelet op de Remain en Leave campagnes, zo niet de Britten. Een handtekening, een afspraak? Als ik er wat aan heb, dan graag, maar als ik er niets aan heb of niets meer aan heb, weg ermee!

Het merkwaardige is ook dat de VVD, verklaard tegenstander van het referendum, nooit het lef heeft gehad om Cameron erop te wijzen dat hij precies doet waar zij zo op tegen zijn. Ze houden van Cameron, ze vinden hem een voorbeeld, ook voor Nederland. Maar dan wel zonder referendum. Het is smakeloos opportunisme, van een smakeloosheid die zo langzamerhand kenmerkend is geworden voor zowel de EU als de lidstaten.

Ik denk dat bevolkingen verstandiger zijn dan regeringen. Ik denk ook dat de roep om referenda voortkomt uit het besef van de bevolkingen dat regeringen er wel voor de handel zijn en niet voor hen. Bevolkingen weten dat de troika regeert, en niet hun regeringen die weinig anders kunnen en, nog treuriger, willen dan wat de troika hen voorzegt. Nou vooruit, regeringen proberen een troika-regiem te vermijden en beroepen zich daarvoor op absurde afspraken over begrotingstekorten en staatsschulden, afspraken die ze als de nood aan de man komt even gemakkelijk terzijde schuiven als hun bevolkingen waarvoor ze het allemaal zeggen te doen. Hoe noemde Merkel het ook weer, een paar jaar geleden? Ze noemde het een ‘marktconforme democratie’. En wij maar dromen van een democratieconforme markt.

Bevolkingen zijn handelswaar. Bevolkingen weten dat en verzetten zich. Iedereen weet van de onverschilligheid van regeringen voor bevolkingen, tenzij je een ontwikkeld onvermogen hebt om het niet te willen weten. Een dergelijk onvermogen is de voornaamste eigenschap van regeringen geworden.

19 juni

=0=

 


Verzet


Waarom komen de armen niet in verzet? Het is de vraag die ik vandaag weer eens tegenkwam, bij de Correspondent in een bijdrage van Maite Vermeulen. Volgens haar komt het doordat de armen eerder elkaar de tent uitvechten in hun strijd om het dagelijkse bestaan, met te weinig banen, te weinig voorzieningen, te weinig veilige woonplekken. Ze zitten elkaar in de weg en in de haren. Een plausibele redenering, alleen verklaart de redenering beter dat ze geen politieke beweging vormen dan waarom ze dat niet doen. Wie wat beter kijkt zal al snel opvallen dat de armen soms wel degelijk in beweging komen en dat ze dan hun vijanden niet onder elkaar zoeken maar onder de werkgevers, de huisexploitanten, de gemeentelijke overheid, de politie, de staat. En ook zal opvallen dat het gemakkelijker is ergens tegen te vechten dan ergens voor te vechten. Voor het eerste kun je je organiseren in eigen kring, voor het laatste heb je medestanders nodig, medestanders die je gebruiken zolang het hen uitkomt en je weer als een baksteen laten vallen als ze je niet meer nodig hebben. Het meest populaire gebruik is van de armen stemvee te maken, hen een gouden toekomst te beloven, een toekomst gebouwd op rancune maar toch, ze hun vijanden te geven (de ‘elite’, vrijwel per definitie), hen in de verzetshouding te brengen tegen alles wat de glorieuze toekomst bedreigt – in eerste instantie door de discussie, het debat, de nuance weg te honen, en als dat niet snel genoeg lukt, weg te meppen. Er zijn oorzaken en aanleidingen genoeg om als arme woedend te zijn. Het gaat erom die woede in te zetten voor eigen gewin.

Eén voorwaarde is dat je een vermoeden hebt waar die woede vandaan komt, een tweede voorwaarde is dat je die woede een bot toewerpt om erop af te geven en om je woede erop af te reageren (de elite, de Mexicanen, de moslims), een derde is dat je de woede voortdurend moet voeden, in elk geval tot je de winst hebt gepakt. Daarna kan het lastig worden maar je weet ook dat woede energievretend is en dat elke beweging die het van woede moet hebben zichzelf vroeger of later opbrandt. Je moet je moment weten te kiezen, niet te vroeg, niet te laat. Als ik Andrew Sullivan goed heb begrepen is Donald Trump een ware meester in dit spel (Andrew Sullivan, Er wordt een monster op de wereld losgelaten. De Groene Amsterdammer, 16 juni 2016: 30-37).

Het aspect dat het me het meest heeft getroffen in de weidse beschouwingen van Sullivan is dat hij het kernelement van de woede zo goed heeft verwoord (en de eer daarvoor aan Trump laat). De kern is de vernedering, de minachting die de blanke arbeidersklasse in de VS ervaart. Hij schrijft: ‘De leden van de blanke arbeidersklasse merken nu dat hun geslacht en ras, en de manier waarop zij over de werkelijkheid praten, worden afgeschilderd als een probleem dat de natie moet zien te overwinnen. (…) Een groot deel van opgeleefd links ziet de leden van de blanke arbeidersklasse niet als bondgenoten maar vooral als fanatici, vrouwenhaters en homofobe dwazen, waardoor degenen die dikwijls in de laagste regionen van de economie verkeren nu ook worden veroordeeld tot de laagste treden van de cultuur. (…) Deze toch al vervreemde arbeidersgemeenschappen horen dat ‘heteroseksuele blanke mannen’ de ultieme bron van al onze problemen zijn. Zij ondergaan de neerbuigende generalisaties – die weerzinwekkend zouden worden bevonden als ze tegen raciale minderheden zouden zijn gericht (…)’ (o.c.: 34).

De vraag is niet wat je hierop af kunt dingen. De vraag is of het klopt dat Trump het succes van zijn campagne hierop heeft gebaseerd – en wat dat gaat betekenen voor de verkiezingen, en nog meer: voor de nasleep van de verkiezingen. Er wordt een monster op de wereld losgelaten.

18 juni

=0=

 


Ras


Het aardige van Marx was dat hij een onderscheid dat je eigenlijk altijd wel had kunnen maken, het onderscheid tussen arbeid en arbeidskracht, pas maakte toen het erop aankwam om het bijzondere van het kapitalisme een plek te geven in zijn ‘kritiek van de politieke economie’.

In het kapitalisme is dit onderscheid funderend: de arbeider staat een tijd zijn arbeidskracht af om de kapitalist in staat te stellen zich gedurende die tijd van de arbeid meester te maken. De veronderstelling was een ‘vrije’ arbeider, die met z’n arbeidskracht weinig anders kon dan het te verhuren. Het onderscheid bleef analytisch even goed als altijd, maar in het kapitalisme was het niet alleen analytisch relevant, het was ook economisch relevant en, beweerde Engels ooit, het inzicht in dat onderscheid kon niet alleen niet gemaakt worden voordat het economisch relevant was geworden, het wierp ook een nieuw licht op de gehele voorafgaande geschiedenis (F. Engels, Vorwort. In Karl Marx, Das Kapital; Kritik der politischen Ökonomie; Zweiter Band. MEW 24, Berlin/Dietz Verlag 1971: 21-24. Marx zelf doet het nog eens dunnetjes over in idem, o.c. 1971: 41-42).

Ik had het natuurlijk ook over ‘basis’ en ‘bovenbouw’ kunnen hebben. Maar dat laat ik voor wat het is. Het punt moge duidelijk zijn en de alertheid van Marx zouden we vaker moeten gebruiken. We kunnen ‘leren’ tenslotte en met leren bedoel ik niet het onderscheid herhalen tot we het nooit meer vergeten, met leren bedoel ik naar andere zaken leren kijken tegen de achtergrond van nut en noodzaak van relevante onderscheidingen. Ik denk aan het onderscheid tussen ‘structuur’ en ‘cultuur’, alweer een onderscheid dat je altijd had kunnen maken en dat we pas zijn gaan maken toen alles wat we onder onder structuur begrijpen in onze cultuur cultureel indifferent was geworden: een structuur kun je ontwerpen zoals je wilt, met als criteria bijvoorbeeld welke structuur het meeste winst genereert, of de laagste kosten, of de minste verplichtingen. Anders gezegd: in een cultuur waarin de structuur nog even betoverd is als de cultuur als geheel wordt het onderscheid niet gemaakt. In de hiërarchie van de katholieke kerk was de structuur van de hiërarchie geen technisch probleem – dat wordt het pas als de kerk niet alleen financiën heeft maar ook, zoals zoveel andere instituten, financialiseert.

Dus wat vinden we van het onderscheid tussen ‘aangeboren’ en ‘aangeleerd’, tussen ras en geloof bijvoorbeeld, of tussen ras en taal? Wie maakt het onderscheid, wanneer duikt het op en wat is de relevantie ervan? ‘Een Jood zou verbijsterd zijn geweest als hij hoorde dat wij onderscheid maken tussen Jood en jood, tussen een etnische en een religieuze kant van dezelfde persoon, tussen een aangeboren en een aangeleerde kant van het jodendom. Voor een Jood zijn die één en daarom zijn er ook Falasha’s, zwarte Joden uit Ethiopië die volgens de westerse definitie van een ander ras zijn dan de Asjkenazische en Sefardische Joden. De Joden zijn in dit opzicht een zeer oud volk, dat een antieke visie op etniciteit handhaaft’.
Het citaat is van Jona Lendering, Etniciteit en religie, 30 mei 2016, terug te vinden op de site van Lendering: https://mainzerbeobachter.com/2016/05/30/etniciteit-en-religie.

Lendering ziet hier overigens weinig verschil met de Arabieren en moslims en hij besluit zijn eerste stukje hierover met de vraag waar het op aankomt: ‘[d]e vraag is dus niet waardoor moslims islamkritiek zijn gaan beschouwen als kritiek op hun etnische achtergrond, maar waardoor West-Europeanen een onderscheid zijn gaan aanbrengen’.
Het antwoord van Lendering, in het tweede stukje dat hij aan het onderwerp wijdde, is verrassend en origineel en komt neer op een list, niet van ‘de’ rede, maar van de christelijke rede, de rede waarin het geloof steeds meer opschoof in de richting van ‘persoonlijke overtuigingen’ en een persoonlijke overtuiging kan iedereen zich aanmeten, daar heb je geen ras of etniciteit voor nodig en dan vervalt het, toch al grotendeels illusoire, ‘aangeborene’ en dan kun je een onderscheid gaan aanbrengen tussen aangeboren en aangeleerd.

Dat doet Lendering heel bekwaam. Hij besluit zijn tweede stukje met een uitleg van de ‘list’: ‘de invloed van het christendom is nooit zo groot als wanneer ze, vermomd als seculier, rationeel en objectief, niet langer wordt herkend. De seculiere westerling (zoals ikzelf) die van geïmmigreerde moslims verwacht dat zij zich aanpassen aan een maatschappij waarin het aangeborene van het aangeleerde wordt onderscheiden, begrijpt de moeilijkheden van de immigranten beter als hij zich ervan bewust is dat wat hij zelf beschouwt als een logisch onderscheid, niet zo universeel is als hij denkt’. 

Ik ben bijzonder gecharmeerd van Lendering’s verhalen. Het mag niet verbazen dat hij ooit een behartigenswaardig essay over Marx schreef (Marx, futuroloog. Filosofie in Bedrijf 15/2, 2003: 2-8). Of biologische appels ver van de stam vallen is voor mij geen uitgemaakte kwestie, maar dat geestelijke appels beïnvloed worden door een woud van geestelijke stammen staat voor mij buiten kijf.

9 juni

=0=



Bril

We zijn op weg naar draagvlakonderwijs. Dat is geen onderwijs, het is opvoeding, ‘integratie’ eigenlijk in de ‘ononderhandelbare normen en waarden’ (ik citeer staatssecretaris Dekker) en dat zijn bij gelukkig toeval nu precies de normen en waarden waar voldoende draagvlak voor is in de maatschappij. Welke dat zijn? Dat weet de staatssecretaris ook: ‘de gelijkheid van man en vrouw, vrijheid van meningsuiting, geen discriminatie van homoseksuelen’.

Een mooie selectie, toegegeven, maar toch een selectie. De staatssecretaris is wezen shoppen en dat kan natuurlijk niet want in de grondrechten mag je niet shoppen. Dus als de staatsecretaris geen geld wil geven aan een islamitische middelbare school in Amsterdam omdat hun normen en waarden niet de zijne zijn dan vindt hij daar misschien wel draagvak voor maar draagvlak is geen grondrecht. Dat zegt de jurist, in dit geval professor Zoontjes, dan ook. Het is de staatssecretaris niet ontgaan, maar, zegt hij: ‘de heer Zoontjes kijkt met een strikt juridische bril naar deze zaak, ik kijk met een maatschappelijke bril’. Dat heet in VVD-kringen een argument. Ik vermoed dat ze het er bij de VVD inhameren: de wet is er om aangepast te worden. Bevalt de wet niet dan grijpen we in en maken een andere.

Heb je een wet die vrijheid van onderwijs toestaat, omdat zo’n wet de ruimte biedt aan verschillende ideeën om met elkaar om te gaan dan vertaalt de staatssecretaris dat op zijn eigen wijze. Hij zegt: ‘de vrijheid van onderwijs wordt wat mij betreft ingeperkt door ideeën over hoe wij met elkaar willen omgaan’. Een wet die bedoeld is om daar ook in de school met elkaar van mening over te mogen verschillen wordt omgezet in een wet met een verbod met elkaar daarover van mening te verschillen. Loopt het de spuigaten uit dan kan er worden ingegrepen, vooraf en niet, zoals tot dusver, alleen achteraf.

Van de huidige wet wil de staatssecretaris af. Hij is van de school dat je geen preventief beleid voert door de omstandigheden zo te manipuleren dat scholen uit de voeten kunnen maar dat je preventief beleid voert door vooraf de bestuurders van een school zo te manipuleren dat ze doen wat de staatssecretaris nodig vindt, en dat ze dat niet alleen doen, maar dat ze dat ook willen. Daar is hij in het geval van de islamitische school niet gerust op en daarom wordt de financiering tegengehouden. Hij vertrouwt de normen en waarden van de bestuurders niet.

Bestuurders: we hebben legio VVD-bestuurders, bij banken, bij overheden, in het verzekeringswezen, in de thuiszorg, waar niet. Had de staatssecretaris ze vooraf gescreend dan weet ik wel zeker dat we minder problemen hadden gehad – maar de staatssecretaris heeft het niet over normen en waarden rondom fraude, malversaties en graaien, normen en waarden die ongetwijfeld ‘onderhandelbaar’ zijn, die ‘geschikt’ kunnen worden, hij heeft het alleen over ‘ononderhandelbare’ normen en waarden. Het is verhaal van de splinter en de balk.

Dekker wil zijn gedachten in een nieuwe wet gieten, met nog meer onderwijsvrijheid aan de ene, met een volstrekt nieuwe en vooraf op bestuurders te toetsen vrijheidsbeneming aan de andere kant. Wat hij deed met de islamitische school was nooit eerder vertoond: niet wachten op wat er uitkomt maar onmogelijk maken dat er iets uitkomt. Hij loopt vooruit op de siuatie dat hij dat met elke school kan doen.

Dekker wil van scholen uitvoerende staatsscholen maken, van onderwijs staatsopvoeding. M’n bril valt er vanaf.

6 juni

=0=

 

 

Winnaar

Er is een markt voor mensen die zeggen dat zij de winnaars er zo uitpikken. Meestal krijg je er dan de suggestie gratis bij hoe je het kunstje zelf ook kunt flikken. In onzekere tijden een gouden propositie.

Jim Collins is een van de vele makelaars in dit type proposities. Van hem verscheen in 2001 het boek Good to Great (New York, Random House Business Books 2001). Zijn idee is dat je alleen dat moet doen waarvan je weet dat je de beste kunt worden, dat je niet alles moet maximeren maar alleen je strategische variabele (bij Fannie Mae is dat bijvoorbeeld niet de winst per hypotheek als variabele maar de winst per risiconiveau van een hypotheek als variabele, een ‘briljant inzicht’ volgens Collins, o.c.: 105) en dat je gepassioneerd moet raken van wat je doet. Het kon niet uitblijven dat deze drie kwaliteiten vervolgens werden afgebeeld in drie cirkels en dat die drie cirkels elkaar voor een deel overlappen.

Dat overlappende deel noemt Collins het ‘egel-concept’ (o.c.: 96). Een egel is eenkennig (de vos weet veel dingen, de egel één groot ding, maar dat weet-ie dan ook), een egel is gericht bezig en kennelijk raakt de egel met dat al in de ban van zijn eigen passie. Egelbedrijven doen het goed, vossige bedrijven niet want vossen weten niet hoe ze uit alles wat ze doen dat ene te peuren waarin ze het beste kunnen worden, vossen zijn altijd met verschillende dingen tegelijk bezig en over de passies van de vos bewaren we het stilzwijgen.

Het boek is van 2001 en mij is niet bekend of Collins na 2008 nog een herdruk van het boek heeft uitgebracht. Mocht dat het geval geweest zijn dan denk ik dat het voorbeeld van Fannie Mae ofwel verdwenen is ofwel aangepast (met een andere strategische variabele, bijvoorbeeld wanneer Fannie Mae zou ophouden ‘too big to fail’ te zijn en wat je moet doen om dat tegen te gaan). Ernstiger lijkt me dat Collins vergeet te bedenken dat het ene grote ding van vossen, in plaats van niet te bestaan, er precies in bestaat van veel markten thuis te zijn, en dat de egel dat niet weet en de vos wel. Ik bedoel, je zult maar ivoordraaier zijn en daarin de beste, dat je weet dat de kwaliteit van het ivoor beslissend is voor de kwaliteit van de biljartbal en dat je helemaal blij wordt van ivoordraaien, misschien uit beroepstrots, misschien omdat je van biljarten houdt. En dan kom je erachter dat kunststof biljartballen de ivoren ballen verdringen omdat ze beter zijn (niet gevoelig voor temperatuurwisselingen bijvoorbeeld). Waar haalt onze egelige ivoordraaier de tijd, de focus en de animo vandaan om opnieuw te beginnen en wat als hij redelijk kan meedraaien maar lang de beste niet is?
Collins vertelt zijn verhaal in navolging van een essay van Isaiah Berlin over Tolstoy (The Hedgehog and the Fox. In idem, Russian Thinkers. London, The Hogarth Press 1979: 22-81).

Alleen, Berlin had het over de egel én de vos, en Collins over de egel óf de vos. Toch een verschil. Je moet van egels geen vossen maken en omgekeerd en je moet geen onheilsprofetieën de wereld in slingeren over de vos met wie het nooit wat zal worden en de egel die altijd zal zegevieren. Berlin deed dat ook niet – het métier van managementgoeroe trok hem niet aan.

Wanneer je omgeving niet erg snel verandert kun je lang volhouden te doen wat je altijd al deed. Verandert je omgeving snel dan heb je aanpassingsvermogen nodig en verandert je omgeving niet alleen snel maar ook radicaal en onvoorspelbaar dan moet je maar afwachten of je überhaupt in staat bent je aan te passen en dat ook nog eens op tijd te doen. In een turbulente omgeving kun je beter een vos dan een egel zijn.

Zojuist kwam ik in de Volkskrant een reprint tegen van een fascinerend artikel (Zuchten in Tent City, 10 juli 1999) van Bert Lanting. Een sheriff uit Arizona heeft begin jaren negentig van de vorige eeuw een schrikregiem voor gevangenen ingesteld. Gevangenen aan een ketting die buiten de gevangenis in gestreepte kleding rotklusjes verrichten (ook vrouwen, meldt de man, ook vrouwen en dat vind je nergens anders!), huisvesting in tenten die in de zomer te heet en in de winter te koud zijn en nog talloos veel andere vernederingen. Het werkt, zegt de sheriff trots. De sheriff is een echte egel. Hij weet dat hij de beste is in mensen te kijk zetten, hij maximeert de straf op elke pietluttige overtreding en is helemaal blij met wat hij nu al een kleine vijfentwintig aan het uitvreten is. De sheriff is een demonstratie van iemand voor wie het verschil tussen gezagsuitoefening en machtswellust te onbelangrijk is om er rekening mee te houden. En uiteraard, deze sheriff is dol op etnisch profileren en omdat ze in Arizona vinden dat er te veel Latino’s zijn worden die bij voorrang opgepakt. Dat mag niet, de sheriff wordt er nu voor aangeklaagd – het zou hem zijn baantje kunnen gaan kosten (Bert Lanting, De Volkskrant 2 juni, ‘Strengste sheriff van Amerika’ opgepakt vanwege etnisch profileren). Het is niet ondenkbaar dat het verschil tussen macht en gezag hem via de rechter moet worden ingepeperd. Mocht dat gebeuren dan heeft Amerika er weer een wrokkige etterbak bij.

Zou onze sheriff het werk van Collins kennen? Het zou veel van zijn monomanie verklaren. En net als Collins houdt hij er geen rekening mee dat de tijden veranderen, de ene zaak de andere niet is en dat het publiek vandaag juicht voor wat het morgen van zich afwerpt.

3 juni

=0=



 Uiterlijk

Etnisch profileren heeft weinig met etniciteit en alles met uiterlijk te maken. Het heeft evenmin veel met gedrag te maken en weer alles met verondersteld gedrag, met toegerekend gedrag. Soms maken we ons zorgen over onze ijver hierin, want de kans dat toegerekend gedrag ook werkelijk gedrag wordt zou wel eens meer te maken kunnen hebben met ons gedrag als met dat van hen. Neem in de misdaadstatistieken het aantal aanhoudingen op, differentieer die naar etniciteit, en elke politieman weet dat etniciteit ‘relevant’ is. Halbe Zijlstra weet het ook en vindt daarom dat we vooral door moeten gaan met profileren. Dit las ik in de Telegraaf, vandaag: ‘VVD-fractievoorzitter Zijlstra is wel voor etnisch profileren: ‘Profileren hoort erbij. Sommige bevolkingsgroepen zijn nu eenmaal oververtegenwoordigd in misdaadstatistieken’.’ Halbe is zo geborneerd dat hij zich niet eens kan indenken dat iedereen naar VVD-politici kijkt met een statistisch geharnast profiel waarin malversatie, fraude en graaien om de eerste plaats strijden. Halbe denkt dat profileren over de anderen gaat. De schat. Los hiervan, het zou al een hele verbetering zijn als we voortaan alleen nog het aantal vrijspraken/veroordelingen, gedifferentieerd naar etniciteit en per delictstype, te zien krijgen.

De politie in Zwolle neemt zich voor de belofte van neutraliteit bij aanhoudingen voortaan waar te maken. De politie hield gisteren zanger Typhoon aan omdat ze vonden dat z’n auto niet bij z’n kleur paste, en dat had weer niets van doen met de kleur van de auto maar met de kleur van Typhoon. De politie belooft met de hand op het hart dat ze nooit meer kleur zal bekennen. Dat is te veel beloofd, dat moet de politie niet doen want nooit meer kleur bekennen moet beginnen bij de politiek, niet bij de politie. Typhoon heeft dat wel door, hij heeft het over een ‘dikke error’ in de Nederlandse samenleving. Een dikke error, daar was ik zelf niet op gekomen.

Het probleem met etnisch profileren is niet in de eerste plaats het etnische (daar past alles in waar we ons niet in ‘herkennen’ en wat we niet durven of willen ‘erkennen’), het probleem is in de eerste plaats het profileren. Ik denk dan, ter vergelijking, aan het ‘casten’ van acteurs, de selectie van acteurs op basis van de rol die ze moeten vervullen. Als ik een detective kijk (doe ik vaak en graag) dan bestudeer ik eerst het uiterlijk van de acteurs en zien ze er een beetje groezelig en schuldig uit dan weet ik dat ik op moet passen want vermoedelijk moet ik de dader juist niet onder hen zoeken, ik moet de dader zoeken onder de acteurs die er bijna maar net niet helemaal perfect uitzien. Ik pik ze er steeds gemakkelijker uit – met dank aan de casting die tal van typetjes levert, inclusief dat van de dader. Ik profileer en in mijn profileren speelt, net als in de wereld buiten het theater, het uiterlijk een grotere rol dan het gedrag, of beter: ik lees het gedrag in het verlengde van het uiterlijk.

Dat is een dikke error, en hoe vaker ik het bij het rechte eind heb des te meer is het een dikke error. Voor botte geesten als Halbe Zijlstra zijn statistieken geen toets op uitspraken die een relatie schetsen, het zijn zelf uitspraken die de toets der kritiek hebben doorstaan. Waarom? Omdat het statistieken zijn.
Met zulke politici in huis hoeven we er niet op te rekenen dat de strijd tegen racisme ooit gestreden is.

31 mei

=0=

 

 

Laatdunkend

Je kunt zeggen dat je schelden, beledigen, treiteren en provoceren afkeurt maar niet wilt verbieden, omdat een verbod het hoge principe van de vrijheid van meningsuiting in gevaar brengt. Je kunt erbij zeggen dat zodra het racistisch wordt een grens is overschreden die niet overschreden mag worden. Ik geef toe, het is ingewikkeld om te bepalen wat wel en niet onder racistisch valt maar als je je daarbij neerlegt, het dan maar laat voor wat het is of niet is, en er iets anders van bakt, dan maak je je er vanaf met een jantje-van-leiden.

Premier Rutte doet dat. Het woord racistisch neemt hij niet in de mond. In plaats daarvan noemt hij de racistische reacties op Sylvana Simons ‘achterlijk gedrag’ van ‘doorgeslagen tokkies’ en ‘idioten’. Niet elke reactie op Simons is racistisch, niet elke reactie komt van mensen die Rutte nooit zou toelaten in zijn kennissenkring.

Het probleem is politiek: hoe om te gaan met racisme? Rutte, en met hem het gros van de politici, gaat ermee om door het te ontkennen, door er een probleem van zwakbegaafden van te maken. Dat is een belediging die die van de mensen die hij in de hoek zet naar de kroon steekt. Rutte zegt in al  zijn nietszeggendheid twee keer dat racisme zijn zaak niet is, dat racisme geen politieke zaak is. Eén keer door de term te onderdrukken, een tweede keer door er een psychiatrische kwestie van anderen van te maken. Dit is de subtekst van Rutte: ik heb er niets mee te maken, en ik wil er ook niets mee te maken hebben. Dat is dan de premier van Nederland.

Laat ik een voor mij onverdachte bron citeren om aan te geven hoe verschrikkelijk ingewikkeld het probleem is. Op 27 mei besluit Stevo Akkerman een column in Trouw over het bezoek van Obama aan Hiroshima (Had ik die bom op Hiroshima gegooid?) met de volgende regel: ‘Toch weet ik inmiddels niet meer wat ik zou hebben gedaan als ik in 1945 president van de VS was geweest’. Ooit was hij tegen elk kernwapen, nu aarzelt hij. Van zijn redenering begrijp ik niet veel maar dat hij één vraag niet stelt stelt me teleur. Ik bedoel de vraag waarom de Amerikanen wel bereid waren de bom op Japan te gooien en niet op Duitsland.

Ligt het niet heel erg voor de hand dat als de Amerikanen Duitsland hadden gepakt de Japanners daar goede nota van zouden hebben genomen en dat vervolgens de oorlog met Japan bekort zou zijn – precies het effect dat met de bommen op Hiroshima én Nagasaki werd nagestreefd? Een bom gooien of niet is één kwestie, waar de bom gooien een heel andere. Waarom liever Japanners als proefkonijnen dan Duitsers? Me dunkt, het zou zo maar kunnen zijn dat ras iets met het antwoord te maken heeft. Obama stelde die vraag niet, Akkerman ook niet – en zo vermijden we de invloed van racisme als reden om Japan te grazen te nemen en Duitsland van de ergste gruwel te vrijwaren.

Ik ben ervan overtuigd dat de tokkies van Rutte niet de oorzaak van het racismeprobleem zijn. Het probleem is de afwezigheid van de politiek en Rutte geeft er in alle laatdunkendheid exact de reden voor aan: racisme is mijn zaak niet, ik noem het niet eens en verder heb ik er niets mee te maken.

29 mei

=0=

 


Wacht even

Dat Michael Schaap (‘de hokjesman’) de Nipkowschijf heeft gewonnen was me even ontgaan. Dagblad Trouw had een gesprek met hem. Alleen al op basis van dat gesprek mag hij van mij die prijs hebben.

Je zou het niet zeggen aan de hand van het fotootje bij het Trouw-artikel maar kennelijk is Schaap uiterlijk (en qua taalgebruik) geen staandaardautochtoon En dus overkwam hem, ’s avonds laat in zijn eentje aan het werk bij de VPRO, dat een beveiliger die hem aantrof met een sigaret in de mond hem opdroeg die sigaret uit te maken. Schaap zei, ach, niemand heeft er last van en de VPRO, dat was altijd vrijzinnig, toch? Het antwoord van de beveiliger was: ‘Niks mee te maken, als je in Nederland bent, moet je je aanpassen.’ Toen, vertelt Schaap, toen hoorde ik de PVV’er, en ik dacht: wacht even. Hij weigert de sigaret te doven, er komt een tweede beveiliger bij, ze dreigen met de politie, Schaap nodigt hen uit dat vooral zo aan te pakken – hoe het afliep staat er niet bij, ik denk met de beroemde sisser, ik denk dat de beveiligers zijn afgedropen. Nou vooruit, ze zullen er ‘melding’ van hebben gemaakt.

Fascinerend, dit incident. Het is een beknopte geschiedenis van het moderne Nederland. De beveiligers zijn gewoon geworden overal waar we ons bevinden, op straat, in de winkel, in het winkelcentrum, in het stadion en de muziekhal, op het werk, en de beveiligers doen gewoon hun werk en roken op het werk mag nergens meer dus ook in de lokalen van de VPRO niet en daarom heeft de beveiliger geen keus dan Schaap te manen die sigaret uit te maken. Je moet doen wat je moet doen en tegenwoordig doen we dit. Dat is modern en het wordt pas echt modern door de toevoeging dat wie in Nederland is zich moet aanpassen. Het nieuwe artikel 1 van de Grondwet, de basisregel van de constitutie van de PVV (ik neem aan dat de PVV’er van Schaap hier vandaan komt). Jij, Schaap, moet je aanpassen aan mij, vertegenwoordiger van de regel die Nederland heet. Het nieuwe Nederland: mensen wegzetten op grond van hun vermoede afkomst. Ja, niets nieuws onder de zon uiteraard, maar wat vroeger aan de hogere stand was voorbehouden is nu gedemocratiseerd en onze beveiliger weet het. Hij ook! Het is zelfs een onderdeel van zijn functieomschrijving en niet alleen dat, het is er het beste stukje van, het is zo goed dat het bijna als beloning wordt gezien, als een secundaire arbeidsvoorwaarde bij een baan die er qua primaire arbeidsvooorwaarden niet geweldig voorstaat.

Wacht even, dacht Schaap. Dat zouden meer mensen moeten doen.

22 mei

=0=

 


Mislukt


Gisteravond vroeg Sunny Bergman bij Pauw aan Pauw waarom hij vorige week vrijdag Ebru Omar maar had laten doorratelen, ook toen ze onmiskenbare overdrijvingen debiteerde. Welke dan, vroeg Pauw. Nu, was het antwoord, als Omar van Turkse Nederlanders die over haar klikken ‘alle’ Turkse Nederlanders maakt en als ze vervolgens daar de conclusie aan verbindt dat de integratie mislukt is, dat de multiculturele samenleving mislukt is, en dat door de onoplettendheid van successieve regeringen in de EU Erdogan met zijn lange arm zich in de ‘krochten’ van de EU had gewurmd.

Pauw had het er maar moeilijk mee. Waarom had hij niet ingegrepen? Nu ja, hij had niet ingegrepen omdat hij eigenlijk ook wel vond dat de multiculturele samenleving mislukt was. Dat begreep Bergman weer niet. De multiculturele samenleving, verklaarde ze, is er en als het er is, is het er. Ja, zei Pauw, daar heb je wel gelijk in, het is er en dan kun je niet zeggen dat het mislukt is. Daar zal de bakker die een mislukte taart uit de oven haalt van opkijken. Nee hoor, bakker, die taart is helemaal niet mislukt want die taart is er. Geef Jeroen weerwoord en hij maakt het alleen maar erger.

De andere gasten aan de tafel van Pauw lieten zich niet onbetuigd. Er was een Kamerlid van de SP en omdat de SP al lang geleden wist dat de integratie mislukt was en omdat dit Kamerlid daar kennelijk niet totaal gelukkig mee was en er ook niet ruiterlijk afstand van durfde nemen, bracht ze naar voren dat het misschien niet radicaal mislukt was maar toch ook geen groot succes was geworden, die integratie. Daar was Jeroen het hartgrondig mee eens. Wat ik had willen zeggen, zei hij, is dat de belofte van al het goeds dat de multiculturele samenleving zou brengen niet was uitgekomen. Wie had dat beloofd, vroeg Bergman, wie? Daar kwam Jeroen in alle snelheid even niet op, maar dat het beloofd was, reken maar, en dat had hij willen zeggen. Niet mislukt want het is er nu eenmaal, maar ook niet gelukt ondanks alle beloften.

Journalist Wierd Duk van het AD bleek van mening dat als Turken met Turken trouwden en Marokkanen met Marokkanen en Surinamers en Antillianen met iedereen (en Nederlanders met Nederlanders maar dat zei hij er niet bij) je toch niet kon zeggen dat de integratie gelukt was. Jeroen is niet getrouwd, maar dit begreep hij opperbest. Ja, parallelle samenlevingen, dat moet je eigenlijk niet willen, en toch is het zo ver gekomen. Aan wie zou het toch liggen? Aan de Nederlanders, zoals Bergman, altijd prettig voorspelbaar, opwierp? Of aan de allochtoon of zoiets?

Tja, aan wie ligt het? Het SCP constateert dat hoogopgeleiden misschien in hun vroege jeugd nog wel eens een laagopgeleide zijn tegengekomen maar na hun twaalfde niet meer en ze trouwen ook onder mekaar. Het lijkt wel een parallelle samenleving. In de steden usurperen de vermogenden het centrum en de minvermogenden moeten uitwijken naar de stadsrand of ze worden er overheen geduwd. Het lijkt wel een parallelle samenleving.

Nee, daar kwam niemand op, Jeroen al zeker niet. Een sneue man, die erg blij is met zichzelf en zich niet kan voorstellen dat niet iedereen dat is.

19 mei

=0=


Feuilleton


De berichtgeving over Brexit is een dagelijks feuilleton. Net zoals de berichtgeving over de voorverkiezingen in de VS. Elke dag wat nieuws. Elke dag wat nieuws in de vorm van Kees die een verse knuppel in het hoenderhok gooit, waar Piet zich krachtig tegen uitspreekt en tegelijk op Jan reageert, waar Jan het dan niet mee eens is en Wim ook niet, maar Peter weer wel. Machtig interessant, zeker als al dit nieuws ook nog eens uitgebreid herkauwd wordt op de kanalen van de publieke omroep. Met een muziekje erbij, dat scheelt.

In het Brexit-feuilleton hadden we het deze week over Boris die niet-voor is en over de Falklands die in niets lijken op de geliefde Falklandjes van onze eigen Samuel Falkland.
Zou Boris een sms-je ontvangen hebben van Thierry Baudet? De Pan-Europese gedachte waar Boris niets van moet hebben blijkt, zegt hij, al bij Hitler en Napoleon terug te vinden! Kijk, dat graaft diep. Thierry, op zijn beurt, was wel bij Hitler uitgekomen maar nog niet bij Napoleon. Sterker nog, Boris was een jaar of tien geleden al uitgekomen bij de Romeinen en hun Pan-Europese project, en de Romeinen, zegt Boris, konden er wel wat van en de prutsers in Brussel niet. Boris houdt niet van prutswerk en daarom is hij voor een Brexit.

En dan nu de Falklands. Bij een Brexit raakt Engeland het kwijt. Zegt het ene sprekende hoofd. Bij een Superstaat Europa raakt Engeland het kwijt. Zegt het andere sprekende hoofd. Dat hoort zo. In een democratisch land met vrije meningsuiting kun je geen mening ventileren zonder een tegen-mening. Anders is het niet goed. Anders is het saai. Je moet elkaar vliegen kunnen afvangen, dat maakt het pas spannend en dat het uitloopt op de kunst van het vliegen afvangen vanwege het vliegen afvangen is niet erg want het moet niet te ingewikkeld worden. Je moet dingen benoemen, je moet niet politiek correct zijn: het zijn de moderne wetten van de politieke communicatie, de wetten die voorschrijven dat je eerst moet oordelen en pas dan moet kijken, en hoe je vervolgens alles wat het geval is zo smeuïg als mogelijk met je oordeel in verband brengt. Appeltje eitje, zelfs Wilders kan het.

Dat de Britten het er over eens zouden moeten zijn dat de strepen die ze her en der in de wereld hebben getrokken de oorzaak van eindeloze geschillen, oorlogen en haat zijn gebleken en dat ze zich daar eens rekenschap van zouden moeten afleggen, dat gaat er aan de andere kant van het Kanaal niet in. Aan deze kant van het Kanaal ook niet, overigens, maar wij zitten voorlopig nog helemaal in de EU. Rekenschap? Ja, zeker, en ook over de Falklands. Maar daar willen ze niks van weten op hun heerlijke eiland. Laat ze er vooral blijven.

18 mei

=0=


Helikopter

Het ging zo: de overheid probeerde geld op te halen uit de markt door obligaties te verkopen en wat de overheid aan de markt niet kwijt kon werd door de centrale bank gekocht en de centrale bank zette daar de geldpers voor aan. Het heette ‘monetaire financiering’ en het veronderstelde dat de centrale banken meegingen met het beleid van de overheid. In naam van de ‘onafhankelijkheid’ van de centrale bank is die meegaandheid afgeschaft en nu zitten we met de situatie dat de centrale bankiers zelf beslissen over monetaire financiering en hun overheden er geen greep meer op hebben.

Monetaire financiering gaat tegenwoordig door het leven als ‘kwantitatieve verrruiming’, en recent dook de fraaie naam ‘helikoptergeld’ op, geld dat nu eens niet over de banken maar over de bevolking wordt uitgeworpen, als was het manna uit de monetaire hemel. Het is een mirakel en ook al kun je deze manna niet eten, je kunt er wel eten voor kopen en dat, zo is de gedachte, is goed voor de ‘economie’ want dat eten moet worden geproduceerd en daar hebben productiebedrijven en werknemers en transporteurs en winkels en belastingslurpende overheden wat aan. En daar gaat het maar om, om de economie. Of het goed voor de mensen is, is altijd secundair.

Sterker nog, het is niet goed voor de mensen (nu ja mensen, belastingbetalers eigenlijk), beweert de president van de Duitse centrale bank. En het is ook niet goed voor ‘landen’. Daarmee zal hij Duitsland wel bedoelen want in Duitsland is men helemaal niet gelukkig met het beleid van ‘kwantitatieve verruiming’ van de ECB en helikoptergeld zou daar nog eens een schepje bovenop doen. De man was geschrokken omdat ECB-president Draghi het een ‘bijzonder interessant concept’ had genoemd en Draghi vertrouwen ze niet meer bij onze buren. En met reden want Draghi schijnt te denken dat de ECB er niet alleen voor de sterkste economische machten in de EU is. Nu, wie zo denkt heeft er niets van begrepen.

Ook onze eigen Klaas Knot van DNB heeft het wel een beetje gehad met Draghi. Zijn oplossing is dat je met een reguliere en veel te lang uitgestelde loonsverhoging hetzelfde kan bereiken als met die helikopter. Met zo’n bankpresident heb je geen vakbeweging meer nodig. Na de politiek wordt in dat geval ook de vakbeweging opgegeten door de monetaire autoriteiten. Gaat het plannetje van Knot door dan hebben de uitkeringsafhankelijken het nakijken maar als gezegd, het gaat niet om de mensen, het gaat om de economie.

Wat het allemaal waard is zit nog in het koffiedik, vandaar dat zegeningen en banvloeken elkaar zo gemakkelijk afwisselen. Het lijkt de Brexit wel, of het verdrag met Oekraïne, of de voorspellingen van Thierry Baudet. De afkeer van monetaire financiering was altijd al de afkeer van de gedachten van Keynes. Nu dreigt Keynes via de achterdeur van de ECB weer binnen te komen? Achterdeur? Ja: de voordeur heet politiek en de politiek heeft zichzelf op de reservebank geplaatst. En wie nooit speelt, verleert het spel.

17 mei

=0=

 

 

Huis

Wie Nederland naar links wil krijgen moet stante pede de hypotheekrenteaftrek opheffen. Waarom? Omdat de huizenmarkt alleen als zeepbel kan voortbestaan door elke huizenbezitter met handen en voeten vast te binden aan financiële belangen, en omdat financiële belangen daarbij rekenen op de hulp van de staat, hulp die ook afkomt: dat is de hypotheekrenteaftrek. Die aftrek in z’n huidige vorm is een erfenis van Paars. De laatste jaren is iets van de waanzin eromheen verwijderd maar het stelsel is nog altijd één van de pijlers onder de groeiende vermogens- en inkomensongelijkheid.

Wat het stelsel ook heeft bewerkstelligd is de marginalisering van links. Althans, dat beweer ik. Nergens op gebaseerd, mijn stelling, behalve op een ‘wat anders’ redenering en dat zijn niet de sterkste redeneringen. Mijn aanval op het huis staat niet als een huis, zal ik maar zeggen.

Waarom dan toch zo’n aanval? Het komt door Buitenhof, vandaag, waar werd gesproken over ‘nieuw links’, dat in diverse landen z’n opwachting maakt, en niet in Nederland. Nieuw links zou de sociaaldemocratie herinneren aan waar het ook weer over ging, die sociaaldemocratie. Dat roept de vraag op waarom dat bij ons niet zo is en die vraag werd uitgerekend niet gesteld, met dank aan moderator Paul Witteman (en uiteraard de redactie van Buitenhof die er op zijn beurt ook keer op keer in slaagt voor de hand liggende vragen niet aan te reiken). Waarom is Nederland zo’n sloom sociaaldemocratisch eiland in een turbulente wereld waar op tal van plekken wel degelijk om een links beleid wordt geroepen? Waarom slaagt de SP er niet in om te profiteren van de afgang van de PvdA?

In diverse landen heeft de financiële roof van de politiek tot protest geleid. Rechts heeft geprofiteerd van de onzekerheid die de roof heeft veroorzaakt, links heeft zich ermee vergenoegd de rommel op te ruimen – en op het erf van de burgerij te kieperen. Maar niet alles was rommel: de huizenmarkt is, met dank aan de hypotheekrenteaftrek en door de ECB geleide lage rentepolitiek, weer even opgeblazen als voor de crisis en daarom wonen tal van mensen op een wolk en willen dat graag blijven doen. Tegelijkertijd wordt de sociale woningbouw afgeknepen, met instemming van de sociaaldemocratie. Goed voor de eigen woning en zo. En daarom neemt de woede op de sociaaldemocratie toe en staat links in Nederland niet op en daarom vernietigt de sociaaldemocratie in ons land zichzelf wel.

Dit is mijn ‘wat anders’ redenering. Toch jammer dat de vraag naar de Nederlandse afwijking in Buitenhof niet gesteld werd en dat geen van de uitgenodigde gasten er stil bij stond.

15 mei

=0=

 


Gedrieën


Pinksteren is een zendingsfeest. Pinksteren is ook het feest van de oecumene, de eenheid onder de christenen. Ik lees het in het hoofdredactionele commentaar van het Reformatorisch Dagblad van vandaag, het dagblad dat zelf ook een beetje leek te schrikken van die oecumene en er daarom direct een uitleg naast legde, een uitleg in de trant van die ene, algemene, heilige, christelijke kerk die iedere gelovige wel moet erkennnen, want iets anders zit er niet op en verdere verschillen zijn niet uitgesloten maar zijn, hoe mooi toch, secundair. Geen eenheid in verscheidenheid maar verscheidenheid in eenheid. Zo los je elk probleem op.

We hebben niet alleen zorg om de ander, we hebben ook zorg om onszelf. Pinksteren is een cursus en een opfriscursus inéén. De Heer wordt elke zondag geëerd, Christus heeft een paar feestjes en vooor de Heilige Geest is er Pinksteren, het feest waar de geest zich even mag ontladen (‘uitstorten’) om voor de rest van het jaar weer in de fles te gaan. Dat is de bedoeling niet, natuurlijk, maar gelet op de diepe verdeeldheid in kerk en wereld: welke andere conclusie kunnen we trekken? Dat van die wereld verzin ik gemakshalve bij, dat van de kerk niet, dat ontleen ik aan het hoofdredactioneel in het RD. Ook een krant moet prioriteiten stellen.

Dat heb ik nou altijd met het type christendom dat ik in de kolommen van het RD tegenkom. Ik denk dat waar het ook het over gaat het eigenlijk altijd alleen maar gaat over de angst dat de eigen gelederen nog verder uitdunnen en versplinteren, en over de bezwering van die angst door het uitspreken van een enkele magische formule, met daarin opgesloten de hoopvolle verwachting dat de formule het werk zal doen dat de wereld maar niet voor elkaar krijgt. Je hoeft er niet eens voor te knielen, het eventjes uitlenen van je gehoor aan de formule is al genoeg. Je gehoor? Ja, zoals in gehoorzaam zijn. Luister en je zult geloven, luister en je zult leren geloven, luister en je zult het gezag van het geloof leren kennen en erkennen. Doe je best en wie weet zal er naar jou worden geluisterd. Op den duur, eventueel.

Wat is het ander dan therapie, de therapie van het werkzame placebo?
Er zijn geen werkzame placebo’s, er zijn omstandigheden waaronder mensen door een even gestilde honger aan aandacht helemaal opkikkeren. Niet iedereeen, maar toch, en het kan ons, zo suggereert elk geloof, allemaal overkomen. Laat het een les zijn. De les van de heilige geest. Dat Pinksteren niemand aanspreekt is omdat we ons door niemand de les laten lezen.

14 mei

=0=

 

 

Aanklacht

Wie voor het lek heeft gezorgd waardoor de Panama Papers naar buiten konden sijpelen, weten we nog niet. Hij/zij (Trouw heeft het over de Bron, ik heb het liever over het Lek) kiest voorlopig voor het anonieme klokkenluiderschap. Verstandig. Maak jezelf bekend (Snowden over de NSA, Assange en de Wikileaks, Birkenfeld en de UBS, Deltour en Luxleaks) en de overheden nemen je te grazen.

Klokkenluiders zijn een bedreigde diersoort en als overheden er nu eindelijk eens toe over zouden gaan klokkenluiders effectief te beschermen is alle geheimzinnigheid niet nodig. Dat zit er niet in. Dezelfde overheden die het recht op belediging zo graag gelijk stellen met het recht op vrije meningsuiting geven niet thuis zodra het om het recht op het aanklagen van grove malversaties gaat. Ze hebben zelf de deur wagenwijd opengezet voor malversaties en het is al pijnlijk genoeg dat ze nu met hun eigen gesjoemel worden geconfronteerd. Biedt de klokkenluider bescherming en je mag de papers hebben, zegt het Lek. Een mooi aanbod. Ik denk dat de overheden er niet op in zullen gaan. Ze kunnen het zich in tal van opzichten niet permitteren. Ze willen het niet eens weten – ze zullen zichzelf per vuil zaakje tegenkomen.

Is dat een schandaal? Ja, dat is een schandaal. De Panama Papers demonstreren dat politici, banken, financiële toezichthouders, belastingdiensten, rechtbanken, de media en de advocatuur (het Lek is met name op de advocatuur gebeten) hebben gefaald of beter: eendrachtig hebben gezwegen over de grootste belastingroof uit de geschiedenis. Klokkenluiders zijn meer dan ooit nodig en ze staan meer dan ooit alleen. Dezelfde pratende hoofden die nooit moe worden om de zegeningen van vrije media, van een vrije pers, van een vrije meningsuiting te prijzen hebben er geen belangstelling voor. Nou vooruit, als we ons even mogen verlustigen in Clarence Seedorf is dat leuk (‘had jij dat nou gedacht van die jongen’?), maar het moet niet te diep graven want als je diep graaft blijkt Clarence er niets mee te maken hebben en wie is daar nou in geïnteresseerd?

Hoe dan ook, het mag er zeker niet op uitlopen dat wij kampioenen van het vrije woord, van de openbaarheid en de transparantie, dat wij aan de foute kant blijken te staan, niet omdat we dat wilden, niet omdat we zelf corrupte belangen hebben en corrupte belangenbehartigers aan het werk hebben gezet, niet omdat we liever in het gezelschap van een smeuïge oplichter dan in dat van een saaie grijze muis verkeren, maar gewoon omdat we ons werk niet goed hebben gedaan.

Ebru Omar is een geschenk uit de hemel. Jeroen belt haar dagelijks. Goed man!

8 mei

=0=

 

 

Voorafgaand

In de Groene van deze week staat een goed artikel over ict en de Nederlandse overheid (Belia Heilbron en Thomas Muntz, Het wankele fundament van de e-overheid). Grootse ambities en navenante zinloosheid. Onder zinloos versta ik een situatie waarin veel gestuurd wordt en niemand de richting kan aangeven. Het voorspelbare resultaat is een onterende verspilling van tijd en moeite. Het lijkt nergens op.

Een rode draad in het artikel (opnieuw een fraai resultaat van goede onderzoeksjournalistiek van Investico) is de modernisering van de gemeentelijke basisadministratie, de mGBA. Meer dan tien jaar na dato is dat niet voltooid en is het budget al drie keer overschreden. Wanneer het af zal zijn durft niemand meer te voorspellen. Al lezend vroeg ik me af of er überhaupt was nagedacht over wat de ‘modernisering’ zou moeten inhouden. Het resultaat was duidelijk: een administratie waarin elke gemeente, elke ZBO enz. op eenzelfde gestandaardiseerde manier gegevens zou registreren, opslaan en voor belanghebbenden toegankelijk zou maken. Alleen, dit is geen resultaat, dit is een elementaire aan alle overige e-projecten voorafgaande randvoorwaarde. Je eindigt niet met standaardisering, je begint ermee, voordat je met begint met je e-overheid. Daar denkt bestuurlijk Nederland kennelijk heel anders over, daarin bijgestaan door de nodige commerciële ict-leveranciers en –consultants die per slot een markt te beschermen hebben. Nederland sterft van de managers en intussen weet niemand meer wat management is. Zinloosheid resulteert.

‘In the type of management advocated by the writer, this complete standardization of all details and methods is not only desirable but absolutely indispensable as a preliminary to specifying the time in which each operation shall be done, and then insisting that it shall be done within the time allowed’ (Frederick W.Taylor, Shop Management [1903]. In idem, Scientific Management. Westport Conn., Greenwood Press 1972: 124; mijn cursivering). Tja, het staat er. Al meer dan honderd jaar. Ze hadden het kunnen weten wou ik maar gezegd hebben. Al die bestuurders en managers hebben mogelijk cursussen doorlopen waarin ook het ‘wetenschappelijk management’ van Taylor zal hebben gefigureerd. Er wordt stelselmatig een karikatuur van gemaakt – zo het al genoemd wordt komt het er verfomfaaid uit en dan is het eigenlijk maar gelukkig dat ze er niets van hebben onthouden. Voor Taylor zelf was het overigens gewoon een kwestie van gezond verstand, die ‘voorafgaande standaardisering’.

In ons land is gezond verstand bestuurlijk afgeschaft. Het kost wat maar dan heb je ook niks.

6 mei

=0=

 

 

Heilig ontzag

Het Italiaanse hooggerechtshof heeft een dakloze vrijgesproken die voor ongeveer vier euro aan kaas en worst uit een supermarkt ontvreemdde. Het argument voor vrijspraak was gelijkluidend aan wat bisschop Tiny Muskens midden jaren negentig naar voren bracht over het stelen van een brood – gegeven honger en gegeven het ontbreken van mogelijkheden op een andere manier aan brood te komen is diefstal niet wederrechtelijk. De honger is het schandaal, niet het ontvreemden.

Ik lees het in de column van Ger Groot (Het heilige ontzag voor orde & bezit, Trouw 4 mei). Hij herinnert ons aan de ophef over de opvattingen van de bisschop destijds, hoewel wat de bisschop beweerde volgens Groot helemaal paste in de katholieke traditie. Ik ben altijd bang dat je in de katholieke traditie voor alles ook het tegendeel kunt vinden (en de strijd over wanneer wat aan de hand is, is de motor van de werkgelegenheid voor de clerus) maar Groot is gelovig, ik ben dat niet en van de dialectiek van de gelovige zal ik nooit iets begrijpen.

Waarom was er zoveel ophef destijds? Daar heeft Groot een zeer uitgesproken mening over: ‘Ook al denkt Nederland daar zelf soms anders over, het is een zeer gezags- en wetsgetrouwe natie, met een heilig ontzag voor orde & bezit.’ Dat is een opvallende uitspraak. Midden jaren negentig, toen de ophef speelde, bestond er in ons land nog geen voedselbank (die dateert van 2002) maar wel begon toen de opmars van de ongelijkheid – die zegen van het neoliberalisme – en het oprukken van uitzichtloze armoede.

Het waren ook de jaren waarin in ons land voor het eerst het verschijnsel van de ‘werkende armen’ werd geregistreerd, een verlegenheid voor beleidsmakers die tot op de dag van vandaag er niet in geslaagd zijn het door hen zo gekoesterde beeld van de ‘armoedeval’ te combineren met het beeld van ‘armoede door werk’. Het zijn de jaren waarin het dringen werd voor steeds kariger wordende voorzieningen. Het zijn de jaren waarin het duidelijk werd dat als je eenmaal op achterstand was gezet je op achterstand zou blijven. Het zijn de jaren waarin media, politici en beleidsmakers elkaar de loef afstaken met een beeldvorming over uitkeringsafhankelijkheid en bedrog, oplichting, malversatie, met als eindpunt de verdenking dat gebruik van voorzieningen op zichzelf al het begin van misbruik was. Het zijn de jaren waarin de onderlinge jaloezie en de nog venijniger onderlinge naijver werden aangewakkerd: heeft de buurman een uitkering en ook nog een auto?

Het zijn de jaren waarin we zijn begonnen aan de opbouw van een onderdrukte woede die in de jaren erna tot wasdom is gekomen, die zich richt tegen ‘gezag’, en die zich ervan bewust wordt dat de ‘wet’ eenzijdig de kant van het grote ‘bezit’ heeft gekozen. Prettig is anders en verontustend is het ook.

Dat zat er allemaal al aan te komen, midden jaren negentig. En dat verklaart de ophef over de uitspraken van bisschop Muskens. Het was geen ophef uit ontzag, het was ophef uit afweer.

5 mei

=0=



Pardon

Een generaal pardon is ‘een kwijtschelding voor iedereen’. Je bent wat verschuldigd (meestal gehoorzaamheid aan regels die je niet zelf hebt bedacht en die toch op jou van toepassing zijn) en je wordt van je schuld bevrijd. Migranten die worden gepardonneerd hoeven niet weg, ouderen die worden gepardonneerd hoeven niet meer te solliciteren op banen die ze toch niet krijgen. Het laatste is een voorstel dat enige dagen geleden in de kolommen van Trouw (29 april, Geef werkloze 60-plussers ‘generaal pardon’)werd afgedrukt, dat enige commotie teweeg leek te kunnen brengen en dat toch niet deed.

De bedenker van het plan, de Tilburgse arbeidssocioloog Jan Cremers, stelt: ‘De plannen voor afschaffen van vroegpensioen en verhoging van AOW-leeftijd zijn gesmeed in de jaren voor de crisis. Toen dachten deskundigen nog dat personeel schaars zou worden. Het liep anders, en ontslagen ouderen konden niet langer vluchten in vut-regelingen, zoals elders in Europa wel kan. Gevolg is dat het werkloosheidspercentage onder ouderen in Nederland hoger is dan het algemene werkloosheidspercentage. Dat is uniek in Europa.’ (Trouw, ibid., cursivering van mij, TK). Ik herinner me die jaren. Rampspoed stond ons te wachten want we zouden honderdduizenden mensen tekort komen. Tenzij, zoals altijd in het geval van geleerden met jobstijdingen, we ons onmiddellijk achter hun plannen zouden scharen. Meer, meer en meer. Werk, werk en werk. Hoe een arbeidsmarkt met een tekort zou kunnen functioneren werd door de desbetreffende deskundigen niet onderzocht.

Verstandig, de hel kun je niet onderzoeken en een voorbeeld was er ook al niet. Wel theorieën die de gedachte aan een tekort op de arbeidsmarkt naar het rijk der fabelen verwezen – maar die theorieën, variaties op een keynesiaans gedachtegoed, werden niet geraadpleegd. Keynes was dood, volledige werkgelegenheid was met hem gestorven en niemand die het terug wou. Volledige werkgelegenheid is geen tekort, het is evenwicht, het is zelfs een dynamisch evenwicht en het is een evenwicht dat in de jaren zestig en vroege jaren zeventig binnen bereik leek te zijn en toen bleek het een evenwicht dat de werknemers eraan herinnerde dat zij ook nog wel wat te wensen hadden.

Ik denk dat de deskundigen van net voor de crisis niet een tekort vreesden maar volledige werkgelegenheid. Alleen schreven ze dat niet op. Hun deskundigheid bestond erin adviezen aan te reiken die zonder het er over te hebben elke gedachte aan volledige werkgelegenheid in de kiem zouden smoren. Daar zijn ze voortreffelijk in geslaagd. Hun gedachten waren economisch grotesk en politiek zeer gewenst. Politici gaan over uitkeringen en omdat sommige uitkeringen duurder zijn dan andere valt er heel wat te winnen door duur voor goedkoop in te wisselen. Dat is dan ook gebeurd. De AOW later laten ingaan, de pensioenuitkeringen eveneens in de tijd opschuiven, en passant duur en hoogte van de ww naar beneden aanpassen en de bijstand omvormen tot een bureau voor onbetaalde arbeid.

Trouw legde het voorstel voor een generaal pardon voor aan, hoe kan het ook anders, een enkele deskundige. Die deskundigen, hoe kan het ook anders, doen net alsof het voorstel iets met de arbeidsmarkt te maken heeft – en dan vinden ze dat je er beter ‘pragmatisch’ dan ‘principieel’ mee om kunt gaan. Wees een beetje soepel voor die werkzoekende die er na driehonderd afwijzingen een beetje de balen van heeft gekregen. Dat niveau. De pragmatiek van het aalmoes. Je moet er maar opkomen. Je zou er pardon voor moeten vragen – in plaats daarvan krijgen we een sloom pleidooi om hen te pardonneren.
Het had natuurlijk ook gewoon kunnen worden voorgelegd aan de mensen over wie het gaat.

4 mei

=0=

 


Langzaam


De tegenstelling centrum/periferie is terzijde geschoven en vervangen door de tegenstelling snel/langzaam. In de politieke economie van de macht was overigens ook de tegenstelling centrum/periferie een snelheidskwestie: de vraag hoeveel tijd je moest nemen, en hoeveel kosten je moest maken om de randen van je territorium te bereiken en bij de les te houden. Wegen en verkeers- en communicatiemiddelen om van die wegen effectieve verbindingen te maken, daar ging het om. Macht is snelheid; snelheid is een vermogen. Snelheid is daarnaast een relatie tussen sneller en langzamer. In de economie wordt innovatie geroemd want innovatie vergroot het snelheidsvermogen. Dan krijg je het voordeel van snelheid als de relatie met langzaam er gratis en cadeau bij. Wie snel is ontglipt aan de belasting, wie langzaam is wordt een prooi van de belastingen. Van die dingen.

In de politiek wordt innovatie ook geroemd, maar dan eerder in de vorm van het verder belasten van de langzamen dan in het vergroten van het vermogen van de langzamen om ook hen de kans te geven de belasting te ontlopen. Politici hebben het over belastingmoraal. Als politici over moraal beginnen moet je op je portemonnee letten. Tegenwoordig is het heel eenvoudig in andermans portemonnee te kijken, tenzij je zo snel bent dat je al lang geen portemonnee meer gebruikt. Iedereen snapt hoe het werkt en daarom hebben veel mensen de pest aan de politiek.

Als je langzaam bent word je niet snel snel en zelfs als je sneller wordt dan weet je dat in de tijd die jou dat heeft gekost de snelleren hun voorsprong zullen hebben uitgebouwd. Bij de meeste mensen neemt over het gehele leven gemeten de snelheid aanvankelijk toe, dan stabiliseert het en dan gaat het naar beneden. Het gewicht van de ‘padafhankelijkheid’ laat zich voelen en de nadelen van de padafhankelijkheid doen zich steeds vroeger gelden. Een onderbroken schoolloopbaan volstaat en wie de veertig nadert weet dat een nieuwe arbeidsloopbaan zelden nog tot de reële mogelijkheden behoort. Niets is uitgesloten maar alles kost tijd en een eenmaal opgelopen achterstand kost tijd om het ongedaan te maken, zoveel tijd dat de achterstand alleen maar groter wordt.

Er komen steeds meer langzamen. We worden ouder en we slepen steeds meer van onze eigen geschiedenis met ons mee. Geen ontsnappen aan, als je eenmaal bij de langzamen terecht bent gekomen.

Langzaam is improductief, niet omdat het improductief is maar omdat we onze tijd wel beter kunnen gebruiken. Alles moet in het werk worden gesteld om te voorkomen dat de improductieven anderen in de weg staan, het tempo van de anderen mee gaan bepalen. Langzaam is een vloek. We moeten eens wat vakgroepen immobiliteit oprichten, schrijft Paul Scheffer want vakgroepen over mobiliteit vind je aan elke universiteit en vakgroepen immobiliteitstudies vind je nergens. We hebben ze wel nodig (Paul Scheffer, De Vrijheid van de Grens. Maandvandefilosofie/De Bezige Bij/Lemniscaat 2016: 42). Hij heeft gelijk. De langzamen verdienen meer aandacht. Langzaam verdient meer aandacht, krijgt het niet en verschanst zich in lijdzaam verzet – met af en toe een uitbarsting, gericht tegen nieuwkomers, en met een diep wantrouwen richting de beslissers die de regels zo buigen dat degenen die op voorsprong staan hun voorsprong kunnen vergroten en degenen die op achterstand staan verder op achterstand komen. Dat is prettig voor als je op voorsprong staat. Je hoeft niet eens vals te spelen, je kunt je beroepen op de regels die het je immers toestaan. We doen niets illegaals hoor. We blijven netjes binnen de perken en zeg nou zelf, wij maken de regels niet, de regels worden gemaakt door de politiek. Bij ons moet je niet zijn, je moet bij hen zijn. Het is de nieuwe mantra van belastingontwijking en, zo weten we sinds gisteren over de grote farmaceuten, van prijsopdrijving.

Misschien zou het goed zijn de snellen wat te vertragen. De kansen erop zijn klein. Ik begrijp dat minister Schippers met haar collega’s in de EU gaat praten. Dat is mooi. Dijsselbloem praat ook voortdurend en zit nu achter malafide belastingadviseurs aan. Spierinkjes, zeg maar. Voor grote vissen graven we de vaargeul uit, daar hebben we verdragen voor en afspraken over, voor kleine vissen hebben we een sleepnet in de aanbieding. Zijn grote vissen snel? Nou nee, maar ze kunnen wel een boel kleine visjes tegenhouden. Met hulp van de overheid. Snel is niet snel. Snel is uit alle macht en met alle middelen tegen elke prijs je voorsprong behouden.

3 mei

=0=

 

 

Centrum

De discussies over macht en gezag zijn geobsedeerd door de gedachte aan een centrum. Meestal een politiek centrum – daar komt ook de opvatting van gezag als legitieme macht vandaan. We hebben het dan over de legitimiteit van de politieke macht en over politiek als de plek waar besluiten worden genomen waar we ons maar aan te houden hebben. We hebben het over de belangrijke vraag hoe die besluiten worden genomen (democratisch, autocratisch enz.), maar niet over de belangrijker vraag of macht net als geld slechts kan bestaan als het circuleert – en dus beter kan worden begrepen tegen de achtergrond van het haperen dan wel het afstand nemen van de circulatie (crisis) dan in termen van centrum/periferie, beter begrepen vanuit een dynamiek van systeem/omgeving dan vanuit de interne tegenstellingen binnen een ‘systeem’.

Zelfvoorziening is de omgeving van de geldeconomie en kan de geldeconomie in verlegenheid brengen. We noemen het ‘informele’ economie of schaduweconomie en we vinden dat er belasting over moet worden betaald – want dat doen, in theorie, de deelnemers aan de geldeconomie ook. De spelregel is dat ook als je je niet wilt begeven in de geldeconomie je dat alleen maar kunt doen door de regels van de geldeconomie te adopteren. Anders speel je vals spel en dat wordt bestraft. Zelfbestuur is het functionele equivalent van zelfvoorziening, dit keer in de omgeving van de politiek en zelfbestuur kan de centrum/periferie politiek in verlegenheid brengen. We kennen amper zelfbestuur – het politieke systeem is er als de dood voor. Zelfbestuur, zeggen we, is het politieke systeem van centrum en periferie. Zo lang we daar aan vasthouden moeten we niet raar opkijken als het politieke systeem terzijde wordt geschoven door het functionele systeem van de snelle geldcirculatie, dat z’n belangrijkste overwinning heeft geboekt door het dogma van de ‘zelfregulering’.

We kennen steeds meer ‘zelfregulering’, en zelfregulering versterkt de geldeconomie, het globale financiële systeem, en verzwakt het politieke systeem dat niet globaal is maar hooguit internationaal. Wij denken de macht territoriaal, in termen van centrum en periferie, we zouden de macht functioneel moeten denken, in termen van bereik en snelheid. In dat geval is de macht steeds minder thuis in het territorium van de politiek en steeds meer in de functionele sfeer van de geldeconomie. Ook daar moeten besluiten worden genomen waarbij iedereen zich maar heeft neer te leggen – maar de kans dat die besluiten nog politiek zijn is kleiner dan de kans dat die besluiten worden overgedragen naar de zichzelf regulerende geldeconomie. Het arbitragegedeelte van TTIP past in de logica van de zelfregulering, net zoals de mogelijkheid om staten als fictieve rechtspersonen te behandelen, zoals elke onderneming ook een fictieve rechtspersoon is. TTIP bevestigt de verhuizing van de macht uit het centrum/periferie model naar het functionele en systemische circulatiemodel dat alles dat ook maar riekt naar zelfvoorziening en zelfbestuur wegens contractbreuk voor het geprivatiseerde gerecht zal slepen.

Er is geen centrum meer, er zijn hoofdwegen en bijwegen die via knooppunten en rondwegen bij elkaar worden gebracht, alles vanuit het belang van een ongestoorde en snelle circulatie. De ‘macht’ gedijt er wel bij, zij het dat het machtsinitiatief van politiek naar economie verschuift. Het gezag, dat nog langzamer is dan de politiek, heeft het nakijken.

2 mei

=0=

 

 

Knoop

Je kunt je knopen tellen (en de verstandige uitweg kiezen), je kunt in de knoop zitten (en hopen dat iemand je eruit haalt) en je kunt de knoop doorhakken: ‘[a]ls er geen consensus ontstaat, hakt iemand die het gezag daarvoor heeft, de knoop door’. Het citaat ontleen ik aan de inaugurele rede van Evelien Tonkens (Roeping, gezag en loyaliteit; de publieke sector na de neoliberalisering. Utrecht, Universiteit voor Humanistiek, 29 april 2016: 31).

Noem de eerste ontsnapping het toegeven aan de macht, noem de tweede het meegaan met de leiding, dan is de derde, en het staat er ook, het toegeven aan het gezag. De eerste twee staan niet in de tekst, en dat is twee keer jammer. Het is één keer jammer want als, zoals Tonkens betoogt, gezag hetzelfde is als gelegitimeerde macht dan ben ik altijd weer benieuwd of je strategische gedrag (je hebt geen zin in gedonder dus je buigt mee met het minst beroerde alternatief) door iets anders dan je eigenbelang wordt gelegitimeerd – en dat is een legitimatie die niet verder dan jezelf gaat, en dat is weer een legitimatie die gezag uitschakelt. Want: gezag gaat altijd verder dan jezelf, gezag gaat over een zaak die per definitie groter is dan jezelf. De publieke zaak, bijvoorbeeld, thematisch in de rede van Tonkens.

De tweede jammer is dat als gezag neerkomt op knopen doorhakken gezag ononderscheidbaar van leiding is en wat je daar ook van vindt, wanneer dat zo is dan heb je – net als bij de eerste jammer – het gezagsconcept helemaal niet nodig. Leiding heb je nodig en als je er onderling niet uitkomt dan zorgt de leiding ervoor dat we elkaar niet tot een patstelling veroordelen. Nuttig, ongetwijfeld, maar met gezag heeft het even veel te maken als met toegeeflijkheid en is toegeeflijkheid niet een ander woord voor het mijden van het conflict?
Nu we het over knopen hebben, in het betoog van Tonkens ontbreekt een vierde knoop: de Gordiaanse, de knoop die niet ontward kan worden en alleen met de macht van het zwaard vernietigd werd, de zwaardmacht, de macht die uit onmacht tot geweld moet overgaan. Tja, dat schiet niet op, op deze manier. Niettemin, de Gordiaanse knoop is ten minste een knoop die wordt doorgehakt en dus de enige knoop die we, met de omschrijving van Tonkens als gids, als gezagsknoop mogen betitelen. Is gezag subliem geweld?

‘Exit wordt het dominante ordeningsprincipe’ (Tonkens, o.c.: 8). In het neoliberale gebeuren dan, en daar kan geen gezag tegenop. Gelukkig maar dat we het hier over ideologie hebben, en het ontbreken van die toevoeging, van de toevoeging dat het ideologie is, bederft het pleidooi van Tonkens. Een exit veronderstelt een alternatief. In het neoliberalisme staan we geen alternatief toe: there is no alternative. De ‘klant’ is alles behalve het ‘hoogste gezag’ (ibid.: 31). Exit is niet de waarheid, het is de leugen van het neoliberalisme, een leugen die fnuikend is voor zelfs maar de gedachte aan gezag. Willen we het gezag ‘heruitvinden’ (ibid.: 32), dan is niet een ‘egalitaire, democratische setting’ (ibid.) het eerste waar we naar moeten zoeken (dat is zoeken naar de heilige graal), het is simpelweg de erkenning dat als je zelfstandigheid zoekt je met onzelfstandigheid begint en dat als je symmetrie nastreeft je asymmetrie hard nodig kunt hebben. Soms, in sommige ‘settings’.

De rest is, hoe zal ik het zeggen, de rest is ideologie.

1 mei

=0=

 

 

Borstklopperij

De vrijheid van meningsuiting is de afgelopen jaren een paar keer behoorlijk in het nauw gebracht. Julian Assange moest zijn toevlucht zoeken in een ambassade, Edward Snowden eindigde voorlopig in Moskou. Beiden vrezen de lange arm van de VS.

Vanuit Nederlandse zijde heb ik nooit kritiek gehoord op deze bedreiging van de vrijheid van meningsuiting. Muisstil bleven we. Geen Rutte die te pas en te onpas op onze kernwaarden hamert, geen Jeroen Pauw die er schande van spreekt, geen cabaretiers die over elkaar heen buitelen om er de draak mee te steken. Stilte, en, ben ik bang, niet een beschaamde stilte. Wij hoeven ons niet te schamen, anderen moeten zich schamen. Geen beschaamde stilte daarom, eerder een schuldige stilte die als het een keertje meezit wordt doorbroken met een heleboel kabaal, gesis en verontwaardiging over iedereen die het er niet tweehonderd procent mee eens en en zijn vrijheid van meningsuiting gebruikt om daar melding van te maken. We zwelgen in onze eigen rechtschapenheid. Zum Kotzen. 

We hebben een premier die zo onmiskenbaar aan het jokken is (nee hoor, het heeft niets maar dan ook he-le-maal niets met de vluchtelingendeal te maken) dat zelfs het journaille het door zou moeten hebben. Het journaille heeft het niet door, het journaille is het er hartgrondig mee eens. Dominee en koopman vinden elkaar, ze worden één. Scabreus toch? Iets voor een cabaretnummer? Misschien? Ik hoorde gisteren de mening verkondigen dat politici een dikke huid moeten hebben. Dat is onjuist. Politici moeten dat niet, ze hebben een dikke huid en als een politicus zich aangedaan toont is dat strategie, is dat macht, de macht om het publiek en de eventuele gesprekspartners schaakmat te zetten en dat betekent: elk alternatief uit handen te slaan.

Ik neem aan dat Rutte heel goed weet met welk schaakspel hij bezig is en dat het een schaakspel is. Ik neem aan dat althans sommige pratende hoofden in de media het ook wel weten en daarom zo dol zijn op pionnen die Erdogan ‘heel goed begrijpen’, of zelfs maar een beetje begrijpen – dat is om het overige kijkend en luisterend publiek ervan te doordringen dat je mag zeggen wat je wilt, als je maar zegt wat gezegd moet worden. Doe je dat dan hoef je geen middel te schuwen, doe je het niet of aarzel je: schande zal op je neerdalen, hoon zal over je worden uitgestort.

26 april

=0=

 

 

Magna Carta

Van de oorspronkelijke 63 clausules die de Magna Carta in het jaar 1215 bevatte zijn er nog drie van kracht en die gaan over de rechten en vrijheden van de kerk, over de status van Londen en andere steden en over het recht op een eerlijk proces. Van die laatste wordt bijna standaard één zinnetje geciteerd: ‘To no one will we sell, to no one deny or delay right or justice’.

De Magna Carta is het document dat nog het dichtst in de buurt van een grondwet (die de Engelsen niet hebben) komt. Veel is het niet en het gewone recht kan er, net als in ons land,  niet aan worden getoetst. Desondanks, dat recht en rechtvaardigheid niet ‘te koop’ zijn is een sterk signaal van wat op het spel staat in een rechtsstaat. Het zou de moeite lonen om het recht van vandaag (belastingwetgeving bijvoorbeeld) eens goed tegen het licht van het ‘te koop’ te houden. We zouden schrikken van de uitkomst.

De Engelse rechtsgeleerde Simon Deakin houdt in Social Europe van vandaag (‘Why Brexit would make the UK less democratic, not more’) een pleidooi voor continuering van het Engelse lidmaatschap van de EU. Het argument is de bijna-constitutie van de EU. Iets is beter dan niets, dat zal de gedachte geweest zijn. Dat is altijd waar, op voorwaarde dat het ‘iets’ iets waard is. Een bijna-grondwet is iets, een eigen grondwet misschien iets meer? Zou, zo vraag ik me af, de Britse rechtsstaat niet meer geholpen zijn met een nationaal debat over een eigen grondwet, en dan ook nog eentje van de toetsbare soort, de soort waar we ook in ons land wat aan zouden hebben?

Het voordeel zou in elk geval zijn dat het zwaartepunt van de argumentatie verplaatst wordt van de democratie naar de rechtsstaat, de staat waar wet en recht voor iedereen gelden, de staat waar, in de geest van de Magna Carta, van het recht geen handelswaar wordt gemaakt. En in dat geval zou ik zeggen dat de bijna-constitutie van de EU geen geweldig voorbeeld is. Omdat het document het totale acquis communautaire bevat, bijvoorbeeld, en daarom veel te groot, te complex, te technisch, te gedetailleerd is. En omdat het van compromissen aan elkaar hangt. Dit laatste is doorslaggevend. Een grondwet is geen compromis, een grondwet is een statement op basis waarvan je compromissen kunt sluiten, indien nodig en indien wenselijk.

Het uitgangspunt dat recht en rechtvaardigheid niet te koop zijn verdraagt geen compromis. Wel strijd, zeker nu we kunnen waarnemen hoezeer dat uitgangspunt al gecompromitteerd is.

25 april

=0=

 



Bemoeigoederen


Onderwijs is een bemoeigoed, een ‘merit good’. Bemoeigoederen zijn goederen waarvan de afname door de overheid wordt gestimuleerd en de overheid doet dat omdat we vanuit onszelf te weinig afnemen, terwijl ze toch goed voor ons zijn en ook nog eens goed voor de samenleving.

Aan ongeletterde mensen heb je niet zoveel. In de wereld van het werk is geen plaats meer voor ze, en als burger zijn ze niet aan de maat. Dus worden we tot afname verplicht (de leerplichtwet) en worden de kosten laaggehouden. Omdat de samenleving steeds ingewikkelder wordt en steeds veranderlijker zou je verwachten dat het bemoeigoed onderwijs door de overheid wordt gekoesterd als nooit tevoren. Dat is een vergissing. De overheid van nu is van mening dat niet zij in de burger dient te investeren, de overheid van nu is van mening dat de burgers in zichzelf (en in hun kinderen) investeren.

Toen deze gedachte voor het eerst opdook heette het nog het profijtbeginsel, nu wordt het verkocht als een sociaal leenstelsel. De gedachte is hetzelfde. Het profijtbeginsel staat recht tegenover het draagkrachtbeginsel, het sociaal leenstelsel ook. Draagkracht let op wat je kunt bijdragen, profijt let op wat je eraan verdient.

Draagkracht is een sociaal beginsel, profijt een economisch beginsel. Aan Jet Bussemaker de dubbele eer het niet-leerplichtige onderwijs economisch gemaakt te hebben en dat te verkopen als sociaal. Het kan zijn dat niet iedereen het eerste een goede en het tweede een geloofwaardige gedachte vindt. Maar hoe dan ook, hoger onderwijs is in de visie van deze minister geen bemoeigoed, het is een goed als elk ander goed. We kunnen de afname ervan nog een klein beetje stimuleren (daar hebben we tegenwoordig de aardige term van het ‘duwtje’ voor, van de ‘nudge’) maar je neemt zelf de beslissing, en je moet zelf voor de gevolgen ervan opdraaien, ook als de gevolgen, zoals in het geval onderwijs, individueel wel voorspelbaar zijn in die zin dat je het kunt schudden als je er te vroeg mee ophoudt, en helemaal niet voorspelbaar als je ermee doorgaat en zou willen weten wat het je oplevert. Voor een investering essentiële informatie ontbreekt en mocht je er, desondanks, toch op willen voortbouwen dan is al even essentieel dat iedereen die een vergelijkbare investering heeft gedaan erop kan rekenen daarmee vergelijkbare inkomenskansen te hebben. Wat men een ‘level playing field’, een ‘gelijk speelveld’ noemt. Wie bereid is meer dan een seconde na te denken weet dat in de verdeling van banen en inkomenskansen het speelveld de laatste decennia alleen maar ongelijker is geworden.

De minister heeft het druk en heeft daarom geen tijd om na te denken. Zij besteedt haar tijd liever aan uitleggen wat niet uitgelegd kan worden en dat slorpt zoveel van haar tijd dat er voor nadenken geen tijd overblijft. Zij vindt dat iedereen die kan snappen dat te weinig onderwijs een nadeel oplevert waar je je hele leven last van zult hebben, ook zal snappen dat jij dan in jezelf moet investeren en pas dan volwaardig mee kan doen – niet omdat er voor ieder even volwaardige kansen zijn maar omdat ze in goed neoliberale traditie aanneemt dat de volwaardigheid zichzelf en vanzelf wel zal regelen. In mijn woordenboek heet dat een bord voor je kop.

De timing van de invoering van het sociale leenstelsel had niet ongelukkiger kunnen zijn. Of kenmerkender, dat kan ook.

24 april

=0=

 

 

Onbruikbaar

Een jaar of dertig geleden werd ik door twee bevriende mensen gewezen op een vacature bij het NIA (het Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden). Zij werkten daar en het leek hen wel een baantje (het coördineren van een onderzoekslijn) voor mij. Ik was wel toe aan verandering, ik solliciteerde en werd vrijwel onmiddellijk afgewezen. Die man, had de directeur gezegd, werkt nu al zo’n vijftien jaar bij de universiteit, die is gewend baas op eigen turf te zijn en daar kan ik niets mee beginnen. Onbruikbaar.

Niet veel later ging het NIA samen met een stukje van TNO (NIA’TNO), weer wat later werd het TNO Arbeid (waar ik begin jaren 2000 alsnog een baan kreeg aangeboden) en nog weer wat later TNO | Kwaliteit van Leven (die omzetting van Arbeid naar Kwaliteit van Leven heb ik nog mogen meemaken). Ik geloof dat je aan de hand van dit type en dit aantal omdopingen een heel aardige geschiedenis van de moderne organisatie kunt schrijven. De klassieke filosoof vond werk een soort te vermijden onrust. Zelf had ik daar niet zo veel last van. Ik was meer van de school dat de organisatie een vervelend soort onrust was waar ik me bij gelegenheid graag tegen afzette. In die zin had de directeur van destijds alle gelijk aan zijn kant. Overigens heb ik met bijzonder veel genoegen een aantal jaren bij TNO doorgebracht.

Wat ik me wel afvroeg was of die directeur van toen wel goed had bijgehouden wat het werken aan een universiteit inhield. Hij kwam er vandaan maar dat was al geruime tijd geleden en dat baas op eigen turf was ook al verleden tijd. Je kunt afgewezen worden op beeldvorming en om te weten of de afwijzing terecht is kun je soms beter het beeld nog eens goed tegen het licht houden dan de sollicitant. Ik geef toe dat het ongebruikelijk is. De beeldvorming regeert. 

In de Volkskrant vandaag lees ik een artikel (van de hand van Ariejan Korteweg) over outplacement, in dit geval outplacement van Kamerleden waarvan, zegt men, zeker de helft volgend jaar een andere baan moet vinden. Voor wie boven de vijftig is haalt solliciteren niets meer uit, zegt een deskundige in outplacement.

Deskundigen leggen zich probleemloos neer bij beeldvorming. Misschien noemen ze het realisme – het beeld is de realiteit, de werkzoekende moet niet in een baan passen, hij moet in een beeld passen. Pas dan weten we of verder zoeken enige zin heeft. Het is een uitstekende samenvatting van de Nederlandse arbeidsmarkt.

Wat kun je nou eigenlijk? Het is een vraag van dezelfde deskundige als een Kamerlid voorbij komt dat vroeg bij de les is. Tja, wat doet een Kamerlid? Als ik Korteweg moet geloven doet het Kamerlid zelf helemaal niets (behalve altijd glimlachen), het is het Kamerlidmaatschap dat alles doet. Jij dacht wat te zijn maar je vergist je, je bent niet meer dan een tijdelijke en vervangbare invulling van je functie.

Je functie is bruikbaar, en zonder je functie ben je onbruikbaar. Tegen zo’n beeld kan geen Kamerlid op.

21 april

=0=

 

Wie het mooiste kan praten, maakt de grootste kans

Gisteravond, bij Pauw, kwam het onbewuste weer voorbij. Docenten op scholen geven ‘onbewust’ sommige kinderen een hoger schooladvies dan andere. Ja, het zijn hun ouders, dat ook, maar toch is het onbewust. Het is alsof hoe dieper de sociale scheidslijnen hun voren trekken hoe onbewuster we ervan zijn. Ook de minister van onderwijs zegt het nu, ik hoop dat ze zich ervan bewust is.

In dergelijke praatprogramma’s oefenen de gasten hun recht op vrijheid van meningsuiting uit. De presentatoren ook, dat mag soms een onsje minder. Het zal wel onbewust zijn maar zodra bij Pauw iemand aanschuift die iets bepleit dat Pauw niet zint (meestal heeft het dan te maken met moslims) treden bij Pauw tal van onbewuste mechanismen in werking. Hij is bewust hautain bij de meeste gasten en soms onbewust badinerend bij sommige gasten. De arme man weet het zelf niet, net zoals de docenten met hun schooladviezen het zelf niet weten.

Onbewust is onschuldig. Dat bedoelen we, dat van die onschuld, maar dat zeggen we niet. Schuld? Nee meneer, dat is voor de economie, niet voor het gesprek met de ouders en leerlingen. Verantwoordelijkheid? Ook niet, daar raken economie en gesprek elkaar zelfs, want het is ten slotte allemaal communicatief. We zeggen dat het onbewust is. Alsof onbewust een vrijbrief is om even absentie aan te vragen. Er zou een slaapliedje op gemaakt moeten worden.

Het wil nogal eens voorkomen dat de vrijheid van meningsuiting wordt gebruikt om anderen buiten spel te zetten. Wie niet goed gebekt is heeft het nakijken. Van Theo van Gogh naar Johan Derksen loopt een rechte lijn. Het recht op vrije meningsuiting is het recht op provocatie en het recht op provocatie is geen uitnodiging tot een gesprek, het is een poging de ander de mond te snoeren. Onbewust natuurlijk, hoewel ik soms mijn twijfels heb. En ik twijfel niet altijd want het komt voor dat je iemand mag aanhoren die er zichtbaar genoegen in heeft iemand anders te ontregelen.

Wie mooi kan praten, maakt de grootste kans, dat zinnetje kom ik tegen in een artikel in Trouw over de gang van zaken bij de toelatings/afwijzingsprocedure voor mensen die asiel aanvragen. Het is een moeilijk vak, begrijp ik van de IND medewerkers die de intake verzorgen. Er glipt wel eens iemand door die eigenlijk had moeten worden afgewezen en het omgekeerde komt ook voor. Maar, merkt één van de medewerkers op, iemand die niet goed uit z’n woorden komt heeft een kleinere kans dan iemand die goed van de tongriem gesneden is. Die uitspraak staat in het kader van de vraag of ‘opleiding’ een rol speelt. Nou, officieel natuurlijk niet maar in de praktijk wel degelijk: ‘het is een breed gevoel, maar hoe je dat kan oplossen, dat weet ik niet’.

Ik heb heel bewust een breed gevoel dat de capaciteiten om van de vrijheid van meningsuiting een wapen te maken in de strijd om schaarse kansen steeds schever verdeeld worden – met een buiging naar de vertekening door het schooladvies. De scheve verdeling leidt vervolgens tot uitkomsten die uiteraard geheel onbedoeld en onbewust maar niet altijd even ongewenst de sociale scheidslijnen bevestigen en versterken. Zo werkt de onzichtbare hand van de communicatie, het fetisjisme van de communicatie. Om Marx lichtjes maar niet onschuldig te parafraseren: wir möchten es nicht wissen aber wir tun es.
Klassenstrijd in een gemediatiseerde wereld.

20 april

=0=

 

 

Voor, tijdens, na

Aan Schumpeter danken we het inzicht dat een democratie niet leidt tot een volk dat over zichzelf beslist maar tot een volk dat met hun stemmen beslist over wie over hen mogen beslissen. Net zoals je geld uitgeeft en je het morgen aan iets anders kunt uitgeven, stem je op die en die, en morgen misschien op een ander. In het beste geval eindigen we met een polyarchie – de democratie als de bepaling van de publieke agenda door datzelfde publiek is vervangen door een stelsel waarin we worden bestuurd door diegenen die de meeste stemmen hebben weten te verzamelen.

Er is een voor-democratie, de periode dat er geen algemeen stemrecht bestond. Er is de tijdens-democratie, daar bestaat dat stemrecht wel, zij het dat de uitkomst polyarchisch is. Er is de na-democratie, daarin stemmen we nog steeds maar de beslissingen worden genomen door financieel-economische elites: die bepalen voortaan de publieke agenda, wat ook de uitkomst van de verkiezingen is. Dat stelt ons voor het probleem na te gaan of de polyarchen uitverkoop hebben gehouden dan wel dat ook zij niet meer dan radertjes zijn in een machinerie waar ze niet over gaan. Voor beide mogelijkheden valt wel iets te zeggen – maar ik weet weinig van machinerieën en ik ben nog niet zover dat ik dan alles maar toeschrijf aan machinaties.

Koen Haegens stelt in de Groene van afgelopen week dat de centrale bankiers en hun entourage een ‘vierde macht’ zijn geworden waar de drie klassieke machten het tegen afleggen. De vierde macht was ooit de staat, zou ik zeggen, en het is, Haegens indachtig, in de EU de ECB geworden, het instituut dat door rechters, politici en bureaucraten niet kan worden teruggefloten. Het is daarom geen aanvulling of verplaatsing van de trias politica, het is de complete vervanging ervan. De ECB is niet immuun voor financiële markten, wel voor de traditionele trias. En voor verkiezingen en, vooruit dan maar, ook voor een referendum. Of toch, als het een referendum wordt over een Nexit, de droom van de peilloze geenpeilers, de peilers die geen publieke agenda willen opstellen en in plaats daarvan elk idee van een publieke agenda ridiculiseren? Democracy comes home to roost…

In ons land is het referendum geïntroduceerd in de tijd dat de polyarchie al amechtig op apegapen in de hoek lag. In dezelfde tijd begon de kritiek op de ‘elites’. De samenhang is niet toevallig, het is de samenhang van het ‘na’. Daarom, het referendum bij ons is een trap na richting de elites, de gewogen en te licht bevonden polyarchie. Niets meer. Ik besteed mijn tijd en aandacht liever aan iets anders.

19 april

=0=

 


Grens


Het essay van de maand van de filosofie is dit jaar van de hand van Paul Scheffer. Net zoals de filosofiemaand zelf staat het essay in het teken van grenzen. De vrijheid van de grens, is de fraaie titel waarmee Scheffer het essay heeft bedacht.
Ik lees steeds meer met de driedeling van Luhmann in het achterhoofd: wat betekent het gekozen onderwerp in temporeel, in zakelijk en in sociaal opzicht? Wat zijn grenzen temporeel (een grens waar je vanuit het centrum lang over doet om er te komen houdt in dat het effectieve gezag van het centrum met elke dag erbij afneemt), wat is de zaak van de grens (een gemeenschappelijke identiteit, een beschaving, een bescherming tegen externe gevaren, een keurmerk – made in Holland), voor wie gelden grenzen (leden, burgers, landgenoten, stadsgenoten)?

Temporele begrenzingen zijn er ook in het realtime tijdperk. Vluchtelingen worden door wateren en door hekken, door procedures, door politie en militairen en ‘burgerwachten’ vertraagd en het is maar de vraag of ze op wat langere termijn in staat en bereid zijn de daarbij optredende ontberingen te ondergaan en, vanuit de ontvangende landen bekeken, hoe snel gereageerd kan worden op een aankondiging van mensen op de vlucht die onze kant op willen.

Tijdsverschillen zijn, net als in de concurrentie op markten, essentieel. Griekenland heeft in de EU het minste tijd, en heeft daardoor de moeilijkst af te sluiten grens. Het is geen kwestie van lengte en terreingesteldheid, het is een kwestie van tijd. Het temporele aspect geldt ook van binnen naar buiten (al noemen we het dan geen migratie maar mobiliteit), getuige de toegenomen belastingontwijking en -ontduiking in het kielzog van razensnelle financiële markten en gedienstige nationale wetgevers en belastingdiensten en –afspraken, gericht op het bieden van exploiteerbare tijdsvoordeeltjes. Op beide is een calculatie op toe te passen.

Zakelijke gebieden zijn er steeds meer. Of het nu gaat over het medisch circuit (de zaak van de gezondheid), de wetenschappen (de zaak van de kennis), het recht (de zaak van de rechtvaardigheid), de kunsten (de zaak van de opvoeding van zintuigen en van de emancipatie van het contingente) en uiteraard de economie (de zaak van de transformatie van het tekort in de zelfvoorzienende tot en met de ‘reële’ economie, in de schaarste van de geldeconomie tot en met de financiële schuldeneconomie), steeds zien we dat de geografische grenzen eromheen wijken, en dat de functionele grenzen van elk van deze ‘sferen’ floreren. Alleen het onderwijs valt er enigszins buiten; de verwevenheid van onderwijs met opvoeding is in de meeste landen te innig om de functies van onderwijs op eenzelfde manier te verzelfstandigen als de overige, die al lang geen ‘nationale’ functies meer zijn, maar globale, elk met hun eigen toetredingsregels en toelatingsprotocollen, van erkenning van diploma’s, medicijnen, keurmerken tot en met het afwerpen van de betutteling door kerk en staat en het maken van afspraken over handel, de bestrijding van dumping, het scheppen van een ‘gelijk speelveld’ in een overigens steeds ongelijker wereld, een ongelijkheid die zich ook doorzet binnen de grenzen van nationale staten. Ook hier, niet alleen met betrekking tot economie en markt maar overal, heerst de geest van de ‘zelfregulering’ en het is aan de overheden om dwars door alle verschillen heen een nationale dan wel Europese ‘gemeenschap’ politiek op te tuigen. Ze zijn er, gelet op de laatste dertig jaar, nog maar amper tegen opgewassen. De roep om herstel van fysieke, geografische grenzen is er het gevolg van – en is even weinig succesvol.

En sociaal? De sociale vrijheid van de grens is de vrijheid je eigen grenzen te trekken, te bepalen wie er wel en wie er niet bijhoort. In- en uitsluiting horen bij elke gemeenschap, op elk niveau en inclusief de politieke gemeenschap die het echter ook hier steeds meer laat afweten. Recent noemen we politiek struisvogelgedrag draagvlak, en draagvlak is de schaamlap van de overheid om zijn plichtsverzaking te verbergen de de verantwoordelijkheden door te schuiven naar de burger. Als er geen polarisatie is zorgt de politiek er wel voor. Het kan zijn dat ook dit een illustratie is van een tamelijk machteloze overheid die behalve repressie en ideologie steeds minder in de aanbieding heeft (en zeker geen bescherming) – maar machteloosheid is geen onmacht. Zeker in het geval van de Nederlandse overheid is onwil (geboren uit de angst de confrontatie met de ‘kiezer’ aan te gaan in plaats van de kiezer voor te leggen dat het niet zal lukken zelf over alle bewegingsvrijheid te beschikken en anderen diezelfde bewegingsvrijheid te ontzeggen) hier eerder een verklaring dan onmacht.
Nog voordat ik begonnen was aan het essay van Scheffer wist ik dat ik met het bovenstaande rekening wilde houden. Hoe ziet het essay eruit in het licht van mijn temporele, zakelijke en sociale muizenissen?

Waarom, vraagt Scheffer (o.c.: 107) zich af, ‘zou het bewaken van een gemeenschappelijke buitengrens niet gemakkelijker zijn dan vroeger, toen we met minder technische middelen de buitengrenzen en daarbij ook nog eens de binnengrenzen moesten bewaken, kortom: toen we een veel langere grens hadden? We kunnen nu toch alle middelen die we vroeger aan de binnengrenzen nodig hadden, verplaatsen naar de buitengrenzen?’ Ja, waarom? Vanwege ‘politieke onwil’, is het antwoord van Scheffer (ibid.). Het is zo ongeveer de enige opmerking in het essay die ik met temporaliteit in verband kan brengen – zij het dat Scheffer het niet bespreekt in termen van de exploitatie van tijdsverschillen (van tijdsvoor- en tijdsnadelen) maar in termen van ‘politieke onwil’. Tijd is macht en macht is tijdsvoordeel – en het vermogen dat uit te spelen. Ik zou denken dat de omgang met de lengte van grenzen eerder de politieke machtsverhoudingen dan politieke onwil betreft. Moraliseren over een gebrek aan wil kan altijd nog maar is hier vooralsnog eerder een hinderlijke beperking van de analyse dan een bijdrage eraan.

Hoe zit het met het zakelijke aspect? We hebben universiteiten die geen moeite hebben met intelligent design en creationisme, we zien een groeiend verzet, in het bijzonder van politici, tegen internationale rechtsverdragen, het protectionisme in de economie is nooit helemaal verdwenen en zal ook niet verdwijnen (geen milieumaatregel die niet ook protectionistiche effecten genereert) en in de kunsten zien we een heropleving van het afbeeldingsverbod en we zien pogingen sommige uitingen van muziek, film, cabaret, televisie, schilderkunst en cartoons tegen te gaan door ze te onderwerpen aan overwegingen van een ander type nuttigheid, van politieke en/of economische snit. We zien het aan het lastige parket waarin bondskanselier Merkel zich heeft weten te manouvreren door de snelheid waarmee Erdogan de Europese buitengrenzen kan wegen en te licht bevinden (het machtsgebeuren) af te kopen door de autonomie van kunst en cultuur de dampen aan te doen (de zaken die wij, naar we beweren, nooit in de uitverkoop zullen doen). Voor zelfgenoegzaamheid is het nu even niet de tijd – zo die tijd er ooit was. Het is wel de tijd voor waakzaamheid, niet om Erdogan te vertellen dat hij naar de hel mag afreizen, wel om onze eigen politici bij de les te houden. Is het niet tekenend dat het Hans Teeuwen was die zijn collega-cabaretiers opriep de rijen te sluiten, en niet de politici die verantwoordelijk zijn voor het behoud van de vrijheid van meningsuiting?

Scheffer getuigt weinig van waakzaamheid (tenzij we zijn identificatie van waakzaamheid en veiligheid als zodanig moeten opvatten, alsof ‘veiligheid’ niet gepaard gaat met het beknibbelen op privacy en het, ten faveure van het publieke panopticon, slechten van de binnengrens tussen publiek en privaat, terwijl ‘waakzaamheid’ juist de garantie van privacy en dus het overeind houden van de grens tussen publiek en privaat belooft). Hij getuigt wel van enige zelfgenoegzaamheid. Ik doel op het hoofdstuk Een verborgen vitaliteit (o.c.: 85-98), een oproep aan de EU om wakker te worden, de ogen uit te wrijven en te zien dat de verborgen maar wel degelijk aanwezige macht van Europa bestaat in ‘een hoge mate van gelijkheid en levenskwaliteit, een lage mate van corruptie en een redelijk functionerende rechtsstaat, maar ook bijvoorbeeld een urbanisering die gunstig afsteekt tegen de megasteden in de rest van de wereld. Op grond hiervan is het niet moeilijk het specifieke samenlevingspatroon van Europa te herkennen, een patroon dat niet gemakkelijk te kopiëren is. Het is wel duidelijk dat bijvoorbeeld de vorming van een stabiele rechtsstaat of een universitaire cultuur een lang en moeilijk proces is. En daarmee zien we ook de omtrekken van een samenlevingsmodel dat de basis vormt voor de ontluikende politieke gemeenschap die de Unie is’ (o.c.: 97; cursivering van mij, TK). Hoe noemen we dat ook weer? O ja, de wens die de vader van de gedachte is, de wens die in de EU heeft geleid tot een ongelooflijke opeenstapeling van doelstellingen terwijl iederen kan zien dat de randvoorwaarden om al dat fraais te realiseren de laatste paar decennia door de furie van de neoliberale storm stelselmatig worden afgebroken.

Ik sluit af met een enkele opmerking over sociale grenzen. Het essay van Scheffer hangt op twee zorgen: de zorg om de eenheid van Europa (waarover hij, in het bijzonder met betrekking tot een eventuele verder uitbreiding van de EU, behartigenswaardige dingen te zeggen heeft) en de zorg om wat ik gemakshalve ‘sociale cohesie’ noem. De tweede zorg is een constante in het denken van Scheffer, in ieder geval sinds zijn geruchtmakende opstel over ‘het multiculturele drama’ van 2000. Uit dat opstel citeer ik een enkele zinsnede: ‘[n]odig is een afscheid van de kosmopolitische illusie waarin velen zich wentelen. De wegwerpende manier waarop in Nederland is omgesprongen met nationaal besef werkt namelijk niet uitnodigend.’ (NRC Handelsblad, 29 januari 2000). Het is thema van de ‘oikofobie’, de angst voor het bekende en eigene, zoals xenofobie de angst voor het onbekende en vreemde is. Wereldburgers zijn oikofoben. Of, zoals Scheffer het in zijn essay verwoordt: ‘[m]isschien zijn de pleitbezorgers van mensenrechten wel niet zo betrokken bij de burgerrechten van hun buren en gaan daarom tolerantie en onverschilligheid zo goed samen’ (o.c.: 31). En: ‘een onverschilligheid in de omgang met culturele verschillen, is een uiting van de onthechting van elites die de sociale en culturele botsingen in de samenleving zoveel mogelijk uit de weg gaan’ (ibid.: 33). Daar kan de wereldburger het mee doen: hij is onverschillig, onthecht en laf. En uiteraard, hij is ‘de betekenis van grenzen vergeten’ (ibid.).

Temporeel heeft Scheffer niets te bieden (daar wijt ik ook zijn gebrek aan aandacht voor de economie aan), zakelijk is hij tevredener dan goed is en sociaal wordt hij gehinderd door zijn zelf opgebouwde beeld van de kosmopoliet. In oktober 2005 sprak Douwe Draaisma zijn oratie uit, getiteld Het verdriet van de kosmopoliet. Wat was dat verdriet? Het was het verdriet van de wereldburger die, door de mangel van de opdringerige en vrijwel niet te ontlopen   ‘internationalisering’ gehaald, zichzelf niet terug kende.

Ik zou ter afsluiting, Jeroen Brouwers parafraserend, niet meer willen opmerken dan dit: ‘sire, er zijn geen wereldburgers’.

16 april

=0=


 

Slimmer

Een kind van laag opgeleide ouders dat even slim is als een kind van hoog opgeleide ouders is in vergelijking een slimmer kind. Als beloning krijgt het een lager schooldavies dan het kind van hoog opgeleide ouders. Dat laatste mag niet, roepen de politici in koor – alsof het ze het niet al lang wisten, het altijd hebben laten voortbestaan en pas nu, met het kakelverse rapport van de Inspectie in handen, wakker zijn geschud. Gelukkig maar dat ze naar goed Hollandse waarden en normen nooit discrimineren, anders had er wat gezwaaid.

Je laat de ongelijkheid in het schooladvies decennia lang voortbestaan, je organiseert het onderwijs zo dat het inkomen van de ouders steeds belangrijker wordt voor de kansen van het kind om deel te nemen aan alles wat de school en de schoolomgeving te bieden hebben, je constateert dat hoog opgeleide en goed verdienende ouders verhoudingsgewijs veel vaker op de bres staan voor de belangen van hun kinderen (tot en met het stichten van eigen scholen aan toe, om besmetting met kansarme kinderen tegen te gaan), je stimuleert dat ook – en je bent verbaasd over de uitkomst.

Zoiets verdient slechts één naam: hypocrisie. Het leerplichtige onderwijs was altijd een publiek goed: open voor alle kinderen en wat het ene kind kreeg was ook beschikbaar voor het andere. Dat is de laatste dertig jaar bekwaam stukgemaakt. De segregatie die in een verzuild land natuurlijk niet kan uitblijven is van denominatie verschoven naar inkomen en opleiding. Dat is een regelrechte ontkenning van het leerplichtig onderwijs als publiek goed. Sinds de kabinetten Lubbers, vanaf begin jaren tachtig dus, is het onderwijs geen instituut meer dat kinderen bij elkaar brengt, het is een instituut dat kinderen uit elkaar speelt. Daar kan een enkele geniale docent misschien tegenop, het merendeel van de gewoon goede docenten niet.

In de uitleg van de vertekening van het schooladvies lees ik dat, volgens de inspecteur-generaal van de Inspectie, docenten vaak ‘onbewust’ het kind van laag opgeleide ouders benadelen. Ze bedoelen het goed, maar, met Bert Brecht, ‘die Verhältnisse, sie sind nicht so’. Onbewust? Wat betekent een zeer aanwezige ouder die een hoger advies bepleit en een vrijwel afwezige ouder die zich er maar weer bij neerlegt? Waar blijft in zo’n geval de gelijke behandeling van het leerplichtige kind?

In ons land discrimineren we ons tot en met de beschikbaarheid van een publiek goed helemaal suf en dat noemen we dan ‘onbewust’. Hypocriet? Ja. Laf? Zeker.

13 april

=0=

 

 


De wil niet te weten


De radarbeelden van de ramp met de MH17 zijn nog altijd niet openbaar gemaakt. De Russen hadden ze maar hebben ze gewist (zeggen ze), de Oekraïners hadden ze nooit want hun apparatuur was stuk dan wel niet krachtig genoeg dan wel in onderhoud (zeggen ze) en de Amerikanen hebben ze en hebben ze ‘supergeheim’ verklaard. Maar als Nederland erom vraagt is er wel iets te regelen. Hoeft niet. De onderzoekscommissie kan blijkbaar zonder en onze minister van V&J vraagt er niet om want de onderzoekscommissie is onafhankelijk. Deze minister kan weinig, maar in cirkelredeneringen heeft hij zijn weerga binnen het kabinet nog niet gevonden. Een motie die de minister dwingt, op straffe van een motie van wantrouwen, de beelden op te vragen is nooit ingediend door de Kamer. Het schijnen overigens uitstekende beelden te zijn. De vraag is blijkbaar niet wat we willen weten in ons land, de vraag is wat we niet willen weten omdat we, het kabinet in dit geval en de nodige inlichtingendiensten, weten dat dan de beer pas echt los is.

Het doet allemaal denken aan de nooit verklaarde oorzaken van de vliegramp uit 1961 waarbij ook de toenmalige secretaris-generaal van de VN, Dag Hammerskjöld, om het leven kwam.

1961, we schrijven Congo, we schrijven Katanga, we schrijven Lumumba, we schrijven Tsjombe, we schrijven uranium, we schrijven Union Minière. Er zijn verklaringen van ooggetuigen van de ramp waarin gerept wordt van, in de eerste plaats, een ontploffing voorafgaande aan het neerstorten van het vliegtuig, van, in de tweede plaats, Landrovers die bij het wrak zijn gesignaleerd en die naderhand nooit de moeite van enige aandacht zijn geweest en van, in de derder plaats, een tweede, kleiner toestel dat het VN-vliegtuig aanviel. Slordig en slordig en slordig.

Maar dan zijn we er nog niet, zo lees ik in De Correspondent vandaag, want er was nog wat, een vondst door een inmiddels ingestelde VN-commissie van experts: ‘Hammarskjöld gebruikte voor zijn vertrouwelijke communicatie met het hoofdkantoor van de Verenigde Naties in New York een codeermachine van een van oorsprong Zweeds bedrijf, later in Zwitserland gevestigd. Die firma stelde het apparaat zo in dat alle communicatie automatisch werd doorgestuurd naar de geheime diensten van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.’ De Correspondent vervolgt met: ‘[k]ort voordat de commissie haar rapport presenteert, laten de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk nog weten dat ze geen inzage wensen te geven in vertrouwelijke informatie die misschien helderheid kan verschaffen over de toedracht van het ongeluk. Nog altijd topgeheim. The New York Times werpt in een artikel  de vraag op welk geheim zo groot is dat het ook na ruim vijftig jaar niet mag worden geopenbaard.’

Deze gegevens zijn in eerste aanleg bij elkaar geschraapt door een klein aantal particulieren, aangeboden aan de VN met het verzoek om heropening van het onderzoek, een verzoek dat door de VN is overgenomen, inclusief een oproep aan iedereen die informatie heeft die te delen, een verzoek dat door de VS en het VK met alle macht wordt tegengewerkt zodat niet te verwachten is dat zij informaties die hen niet goed uitkomen openbaar zullen maken. En de VN kan ze niet dwingen.

Sommige dingen mogen we niet weten omdat het niet goed voor ons is het wel te weten. Zeggen de machten die weten. De vraag naar aanleiding van de MH17 is of de Nederlandse overheid weet en dingen onder de pet houdt of dat de Nederlandse overheid niet weet en niets doet omdat het wel weten ongewenste gevolgen kan hebben.

11 april

=0=

 

 

Gelukkig

‘Ik zou dat wel heel onplezierig vinden - als mensen met weinig geld nu bijvoorbeeld massaal zouden gaan zeggen: zo, nu houden wij ook op met belasting betalen. Gelukkig is dat ook heel onwaarschijnlijk. Degenen die niets hebben, of bijna niets, hebben ook geen macht. Het enige wat ze kunnen doen, is stemmen. Stemmen op een politieke partij die iets tegen deze praktijken wil doen. Alleen is het voor de politiek ook bijna onmogelijk om dit soort constructies met wetten tegen te gaan. Belastingontduikers kan je aanpakken. Maar in de meeste gevallen gebeurt hier niets illegaals.’

Aan het woord is Bas Haring (Trouw, 8 april, Fiscale vrijheid schaadt sociale vrede). Het is een stukje van zijn commentaar op de Panama Papers. Het is een voortreffelijke samenvatting van de huidige belastingmisère, het geeft aan dat verzet zinloos is (het is legaal) en het trapt na: ze hebben toch geen macht dus ze kunnen ook niets doen behalve te rade gaan bij de politiek die ook niets kan doen.

Het hangt van de non sequitur argumentjes aan elkaar – precies zoals bij politici die wel wat scherpe randjes willen afvijlen maar de ontwijkingspraktijken zelf als een bijdrage aan welvaart en werkgelegenheid willen zien. Ik zie zo het competentieprofiel van de minister van financiën voorbijkomen: wie schuldig is en schaamteloos mag solliciteren, wie onschuldig is moet een ander vak kiezen, wie schuldig is en niet schaamteloos is een brekebeen en ongeschikt voor dit belangrijke ambt. Wij hebben een bekwame minister van financiën.

Met dat al zit ik toch een beetje in mijn maag met die kwalificatie ‘gelukkig’ van Haring. Ik gun hem zijn geluk natuurlijk, het lijkt me een heel aardige jongen en zo, maar dit is pesten. Hij zegt dat mensen die bijna niets hebben de belasting niet kunnen ontwijken (daar heb je ‘macht’ voor nodig) en als ze het in hun hoofd zouden halen de belasting te ontduiken ze hun trekken wel thuis zullen krijgen. De uitkomst daarvan is een gelukkige.

Nee, geef mij dan Ingrid Robeyns maar. Zij merkt op dat er behalve in Panama nog veel meer Papers zijn (het is nog veel erger) en dat zo langzamerhand alle ingrediënten voor een revolutie gereed liggen, een revolutie die, geheel in de geest van Thomas Piketty, begint bij de belastingen. Zij zegt: ‘We genieten hier een grote mate van welvaart, stabiliteit en sociale vrede. Waar is die toestand op gebaseerd? Op een goed beschermd eigendomsrecht, onder andere. Dat de één beduidend meer heeft dan de ander, vinden we acceptabel omdat iedereen naar vermogen een bijdrage levert aan de centrale pot. Via die centrale pot worden algemene voorzieningen en een bestaansminimum voor iedereen gerealiseerd, en proberen we gelijke kansen te realiseren. Maar als blijkt dat de superrijken zich aan die verplichting onttrekken, zichzelf buiten de samenleving plaatsen, waarom zou een revolutie dan niet legitiem zijn?’

Ik bedoel maar, de ‘superrijken’ plaatsen zichzelf buiten de samenleving, willen wel de lusten en niet de lasten, zijn sinds mensenheugenis bezig belastingen te ontwijken door stiekeme rekeningen in tal van buitenlanden aan te houden, hebben er sinds de financiële deregulering nog een fors schepje bovenop gedaan, worden door wetten beschermd die zelfs door politici niet met het legaliteitskeurmerk worden opgesierd en die het in plaats daarvan met het lamentabele ‘het is niet illegaal’ moeten doen, krijgen van Bas Haring een aanbeveling (‘gelukkig’), en wij moeten dat in de beste VVD-D66-PvdA-CDA tradities allemaal weer braaf toestaan?

Ontneem elke Nederlander die in termen van belastingen het Nederlanderschap ontwijkt, door in Nederland te wonen en qua belastingplicht ergens anders, het Nederlanderschap. De revolutie moet ergens beginnen en dit lijkt me een uitstekende, meer nog een gelukkige, start.

9 april

=0=

 

 

Angstige vrijheid

Angst is een industrie, vraag het de verzekeraars maar. In onzekere tijden is angst een reisgenoot die je misschien liever niet hebt en die toch op de meest ongelukkige momenten opduikt.

De tijden zijn onzeker en ze zijn dat mede omdat de autoriteiten steeds minder zekerheden in de aanbieding hebben. Hoe meer we weten, hoe kwetsbaarder de fundamenten van het weten, hoe meer de twijfel om zich heen grijpt en hoe meer het laatste woord het laat afweten. Het laatste woord is verdwenen en komt niet meer terug. Denken dat we dan nog meer moeten weten om dan toch nog in de buurt van het laatste woord te komen, is denken dat kennis het probleem is. Dat is niet zo, niet kennis is het probleem (kennis geeft geen zekerheid, kennis stelt alles ter discussie), het gebrek aan overeenstemming over alles, dat is het probleem (vrij naar Mary Douglas, Dealing with Uncertainty, Ethical Perspectives 2001/3: 145-155; de verwijzing naar kennis en overeenstemming is te vinden op pagina 146).

We mogen alles zelf bedenken en niemand die ons kan verplichten deze gedachte als juist en die als onjuist te accepteren. Dat hoort bij onze vrijheden: er is een positief verband tussen de vrijheid te denken en te zeggen wat je wilt en gebrek aan overeenstemming, en er is een positief verband tussen gebrek aan overeenstemming en angst want je weet maar nooit, en je weet het nooit, zeker als je denkt het zeker te weten. De twijfel reist mee, net als de angst. Het is een goede wereld voor de demagoog die geen twijfel kent en een slechte wereld voor het redelijke argument dat nooit zeker is en nooit zekerheid kan bieden.  

In een kort artikel in ZiPconomy van vandaag kom ik de volgende uitspraken van Damiaan Denys tegen: ‘[a]ngst is ook een signaal van de vrijheid, omdat je op het punt staat uit je comfortzone te stappen, de vrijheid en verandering tegemoet. Een signaal ook van loslaten van je voortdurende drang naar controle. Want als je nooit angst voelt, zul je ook nooit echt vrij kunnen zijn’. En wat houdt Denys ons voor om noch onze angst te ontkennen, noch ons door onze angst te laten overheersen? Nu, dat is ‘vertrouwen’. Geef de controle op en zet er vertrouwen voor in de plaats.

Vertrouwen moet de vacante plek van de overeenstemming opvullen. Vroeger hadden we daar de kerk voor, het leunen op traditie, het krediet van het gezag, en nu hebben we vertrouwen nodig. Vertrouwen bespaart op de behoefte aan kennis en weten, dat is waar, maar als je niet meer kunt vertrouwen op de kennis van de expert en de autoriteit van de wetenschap, dan is het wat vreemd dat weggevallen vertrouwen te vervangen door ‘vertrouwen’ zonder nadere aanduiding, door het vertrouwen op vertrouwen.

De vrijheid van Denys is een angstige vrijheid, een vrijheid die niet in het vertrouwen maar in de angst zit en waarvoor de oplossing, zou ik denken, niet in een diffuus en gegeneraliseerd vertrouwen te vinden is en wel in het zoeken van gelijkgezinden die onder elkaar tot overeenstemming zijn gekomen en alleen al daarom aan hun overeenstemming vasthouden, aan de overeenstemming vanwege de overeenstemming vasthouden, en die elkaar onderling misschien nog wel vertrouwen maar ieder ander niet, juist omdat de ander als zodanig de overeenstemming bedreigt. Ja, fraai is het niet en vertrouwen heb ik er ook al niet in. Angstig is het, wat mij betreft. En nee, als dat vrijheid is dan ben ik neoliberaal.

7 april

=0=


Ga je gang

Als mkb-er word je gemiddeld eens in de twintig jaar door de belastingdienst gecontroleerd, lees ik vandaag in Trouw. En omdat de belastingdienst, zegt de geciteerde fiscalist in dezelfde krant, in het geval dat je gesnapt wordt als mkb-er niet verder dan vijf jaar terugrekent heb je toch maar mooi vijftien jaar je gang kunnen gaan. Gemakkelijker kunnen we het niet maken en leuker ook niet. Hoeft ook niet. Als mkb-er heb je geen klagen.

Er is heel veel legaal in ons land, ook zaken waarvan je denkt dat ze eigenlijk niet legaal zouden moeten zijn. Legaliteit is economie geworden. Ik weet niet of dat lang geleden toen de uitspraak werd opgetekend dat onder omstandigheden het grootste recht het grootste onrecht is, ook zo bedoeld was. Misschien dat ze toen nog dachten dat recht en wet de economie rang en plaats konden aanwijzen. Dat zou je ook zeggen maar dat stadium zijn we al lang voorbij. Het recht is er voor de economie, niet omgekeerd. En je moet ze al bruin bakken wil je de legaliteit zo provoceren dat er teruggemept wordt. Illegaliteit is voor de dommen en armen, niet voor de slimmen en rijken. Daarom houden we bijstandstrekkers en vluchtelingen scherp in de gaten en controleren de anderen eens in de twintig jaar. Of helemaal niet.

Met de legaliteit is ook het vertrouwen koopwaar geworden. Richt een bedrijf op en je wordt vertrouwd tot het tegendeel blijkt, en het tegendeel blijkt niet vaak omdat we ervan uitgaan dat het niet nodig is het tegendeel al te vaak te laten blijken – dat schaadt de vertrouwensrelatie maar. Vraag een uitkering aan en je wordt niet vertrouwd, ook al blijkt keer op keer dat je te vertrouwen bent. De verdenking blijft.

Ik hoorde gisteren op het nieuws dat staatssecretaris Jette Klijnsma de diverse overheden gaat oproepen om bij schuldhulpverlening de zaak niet nog lastiger te maken dan hij toch al is. Gebleken is dat de overheden een goede afwikkeling van de schuldhulpverlening behoorlijk dwars zitten en de staatssecretaris hoopt dat ze in de toekomst door wat meer onderlinge afstemming wat minder dwars zullen zijn. Dat is mooi van de staatssecretaris maar in een land waar je als kleine schuldenaar principieel nooit wordt vertrouwd zal het weinig zoden aan de dijk zetten. Zorg eerst maar eens dat je een grote schuldenaar wordt, dan komen we er heus wel uit.

De koopman heeft gewonnen en de overheid ziet dat het goed is. Ik hoop, zei de staatssecretaris van Financiën, dat de belastingmoraal niet lijdt onder Panama. Inderdaad, stel je voor dat we ons allemaal gaan gedragen alsof de wet winst moet opleveren. Dat overleven we niet. Moraal? Moraal is het voorrecht van de dommen en dat moet vooral zo blijven.

6 april

=0=

 

 

Falend Toezicht

We hebben de DNB, de AFM, we hebben Bureau Toezicht Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme), we hebben Bureau Financieel Toezicht. En we hebben ook nog de FIOD, de fiscale inlichtingen en opsporingsdienst. Aan alles is gedacht en toch hebben al deze instanties geen rol gespeeld in het in de openbaarheid brengen van het schandaal dat is aangemeld in de Panama Papers. Ik vind dat verontrustend, verontrustender nog dan de geur van corruptie die om steeds meer transacties is komen te hangen. Falend toezicht is al lang geen af en toe voorbijkomende gebeurtenis meer, het is een structuuraspect van overheden die hun huik naar de financiële wind laten hangen.

Het toezicht ziet niet toe, het dekt af en gooit af en toe een spierinkje uit, niet, zoals het gezegde luidt, om een kabeljauw te vangen, maar om een kabeljauw te voeden. Hoe meer kabeljauwen in onze wateren rondzwemmen hoe beter het vestigingsklimaat, en hoe meer kabeljauwen bij ons een brievenbusje aanschaffen des te meer kabeljauwen bij onze notarissen, fiscalisten, advocaten en banken en andere financiële instellingen aankloppen om van hun hoogwaardige diensten gebruik te maken. Hoogwaardige diensten! Die zijn zoals het woord al aangeeft heel wat waard en bovendien, ze staan voor hoogwaardige werkgelegenheid en daar doen we het allemaal voor, daar worden we allemaal beter van. Of zo. Of woorden van gelijke strekking.

Ik hoor op de radio dat onze Belastingdienst best geïnteresseerd is in de Panama Papers. Wee degeen die zijn belastingaangifte onjuist heeft ingevuld, want die krijgt zijn trekken nog wel thuis. Vrees en huiver, de belastingen komen eraan! Het was eerlijker geweest als de Belastingdienst gewoon had toegegeven dat hij het allemaal al lang niet meer kan bijbenen en zijn eigen toezichtstaak heeft uitbesteed aan de bedrijven waarop toezicht gehouden zou moeten worden. De Belastingdienst noemt dat Horizontaal Toezicht en dat is zoiets als op je rug gaan liggen en toch van mening zijn dat je dan nog heel wat kunt zien.

In de Tweede Kamer is ook iedereen plots wakker geschud. Men leest daar zijn kranten en denkt, er is iets niet in orde. Er is al een voorstel ingediend voor een debat, er zijn al vragen gesteld, het kan weer niet op. Men wil het naadje van de kous weten. Misschien dat de Kamer een enkel los draadje van de kous krijgt toegeworpen, maar niet het naadje en zeker niet de kous. De handel in geldkousen is al ruim twee decennia geheel en gedereguleerd, met goedkeuring van de Kamer en wat de Kamer kwijt is, is de Kamer kwijt.
Mij overvalt een diepe treurnis.

4 april

 

 

Oogst

De onderzoekers die gisteren het rapport The Foreign Fighters Phenomenon in the European Union publiceerden (ICCT, Den Haag 2016) hebben het niet gemakkelijk gehad. Er is geen eensluidende definitie van een ‘foreign fighter’, er is geen centrale plek waar alle data worden opgeslagen, dubbeltellingen komen voor, overheden hebben vaak geen data en zeker geen vergelijkbare data en/of willen ze niet afstaan. Jammer is dat de rapporteurs weinig doen om de zaak beter te maken, bijvoorbeeld door zelf wel een heldere en operationle definitie te bieden van wat dat toch is, die ‘foreign fighter’. De leidende gedachte in het rapport was dat het hier ging om mensen die zich vanuit het buitenland in het Syrische en Irakese strijdgewoel hebben gemengd, maar alleen al de overweging dat al die mensen het strijdtoneel kunnen verplaatsen naar hun land van herkomst, of naar een land waarvan ze menen dat het straf nodig heeft, of zich helemaal niet naar Syrië of Irak wensen te begeven en de strijd thuis wel voeren geeft aan dat het zo eenvoudig niet is.

Het rapport ‘brengt in kaart’, analyseert weinig en verklaart niets. Dat is niet erg, als de kaart maar klopt en als bij de kaart elementaire vragen worden gesteld. De kaart is een begin, niet meer dan dat, en voor de hand liggende vragen worden niet gesteld. Bijvoorbeeld de vraag waarom uit West-, Centraal-, en Zuid-Europa wel mensen gaan (uit West meer dan vanuit Zuid en nog meer dan vanuit Noord en Centraal) en uit het voormalige Oost-Europa bijna niet. Hoe armer hoe braver, dat komt uit de kaart naar boven, en kennelijk deugt de regel niet dat arm en kansloos bij elkaar horen. Als we aan kansloosheid denken geldt niet de regel van deprivatie maar die van een tot achterstelling omgedoopte achterstand. Achterstelling is veel explosiever dan armoede.

Ook wordt niet de vraag gesteld naar het wonderlijke plaatje voor België, het land met verhoudingsgewijs de grootste export van foreign fighters. Want wat zien we daar? We zien het bekende beeld dat ze voornamelijk uit steden en randgemeenten komen, maar we zien ook dat het relatief welvarende Vlaanderen en het relatief welvarende Brussel het minder welvarende Wallonië ruimschoots overtreffen. Is dat misschien, en opnieuw, een variatie op hetzelfde thema, het thema dat daar waar meer armoede heerst de neiging de zaak in de fik te zetten geringer is dan daar waar meer kansen op een goed leven bestaan en tegelijkertijd meer en steeds moeilijker te slechten barrières de weg voor velen versperren?

Achterstanden zijn er en zullen niet verdwijnen. Gegeven een open kansenverdeling hoeft elke achterstand niet meer dan een tijdelijke status te zijn. Gaat de openheid van de kansenverdeling eraan dan is de kans groot dat achterstand niet als een tijdelijke situatie wordt beleefd maar als een hinderlijke achterstelling die als zodanig moet worden opgeruimd.

De kaart is nog lang niet af, maar ook in de staat waarin hij nu verkeert, doet zich de vraag voor of het Vlaams Belang en de Nieuw-Vlaamse Alliantie zich ooit wel hebben gerealiseerd of hun vermeende superioriteit tegen alles wat niet-Vlaams is niet zozeer tot woede in het achterblijvende Wallonië heeft geleid als wel tot woede in Vlaanderen zelf: ook daar staat groeiende welvaart niet los van groeiende ongelijkheid in eigen huis, een huis dat door een deel van achtergestelden niet langer als thuis wordt erkend.

Kan een beleid dat radicalisering moet tegengaan slagen als het bestrijden van de in geheel Europa groeiende ongelijkheid daar niet het speerpunt van is? Van wat is de radicalisering de oogst?

2 april

=0=
 

 

 

Stemmen – maar waarover?

Voormalig president Janoekovitsj van Oekraïne vluchtte in 2014 naar Rusland. Hij had het door hem met de EU gezamenlijk voorbereide associatieverdrag tussen Oekraïne en de EU uiteindelijk, eind 2013, niet ondertekend. Hij boog, zegt men, voor de Russische druk. Het lokte een opstand uit en hij ruimde het veld. Voor de EU (in de personen van Hans van Baalen en Guy Verhofstadt) waren deze gebeurtenissen een gerede aanleiding het associatieverdrag als steun aan de opstandelingen te portretteren. Korte tijd later bezette Rusland de Krim, begon de burgeroorlog, met Oost-Oekraïne als voornaamste slagveld, en werd de MH17 uit de lucht geschoten. 

We mogen aannemen dat, hoewel ongetwijfeld een enkele oligarch uit het tijdperk Janoekovitsj vervangen is door een oligarch die in een goede reuk staat bij de huidige president Porosjenko (zelf ook een oligarch), het associatieverdrag op de instemming kan rekenen van de oligarchen, die de politiek in Oekraïne voor en na de opstand beheersen en die minder de associatie met vrijheid en rechtvaardigheid, met stabiliteit en democratie oproepen dan de associatie met corruptie – de eerste associatie van de politiek aldaar. Daarom is de door de voorstanders van het verdrag in circulatie gebrachte veronderstelling dat het associatieverdrag de de democratie in dat land zal versterken licht potsierlijk en dat niet alleen vanwege de gedachte dat democratie per verdrag kan worden ingevoerd. Het verdrag zal de positie van de zittende oligarchen legitimeren en de rest is onvoorspelbaar.

Het kan zijn dat de Russische bezwaren voornamelijk over de defensie-paragraaf in het verdrag gaan. Wie weet? Ik weet niks, hoewel, ik weet iets meer dan een half jaar geleden. Dat is de aangename bijvangst van het aanstaande referendum want wat dat ook teweeg heeft gebracht, in elk geval een stortvloed aan meningen, opiniestukken, propagandastukken en ook nog informatieve stukken waar een mens iets aan heeft. Het lost mijn verwarring niet op (stem ik tegen Rusland, voor de EU, voor de verdieping van de tegenstellingen in Oekraïne, voor de versterking van hoop in Oekraïne op een betere toekomst, voor een gemakkelijker handelsverkeer met Oekraïne waarvan de opbrengsten waarschijnlijk zeer scheef zullen worden verdeeld en daarmee bijdragen aan de groeiende ongelijkheid, het meest brisante verschijnsel van dit decennium?) maar het heeft me gedwongen na te denken over dat referendum, als, in de eerste plaats, een extreem oneigenlijk middel om de totale serie verknoopte en in de knoop geraakte kwesties waarvan ik hierboven in vraagvorm een enkel aspect omschreef de kant op te duwen die mij het meest aanstaat en dat ook nog eens in de wetenschap dat ik geen flauw idee heb welke kant het echt op zal gaan en ik ook nog eens het idee heb dat niemand dat weet omdat niemand het kan weten.

In de tweede plaats ben ik tegen referenda. Ik weet niet of er ooit condities denkbaar zijn geweest waaronder een referendum goed kan werken. Nu ja, de kleinschaligheid van een Zwitsers kanton misschien maar in de huidige tijd van moderne media bestaat kleinschaligheid al lang niet meer. Niet stemmen? Ik aarzel, gewoon omdat dit referendum komt, of ik dat nu goed vind of niet. Lastig en zo, de dwang dat je door niet te kiezen toch kiest.

Ik kan ja stemmen, ik kan nee stemmen, ik kan blanco stemmen, ik kan niet stemmen. Ik heb nog net genoeg respect voor de mensen die wel gaan stemmen om te besluiten om dan ook maar mijn stem uit te brengen – door aan te geven dat ik de voorgelegde keuze van dit referendum een onzin-keuze vind in een onzin-referendum en dat te doen door blanco te stemmen.

1 april

=0=



Werving


Van de terroristen heeft circa vijftig procent een criminele achtergrond, maar het percentage criminelen dat jihadist wordt is minder dan één. De gevangenis is geen broeinest van radicalisme, de gevangenis is een wervingsbureau waar criminelen door jihadisten worden verlokt om met de terreur mee te doen. Ik las het in Trouw, gisteren (Han Koch, Jihadisten rekruteren criminelen, De Verdieping, 30 maart 2016: 4-5).

Huurlingen dus, geen gelovigen. Worden het gelovigen? Dat is nog maar helemaal de vraag. Maar wat blijft dan over van de stelling waarover ik een paar dagen geleden rapporteerde (radicalisering gaat aan bekering vooraf), en die mij verleidde tot de vraag waarin dat radicalisme dan wel bestond, en hoe we het zouden kunnen herkennen? De bijdrage in Trouw, gisteren, geeft daar geen antwoord op. Wel vergroot het mijn verwarring. Kennelijk is ook mijn behoefte aan antwoorden zo groot dat ik vergeet de vragen goed te stellen en er al te snel toe geneigd ben antwoorden te suggereren.

Toen enkele jaren geleden IS erin slaagde jonge rekruten uit het Westen te werven verschenen er af en toe berichtjes in de kranten dat die jongelui meer verdienden en meer priviliges hadden dan de rekruten uit de regio zelf. Je verdient wat, je hebt status, je hebt een uitlaatklep om je haat tegen je plek van herkomst te ventileren, je kunt naar de achterblijvers een lange neus trekken, je kunt ze hun nutteloosheid voorhouden, je kunt ze oproepen ook mee te doen en je kunt je nog tooien met de veren van een heilige oorlog ook. De ideale baan en wie weet zijn er naïevelingen die zich zo hebben laten inpakken. Het economische verhaal van de huurling zou misschien meer moeten overtuigen, zeker als je als crimineel hebt geleerd dat je in dat vak toch maar een kleine krabbelaar bent en blijft (over grote criminelen in de jihad lees ik nooit wat), dat je voor elk ander vak nooit zullen worden uitgekozen, dat je alternatieven zijn uitgeput en dat dit dan mogelijkerwijs nog het beste is dat is overgeschoten.

Hebben we het dan over de radicaliteit van de uitzichtloosheid, met op de achtergrond de (nog tamelijk rationele) overweging dat als de jihad het enige schip is dat je nog niet achter je hebt verbrand het niet zo gek is op dat schip aan te monsteren? Is de jihad niet alleen een manier van doodgaan maar ook, en misschien wel in de eerste plaats, een manier van ontsnappen aan een kansloos leven – niet omdat je wilt sterven voor de heilige zaak, maar omdat je een ander leven zoekt? Ik bedoel maar: in dat geval ligt de oplossing niet daar (daar is geen oplossing) maar hier. En hier, dat zijn wij ook, niet alleen zij.

31 maart

=0=

 

 

Stuurloos

Opstelten was al een stotterende, blunderende en alles verhaspelende politicus en zijn opvolger doet het nog eens dunnetjes over. Tenenkrommend, dat was het weer, gisteren in het parlement en vanochtend, toe hij moest toegeven dat de bron van het bericht over een gezochte terrorist niet de FBI was maar een afdeling van de politie van New York. Nu ja, denkt te minister, het blijft hetzelfde bericht, we hebben er niets aan veranderd, we hebben het niet geredigeerd, we hebben het niet opgeleukt en er staan niet eens zwarte strepen en balken in, dus, Kamer, waar hebben we het over?

Een voortreffelijke observatie, ongetwijfeld. Waar hebben we het over? Volgens de voltallige oppositie ging het over een minister die bij veiligheid niet aan veiligheid maar bij voorrang aan zichzelf denkt, volgens Samsom ging het over garanties die niemand ooit kan geven, en volgens de VVD hadden we wel belangrijker dingen te doen. Minister, heeft u die informatie uit de VS doorgegeven aan (‘gedeeld met’) de Belgen? Nee, maar het had toch niets aan de loop der gebeurtenissen veranderd. Ja, maar een beetje laat en het had toch niets aan de loop der gebeurtenissen veranderd. Ik weet het niet maar het had toch niets aan de loop der gebeurtenissen veranderd.

De Kamer had het over de gebrekkige samenwerking tussen veiligheidsdiensten in de EU. De Kamer moet zich nog buigen over de vraag of, zelfs als die samenwerking er komt, het enig effect zal hebben, hier, gegeven een minister die zo onmiskenbaar incompetent is dat iedereen hoopt dat het maar snel volgend jaar mag worden, zodat we van hem verlost worden. Hoewel, je weet maar nooit, met een PvdA die weet dat garanties niet bestaan (met uitzondering van de garantie dat zij dit kabinet blijven steunen tot het bittere eind en onder alle omstandigheden) en met een VVD die niets weet behalve dat ze altijd gelijk hebben en dat het nooit aan hen ligt.

Daarom, de bal ligt bij de oppositie. Een motie van incompetentie is nog wel het minste maar omdat de Kamer die niet in huis heeft moet het maar een motie van wantrouwen worden. Dat is toch het mooie van een parlementaire democratie? Dat je niet per se op nieuwe verkiezingen hoeft te wachten om je totale, op de nodige ervaringen gestoelde, gebrek aan vertrouwen in een bewindspersoon naar buiten te brengen?

De minister ziet geen reden af te treden, zei hij. Hij niet.

30 maart

=0=

 


Bekering


De radicalisering gaat aan de bekering vooraf. Ik kwam het afgelopen week tegen in de Groene, ik hoorde het vandaag in Buitenhof, in een gesprek van David van Reybrouck en Willem Schinkel. Schinkel zei, bijna tussen neus en lippen door, dat de terroristen een paar jaar geleden nog gewoon criminelen waren en van daaruit zijn ‘geradicaliseerd’. De islam is het sausje er bovenop en dat noemen ze hun ‘bekering’. Per slot, je doet wat en de verklaring ervan volgt op wat je doet. De tijd tussen radicalisering en bekering wordt steeds korter en dat zegt, denk ik, meer over de radicalisering dan over de bekering.

Criminelen verwerpen de maatschappij niet, ze leven ervan. Terroristen verwerpen de maatschappij wel degelijk, ze willen hem vernietigen en zien hun eigen vernietiging als een aspect daarvan. Bedrijfskosten, als het ware. Een crimineel is een parasiet, een terrorist niet. Een terrorist wordt pas terrorist na eerst verworpen te zijn of zich verworpen te wanen en hij betaalt met dubbele munt terug. Een crimineel calculeert: de buit afgezet tegen pakkans en gevangenisstraf, een terrorist is de calculatie voorbij en kent alleen de finale afrekening, de eindafrekening. Met een crimineel kun je het op een accoordje gooien (en dat gebeurt ook regelmatig), met een terrorist niet. Criminelen worden door ons in de regel niet gemarteld met het oog op informatie ter preventie van de volgende misdaad, terroristen die we verdenken over informatie over komende aanslagen te beschikken wel omdat van die informatie het lot van onschuldigen afhangt. Jullie, zeggen de terroristen, bombarderen en maken onschuldige slachtoffers, wij plegen aanslagen en maken ook slachtoffers en onschuldig zijn die niet want ze hebben jullie je gang laten gaan. 

Hoe iemand crimineel wordt is één ding, hoe de stap naar de terrorist wordt gezet een tweede. De tweede volgt niet zomaar uit de eerste. Eén van de aanslagplegers in Brussel schreef dat hij zich opgejaagd voelde, dat hij niet meer wist wat hij moest doen – behalve dan uit de gevangenis blijven. Liever dood dan in de gevangenis? Als je al je schepen achter je hebt verbrand is zelfverbranding beter dan achter de tralies? Is radicalisering het afscheid nemen van alles omdat er niets is om voor te leven?

Ik geloof graag dat radicalisering vooraf gaat aan bekering en dat de bekering weinig anders is dan een vlag op de modderschuit waar je op de een of andere manier in terecht bent gekomen. Blijft de vraag: wat is radicalisering?

27 maart

=0=

 


Alliantie


Tussen 1972 en 1980 verloren in Europa jaarlijks zo’n 350 mensen hun leven bij een terroristische aanslag. Daarna daalde het gemiddelde om in 1988 omhoog te springen tot ruim 400 (waaronder de 270 van Lockerbie), daalde verder, sprong in 2004 weer omhoog naar 196 (voornamelijk als gevolg van de aanslagen in Madrid) en vorig telden we 150 doden (voornamelijk in Parijs).

Vergeleken met veertig jaar geleden hebben we een rustige periode. De jaren van de ETA, de IRA, de RAF en de Rode Brigades en, op Corsica, van FLNC en het Front Ribellu, zijn voorbij. Toch maken we ons ongeruster dan ooit. Jacco Pekelder, terrorismedeskundige en historicus aan de UU, wijt het aan de media (De Volkskrant, Nieuwsbreak 23 maart). Zijn stelling is dat er een ‘fatale alliantie’ bestaat tussen journalisten en terroristen. De laatsten hebben behoefte aan media-aandacht, de eersten leveren het. Sociale media versterken het effect. En het klopt. De aanslagen gisteren in Brussel zijn het gesprek van de dag. Dat was in de jaren zeventig, ondanks de grotere aantallen slachtoffers, minder het geval.
Maar toch. Niet alles is hetzelfde, hoezeer de aanslagen van toen en die van nu in termen van nabijheid ook op elkaar lijken. De terroristen van toen vielen in de allereerste plaats hun vijanden thuis aan. Ze vochten voor regionale onafhankelijkheid, tegen (in hun ogen) vreemde overheersing en tegen het kapitalisme, te beginnen het kapitalisme van eigen bodem. De terroristen van nu bevechten niet hun plek thuis, ze keren die plek als ze die al hebben de rug toe, ze vechten niet tegen hun staat, ze vechten voor een kalifaat en hun kalifaat hoort volgens hen overal en volgens ons hoort het nergens.

Hun kalifaat is grenzeloos, in alles: in de ambitie, in de gewelddadigheid, in moordzucht, in vertrapping, in media-exploitatie. Het kalifaat weet, zegt Pekelder, hoe ze ons moet bespelen: ‘Ja, terroristen maken gebruik van de scenario's die in ons hoofd zitten. Het is net als met een film over een gevaarlijke epidemie. Eerst is er die uitbraak aan de andere kant van de wereld, dan krijgen mensen in de omgeving van de hoofdrolspeler vlekken op hun hoofd en daarna is het de hoofdrolspeler zelf. Mensen verwachten dat iets op een bepaalde manier gaat verlopen en terroristen proberen op de angst die leeft bij mensen in te spelen.’

In de verspreiding van de scenario’s spelen de media een belangrijke rol. Dat was ongetwijfeld in de jaren zeventig veel minder het geval. Maar er is nog een verschil. De eerdere terreuraanslagen waren niet tegen mij gericht. In de jaren zeventig ging het over de anderen, nu gaat het ook over mij. En ik denk dat dat meer dan een media-effect is.

24 maart

=0=

 

 


Vierentachtig procent

Van elke honderd mensen die je kunt tegenkomen zijn er vierentachtig religieus. Schrijft Yvonne Zonderop in De Groene (De Groene Amsterdammer, 17 maart 2016: 38-40). En over vijftig jaar zijn het het er zelfs zevenentachtig op honderd. Alle getallen ontleent ze aan een interview met godsdienstwetenschapper Ernst van den Hemel, die daaraan toevoegt: ‘[i]n dat licht is het bizar om kennis van religie te verwaarlozen’ (o.c.: 40).

Wij neuzelen gaarne over vergrijzing (in plaats van onszelf te feliciteren met een langere levensduur en minder baby- en kindersterfte) maar op wereldschaal valt dat nog best mee. Van de ruim zeven miljard wereldbewoners is ruim een kwart jonger dan zestien jaar. Van dat kwart woont slechts een fractie in de ontwikkelde landen en het merendeel in de minder tot laag ontwikkelde landen (de verhouding hier is één op drie. Bron: United Nations, Department of Social and Economic Affairs, Population Division, World Population Prospect, 2015 Revision). Kinderen dus, die weinig te kiezen hebben. Je kunt ze meetellen want vermoedelijk gaan ze en masse op de knieën en dan mag je verwachten dat het ware geloof vanzelf wel zal volgen. Of het geloof in een rustig leven, of het ongeloof in een beter leven. Ik zou ze niet zo opgewekt meetellen als Van den Hemel en als Zonderop die van die vierentachtig procent zelfs de kop van haar artikel heeft gemaakt.

Ik zou die kinderen niet meetellen maar ik zou wel onderwijs willen geven over leugens, verdomde leugens en demografiestatistieken. We hebben immers, behalve de kinderen, ook nog de vrouwen, de helft van de wereldbevolking en een tamelijk onderdrukte helft bovendien. Hun man vertelt ze wel wat ze moeten geloven. Wat ze zelf geloven is geloof ik niet heel bekend geworden – het zou je voorzichtig moeten maken als je hen wilt meetellen in het ware geloof. En hoe zit het met hun mannen? Hoevelen onder hen geloven uit lijfsbehoud omdat geloofsafval of het gezegende streven naar een afwijkende religie levensbedreigend is?

Ik trek alle kinderen af van het aantal religieuzen, ik trek 60% (ik ben een optimist) af van het aantal religieuze vrouwen en ik trek 40% (ik ben een optimist) af van het aantal religieuze mannen. Dan houd ik anderhalf miljard zelfbenoemde religieuzen over. Dat is geen vierentachtig procent, maar om en nabij de twintig procent van de werelbevolking. Ik denk dat er niks mis is met kennis van religies maar dat het verwaarlozen van de kennis over de omstandigheden die mensen beletten vrij te kiezen, om het woord van Van den Hemel te gebruiken, ‘bizar’ is.

23 maart

=0=

 

 

Vraatzucht

De televisie heeft er niet slechts voor gezorgd dat we, naar Robert Putnam, voortaan alleen moeten kegelen (want de rest kijkt televisie en ook dat niet meer samen want iedereen heeft z’n eigen televisie), de televisie heeft er ook voor gezorgd dat er het nodige omver is gekegeld. Zo zien we dat de politiek verdwijnt achter de mediagenieke politicus. De overige politici kennen we niet meer en waar ze voor staan – hun politiek – al evenmin.

De vraag is: gebeurt hetzelfde met het recht? Verdwijnt het recht achter de rechter en wint de meest mediagenieke rechter het pleit en kan de rechter (en de officier van justitie) het pleit verliezen van de nog mediagenieker advocaat en diens cliënt die niet eens meer mediageniek maar een mediagenie is? Vraag naar een rechter en je krijgt mr. Frank Visser als antwoord. We kunnen rechters tegenwoordig al, met dank aan Coen Verbraak, in de ziel kijken. Natuurlijk de rechtszaal was altijd al openbaar maar de televisie heeft er een nieuw gezicht aan gegeven, het gezicht van de persoon die de rechter is – en dus willen we weten wie die persoon is, wat zijn hobby’s zijn, welke kranten en tijdschriften hij leest, wat zijn politieke en maatschappelijke voorkeuren zijn, of hij getrouwd is, kinderen heeft, wel eens een bekeuring gehad, en ga zo maar door want de televisie wil, eenmaal de persoon in beeld, alles weten. De televisie is ononderscheidbaar van de vraatzucht van de televisie.

De metafoor van de vraatzucht ontleen ik aan een artikel van Annerie Smolders (Court TV op z’n Hollands, De Groene Amsterdammer, 17 maart 2016: 18-21). Ze schrijft, verwijzend naar het eerste proces tegen Wilders, ‘[h]et mediaspektakel leek op vraatzucht, wat de behoefte aan meer cameravoering in de rechtszaal verklaarde’. Rupsje-nooitgenoeg. En het wordt alleen nog meer want was het tot 2013 zo dat de toegang van de televisie onder de formule van een ‘nee, tenzij’ viel, daara werd het ‘ja, tenzij’. De rechter mag het nog steeds verbieden maar is dan wel gehouden om elke weigering te publiceren op rechtspraak.nl. Dat is, in een context waarin de Raad voor de Rechtspraak de televisie verwelkomt, niet eenvoudig. Die Raad is overigens geen rechstprekend orgaan, het is bestuurdersorgaan. De bestuurders zijn voor, de rechters zijn verdeeld.

Nederland loopt voorop met de ruimhartige toelating van de televisie. In de VS wordt bij federale zaken de tv geweerd en in Duitsland is het al niet anders. Men vreest beïnvloeding van de gang van het proces. Bij ons niet. Bij ons kun je de toga al bijna vervangen door overhemd, een T-shirt, een trui, een colbertje, een jurk. Als de vervanging beter de ‘persoon’ laat zien dan de oorspronkelijke toga, het uniform van de rechter, symbool van diens opdracht recht te spreken sine ira et studio, dan moet dat toch kunnen? Droeg Frank Visser als rijdende rechter een toga? Draagt zijn opvolger er eentje? Nou dan, dan kan het toch ook zonder?

De toga, kun je zeggen, is het equivalent van de geblinddoekte Vrouwe Justitia die, geblinddoekt en wel, de weegschaal van het recht moet hanteren. Daar heb je geen goede televisie mee. Het is te saai, te traag, te rustig. Goede tv krijg je misschien wel als de rechter voor ons staat en we alles van hem kunnen zien. De naakte rechter, daar gaat het om. Krijgen we dan een beter zicht op het recht? ‘Door meer kennis over wie de rechter is kan de verhullende, symbolische functie van de toga worden uitgehold. Die keerzijde krijgt verbazingwekkend weinig aandacht’ (Smolders, o.c.: 18). I rest my case.

22 maart

=0=

 


Bezonken


Midden jaren negentig bezocht ik rond de kerstdagen met twee van mijn drie kinderen het kleine plaatsje Bütgenbach. We hadden gehoopt sneeuw te vinden, we vonden regen en een grijze hemel. En we vonden een supermarkt waar de mevouw achter de kassa moeiteloos schakelde van Duits naar Frans naar Nederlands. Dat viel op en de vloeiende kennis van drie talen moest wel wat met de geschiedenis te maken hebben gehad maar wat, daar kwam ik toen niet achter.
Nu weet ik iets meer want Bütgenbach ligt, vlakbij Eupen, aan de hoog gelegen oostkant van België en het is, ontdekte ik een dag geleden, niet ver verwijderd van de wonderlijke enclave ‘Neutraal Moresnet’ waar David van Reybrouck het boekenweekessay 2016 aan heeft gewijd (alsof toeval niet bestaat of alsof alles toeval is, maar een week of wat eerder had Philip Dröge ook al een boek ‘Moresnet’ het licht doen zien).

Zink is de titel van het boekenweekessay. Goed gekozen want zonder dat zink had Neutraal Moresnet niet bestaan. Het gebied besloeg drie-en-een-halve kilometer, te klein om zelfs als postzegel van de kaart van Europa te dienen. Hoewel het wel een eigen postzegel had. Na de nederlaag van Napoleon kon men het tijdens het Weense Congres niet eens worden over het gebied. De Pruisen wilden het zink, Nederland wilde het zink en omdat men er niet uitkwam werd Moresnet een neutraal gebied.

Het tekent het belang van dat zink, door Van Reybrouck opgewaardeerd tot het metaal van de eeuw: ‘[d]e negentiende eeuw was de eeuw van het zink’. Dat is misschien een beetje veel. Het had wat mij betreft ook de eeuw van het stoom mogen heten, net zoals de twintigste eeuw de eeuw van de elektra is (en ook daar heeft Van Reybrouck andere producten in de aanbieding). Los daarvan, het essay is minder een geschiedenis van de strijd om het zink, als wel een geschiedenis van de ellende van het trekken van grenzen, het opheffen ervan, het weer terugkeren, als dan niet ingrijpend gewijzigd, van grenzen, van grenzen die het onvermogen van diplomaten illustreren iets beters te bedenken en van grenzen die worden bedacht met hautaine minachting voor de mensen die met die grenzen moeten leven.

Zink is het verhaal van Emil Rixen, geboren in 1903 uit een Duitse moeder, een dienstbode die zwanger was gemaakt door haar werkgever en weggestuurd zodra ze hem van de zwangerschap verwittigde. Ze ging naar Moresnet – de schande zou haar daar minder worden nagedragen dan in Düsseldorf waar ze als dienstbode had gewerkt. De geschiedenis laat zich raden: na WOI komt Moresnet bij België, Emil moet in 1923 in dienst en wordt ingezet bij de bezetting van het Ruhrgebied, gedurende WOII neemt Duitsland Moresnet in bezit en Emil moet opnieuw in dienst – ook veertigjarigen werden op een gegeven moment opgeroepen om het Derde Rijk te verdedigen. Van Reybrouck vat het schitterend samen: ‘[z]onder ooit in zijn leven te verhuizen is hij Neutraal geweest, rijksingezetene van het Duitse keizerrijk, inwoner van het koninkrijk België en staatsburger binnen het Derde Rijk. Voor hij wederom Belg zal worden, zijn vijfde nationaliteitswissel, wordt hij afgevoerd als Duits krijgsgevangene. Hij heeft geen grenzen overgestoken, de grenzen zijn hem overgestoken’. Een tikkeltje minder bloemrijk had ook gemogen maar de strekking is duidelijk. Over grenzen wordt grenzeloos ruw en grenzeloos onverschillig beslist, met levens die op het foute tijdstip en op de foute plek moeten worden geleefd en waar niemand zich om bekreunt.

De zinkmijn is niet langer in bedrijf, en Neutraal Moresnet bestaat niet meer.

20 maart

=0=

 

                        

Gedachtenpolitie

Een wantrouwend persoon wil alles weten omdat het anders allemaal tegen hem gebruikt kan worden, en een wantrouwend persoon wantrouwt in het bijzonder alles wat hij niet weet. In een nette democratische rechtsstaat is het wantrouwen op diverse plekken en manieren geïnsitutionaliseerd: in de grondwet en wet staan beperkingen over zittingstermijnen en maxiamle zittingsduur voor verschillende publieke ambten, en verkiezingen garanderen dat de mensen die we hebben gekozen als volksvertegenwoordiger elke vier jaar door ons kunnen worden vervangen.

Voor de meeste burgers is dat genoeg, maar dat aantal slinkt en dan is de stap naar het wantrouwen in het geïnstitutionaliseerde wantrouwen al bijna gezet, en dan verschuift de hardnekkigheid waarmee we ons vastklampen aan het weinige wat we nog wel vertrouwen: het was hardnekkig, het wordt verkrampt. Het oplevend nationalisme is zo’n kramp. Laat ik dat het nationalisme van het draagvlak noemen, van het ons kent ons dat de voornaamste bijdrage van Wilders aan de politiek is. ‘Wij’ heeft een ‘zij’ nodig en dat noemen we het draagvlak van ‘ons’ voor ‘hen’.

In de regiezitting van het proces tegen Wilders stelde zijn advocaat Knoops voor om Maurice de Hond te laten vertellen over draagvlak. Over het draagvlak voor de opvattingen van Wilders, de man die alles benoemt, ook alles wat hij niet weet en dat doet omdat hij ook en misschien wel juist alles weet over alles wat hij niet weet. Draagvlak kun je peilen zal Knoops wel gedacht hebben. Een onpeilbaar diepe gedachte, zij het een gedachte die het in termen van stelligheid, bereik en geldigheid moet afleggen tegen de gedachten van zijn cliënt, de man die alles altijd al weet en wist.

Met hem, Wilders, zijn we een stap verder, een stap die de overgang van wantrouwen naar extremisme markeert. Een extremist is een ander kaliber. Een extremist is uiteraard wantrouwend maar het verschil met een door wantrouwen gekenmerkt persoon is dat de extremist ook weet hij wat niet weet – en ook dat wantrouwt. Van de eerste soort heb je er heel veel, van de tweede soort veel minder. In mijn woordenboek is de modale PVV-aanhanger wantrouwend en het enige PPV-lid is extreem. Wilders weet ook alles van wat hij niet weet. Hij noemt dat de ‘waarheid’. Hij weet dat het proces tegen hem een politiek proces is, hij weet dat alle rechters en officieren bevooroordeeld en dus partijdig zijn, hij weet dat hij geen eerlijk proces kan verwachten maar hij zal zich, eenzame strijder die hij is, nooit de mond laten snoeren want de waarheid moet gezegd, inclusief de waarheid over de ‘farce’ van het proces tegen hem. Je zou er zo een soap over kunnen schrijven.

Tegen deze achtergrond is het al bijna verbazend dat Wilders slecht één van de drie door de rechtbank aangewezen rechters voor zijn proces wil wraken. Zij zou bevooroordeeld zijn omdat ze ooit iets over de PVV zei (en wat is de PVV anders dan Wilders zelf?) en ooit kenbaar maakte dat ze de toekenning van de wraking in het eerdere proces tegen Wilders geen goed idee had gevonden. Ergo: iedere rechter of officier die iets over de PVV heeft gezegd wat Wilders niet aanstaat is bevooroordeeld en ieder rechter of officier die een juridische mening over de wraking van destijds ventileert die afwijkt van het toen genomen besluit, waar Wilders het wel mee eens was omdat hij er zelf om had gevraagd, is verdacht. In ons land is deze verdachte de aanklager, is Maurice de Hond de spreekbuis van de publieke opinie, en het gerecht is de aangeklaagde. Door één van de rechters eruit te pikken intimideert Wilders de overige twee en het OM. Dat ze het maar weten.

Alle justitie is klassenjustitie en dan niet in het voordeel van de bourgeoisie maar in het voordeel van de politieke klasse, de klasse als ‘elite’, de gesel van deze tijd. Door drie rechters te selecteren die geen lid van een politiek partij mochten zijn is de rechtbank een heel eind, een gevaarlijk eind, meegegaan in het door Wilders geschapen beeld van een te gepolitiseerde rechtspraak. Het is koren op de molen van Wilders. De volgende stap is dat elke hem onwelgevallige gedachte van een magistraat door hem verdacht zal worden gemaakt – het wachten is slechts op een gedachtenpolitie die iedere afwijking van het extremistisch universum van Wilders aan de kaak zal stellen en voor zal dragen voor een geëigende bestraffing. Het is hoog tijd dat de rechterlijke macht terugslaat, maar voorlopig zie ik voornamelijk slappe knieën.

19 maart

=0=

 


Plan B


Het is wijs beleid om plan A niet te aanvaarden voordat er ook een plan B bekend is. Plan B is nodig om het gestelde doel toch te halen wanneer plan A niet werkt, wanneer de middelen waarop en waarmee dat plan rekende (van grondstoffen tot en met betrouwbare informatie, samenwerking en coördinatie) te kort blijken te schieten. De grondstoffen raken uitgeput, informaties blijken onbetrouwbaar, je staf wordt weggekocht. Het hangt er natuurlijk vanaf of het falen van plan A ergens funest voor is maar is dat zo dan zal achteraf worden gezegd dat we dan maar een plan B hadden moeten hebben en dan zal achteraf worden gezegd dat we voortaan vooraf een plan B moeten hebben.

Is er een plan B voor de Turkije-deal? Het is te hopen want aan de kwaliteit van de informatie kan getwijfeld worden, aan de samenwerking tussen de EU-landen hoeven we niet te twijfelen want die lijkt nergens op en de EU is, in alle gevallen die niet direct het belang van de markt dienen, een coördinator zonder bevoegdheden. En de grondstoffen, in ons geval de vluchtelingen? En het doel, de beperking en regulering van de vluchtelingestroom? De onderhandelingspositie van Turkije hangt op de beschikbaarheid, op de gedweeheid, op de leverbaarheid van vluchtelingen, de onderhandelingspositie van de EU hangt op de listen die men kan verzinnen om de Turken tegelijk wel (‘we blijven in gesprek’) en niet (‘we geven niks uit handen’) hun zin te geven.

Frans Timmermans noemde de nagestreefde deal ‘gecompliceerd’. Ik denk dat hij bedoelt dat de deal tamelijk onwaarschijnlijk is en dat het plan B uit niet meer bestaat dan het zoeken van een zondebok voor het geval het doel, de deal, niet gehaald wordt. Dat is geen plan B, geen plan waarin alternatieve wegen en middelen om de vluchtelingenproblematiek te beheersen worden aangegeven. De EU heeft niets achter de hand (zoals in het principe van de ‘verbergende hand’ van Hirschman dat je ook het Plan B-principe kunt noemen, het principe dat we meestal ergens nog wel iets achter de hand hebben), de EU is zo langzamerhand elk middel om gezamenlijk en gecoördineerd te werk te gaan uit handen geslagen (vooruit: het principe van de lege hand, het principe waarbij iedereen om een plan B roept, niet in de verwachting dat zo’n plan er is of komt, maar gewoon om aan te geven dat het niet aan jou heeft gelegen).

De EU kan niets redden voordat het zichzelf kan redden, voordat het zichzelf van zichzelf kan redden. Om de EU van zichzelf te redden – zo ver is de desintegratie al voortgeschreden – zijn schuldigen nodig. De twee meest voor de hand liggende kandidaten in dit verband zijn de Turken en de Cyprioten. De Turken zijn bij elke oplossing nodig, de Cyprioten hebben behalve hun weigerachtigheid niets te bieden. We zouden het natuurlijk in de eerste plaats bij de EU zelf moeten zoeken – daar zijn we, nationalistische rimram daargelaten, nog niet aan toe.

Ik gok erop dat de Cyprioten (tijdelijk uiteraard, en voorwaardelijk, en met een compensatietje her en der) moeten inbinden, dat ook dat weinig oplost en dat het resultaat van de zoveelste top in Brussel een afspraak over een volgende top zal zijn. Wie niet meer in staat is een plan B op te stellen erkent dat stilzwijgend door nooit meer een gewone bijeenkomst te hebben maar altijd een ‘top’.

Dat is de complicatie waar Timmermans het over had moeten hebben.

17 maart

=0=

 


Hyper


Via een dierbare vriend kwam ik erachter, na lezing van een conferentiepaper van zijn hand, dat er een concept bestaat dat ‘superdiversiteit’ heet. Hij was er niet blij mee. Het concept vloog alle kanten op. Het past in een tijd van verharding van ongelijkheden en staat daarmee dwars op het in de regel optimistische getoonzette idee van diversiteit. Het concept waart overigens al een paar jaar  rond – ik had het gemist. Enfin, beter laat dan nooit maar wat is het dan, die superdiversiteit?

Diversiteit is, geloof ik, het beleidsantwoord op ongelijkheid, zoals multiculti dat was op ongelijkwaardigheid. Ach, toen De Positivoos ‘onze god is de beste’ zongen was het nog gezellig, daarna werd het schelden, alsof de dingen benoemen al een belediging op zichzelf was. Het was het begin van de inmiddels nationale volkssport: het ‘framen’. Multiculti zelf is al een scheldwoord geworden, net zoals correct een scheldwoord is, althans als je het op politiek betrekt.

Gelukkig zijn er nog mensen die de dingen bij de naam noemen, zij het dat naam en frame op een merkwaardige maar godzijdank volkomen incorrecte wijze samenvallen. Moet kunnen en op nadenken staat nog net geen boete (ik hoorde gisteravond bij Pauw een mevrouw beweren dat de minder/minder uitspraken van Wilders niet over Marokkanen gingen – de mensen die dat dachten hadden gewoon te lange tenen – maar alleen over criminele Marokkanen. Pauw vergat te vragen of de uitspraak dan ook inhield dat we minder/minder criminele autochtonen moeten hebben en dat als Wilders en mevrouw dat zouden beamen wij al vast de volgende verkiezingsleus voor de PVV konden opstellen en als dat niet zo was we het minder/minder niet van ‘bedoelingen’ moeten laten afhangen maar het gewoon moeten opvatten zoals het is gezegd: minder/minder Marokkanen). Er is hier maar één cultuur, jongens en meisjes, en die cultuur bestaat uit onze normen en waarden (die niet van ons zijn maar verwijzen naar een joods-christelijke-humanistisch erfgoed en nou niet doorvragen hè) en als je die niet lust, dan rot je toch lekker op?

Desondanks, de lol is er een beetje vanaf. Het multicultigedoe is wat stilgevallen, maar dat is (gelukkig maar want wat houden we anders nog helemaal over) met diversiteit nog lang niet het geval. Mensen die het goed voor hebben met de emancipatie zijn dol op diversiteit. Diversiteit is goed, diversiteit moet bevorderd worden en dat is ook nog beter voor de verzamelde slimheid van het land en dus goed voor onze concurrentiepositie. Daarom ‘voeren’ we er ‘beleid’ op. Toch maar quota? Van die dingen want vanzelf gaat het niet nu ongelijkheid hardnekkiger blijkt dan we prettig vinden, en het gaat zelfs niet vanzelf nu we de diversiteit omarmen en afschaffen in één en dezelfde beweging (dat laatste door iedereen een gestandaardiseerde opleiding aan te praten zodat we toch met z’n allen één taal spreken). Niettemin,  diversiteit is tot dusver redelijk overzichtelijk, al moeten we oppassen met iedereen aan boord te nemen: we hebben het nu al over vrouwen die hier altijd al waren, etnische minderheden die hier al geruime tijd zijn en, natuurlijk, de LHBT-emancipatie, de relatief jongste loot aan de stam. Een keer moet het genoeg zijn, niet?

Maar dan nu de vraag: is ‘superdiversiteit’ een signaal voor de radicalisering dan wel een signaal voor de problematisering van diversiteit? Op het eerste gezicht zou je zeggen dat het om radicalisering moet gaan. Superdiversiteit houdt in dat de achtergrond van nieuwkomers (in het land, op de arbeidsmarkt, op de woningmarkt) diverser is geworden en, voor ons, ons de oudkomers, ons die er altijd al waren (denken we) ziet het er niet alleen veelkleuriger (mag je zo’n woord eigenlijk nog wel gebruiken?) uit maar ook onoverzichtelijker, versnipperder, chaotischer. Nog meer achtergronden zeg maar. Bovendien, omdat die achtergronden nogal eens een reden zijn de nieuwkomer de deur te wijzen, duiken de nieuwkomers op hun beurt regelmatig de clandestiniteit in. Ze zijn er wel, maar ook weer niet.

Gastarbeid kon je nog aan een paar nationaliteiten vastplakken, bij precaire arbeid is dat onbegonnen werk want dat is een lot dat studenten kan treffen, mensen die hun baan verloren zijn en migranten van diverse signatuur, het kan een tijdelijke status, het kan een permanente status zijn – of worden. Dan zijn we al bijna stilzwijgend aangekomen bij superdiversiteit in de zin van een problematisering van diversiteit. Diversiteit zoals we dat tot voor kort hebben leren kennen is op z’n minst evenzeer het product van beleid als dat het aanleiding geweest is voor beleid. Diversiteit en beleid zijn een twee-eenheid.

Superdiversiteit daarentegen lijkt zich te onttrekken aan beleid want welk beleid kun je leggen op nieuwkomers die zich op niets laten verenigen dan op de omstandigheid dat ze, inderdaad, nieuwkomers zijn op de explosie van het aantal markten dat we sinds twee decennia hebben geopend, in EU-verband, op globale schaal? Het bij-effect van Schengen was meer diversiteit, het bij-effect van Schengen zonder buitengrenzen is, daar kwamen mijn vriend en ik gisteren op uit, niet superdiversiteit maar hyperdiversiteit, diversiteit met zoveel vertakkingen of ‘hyperlinks’ dat we door de bomen het bos niet meer zien en ‘hyper’ om de nervositeit aan te duiden die de beleidsmakers heeft overvallen.

Maar eigenlijk moet het begrip gewoon de vuilnisbak in. Als het radicaliseert blijft er van diversiteit niets dan een lege huls over, en als je het problematiseert houd je evenmin diversiteit over maar alleen datgene waar diversiteit het tegen moest opnemen: ongelijkheid.

16 maart

=0=

 


Benaderd


De meeste mensen met een baan worden zelden of nooit gevraagd voor een andere baan. Lees ik in een column in het FD. Maar er zijn ook mensen die voortdurend worden gevraagd. Die mensen zijn schaars, staat er bij en daarom is er wel degelijk schaarste op de arbeidsmarkt. Niet overal, maar overal waar die mensen worden gevraagd. Je bent schaars als je wordt benaderd, je bent niet schaars als je niet wordt benaderd. Prima, het haalt de schaarste weg uit de benauwde en benauwende sfeer van het tekort. Het geeft aan dat schaarste op de arbeidsmarkt betekent dat de mensen die schaars zijn iets te kiezen hebben.

Schaarste heeft met kiezen te maken en schaarste op de arbeidsmarkt is vloeken in de kerk want op de arbeidsmarkt is de spelregel dat het aanbod van arbeid overvloedig is, zodat niet het schaarse talent maar diens eventuele werkgever wat te kiezen heeft. Die dingen vullen elkaar aan: schaarste hoort bij kiezen hoort bij overvloed. En die dingen spreken elkaar tegen want een werkgever die totaal afhankelijk is van een schaars talent heeft niets te kiezen – tenzij hij ervoor kiest ten onder te gaan, te ‘vallen’.

Wat aantoont dat de achtergrond van schaarste eerder theologisch dan economisch is: schaarste is óók de kans op terugval en die terugval kan alleen dan worden vermeden als we allen ons volledig inzetten en geen vergissingen begaan. Luiheid en domheid zijn zonden en de straf op de zonde is de telkens hernieuwde verdrijving uit het paradijs want zeg nou zelf: het paradijs was toch de gelukzalige staat waarin je bijna alles kon kiezen maar net niet helemaal alles – op straffe van de zondeval, de verdrijving uit het paradijs, van de overvloed van de schaarste naar de armoede van het tekort?

‘These various observations add up to a syndrome, namely, to man’s fundamentally ambivalent attitude toward his ability to produce a surplus: he likes surplus but is fearful of paying its price. While unwilling to give up progress he hankers after the simple rigid constraints on behavior that governed him when he … was totally absorbed by the need to satisfy his most basic drives. Who knows but that this hankering is at the root of the paradise myth! It seems plausible, indeed, that the rise of man … was frequently sensed … as a fall’ (Albert O. Hirschman, Exit, Voice, and Loyalty. Cambridge Mass., Harvard University Press 1970: 9). Je kunt het ook de ‘protestantse ethiek’ noemen.

Dat we het maar weten.

15 maart

=0=

 

 

Raadpleging

Er zijn momenten dat ik hoop dat de media beseffen dat ze het, waar ze het ook over hebben, voornamelijk over zichzelf hebben. Zo is er afgelopen week uitgebreid gepreludeerd op de uitslag van de deelstaatverkiezingen in Duitsland.

Volgens de media gingen die verkiezingen maar over één ding: het vluchtelingenbeleid van Merkel. Een gewoon mens vraagt zich dan af wat dan nog het verschil is tussen verkiezingen als manier van volksraadpleging en een referendum, als een andere manier.

De media vragen zich dat niet af, daar kennen ze alleen referenda, ook als die als verkiezingen door het leven gaan. Nou goed, kun je zeggen, ze mogen al zo weinig dus gun het ze. Uit de goedheid mijnes harten ben ik daar best toe bereid, maar dan ontstaat het volgende probleem: wat als althans enkele van die media erachter komen dat het misschien niet alleen over het vluchtelingenbeleid van Merkel ging, en soms zelfs helemaal niet? Die media hebben een probleem en dat lossen ze op een manier op die we maar al te goed kennen maar die we niet moeten accepteren. Er zit een grens aan mijn goedheid en mijn hart kan ook niet alles hebben.

Zo lees ik dat de uitslagen voor mensen die dachten dat het alleen over Merkel ging de nodige interpretatieproblemen met zich meebrengen. Bijvoorbeeld dat in de deelstaat waar de Alternative für Deutschland bijna een kwart van de stemmen binnenhaalde het verlies van de CDU gering was (en dat van SPD en de Linke veel groter). Tja, lastig als je dacht dat het verlies van Merkel de winst van de AfD moest zijn. Nee dus. De media die van de verkiezingen vooraf al een referendum hadden gemaakt zaten fout, hartstikke fout. Dat elementaire besef heeft natuurlijk iedereen, dat de media er maar op los kletsen, iedereen, behalve de media zelf. Die zeggen nu dat de mensen dachten dat het alleen om Merkel ging, dat zij dat niet dachten, dat zij het alleen weergeven en dat ze daarom niet zichzelf maar de arme domme burgers beklagen die zich zo voor de gek weten te houden dat ze nu even met de mond vol tanden staan.

We mogen blij zijn dat er media zijn. Die staan nooit met de mond vol tanden. Daar hebben ze ons voor. Over referenda gesproken, gaat het Oekraïne-referendum over Oekraïne, over ons en Oekraïne, over de EU en Oekraïne, over ons en Rusland, over de EU en Rusland, over de EU plus de NATO plus Oekraïne en Rusland? Of gaat het overal over en bestaat onze democratie eruit dat wijzelf, ieder voor zich, wel kunnen beslissen waar het over gaat? En dat dan toch de meeste stemmen gelden, zij het dat we niet meer weten waarvoor, en dat we daarom een regering en een parlement hebben, om achteraf uit te maken waar wij nu eigenlijk voor gestemd hebben en dus waarover de stemming nu eigenlijk ging en dat we in de tussentijd de peilingen hebben om uit te maken waarover het nu eigenlijk had moeten gaan?

Weest gerust, de media begeleiden het.

14 maart

=0=

 

 

Dubbel

De Poolse regering weigert een vonnis van het Constitutionele Hof in de staatscourant te zetten. Dat komt, het Hof verklaarde een wet nietig, een wet die de bevoegdheden van het Hof beknotte. Volgens het Hof was de nietig verklaarde wet zowel ongrondwettig als onrechtsstatelijk. Het is oorlog daar. Niet omdat Hof en regering het oneens zijn, wel omdat de regering meent dat zij het laatste woord heeft en dat als zij gesproken heeft de rechterlijke macht zich daarin dient te schikken.

Je kunt bekvechten over een vonnis van een hof, je kunt een nieuwe wet opstellen en aannemen die dat eigenwijze hof wel een lesje zal leren, dat hof kan die wet dan weer nietig verklaren, maar wat tot dusver niet kon is dat de regering het hof gewoon negeert. Is het hof in vergadering? Welnee, zei een viceminister, het is het hof helemaal niet, ik weet niet wat ze daar aan het doen zijn maar voor mij is het een ‘bijeenkomst van rechters die daar net zo goed espresso met een koekje konden bestellen’ (Trouw, Poolse Hof laat zich niet beknotten, 10 maart 2016: 13).

Om te onderstrepen hoe ernstig het allemaal is, wordt in het artikel melding gemaakt van een ‘dubbele rechtsorde’, de rechtsorde van het hof en die van de regering. Dat is een recept voor de ondermijning van rechtsstatelijkheid en rechtszekerheid. Er is in Polen een regering aan de macht die stelt dat voor haar alleen die wetten gelden die haar aanstaan en de wetten die haar aanstaan zijn de wetten die ze zelf heeft laten aannemen. Alle overige wetten die er al waren en die daarmee in overeenstemming zijn zal de regering respecteren, alle overige wetten die er al waren en die dat niet zijn zal de regering negeren, al doet het hof er elke dag een uitspraak over. Te hopen is dat er in het hof goede espresso wordt geserveerd.

Een dubbele rechtsorde is een noviteit. Een dubbele staatsordening hebben we wel eens gehad, in totalitaire staten waar de reguliere staatsorganen werden ‘verdubbeld’ door een politiek-ideologische laag van functionarissen die er op toezagen dat elk overheidsbesluit wel volgens de juiste leer tot stand was gekomen. Het kwam er steevast op neer dat de voordelen van een redelijk autonoom politiek systeem werden ingewisseld voor de nadelen van de leiband. Meestal volgde de rechtsorde dan braaf, die hoefde niet te worden verdubbeld, die werd gewoon vervangen.
 
Is dat het waar we in Polen op moeten wachten? Op vervanging? En wacht de EU net zo lang tot het niet meer hoeft en de andere Europese lidstaten dan mogen zeggen dat wat de Polen mogen zij ook mogen? Wordt het Hongaarse model (wij doen niet mee, wij plaatsen een hek) het Europese model van de toekomst en vult het Poolse model vanuit de muilkorving van de rechterlijke macht het Hongaarse model aan, het model dat werkt vanuit de ontkenning en onkrachting van elke politieke besluitvorming die de natiestaat te boven gaat, het model dat Thierry Baudet best had willen bedenken – voorondersteld dat hij überhaupt iets kan bedenken?

De EU kijkt ernaar, zij wikt en weegt en weegt en wikt, maar beschikken – dat doet zij niet.

11 maart

=0=

 


Tekort of schaarste


Een publiek goed is een dienst waarvan niemand kan worden uitgesloten en die, indien ik er gebruik van maak (ik heb de dienst van de politie nodig bijvoorbeeld) de beschikbaarheid van diezelfde diensten voor jou niet verkleint. Het publieke goed is van niemand, is voor iedereen beschikbaar en mijn afname gaat niet van jouw portie af. Een publiek goed kent geen schaarste. Schaars is als ik vandaag al mijn voorraad koffie aanvul omdat ik bang ben dat morgen de koffie in de winkel op is of een stuk duurder dan vandaag (en de aankondiging daarvan beschouw ik als een signaal dat tekorten dreigen) en door die actie van mij ontstaat voor anderen de situatie die ik voor mezelf wilde vermijden, de situatie van een dreigend tekort, in eerste instantie voor anderen, in tweede instantie ook voor mezelf. Bij schaarste zijn we er zelf bij, bij een tekort is dat niet per definitie het geval (een periode van droogte kan een hele koffieoogst vernietigen). Het is als met risico (hebben we zelf de hand in), en gevaar (de hand van God).

Hoe meer mensen vandaag doen wat ik vandaag doe (hamsteren), hoe dichterbij het tekort is en dat kunnen we best een tijdje volhouden ook, gegeven dat het prijssysteem inderdaad correct en met behulp van hogere prijzen aangeeft of er een tekort aankomt en hoe dicht we dat punt van het tekort al zijn genaderd. Het zou zich met behulp van prijzen zelf moeten regelen: eerst vallen de mensen af die de prijs helemaal niet kunnen ophoesten, vervolgens vallen degenen af die hun consumptie drastisch weten te verminderen (nog maar één kopje koffie per dag) en zo de hogere prijs verwerken tot ook dat niet meer lukt (we zetten onszelf daarmee noodgedwongen op rantsoen en vinden heimelijk dat het niet eerlijk is het zo te regelen, we vinden dat iedereen op rantsoen zou moeten, dat de koffie ‘op de bon’ zou moeten) en als het maar lang genoeg duurt is het eindresultaat dat koffie terugkeert naar de status die het ooit had, die van een luxegoed.

Dat kan bij publieke goederen eenvoudigweg niet voorkomen. Natuurlijk, als we allemaal tegelijk de politie nodig hebben dan kan de politie niet aan die vraag voldoen. De politie heeft er gewoon de capaciteit niet voor. Wat de politie wel doet is de vraag opdelen en prioriteren: inbraak en moord krijgen voorrang op verkeersovertredingen en burenoverlast, dus de laatste twee diensten zetten we op rantsoen en de twee eerste niet. Niet een hogere prijs voor politiediensten, maar het rantsoeneren van politiediensten, dat is het antwoord op een tekort in publieke diensten. Geen schaarste maar rantsoen, geen marktbeslissing maar een beleids- of politieke beslissing.

Nog maar kort geleden hadden we in de gezondheidszorg tekorten die we wachtlijsten noemden. Nu hebben we steeds minder wachtlijsten en steeds meer mensen die van zorg afzien omdat ze er de prijs niet voor kunnen of willen betalen. De stap van wachtlijst naar beprijzing heet ‘markt’, een markt die de overheid willens en weten heeft opgetuigd, die het krampachtig in het leven houdt, een ‘markt’ die van een voormalig publiek goed handelswaar heeft gemaakt. Waarom? Omdat, zegt men, het de enige manier is om de zorgaanbieder te dwingen efficiënt te werken en de zorgvrager te dwingen na te denken over wat nou echt het belangrijkste is. Aan de keuzevrijheid van de markt ligt keuzedwang ten grondslag. Bieden we dat peperdure nieuwe medicijn aan of moet de kwaal waarvoor het is uit het basispakket? Een nieuwe koelkast? Of die toch maar even uitstellen en dan eindelijk eens dat bezoek aan de tandarts niet langer opschuiven maar gewoon een afspraak maken?

Potsierlijk is het dan de Tweede Kamer, in debat met de staatssecretaris, te horen jeremiëren dat het toch niet de bedoeling is dat mensen van zorg zouden afzien omdat ze het geld ervoor niet hebben of het er niet voor over hebben. Is er een tekort aan zorg? Welnee, we hebben het tekort juist teruggedrongen, kijk maar naar de dalende aantallen wachtlijsten en de inspanningen die we plegen om wachttijden te bekorten. Is de zorg schaars geworden? Wel degelijk, maar daar kiest u dan zelf voor. Alles waar u de beslissing over neemt is, bij gegeven budgetrestricties (en let wel, iedereen, rijk of arm, heeft met budgetrestricties te maken), schaars want elk dubbeltje had u ook anders kunnen uitgeven.

U heeft het geld niet zegt u? Of, wees eens eerlijk, heeft u het geld er niet voor over?

Van zorg afzien omdat het te duur is geworden, was de bedoeling niet? O nee? Het was exact wel de bedoeling, met een trap na, want je hebt er zelf voor gekozen. Toch?

11 maart

=0=

 


Benoeming

Ik wreef m’n ogen uit. Ik las dat economen zich mede laten leiden door hun politieke voorkeuren. Zo zijn linkse economen meer voor gelijkheid dan rechtse en rechts economen houden van vrij handelsverkeer maar weer niet van vrij personenverkeer. Of hun voorkeuren het product van hun economische expertise zijn of dat ze ze uit de bijbel en deszelfs functionele equivalenten hebben gepeurd stond er niet bij, noch op de site van MeJudice, noch in het Volkskrantartikel (8 maart) ter zake, van de hand van de voortreffelijke Peter de Waard natuurlijk, kan niet missen. Of De Waard zich dergelijke stukken toeëigent op grond van zijn politieke voorkeur, dat stond er ook al niet weer bij.

Bekend is dat economen veel meer consensus vertonen over vragen van economisch onderzoek en economische analyse dan over altijd normgeladen beleidsvragen en beleidsaanbevelingen (Thomas C. Schelling, Why does economics only help with easy problems? In idem, Strategies of Commitment, and Other Essays. Cambridge Mass., Harvard University Press 2006: 152-165). Dat is niet raar, het zou raar zijn als het anders was. Beleid is geen wetenschap en dat in beleid politieke en andere voorkeuren bovendrijven, wie, behalve de economen van MeJudice en de voortreffelijke Peter de Waard, had anders verwacht? Dat Nederlandse economen veel te dicht op het beleid zitten is daarom een waarschijnlijker verklaring voor de betekenis van politieke voorkeuren in de economie dan de economie zelf. Maar die conclusie kwam ik niet tegen en het kwam ook niet voor in de vragen op basis waarvan MeJudice ons zo heeft doen schrikken. Het is maar hoe je de zaken benoemt en doe je het zus dan denk je een scoop te hebben en doe je het zo dan herhaal je de dingen die we toch wel wisten. Ook een service, denk ik dan maar.

Over benoemingen gesproken, in de Volkskrant van gisteren kwam ik de ovetreffende trap tegen van de bepalende invloed van de politiek, in dit geval op de rechtspraak. En alweer wreef ik m’n ogen uit. Rechters, zo verklaarde Martijn Boot (er staat een foto bij het artikel en de mededeling dat hij gepromoveerd is aan de Universiteit van Oxford – dat zal er niet voor niks staan) zijn niet onpartijdig en kunnen dat ook helemaal niet zijn. Zo, het hoge woord is eruit. Nu de vraag wat het betekent. Boot verwijst naar een nog redelijk recent onderzoek naar de federale rechtspraak in de VS (Cass Sunstein et al, Are Judges Political? Washington, Brookings Institution Press 2006). Sunstein en zijn collega’s kwamen tot de slotsom dat politiek er redelijk veel toe doet. Door de Democraten voorgedragen rechters van het Hooggerechtshof oordelen nogal eens anders dan Republikeinse, dus het gevecht om wie benoemd mag worden gaat wel degelijk ergens over. Daar dan, hoe het hier is (rechters noch raadsheren worden, wat Wilders, en met Wilders Boot, er ook van denken bij ons door een politieke partij voorgedragen, laat staan benoemd), is dan nog een geheel open vraag. Daar draagt de president een kandidaat voor, hier stelt de rechtbank bij een vacature zelf een lijstje op met in dat lijstje ook nog een rangorde (liever die dan die) en dat lijstje en die rangorde worden gewoon overgenomen door het staatshoofd en bevestigd per koninklijk besluit. Het verschil met de VS is gigantisch, dus wat blijft er over van de bewering van Boot dat politieke ideeën het vonnis over Wilders gaan bepalen? Niets, nou ja, wat overblijft is de overweging dat rechters ook maar mensen zijn en dus net als mensen (Boot en Wilders uitdrukkelijk meegerekend) hun voor- en afkeuren hebben. Wel mogen we hopen (en dat niet zoals Boot en Wilders) dat ze hun voor-en afkeuren laten overtroeven door die ene voorkeur die er echt toe doet: de voorkeur voor het recht zelf. Dat is al moeilijk genoeg en het is insinuerend en kwaadaardig te veronderstellen dat elke keer als het een beetje moeilijk wordt de rechter zich door haar politieke voorkeur laat ‘leiden’.

Dat Wilders zo denkt moet hij zelf weten, voor hem is D66 de kwaaie pier in ons rechtsstelsel en als hij dat vindt omdat hij dat nu eenmaal vindt dan is dat net zo goed zijn recht als zijn recht op het ons laten delen in elke oprisping die hij een tweet waardig acht, maar dat Boot meent het gedrens en gedreutel van Wilders met een enkele verwijzing naar een Amerikaans onderzoek van een decennium geleden te moeten onderbouwen, ach dat is gewoon sneu.

10 maart

=0=

 

 

Teleurgesteld

We nemen deel aan het verkeer omdat we verwachten ergens aan te komen en ook weer heelhuids thuis te komen. Die verwachting komt meestal uit, niet altijd natuurlijk en dan is het probleem om uit te zoeken of jouw verwachtingen wel realistisch waren (met je fiets op de snelweg, met 100 in de bebouwde kom), of je door pech bent achtervolgd (een klapband) en wie daarvoor verantwoordelijk is, het slechte onderhoud wat je jezelf moet aanrekenen of de overmacht der omstandigheden, of je door roekeloos gedrag van anderen bent beschadigd. Kortom, je verwachtingen komen niet uit door je eigen schuld, door de schuld der omstandigheden, door de schuld van een ander. In het eerste geval moet je oppassen, in het tweede geval kun je proberen de verzekering voor de schade te laten opdraaien en in het derde geval kun je je mede-weggebruiker verantwoordelijk stellen.

Indien onze teleurgestelde verwachting niet aan ons maar aan anderen ligt kunnen we het recht inschakelen. Het recht is er voor de bedrogen verwachtingen en het recht is er om een uitspraak te doen over wanneer onze klacht over bedrogen verwachtingen iets voor de rechter is (en niet voor, pak’m beet, de therapeut) en, indien ja, wanneer je klacht over de bedrogen verwachting terecht dan wel onterecht is. Je gaat naar de politie en laat je klacht registreren, daarna komt de bal bij de Officier van Justitie en die beslist of hij de gang naar een rechtbank zal inslaan en dan eindelijk (als de politie ontvankelijk genoeg is en het OM bereidwillig genoeg) ben je bij de rechter die dan maar de oplossing moet aanreiken, die het verlossende woord moet spreken. Geen van beide beslissingen (het accepteren van een zaak, het accepteren dat de zaak al aan een rechterlijk vonnis toe is) is een automatisme. De politie kan capaciteitsproblemen hebben, het OM kan zaken niet ontvankelijk beoordelen en de rechter kan vinden dat de voorbereiding voor de rechtszaak onvoldoende is geweest en de zaak zijnerzijds niet-ontvankelijk verklaren of terugverwijzen.

Misschien had je niet verwacht dat je vanwege je godsdienst, je uiterlijk, je herkomst te kakken zou worden gezet. Dat is dan jammer voor je want de islam bekladden, je uiterlijk bespotten en het land van je voorouders een achterlijke cultuur noemen is ongetwijfeld niet beleefd maar het mag wel. Iedereen mag het en iedereen mag het ook met katholieke, protestanten, Belgen, Duitsers uitproberen. Je moet je verwachtingen dan maar aanpassen – tot en met het punt dat je verwacht helemaal niets meer te verwachten van al die klieren die je godsdienst, uiterlijk en herkomst hekelen en dan zullen sommigen zeggen dat de boodschap eindelijk begrepen is en anderen zullen zeggen dat dat nou ook weer niet de bedoeling is.

De Nederlandse rechtspraak neigt steeds meer naar het benadrukken van het performatieve woord. Dat is, geloof ik, een effect van het ons wapenen tegen terrorisme, tegen de voorbereiding op terrorisme, en het heeft ertoe geleid dat steeds meer tot ‘voorbereiding’ wordt gerekend. Dan is de vraag niet waar de vrijheid van meningsuiting ophoudt, en de vraag is wel wanneer een woord als performatief wordt behandeld? Bijvoorbeeld: het minder, minder, minder, van Wilders is vermoedelijk niet performatief. Maar zijn ‘dan gaan we dat regelen’ vermoedelijk wel.Wanneer mag je verwachten dat beledigingen en pesterijen een keer niet door de beugel kunnen, dat ze performatief door de rechter worden gelezen? Einde dit jaar, als het proces tegen Wilders is afgehandeld, weten we meer.

9 maart 

=0=

 

 

Afkomstig

Dat Europa afkomstig is uit Klein-Azië mag geen nieuws meer zijn. Het verhaal over de ontvoering van Europa door een in een stier veranderde Zeus is ouder dan de bijbel. Dat het nu terugkomt als een verhaal over vluchtelingen die via Turkije Europa nu wel eens met eigen ogen willen aanschouwen, ja daar hadden we geen rekening mee gehouden.

Ik kom er niet uit. Het was handig geweest als de Turken al lang lid waren geweest van de EU. Het had het vluchtelingenprobleem aanzienlijk kunnen verlichten, het had (ironie van de geschiedenis) de Grieken uit de brand geholpen, het had de vluchtelingen niet uitgeleverd aan de industrie van de mensensmokkel, de industrie die de drugshandel in termen van profijt naar de kroon steekt, het had het meedoen van diverse EU-lidstaten aan de Irak-oorlog, de oorlog  die alles overhoop gooide, kunnen temperen omdat het in dat geval een oorlog direct aan de buitengrens van de EU was geweest. Wie weet had het zelfs Blair toen aan het denken gezet.

Aan de andere kant denk ik dat het moment voorbij is. Europa had het veel eerder moeten doen, op z’n laatst op hetzelfde moment dat er in één klap tien nieuwe lidstaten bij zijn gekomen die, net als Turkije, nog het nodige te doen hadden op het gebied van mensenrechten (de Roma zijn er de treurige illustratie van), op het gebied van corruptiebestijding, op het gebied van de vrijheid van meningsuiting. Dat in en door die landen nog het nodige huiswerk te doen was en dat de EU het toen niet opportuun vond daarover te blijven zeuren, krijgen we nu als een boemerang terug. In Polen en Hongarije wordt de pers gebreideld, de onafhankelijke rechtspraak ontmanteld, en dat men daar behalve van moslims ook al niet van homorechten houdt kan niemand zijn ontgaan. En daarom aarzel ik over de toetreding van Turkije, dat daarmee, ik weet het, de boete betaalt die door diverse Oost-Europese landen betaald had moeten worden en nu niet meer bij hen kan worden geïnd. Trouwens, wie ben ik. De steun voor toetreding is kleiner dan ooit en de EU ontbeert een politieke klasse die het lef heeft z’n nek uit te steken, een politieke klasse die de richting bepaalt, die leiding geeft. In plaats daarvan hebben we een krabbenmand. Stop daar ook Turkije nog bij en die ene krab die het nog wel eens wilde proberen uit de mand te komen zal er niet meer aan beginnen.  

‘Wij hadden bijvoorbeeld’, schrijft Theo Thijssen in 1927 (Het grijze kind. Amsterdam, Atheneum-Polak&VanGennep 2006: 58-59), ‘een les over “de kruistochten” moeten leren. – Dezelfde mensen die de klassenstrijd veel te moeilijk vinden voor kinderbegrip, menen met genoegen dat kinderen wél de kruistochten kunnen snappen, maar enfin’. Onderwijs als klassenstrijd die gevoerd wordt door het verzwijgen van de klassenstrijd (die wel eens dichtbij de ervaring van kinderen had kunnen zijn, de ervaring die tot vrijwel elke prijs vermeden moest worden – als ik Thijssen in deze, zijn meest kritische, vertelling goed begrijp) en die te vervangen door een lesje over de kruistochten (waarvan je alles uit het hoofd kunt leren en waarmee je verder niets te maken had).

Onderwijs dat aan de ervaring van kinderen (en onderwijzers) voorbijgaat is steriel, het is zo dood als een pier en daarom is het ongevaarlijk, een soort dienstplicht die je tegenstaat als je erin zit en ‘toch wel nuttig’ wordt gevonden als je het achter je hebt gelaten.

Er is veel veranderd in de negentig jaar sinds het verschijnen van Het grijze kind. Maar opgeschoten zijn we niet. Nu kan een onderwijzer best over de klassenstrijd een lesje geven en nu zou het met een lesje over kruistochten niet meer lukken. De klassenstrijd was altijd het domein van de Internationale, de Internationale die zich van de klappen van WOI nooit meer heeft hersteld en die het in het interbellum helemaal aflegde tegen de echte winnaar van WOI: het nationalisme.

Het lied wordt nog gezongen, het zou zo op het lesprogramma kunnen want aan enige ervaring raakt het niet. Internationaal? Meneer, de EU komt me m’n neus al uit. Nee, dan de kruistochten en zeg nou zelf, bezie de wereld een beetje door de bril van de kruistochten en je wilt die Turken er toch niet bij hebben?

8 maart

=0=

 


Huurlingen


Of buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s, zoals parkeerwachten, milieuambtenaren e.d.) wapens mogen dragen (en mogen fouilleren, handboeien mogen aanleggen, een pepperspray mogen inzetten, de wapenstok mogen hanteren) is niet erg duidelijk, voor de boa’s zelf niet (het beleid verschilt per gemeente en voor wapens moet de minister elke aanvraag apart beoordelen) en voor de burger al helemaal niet. Het heeft alles te maken met een uitgebreide politiefunctie en een uitgekleed politieapparaat – vandaar die boa’s en de buurtwachten en de private beveiliging van personen, transporten, evenementen en objecten, met eveneens weinig helderheid over wat wel en niet is toegestaan in het gebruik van wapens en andere geweldsmiddelen.

Daarbij gaat het niet alleen over de politie, het gaat net zozeer over het militaire apparaat. Ook daar privatisering alom. Ik verwijs naar het rapport De opkomst van de nieuwe huurling; over Nederlandse private diensten in de militaire- en veiligheidssector. Amsterdam/Groningen, Campagne tegen wapenhandel, en naar een recent essay in het digitale tijdschrift Aeon (https://aenon.co) van de hand van Sean McFate Return of the mercenaries. Ons land maakte van private partijen gebruik in Afghanistan en Irak en, het is nog maar kort geleden, bij de bescherming van de koopvaardij tegen zeerovers. Gewapend? Zeker. Waarom? De staat had behoefte aan flexibiliteit en kan, gegeven het afschaffen dan wel opschorten van de dienstplicht, niet steeds op het gewenste moment de gewenste inzet tevoorschijn toveren. De staat geeft daarmee aan dat het zijn handhavingsplicht niet meer kan of wil naleven en besteedt die plicht daarom gewoon maar uit.

Niettemin, het gezag van de staat en dat van de politiek bestaat er niet alleen in wetten en regels op de stellen maar ook om de naleving ervan bekwaam en tijdig te verzekeren, om de handhaving niet van zich weg te schuiven, om de handhaving op z’n minst op armlengte houden. De gewapende arm was altijd een arm van de staat. Dat wordt het steeds minder en het wordt steeds meer een gewapende arm onder controle van private diensten, die, afhankelijk van de vraag naar hun diensten, Nederland op de eerste, tweede of nog latere plaats zetten. De veiligheid wordt een kwestie van voorzieningen en op is op. Niet het minste bewijs dat onveiligheid een integrerend aspect van veiligheid is geworden. Het lijkt allemaal op een private verzekeringsmaatschappij, zo’n maatschappij die ons een besef van permanente onzekerheid moet voorhouden om prettig in de markt te liggen.

De staat was ooit de verzekeraar die verzekerde wat private verzekeraars niet wilden verzekeren, en die veiligheid voor iedereen in het vaandel droeg zonder de praktijken van marktsegmentatie waar de private beveiliger niet zonder kon. Inderdaad, daar hadden we de staat voor.

Zijn we goedkoper uit, met al die privatiseringen en overhevelingen van budgetten? Nee, dat zijn we niet, net zoals een uitzendkracht niet goedkoper is dan een vaste kracht. Maar ook ja, want je kunt er elk moment vanaf, voor de prijs van afnemende zekerheid en toenemende onveiligheid. Dat wel.

7 maart

=0=

 

 

Werken zonder werkplek

Meestal weet ik pas achteraf wat ik heb gedaan. Daar verzin ik dan alsnog een ongetwijfeld zeer verstandige reden bij en dan is mijn orde weer hersteld. Zo kwam ik erachter dat ik tegenwoordig op zaterdagen van mijn dagblad Trouw als eerste de bijlage Letter&Geest open sla en daarbinnen weer de column van Leonie Brebaart, altijd op pagina 2. Vandaag een column getiteld ‘Mijn eigen bureau’. Het zette me aan het denken.

Het bureau in kwestie is het bureau dat je ooit had, het was je werkplek, en het is het bureau dat je steeds vaker wordt afgenomen. Het nieuwe werken en zo. Je werkt thuis, in de trein, in het café en restaurant, in fexibele kantoorruimtes waar iedereen terecht kan die een laptop heeft, je werkt ’s avonds, in het weekend, je bent overal en altijd bereikbaar, en je hebt geen eigen bureau meer. Ben je een keer op je werk, dan log je maar ergens in, je vindt wel een plek, en als je die plek gebruikt moet je hem als je klaar bent weer schoon achterlaten: geen papier, geen ordners, niks. En je collega’s zie je op vrijdagmiddag wel. Je vertrouwt op het internet om je collega’s te bereiken en de verschillende activiteiten op elkaar af te stemmen. Wat moet je anders?

Het werk was ooit een toneelstuk: een eenheid van tijd, plaats en handeling. Dat is het niet meer, dat toneelstuk. De plaats is eruit gevallen. Het is een eenheid van tijd en handeling geworden. Je krijgt ‘targets’ die je in een bepaalde tijd moet halen, je collega’s krijgen hun targets en ieder afzonderlijk is verantwoordelijk, voor wat ze zelf doet en voor het tijdig opmerken van een eventuele storing, bij zichzelf en bij de anderen. Het coördineert zichzelf, het houdt toezicht op zichzelf, je hebt er niet alleen geen werkplek maar ook geen managers meer voor nodig. Die gaan er dan ook uit. Het kan best zo zijn dat je organisatie steeds groter wordt – er wordt wat af-gefuseerd – maar nog waarschijnlijker is dat je arbeidsorganisatie zonder werkplek en met managers die er alleen nog toe dienen om onmogelijke ‘targets’ te stellen (troost je, ze hebben zelf ook onmogelijke targets), dat je arbeidsorganisatie steeds kleiner wordt.

Brebaart citeert rijksbouwmeester Floris van Alkemade en diens visie: ‘Kijk naar de flexplekken in kantoren. Dat is het begin van een revolutie. Je wordt als werknemer losgetrokken van je bureau, gedwongen tot een nomadisch bestaan. Want werken kan bijna overal’. Haar commentaar: ‘We worden allemaal vluchtelingen. Sjouwend met mapjes en tablets, voortdurend in ander gezelschap, zonder enige hoop op bestendig onderdak en bestendige relaties’. Ze ziet alleen voordelen voor de werkgever, niet voor de werknemer. Nu, die voordelen voor de werknemer, dat zou ook te mooi zijn om waar te zijn. Maar bij die voordelen voor de werkgever moet een kanttekening worden geplaatst want waarom zou je in een dergelijke context nog samenwerken als jij je target wel hebt gehaald en anderen niet? Waarom zou je hen te hulp schieten? Waarom zou je je kennis en expertise ‘delen’, als je zelf niets mee opschiet?

Het gezag in organisaties staat voor het rondstrooien (‘beleggen’) van verantwoordelijkheden, het staat voor coördinatie, dus het goede werk te doen, en het staat voor het mobiliseren van de kennis en kunde om het goede werk goed te doen. Het eerste is geïndividualiseerd, het tweede is gedigitaliseerd en voor het derde heb je werknemers nodig die elkaar tegenkomen, die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor een gezamenlijke ‘target’ en er belang bij hebben dat ook te halen.

Nomaden kunnen dat best (het zijn dan ook geen vluchtelingen, ze zijn pas vluchtelingen als de grenzen worden gesloten), maar het type geïndividualiseerde nomaden dat het nieuwe werken oproept komt er niet aan toe, wordt er niet toe uitgenodigd, heeft er geen belang bij. Onze rijksbouwmeester zou misschien eens moeten studeren op de productiewijze van nomaden, voordat hij rijksgebouwen laat neerzetten die voor iedereen in het algemeen en voor niemand in het bijzonder geschikt zijn. Hoe zat het ook weer met het nomadenbestaan? Had dat niet van alles met reciprociteit te maken, de reciprociteit van samenwerking, de reciprociteit van het geven en ontvangen, en hoe verhoudt zich dat tot de nomade van de rijksbouwmeester die meent dat nomadisch hetzelfde als ‘losgetrokken’ is?

Lijkt me best moeilijk, het ambt van rijdsbouwmeester. Zeker als je eerst wat doet, daarna bedenkt waar het ook weer goed voor was en daarbij vergeet dat je van nomaden iets kunt leren. Zou de goede man wel een eigen werkplek hebben?  

5 maart

=0=

 



Smeekbede

EU voorzitter Tusk smeekt economische vluchtelingen toch vooral thuis te blijven. We willen jullie niet en jullie moeten geen geloof hechten aan de leugens van mensensmokkelaars. De voorzitter gelooft in de ‘pull’ theorie van migratie: het is hier vetpot en daarom komen ze. Anderen geloven weer in de ‘push’ theorie: het is daar onleefbaar en daarom komen ze. En de migranten zelf? We zouden ze het eens moeten vragen. Vragen? Alsof we daar de tijd nog voor hebben!

We zien dat werkgevend Nederland wel trek heeft in jonge en hoopopgeleide vluchtelingen die de gaten in enkele arbeidsmarktsectoren kunnen opvullen. Werkgevers zijn (bij monde van hun voorman Hans de Boer: alleen vluchtelingen toelaten als ze kans op een baan hebben, NRC 20 februari 2016) voor een selectieve pull, en dat zijn ze al van oudsher, ze trekken met regelmaat werknemers uit het buitenland en die zijn dan niet illegaal maar legaal. Een vluchteling is pas een vluchteling als er een vacature is. Dat scheelt. Dat is, zal men wel denken, het nuttige met het noodzakelijke verenigen. Dat heb je ook met vluchtelingen, economisch of niet. Aan sommigen heb je heel wat. De truc is het kaf van het koren te scheiden. Daar hebben we ervaring in. Gastarbeiders moesten, destijds, vooral niet hoogopgeleid zijn, wel jong en gezond en bij voorkeur ongehuwd. Toen in 1956 Hongaren deze kant op kwamen hebben we ze mondjesmaat toegelaten. En we hadden een voorkeur voor ‘geschoolde, jonge en ongehuwde mannen’. Waarom? Omdat de arbeidsmarkt daar de meeste behoefte aan had (bron: Ivo van de Wijdeven, De Correspondent, 2 maart 2016).

De EU moet de buitengrenzen sluiten en de binnengrenzen, de Schengen-grenzen, moeten open blijven. Of een beetje open, of bijna dicht, het nieuws varieert per dag. Eigenlijk, denkt Hans de Boer, moet je af van al dat gedoe. De economie heeft geen grenzen. De economie heeft dingen te doen en als je het aan de ondernemers overlaat komen alleen die migranten naar binnen, vluchteling of niet, voor wie we wat te doen hebben. Voorstanders van Schengen begrijpen dat. Voorstanders van gesloten grenzen begrijpen dat niet. Die denken dat grenzen er zijn om ons te beschermen, in plaats van om de economie te faciliteren. Geef het laatste voorrang en je weet wat je met je met je migratiebeleid moet doen. Geef het eerste voorrang en je weet dat je met je vluchtelingenbeleid aan de slag moet. Geef voorrang aan waar ‘draagvlak’ voor is en je weet dat werkgevers en burgers daar elk hun eigen invulling aan geven.

Het is geen wonder dat Rutte en Samsom er niet uitkomen. Ze moeten twee strijdige dingen zien te verenigen en als je dat wilt dan moet je je prioriteiten helder hebben. Dat kun je politiek noemen. Maar als je politiek erin bestaat alle ballen in de lucht te houden kom je er nooit uit. Ze komen er ook nooit uit. Wie nooit beleid had heeft tijd nodig om dat te ontwikkelen, er instrumenten aan te hangen, er vormen van uitvoering en invoering voor te ontwikkelen. Die tijd heeft Nederland, heeft de EU, laten passeren.

De vluchtelingen bieden, kennelijk, onderdak aan illegale, want onuitgenodigde, economische migranten. Die kunnen daar zelf anders over denken, en dat mogen ze ook, maar wij willen daar niets van weten. Ze zijn, omdat de regeringen daar niet mee weten om te gaan, de jobstijding voor de EU en zijn lidstaten aan het worden. Gelukkig kunnen we de tijding zelf negeren en net doen alsof het aan hen ligt. Daarom: laat je niet duwen als wij niet trekken. Kom toch niet!

4 maart

=0=

 

 

Nederlaag

Is het weer principe-tijd? Aan de VVD (en aan Aboutaleb) te meten wel. Zij zijn van mening dat een aparte opvang voor homosexuele, christelijke enz. vluchtelingen principieel onjuist is. Vluchtelingen moeten zich net als iedereen aan de wetten hier houden en daar een uitzondering op maken is helemaal fout. Ze mogen niet discrimineren en doen ze het toch dan moeten ze bestraft worden (‘rot toch op’) en de mensen die gediscrimineerd worden moeten daar melding van maken (‘niet bang zijn, gewoon doen’). Geen uitzonderingen op voor iedereen geldende regels. Een ferm standpunt.

We hebben er al een hele geschiedenis mee, met dat standpunt. De na de tweede wereldoorlog terugkerende joden konden ook niet op een uitzonderingspositie rekenen, althans niet toen het belangrijk was. Later kwam de overheid tot het inzicht dat het standpunt misschien te rigide was geweest maar toen was het kwaad al geschied. U woonde hier? Er zijn wel meer mensen op zoek naar een woning. Meldt u zich gewoon aan en als u aan de beurt bent, bent u aan de beurt. Niet eerder, aan voorkeursbehandeling doen we niet. We willen u niet negatief maar ook niet positief discrimineren. In dit land is iedereen gelijk. Nee, wij hebben onze lessen uit die verschrikkelijke oorlog wel getrokken!

Bij dit laatste standpunt zijn VVD en Aboutaleb weer uitgekomen. De wereld is heel eenvoudig als je de moeilijkheden altijd aan anderen kunt wijten. Maar de problemen nu zijn groter dan destijds in de nasleep van WOII. Per slot, als je regels en wetten instelt moet je ze ook willen en kunnen handhaven. Daar schort het nogal aan en dat schort wordt steeds maar groter, met een staat die niet eens de landsgrenzen kan openen en sluiten als hij dat wil en met een verzameling staten (de EU) die dat evenmin kan. En dan zouden we dat wel kunnen in de wereld buiten en binnen de vluchtelingenopvang? Ik help het u hopen en ik vraag het u af. Of ook weer niet, want het gaat gewoon neerkomen op de moed van de benarde en bedreigde vluchteling in die opvang, een vluchteling die z’n medevluchtelingen meer moet vrezen dan de tamelijk machteloze autoriteiten in de wereld in en buiten de opvang.

Zouden de VVD en Aboutaleb denken dat hun principiële standpunt bijdraagt aan het melden van discriminatie in de opvang? Of vinden ze dat het ene principe (iedereen gelijk) ongewijzigd kan blijven als het andere principe (wetten moeten gehandhaafd worden) te duur, te omslachtig, te slecht uitvoerbaar blijkt te zijn?

Een noodzakelijke nederlaag is de aparte opvang, volgens Kustaw Bessems (zie www.bnr.nl/opinie/kustaw-bessems). Noodzakelijk. Nederlaag. Ik ben bang dat een noodzakelijke nederlaag in het woordenboek van de VVD en Aboutaleb een contradictio in terminis is. Een nederlaag? Dat is iets voor watjes.

3 maart

=0=

 


Verjaardag

Het verjaardagseffect (als cadeau van je werkgever ontslag aangezegd krijgen omdat je met een jaartje erbij ook meer zou moeten verdienen) is klein, lees ik in de Volkskrant. Het gaat over het jeugdloon, dus tussen je 23e en je 45ste (daarna ben je te oud) heb je nergens last van en nu blijkt dat je ook onder je 23ste bijna nergens last van hebt! Het kan niet op.

Waarom is het effect zo klein? Dat weten we niet. Het kan zijn dat je met je leeftijd, als indicator van je ervaring, meer waard wordt voor je baas en het kan zijn dat je, ook na je verjaardag en gelet op het krenterige jeugdloon, nog steeds een koopje voor de baas bent. Dat de combinatie van baten en kosten ook zou kunnen kom ik als verklaring niet tegen, maar dat kan ook aan de verslaggever liggen, niet per se aan de econoom die de verslaggever voedde. Doet er niet toe. We weten het niet.

Een klein effect is toch een effect en dus, zegt de krant, is er sprake van leeftijdsdiscriminatie. Dat is ook zo. De gehele arbeidsmarkt staat stijf van de discriminatie als je op de uitkomsten ervan let en tegelijkertijd is er geen enkele sprake van discriminatie als je het de werkgever vraagt. In ons land kunnen twee elkaar uitsluitende zaken tegelijk waar zijn. Dat is toch ook wat en het helpt dat we van niets weten.

We weten het niet: we weten niets van de productiviteit van de werknemer, we weten niet of ze  te veel of te weinig betaald krijgen, we weten niet of een jeugdloon ergens op slaat, we weten niet of het eindeloze geoudehoer over leeftijd een economisch of een esthetisch gebeuren is. Het laatste zou ik zeggen maar omdat we in ons land alles aan economen vragen wordt het toegeschreven aan de economie. Gek, vraag wat aan een econoom en de kans dat je als antwoord krijgt dat het een economisch probleem is, is heel, heel groot. Het gevolg is wel dat elk antwoord niet een antwoord op jouw probleem maar een toets op de een of andere economische theorie, bijvoorbeeld de theorie dat het loon iets met marginale productiviteit te maken heeft. Op zo’n theorie is geen lopend bedrijf berekend. Je kunt er wel eindeloos over discussiëren en steeds opnieuw de vinger op de pols leggen om na te gaan of wat je meet de theorie verstevigt of verzwakt. Geen enkel bedrijf zal het einde van die discussie afwachten: zou het dat doen dan is tegen die tijd het bedrijf failliet. Theorie vervangt geen besluiten.

Misschien moeten we ons afvragen hoe het toch kan dat onze onwetendheid voor de werkgever in de regel beter uitpakt dan voor de werknemer. Als we alles zouden weten, als we zouden weten wat de relatie loon-productiviteit is, per functie, per leeftijd, per alles wat de productiviteit beïnvoedt, dan blijft er van de redelijkheid van de leeftijdlonen misschien niet zo veel over en dan zou de rust in de tent wel eens verstoord kunnen worden. Daar houden we niet van. Leve de onwetendheid. Handig voor beleid en werkgever.

Toch vraag ik me af of werkgevers en werknemers, zeker in het mkb, niet een heel aardig idee hebben over hoe het nou zit met dat verband tussen lonen, leeftijden en productiviteit. Vermoedelijk hebben ze dat wel degelijk. Maar het haalt de openbaarheid niet. Is het dan eerder een geval van niet-willen-weten dan van niet-weten?

Stel de cui bono vraag eens, zou ik willen aanbevelen, de vraag naar de voordelen voor wie van niet-weten (in niemands belang) en van niet-willen-weten (in elk geval voor de overheid van belang om het compleet onwaarachtige discriminatiebeleid nog een schijn van legitimiteit te verlenen). En als er geen economische wetenschap zou zijn, geen wetenschap die de vraag naar het niet-willen-weten kan bedekken met een redenering rond niet-weten, dan zou ze uitgevonden moeten worden.

2 maart

=0=

 


Wakker


Wie zegt dat hij heeft gedroomd van een wandeling in de natuur heeft dat, zegt Douwe Draaisma, niet gedroomd. In plaats daarvan heeft hij een vertelling gecomponeerd die niet de droom maar wel zijn verhaal over de droom weergeeft. Zo heb ik vannacht niet gedroomd over individuen en personen en hun onderscheid. Maar ik werd wel om vier uur vannacht wakker, was direct ook klaarwakker, na mijn woordwandeling, en wist dat ik iets met die individuen en personen aanmoest.

Het komt allemaal omdat ik gisteren aan het grasduinen was in een tekst van Sir Henry Maine (Ancient Law. London, John Murray 1861). Ik was op zoek naar de precieze formulering van zijn beroemde passage over de verschuiving (‘ontwikkeling’) van de wet van de status/persoon naar de wet van het contract/individu. Ik heb ‘m gevonden. Ik was op zoek om erachter te komen hoe in het arbeidsrecht in ons land (en niet alleen bij ons) de werknemer altijd een natuurlijk persoon moet zijn terwijl de werkgever zich mag verschuilen achter een fictieve rechtspersoon, die dan uiteraard per delegatie gerepresenteerd kan worden door allerlei ingehuurde natuurlijke personen, die echter als gedelegeerde weer geen werknemer kunnen zijn. Eenvoudiger kunnen we het niet maken, leuker ook niet.

Mijn stelling was dat je bij het afsluiten van een arbeidscontract nog een onafhankelijk individu bent en bij het overschrijden van de drempel van de organisatie waar je zult werken geen onafhankelijk individu meer bent maar een afhankelijke persoon bent geworden. En dat is opvallend, dat verschil in één contract tussen een natuurlijke, afhankelijke, en een fictieve en onafhankelijke rechtspersoon. Het arbeidsrecht is en blijft een vreemde eend in de vijver van het recht.

In wet en recht worden met personen meestal ‘allen’ bedoeld of ‘ieder’, daarmee benadrukkend dat we voor wet en recht allemaal gelijk zijn (in gelijke situaties of ‘gevallen’). De benaming ‘individu’ vind je niet (hoewel het in het bestuursrecht wemelt van de inviduele beschikkingen maar dan en daar is het individu weinig anders dan een persoon met een naam, adres en woonplaats (een naw-individu dus); ik vermoed omdat je daarmee de individualiteit van elk afzonderlijk en uniek individu niet goed kunt plaatsen. Dat was, naast het zoeken naar het bijzondere van het arbeidsrecht, een tweede motief om persoon en individu onder de loep te nemen.

Meer concreet: mijn vermoeden dat artikel 1 van de Grondwet (‘allen … worden in gelijke gevallen gelijk behandeld’) wordt vergruizeld door wat ik niet anders dan een proces van ‘individualisering’ kan noemen. Nee, dat ‘allen’ blijft gewoon staan maar die ‘gelijke gevallen’ komen niet meer voor en dat is het gevolg van een verregaande individualisering ervan: betrek in de uitleg van die gelijke gevallen individuele kenmerken en achtergronden (land van herkomst, etniciteit, religie enz.) en je houdt geen gelijk geval meer over. Het onderscheid tussen individu en persoon is misschien eerder een sociologisch dan een juridisch onderscheid maar nu het ons artikel 1 onder druk begint te zetten komt de zaak er anders uit te zien. De persoon van de werknemer wordt zoetjesaan opgevolgd door de individuele zzp-er en ook in de grondwet rukt de individuele component op.

Dat is zorgelijk, vind ik. En eigenlijk niet zo raar dat ik daar wakker van schrok.

1 maart

=0=

 

 

Deconcentratie, delegatie, decentralisatie

Op een paar honderd meter van mijn woning bevindt zich een tweedehands boekwinkel (met een rijke voorraad bedrukt papier, een paar meter vinyl en ook nog enkele dvd’s). Als het weer het toelaat zet de boekhandelaar buiten een aantal kratten met boeken neer, met voor elk boek een prijs van één euro. Soms zitten daar nooit gelezen recensie-exemplaren tussen en zo kwam ik kort geleden aan de handelseditie van de onvolprezen dissertatie van Herman Franke over tweehonderd jaar gevangenisschap in Nederland (Herman Franke, De macht van het lijden; twee eeuwen gevangenisstraf in Nederland. Amsterdam, uitgeverij Balans 1996). De recensent had ongelijk, zal ik maar zeggen.

De titel van het boek geeft aan waar Franke met Foucault verschilt. Beiden zien dat de gevangenisstraf een modern verschijnsel is en dat in de gevangenis de fysieke bestraffing langzamerhand is opgevolgd door de psychische bestraffing. Maar waar Foucault de nadruk legt op disciplineringseffecten van deze overgang van lijf naar geest, legt Franke de nadruk op openbaarheidseffecten. Of het slappe knieën zijn of humanisme weet ik niet (Franke neigt naar het laatste), maar het punt is dat zodra de openbaarheid achter het lijden van de gevangenen komt de macht van de gevangenen toeneemt en die van de autoriteiten daalt. Een onbedoeld gevolg volgens Franke (en volgens hem heeft Foucault geen oog voor onbedoelde gevolgen en dat lijkt mij weer wat overdreven want zonder onbedoelde gevolgen geen sociologie en ik zou toch niet durven beweren dat Foucault zonder belang voor de sociologie is geweest). De autoriteiten hadden het niet voorzien, hadden het ook niet bedoeld, maar toch. Communiceer het lijden en gij zult er beter van worden.

De twee eeuwen van Franke zijn eeuwen van steeds nieuwe communicatiegolven (ik vind dat het woord ‘golf’ hier wel mag) en daar zijn de gevangenen niet slechter van geworden. Aan het einde van zijn boek vermeldt Franke nog wel dat het gevangenisklimaat in Nederland vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw weer aan het verharden is, hij gaat niet in op de gevolgen voor zijn these over de ‘macht van het lijden’ (Franke o.c.: 345-346). Daarom komt ook de vraag naar de effectiviteit van communicatie op de sensibiliteit van ons, ons burgers, niet aan de orde. Dat is toch jammer, gelet op de vluchtelingen en gelet op, bijvoorbeeld, de zorg in Nederland. 

Gevangenissen waren aanvankelijk een voorbeeld van een gecombineerd proces van centralisering en deconcentratie ineen. De overheid trok de teugels van de regelgeving naar zich toe, beschouwde de gevangenissen als lokale afdelingen van zichzelf en voegde daar ook nog (uit zuinigheidsoverwegingen) een snufje delegatie aan toe, in dit geval de delegatie van de macht over de bedrijfsvoering.

Van decentralisatie (waarin naast delegatie ook de mogelijkheid van een eigen beleid van het lagere niveau een rol speelt) was daarentegen vrijwel niets te bemerken. De overdracht van de taken en bevoegdheden rond bedrijfsvoering stond in het teken van zuinigheid en besparing. Dat hebben de gevangenen gemerkt, ze moesten werken voor de gevangenis, op hun eten en bewoning werd zoveel mogelijk beknibbeld en omdat de lokale autoriteit waaronder de gevangenis ressorteerde de uitvoering enerzijds privatiseerde (en daarmee uitbuiting van gevangenen opriep) en anderzijds de cipiers zo slecht betaalde dat die ook hunnerzijds alles in het werk stelden om de gevangenen uit te knijpen, kon er van de centrale regelgeving ook niet heel veel overblijven. Pas in de 20ste eeuw werd verbetering bereikt.

Doet dit niet heel veel denken aan de manier waarop de zorg is ‘gedecentraliseerd’? Mij wel. Het kabinet wil de zorg ‘dichtbij’ de mensen organiseren maar doet het dat? Voor zover ik het kan overzien is de decentralisatie geen decentralisatie maar een combinatie van centralisering en deconcentratie. Het enige ‘decentrale’ zit in het afknijpen van de budgetten waarmee de lagere overheden, de ‘lokale afdelingen’, het moeten zien te rooien.

In het gevangeniswezen heeft men door schade en schande geleerd dat het zo niet moet. In de zorg is dit kabinet van mening dat het zo wel moet. Men leert door te vergelijken maar dit kabinet is van mening dat men leert door opdrachten uit te delen. Het is goed mogelijk dat de communicatieve effecten van het tonen van lijden, aansprekende incidenten daargelaten, zijn afgestompt. Des te meer reden de overheid te dwingen vergelijkend te leren leren en als ze het decentralisatiewoord in de mond neemt dat ook serieus te nemen.

29 februari

=0=  

 


Werk op maat


In Trouw een interview met Erik Akerboom, de nieuwe korpschef van de Nationale Politie. Hij zegt het vriendelijk maar het is wel een voltreffer: ‘Je moet als leidinggevende ter plekke werk op maat kunnen leveren. Dat kan niet vanuit Den Haag. We moeten daarin minder rigide zijn. Hetzelfde geldt voor de inzet van wijkagenten, of andere accenten die in het politiewerk worden gelegd. Laat de regionale eenheden dat zelf regelen. Zoek meer toenadering tot de burgemeesters. Wel natuurlijk binnen de kaders die we landelijk hebben afgesproken’.

De laatste zin is een fantastische dooddoener, landelijke kaders, ja wat anders? Elke wet, elke politiewet, is een nationaal kader en de huidige politiewet, de nalatenschap van Opstelten, is geen kader maar een dwangbuis. Mag wel wat losser, zegt Akerboom. Helemaal juist, maar een los dwangbuis ziet er uit als een dwangbuis, kan verkocht worden als een dwangbuis maar is in elke functionele betekenis van dat woord geen dwangbuis. Wat het dan wel is? Een kader. Opstelten dacht dat hj de burgemeester van Nederland was en zo wou hij zijn politie ook inrichten, met de centrale overheid als een gemeente. Dat hij er in de Kamer mee weg kwam is ontluisterend voor de Kamer. De Here zij geprezen dat Akerboom dat nu recht wil zetten.

Opstelten had gezorgd voor een gecentraliseerd beheer en een versplinterd gezag. Misschien dacht hij dat wetten daar nu eenmaal voor zijn. Het zou de droevige staat van zijn ministerie en de droevige staat van de huidige nationale politie verklaren.

En de overheid is nog niet klaar met ons. Er staat een nieuwe wet in de steigers, dit keer gericht op het uit elkaar spelen van de Centrale Raad voor Beroep, de hoogste instantie voor het beslechten van sociale zekerheidsgeschillen. Die Raad moet verdwijnen. In plaats ervan wordt de centrale geregionaliseerd. De gedachte (in dit geval van Van der Steur en Plasterk) zal wel zijn dat de prijs van het opgeven van de eenheid van gezag best mag worden betaald voor een nieuwe structuur die ongetwijfeld het beste uit alle werelden moet opleveren. Nee, zeggen de ministers, aan de kwaliteit van Raad ligt het niet. Die staat ‘buiten kijf’. Het gaat om de ‘overzichtelijkheid van het stelsel’, die ‘vergt dat nu een stap moet worden gezet naar concentratie van rechtsmacht’ (Kamerbrief Van der Steur/Plasterk aan de Tweede Kamer, 11 september 2015, kenmerk 2015-0000474607).

Me dunkt, Opstelten maakt opnieuw school: concentreer het beheer, vergruizel het gezag. In regio 1 bij gerechtshof 1 kun je een andere uitslag in een geschil verwachten dan bij eenzelfde geschil in regio 2 bij gerechtshof 2. Dat is de nieuwe onoverzichtelijkheid die het product is van wat Van der Steur en Plasterk de ‘overzichtelijkheid van het stelsel’ noemen. Dat is dan een stelsel dat nieuwe coördinatiebehoeften oproept, zonder dat het daarvoor nodige coördinatiemechanisme (de Centrale Raad) nog bestaat. De Raad zelf (bij monde van vier medewerkers, in een manifest Houd rechtspraak Centrale Raad van Beroep bij elkaar, gepubliceerd op de opiniepagina van de Volkskrant) wijst daarop en wijst op de verbrokkeling van kennis en expertise, op de consequenties voor duur en kosten van procedures, op de onherroepelijkheid van divergerende beslissingen over vergelijkbare geschillen, die het gevolg van dit ‘stelsel’ zullen zijn. De rechtseenheid wordt geofferd op het altaar van een door de overheid gewenste, geconcentreerde, ‘rechtsmacht’.

Ik vraag me steeds vaker af of er wel genoeg verstandige mensen zoals Akerboom zijn om de waanzin van dit kabinet te beteugelen.

27 februari

=0=

 


Links


In het interview met Jan Terlouw (Het kapitaal is nu helemaal de baas) dat De Volkskrant (20 februari) publiceerde werd Terlouw, zo’n beetje bij het scheiden van de markt, de vraag voorgelegd of hij niet behoorlijk radicaal en somber geworden was. Nee, was het antwoord. Ik ben niet linkser geworden, de samenleving is zo verschrikkelijk rechts geworden. De tijden zijn rechts, zo eenvoudig is het.

Ik denk dat zijn antwoord is ingegeven door de veronderstelling in de vraag (radicaliteit bij een gematigd politicus als Terlouw?), en niet door de tijden. Wat hij betreurt is de teloorgang van de greep van de politiek op de wereld, een teloorgang die hij bevestigd ziet in het falen van de politiek de financiële wereld op haar plaats te zetten. En de wereld van het financiële kapitaal heeft wel wat beters te doen. Terlouw: ‘De politiek luistert naar het kapitaal. En het kapitaal heeft er geen zin in.’ Een kwestie van onvermogen van links en rechts, van de groeiende irrelevantie van dat onderscheid bij de afhandeling van de crisis van de afgelopen jaren dan van politieke kleur, inclusief de lamlendigheid van het constateren en stilzwijgend accepteren van de groeiende kloof in inkomen en vermogen. Bijkomende schade, moeten we maar denken. In het Europa van de EU valt de uniformiteit op, niet het verschil en is er een keertje een echt verschil (Syriza) dan treedt de EU op om de rimpel glad te strijken.

De financiële markten mogen nog altijd hun eigen zelfregulering bezingen. Dat gaat niet goed, dat weet iedereen, maar zolang de politiek niets anders weet te verzinnen dan halfwas regeltjes is het zoals het is en zoals het is is het instabiel en het kan zomaar uit de hand lopen. Goed, maar is die instabiliteit niet het signaal voor een stelsel dat op z’n laatste benen loopt? Beleven we de nadagen van het kapitalisme en is het financiële kapitalisme van nu niet de uitgelezen indicator van die nadagen? Ja, zegt Casper Thomas (Beter wordt het niet; Het kapitalisme gaat met pensioen. De Groene, 25 februari: 26-29). En waarom gaat het met pensioen? Omdat de groei er uit is. Omdat het geen banen meer genereert. Omdat het alleen door aan het infuus van centrale banken te liggen voorthobbelt. Omdat we het niet meer nodig hebben. Het brengt weinig, verprutst veel en met de digitalisering kunnen we zelf ook wel organiseren, coördineren, produceren en distribueren. En waarom kunnen we dat? Omdat we met de digialisering alle benodigde informatie en dus kennis kunnen mobiliseren om te doen wat we willen doen. Informatie is er in overvloed en daarom is het regiem van de schaarste ten dode opgeschreven. Want: ‘overvloed  laat zich lastig prijzen’ (: 27).

Het is niet de financialisering (productieverhoudingen) die het kapitaal de das omdoet, het is de technologie (productiekrachten). Marx, inderdaad, via de Engelse journalist Paul Mason en via Casper Thomas die in dit artikel zijn spreekbuis speelt. Goed, Mason en Thomas verwijzen niet naar het Vorwort bij Zur Kritik de politischen Ökonomie van Marx, maar naar diens Machinefragment uit de ongepubliceerde Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie maar de strekking is hetzelfde: ‘Auf einer gewissen Stufe ihrer Entwicklung geraten die materiellen Produktivkräfte der Gesellschaft in Widerspruch mit den vorhandenen Prouktionsverhältnissen oder, was nur ein juristischer Ausdruck dafür ist, mit den Eigentumsverhältnissen, innerhalb deren sie sich bisher bewegt hatten. Aus Entwicklungsformen der Produktivkräfte schlagen diese Verhältnisse in Fesseln derselben um. Es tritt dann eine Epoche sozialer Revolution ein.’ (Karl Marx, Zur Kritik der politischen Ökonomie – Vorwort. Berlin, Dietz Verlag 1975 [1859] Marx-Engels Werke 13: 9).

En ziet, ruim honderdvijftig jaar later is het dan zover: we staan op de rand van een tijdperk van sociale omwenteling. Hoe dat eruit zal zien? Dat weten we niet. Mason weet het niet, Robert Gordon (ook een voorspeller van het einde van de kapitalistische economische groei, aangehaald bij Thomas) weet het niet en Thomas zelf weet het ook niet. Dat geeft niet, Marx zelf wist het ook al niet, hij wou geen blauwdruk voor de revolutie opstellen, dat zou slechts gevaarlijke luchtfietserij zijn en dat past een wetenschapper niet. 

Dergelijke uitspraken zijn voorbeelden van technologisch determinisme. Een lelijk begrip maar adequaat om de verwachting dat schaarste uiteindelijk een technologisch probleem is aan te duiden – en te ontkrachten want technologie neemt geen beslissingen. Ik geef toe, met technologie kun je tekorten te lijf gaan, maar schaarste heeft niets met tekorten te maken en alles met overvloed. Bij een tekort heb je niets te besteden, bij schaarste heb je zoveel te besteden dat je met een keuzeprobleem, een beslisprobleem, zit: waar zal ik het aan uitgeven?

Dat is geen technologisch probleem, dat is een sociaal probleem. De zorgen van links zullen niet door de technologie als sneeuw voor de zon verdwijnen. De zorgen van links zullen pas verdwijnen als de situatie verdwenen is waarin een deel van de bevolking eet zonder trek te hebben en een ander deel wel trek maar niet te eten heeft. Ja, dat is een kwestie op wereldschaal en ja, wie vandaag de dag het maatschappijwoord in de mond neemt heeft het over de wereldschaal, de schaal die in elk land resoneert en die elke oplossing die de ongelijkheid thuis wil bestrijden door hem elders te laten voortbestaan moet afserveren.

Technologie heft geen ongelijkheden op – dat doen mensen in de maatschappij. Links? Zeker!

26 februari

=0=

 


Verwijderen


In Nederland is levenslang meestal levenslang. De veroordeelden die het treft worden verwijderd uit de samenleving, veroordeeld tot de vergeetput (zoals Annerie Smolders schrijft in een fraai artikel in De Groene; 18 februari: 32-34). Haar artikel is het gelukkige bewijs dat vergeten niet lukt en daarbij, verwijderen kan ook niet want de samenleving of de ‘maatschappij’ moet eerst insluiten voordat het uitsluiten een aanvang kan nemen – en dat laat sporen na.

Niettemin, dat Nederland zo rigoureus te werk gaat is opvallend. En handelt tegen het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens dat ‘inhumane bestraffing’ verbiedt. Er is een golfbeweging van gestrengheid in de bestraffing, schrijft Smolders. We waren eerst helemaal van de resocialisatie, en nu, sinds de jaren tachtig (opmerkelijk kantelpunt toch, die jaren waarin het neoliberalisme de wind in de zeilen kreeg en en passant elk liberaal gedachtegoed overboord kieperde), vergeten we bij de levenslang gestraften elke gedachte aan resocialisatie. Daarin schuilt het ‘inhumane’.

Bij levenslang kan gratie verleend worden maar omdat daar in ons land tegenwoordig vrijwel geen kans meer op bestaat komen af en toe de rechters in het geweer. Hoe? Dat is heel eenvoudig: door geen levenslang meer op te leggen en in plaats daarvan de maximale straf van dertig jaar te bevelen.
Daarmee spreken de rechters zich uit tegen de politiek (onze huidige minister van V&J had het in zijn periode als Kamerlid al eens, fijnbesnaard als hij is, over ‘foute rechters’ en dat waren volgens hem rechters die tegen de politiek ingingen). Daar zit bij de rechters ongetwijfeld de gedachte bij dat politici wel naar hun kiezers luisteren maar niet naar de waarde van een onafhankelijke rechtspraak.

Politici worden bij gelegenheid ook op de vingers getikt door het Europese Hof, maar ook dat leidt zelden tot nieuw beleid. Het leidt meestal tot een wetswijziging die de misstand niet opheft maar alleen in een nieuw jasje kleedt. Politici willen het laatste woord en zoals voormalig president van de Hoge Raad Geert Corstens zo mooi opmerkte heeft in een rechtsstaat niemand het laatste woord, de politici niet en de rechtbank ook niet. Dat kan tot een levendige uiteenzetting leiden, gegeven dat politici zowel als rechters niet pogen elkaar schaakmat te zetten. Bij de politici tref ik daar weinig sympathie voor aan – zij denken dat in een democratische rechtsstaat de democratie beslist.

De mogelijkheid van resocialisatie is waar het om draait. Gevangenen die de mogelijkheid tot resocialisatie wordt geweigerd mogen elke hoop laten varen ooit nog weg te kunnen uit de gevangenis. Die hoop is zelfs Anders Breivik niet ontnomen. Bij ons, daarentegen, meent men dat de simpele verwijzing naar de mogelijkheid van gratie volstaat. Dat is treiterij. Als die mogelijkheid een beetje echt zou zijn, als die mogelijkheid op iets anders zou lijken dan op een feitelijke onmogelijkheid, dan zou resocialisatie bij elke langer durende gevangenisstraf moeten horen en dat is in ons land, de eenzame uitzondering in de EU, niet het geval.

Kennelijk zijn we dol op verwijderen.

22 februari

=0=

 

Testament

Het testament is je laatste wilsbeschikking en wordt ten uitvoer gelegd na je overlijden. Je stelt het op als je wilsbekwaam bent, was je wilsonbekwaam dan kan je testament worden aangevochten. De notaris heeft de plicht vast te stellen (bij twijfel moet hij een onderzoek instellen) of je wel in staat bent een testament op te stellen, dan wel een testament te wijzigen. Je kunt ook een levenstestament opstellen: een beschikking wie en wat namens jou tijdens jouw leven mag beslissen over en handelen bij de zorg voor je nalatenschap en bij de zorg voor je fysieke, sociale en psychische welzijn – mocht de noodzaak hiertoe zich aandienen. Ook hierbij wordt wilsbekwaamheid verondersteld.

Hoogleraar Victor Lamme stelde deze week in de Volkskrant (16 februari), naar aanleiding van een tv-uitzending over euthanasie, de vraag of iemand die een euthanasieverklaring heeft opgesteld zich nog zelf of via anderen op die verklaring kan beroepen in het geval van dementie – dementie kan als grond van het verzoek tot euthanasie in de verklaring zijn opgenomen maar, zo Lamme, de persoon die de verklaring opstelde is niet meer dezelfde persoon als de demente persoon. En daarom geldt de verklaring niet meer. Lamme schrijft: ‘Dementerenden aan een wilsbeschikking houden is net zo raar als tegen een achttienjarige zeggen dat hij brandweerman moet worden omdat hij dat nu eenmaal zei toen hij acht jaar oud was. Mensen veranderen, en nergens sneller dan bij dementie.’ Een achtjarige kan ook besluiten profvoetballer te willen worden, en dat op zijn achttiende nog steeds willen – en totaal ongeschikt zijn. Het leven is wreed en de dood mag ook al niet.

Ja, Lamme, hoor eens, zo schiet het niet op. Een achtjarige mag geen overeenkomsten sluiten, hoe verstandig hij ook is. Bovendien is een achtjarige bijzonder beïnvloedbaar, maar, schrijft Lamme, dat zijn ouderen ook: hoe vrijwillig is de euthanasieverklaring eigenlijk geweest als we weten dat ouderen soms onder druk van hun familie en onder druk van de beeldvorming over ouderdom dan maar voor euthanasie ‘kiezen’? Helemaal waar, maar zo beschouwd is elke vrijwilligheid, elke vrije keuze een onmogelijkheid. Lamme schreef daar ooit al eens een boek over, over die onmogelijke vrije keuze, en zie, het blijkt maar weer eens. Sire, de vrije keuze bestaat niet, dus waar hebben we het over? Inderdaad, waar hebben we het over? Is, ik noem maar wat, met de wetenschap van Lamme in de achterzak, elk contract aanvechtbaar omdat je het niet uit vrije wil hebt kunnen nemen, dat het daarom niet vrijwillig is en dat het daarom niet geldig is? Lamme is een revolutionair. Daar heb ik meestal wel maar in deze kwestie even geen sympathie voor. Een discussie ingaan door te beginnen met achtjarigen en te vervolgen met je overtuiging dat de vrije wil niet bestaat komt neer op het doodslaan van elke discussie.

Wat is dan wel de kwestie? De kwestie is welke beslissingen een wilsbekwame persoon nu kan nemen voor vandaag én voor morgen, hoezeer de situatie van morgen ook een andere zal zijn dan die van vandaag, de situatie waar je zelf deel van uitmaakt, waarvan jezelf het onderwerp bent. Voor Lamme kan dat helemaal niet en als je niet meer bij de les bent al helemaal niet en daarom kunnen levenstestamenten, en testamentswijzigingen als je niet meer bij de les bent, en euthanasieverklaringen per heden de prullenbak in. Maar de vraag blijft: welke beslissingen kun je nu nemen over de manier waarop je later uit het leven wilt stappen, ook al denk je tegen de tijd dat je je einde nadert daar misschien (of misschien, misschien wel waarschijnlijk) anders over, ook al kun je dan misschien helemaal niet meer denken over wat je wilt, laat staan nadenken over wat je ooit wou?

Het kan wel degelijk, en niet de vraag over de vrijwilligheid is daarbij aan de orde (die is per veronderstelling een gegeven – wat Lamme daar ook van vindt) maar de vraag naar de omstandigheden of, preciezer, de materiële bronnen van de mensen die een beslissing nemen. Welke zorg, voor hoe lang, wil je hebben en welke premie wil je daarvoor nu al neerleggen? Wil je alles, dan schiet de premie nu al omhoog, ga je op de palliatieve toer of sta je euthanasie toe (indien elke nieuwe ingreep de kwaliteit van je leven toch niet verbetert maar wel heel duur is) dan daalt de premie die je ook nu al betaalt. Wie alles wil kan vandaag minder, wie minder wil kan vandaag meer en kan dat uitgeven aan, zeg, zijn kinderen en hun opleiding. Enzovoort. De enige voorwaarde (geen geringe, ik geef het toe) is dat de bronnen (de materiële omstandigheden) van mensen hen ook in staat stellen hun keuze reëel te maken, hen in staat stelt hun keuze niet door de omstandigheden te laten dicteren en wel door hun eigen waarden en prioriteiten, onder het optimistische motto ‘that a society comes closer to treating people as equals when it adds, to the choices they have, choices they would have had were circumstances more equal’ (Ronald Dworkin, Sovereign Virtue; The Theory and Practice of Equality. Cambridge Mass., Harvard University Press 2000: 334. Cursivering toegevoegd door mij).

Exit risicoselectie door verzekeraars, enter goede en onpartijdige voorlichting, enter ‘gelijkheid van bronnen’ (een premiestelling die alle mensen in staat stelt hun voorkeuren voor besteden nu dan wel besteden later te effectueren) en we komen in de buurt van de gelijkheid van mensen bij de beslissing om nu al in te tekenen op wat hen later verschuldigd is (ibid.: 311). De kwestie is, zoals zo vaak, ook een economische (hoeveel bronnen zijn er en zijn nodig) en een politieke (hoeveel bronnen is het de politiek waard om verschillende voorkeuren en dus keuzes toe te staan, gegeven gelijke omstandigheden). Dat is het voornaamste vergeten aspect in de discussie over euthanasie: het economisch-politieke aspect.

Vroeger hadden we daar de solidariteit voor, nu hebben we het alleen nog over het type onbeantwoordbare vragen waar Lamme zich deze week de woordvoerder van heeft gemaakt. Het is de nieuwe bevoogding: u kunt nooit een beslissing nemen die wij, wilsbekwamen, niet ongedaan kunnen maken. Wij beslissen niet alleen over u (de kwestie van het levenstestament), we beslissen over u, inclusief over alle beslissingen die u ooit zelf nam. Daar kan geen testament tegenop.

20 februari

=0=

 


Allen

Artikel 1 Grondwet: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’

Op welke grond dan ook: daar valt ook herkomst (‘etniciteit’) onder. Volgens goed liberale gewoonte echter letten we niet meer op de ‘gelijke gevallen’, we letten alleen nog op ‘allen’, en allen bestaan helemaal niet, want ieder is een individu en een individu is nooit gelijk aan een ander individu, en we maken van ‘allen’ dus gewoon individuen die zich bekennen tot of nu eenmaal behept zijn met een bepaalde etniciteit, godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid. Nee, op ras letten we niet (we doen het wel maar het mag niet) en op geslacht ook niet (we doen het wel maar het mag alweer niet). Daarmee wordt artikel 1 een dode letter.

De Senaat neemt een voorstel van minister Van der Steur over. Het gaat om het Nederlanderschap. ‘Het Nederlanderschap kan voortaan in meer situaties worden ingetrokken. Nu kan dat al na een veroordeling voor terroristische misdrijven maar voortaan ook bij mensen die zijn gestraft voor het geven of volgen van een terroristische training.’ (De Volkskrant, 16 februari 2015). Opmerkelijk is dat alleen de SP en Groen Links tegen het voorstel stemmen: het voorstel discrimineert. Het discrimineert omdat hier gelijke gevallen worden omgetoverd in ongelijke individuen. Je hebt individuen met twee paspoorten en daarvan kun je er eentje afpakken, je hebt individuen met één paspoort en dat mogen we niet afpakken. Sommige mensen kiezen voor twee paspoorten (Nederlanders met ook een Belgisch paspoort, het wil nogal eens voorkomen), anderen kiezen niet, ze hebben het, bij hen is het een kwestie van herkomst: van etniciteit.

Halbe Zijlstra werkt gestaag aan een verdere ontmanteling van artikel 1. Dit keer is het niet direct (zij het wel met een omweg) dat etniciteit discriminatie inleidt, dit keer is het de godsdienst. Zijlstra zegt (Trouw, 19 februari): ‘Wettelijk kunnen we religieuze organisaties die te ver gaan nu niet aanpakken. Ons lijkt het verstandig om de clausule die dat onmogelijk maakt, uit de wet te halen. Hij was er om gelovige minderheden te beschermen. Maar het probleem waar de wet tegen beschermt, heeft zich nooit voorgedaan’. Zijn voorbeeld, of eigenlijk zijn steen des aanstoots, is het salafisme. En waarom? Omdat het onze manier van leven bedreigt. Maak daar ‘levensovertuiging’ van en we hebben met de godsdienst alweer een stukje van artikel 1 gesloopt. Wat volgt? Ik zou denken: politieke gezindheid. Die kan best op gespannen voet staan met onze manier van leven, toch?

Om de PVV de wind uit de zeilen te nemen gaat de VVD steeds verder. Het wachten is op een VVD voorstel artikel 1 te herformuleren: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan, tenzij de wetgever anders besluit’.

De VVD is er niet voor het vrije woord, de VVD is er voor het laatste woord en dat het laatste woord in een rechtsstaat nooit gesproken is zal die partij een zorg zijn.

19 februari

=0=

 


Arm gezag


We leven in gezagsarme tijden. We zien het aan de politie en andere openbare diensten die in hun werk worden belemmerd, we zien het in het onderwijs, we zien het in de rechtsstaat, gelet op de prioriteit die de regering geeft aan veiligheid boven justitie – dat laatste staat overigens in een merkwaardige tegenstelling tot twee andere onmisbare overheidsdoelstellingen, die van het bevorderen van gelijkheid en vrijheid, en waarbij de vrijheid sinds de neoliberale machtsovername vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw de gelijkheid radicaal in de schaduw stelt.

We kwamen ooit nog toe aan het bestrijden van de effecten van ongelijkheid (de verzorgingsstaat), tegenwoordig doen we ook dat niet meer, in naam van de vrijheid. We mogen tegenwoordig kiezen, niet omdat iedereen dat zo graag wil maar omdat het geen mogen is maar moeten. De enige instantie die het moeten kiezen kan afdwingen is de overheid. Dat gebeurt niet met gezag op de achtergrond, het gebeurt met macht. De overheid biedt alternatieven door de burger zijn belangrijkste vrijheid uit handen te slaan: de vrijheid niet te kiezen, de vrijheid om nee te zeggen, de basale vrijheid, de vrijheid die we nodig hebben om gehoorzaamheid van ongehoorzaamheid te onderscheiden. Je kunt slechts gehoorzaam zijn als je ook ongehoorzaam kunt zijn, de vrijheid die behoort bij de acceptatie van gezag. We mogen niet ongehoorzaam zijn; er staat een sanctie op.

We zijn, met andere woorden, al lang verdwenen uit de sfeer van het anti-autoritaire en we zijn wakkker geworden in de sfeer van het a-autoritaire, de sfeer waar het gezag onverschillig is geworden en alleen de macht telt. Je merkt het aan de politie. In de jaren zestig raakte het gezag van de politie ontregeld. De politie had geen idee wat ze moest ondernemen tegen de vrolijke anarchie waarvan Provo de aanstichter was. Bij gebrek aan beter viel de politie terug op het geweldsmonopolie en zoals we weten is niets effectiever voor de ondermijning van gezag dan geweld. Daar heeft de politie van geleerd. Tegenwoordig wordt het gezag van de politie praktisch als zodanig gezien als een provocatie, die wordt beantwoord met geweld uitgeoefend op agenten. Hetzelfde gaat op voor de vele openbare of voormalig openbare diensten die alle te maken hebben met geweld, met tegenspraak om de tegenspraak, met desinteresse, met vijandigheid. Het gezag wordt niet zozeer ontregeld, het wordt aangevallen. Het rijk van de verplichte keuze is een aanval op gezag, het leidt slechts tot pogingen het gezag buiten spel te zetten dan wel het gezag te slim af te zijn, het leidt tot onverschilligheid ten aanzien van het gezag. 

Deregulering, verzelfstandiging en privatisering hebben het rijk van de verplichte keuze enorm vergroot en dat heeft niet alleen de onoverzichtelijkheid en de complexiteit van het dagelijks bestaan beïnvloed, het staat bovendien in het teken van een economisch motief (economisch motief als onderscheiden van het economisch principe: dat je elke euro zo efficiënt mogelijk uitgeeft), het motief van het effect dat je nastreeft en dat je maximaal nastreeft. In het bedrijfsleven noemen we dat winst, bij de overheid noemen we het geen winst maar het faciliteren van de winst van het bedrijfsleven, in de vrome veronderstelling dat zulks goed is voor de werkgelegenheid. Dat valt tegen, het streven naar een ‘aantrekkelijk vestigingsklimaat’ ondervindt er echter geen enkele hinder van. Het gezag van de overheid wel. Wie gelooft nog in een overheid die een beleid voert waarin de werkgelegenheid (de effectieve vraag naar arbeid) alleen vanuit het aanbod wordt benaderd en waarin de regel opgeld doet dat hoe groter het aanbod, hoe beter dat is voor de vraag, hoe meer dat de vraag naar arbeid zal stimuleren?

De overheid laat de effectieve vraag over aan de wijsheid van de ondernemer en wat je daar ook van vindt, je kunt verwachten dat als het niet blijkt te werken het geloof in het overheidsbeleid, en daarmee in het gezag van de overheid, gehavend uit de strijd tevoorschijn zal komen. 
 
Dat is mijn stelling. Ook het gezag van de overheid staat ter discussie en een belangrijke oorzaak van de gezagsarmoede van de overheid moeten we zoeken bij diezelfde overheid. Meer nog, het lijkt erop dat de overheid er alles aan doet om het gezag steeds verder op de tocht te zetten. En nee, daar hebben we de EU nog niet eens voor nodig. Arm gezag.

16 februari

=0=

 


Stelling


Democratisch de democratie opheffen is niet democratisch en partijen die dat voorstaan moeten worden verboden. De stelling is van George van den Bergh en hij ging erop in in zijn oratie uit 1936 (De democratische Staat en de niet-democratische partijen, opnieuw afgedrukt in Bastiaan Rijpkema et al, Wat te doen met anti-democratische partijen? Amsterdam, Elsevier 2014: 123-152). De parlementaire democratie lag van diverse kanten onder vuur. Alleen al daarom was de rede van Van den Bergh een moedig geluid in een bange tijd.

Ook de redenen die hij noemt om de democratie te prefereren boven andere staatsinrichtingen zijn de moeite waard. Hij wijst op het zelf-corrigerende vermogen van de democratie: gemaakte fouten kunnen worden rechtgezet en worden dat ook indien de burgers (de burgers over wie besluiten worden genomen en die tegelijkertijd degenen zijn die in laatste instantie besluiten over de genomen besluiten) daartoe besluiten. Hij wijst verder op een aantal ‘zedelijke beginselen’ die niet met voeten mogen worden getreden, die in Nederland ‘onaantastbaar’ zijn: godsdienstvrijheid, vrijheid van overtuiging, gelijkheid voor de wet (o.c.: 138).

‘Naar mijn mening’, zegt Van den Bergh, ‘is het diepste wezen der democratie zelfs veeleer in haar verdraagzaamheid, in haar eerbied voor de persoonlijkheid van iederen mens te vinden, dan in het meerderheidsbeginsel’ (ibid.: 128). Dat is een hoge opdracht zou je kunnen zeggen, en een opdracht waar de democratie niet in uitblinkt. Dat is het curieuze van de tekst van de oratie: het gaat in naam over de democratie, het gaat ‘in diepste wezen’ over de rechtsstaat, inclusief grondrechten en inclusief de bevoegdheid van de rechter de besluiten van de overheid aan die grondrechten te toetsen. Het zelf-corrigerende vermogen van de democratie hoeven we niet altijd in verkiezingen te zoeken, maar we moeten het wel altijd zoeken in een onafhankelijke rechtspraak die de burgers en de overheid en hun wetten en besluiten kan toetsen aan de grondwet.

Een weerbare democratie is een democratie die stevig is ingebed in en bij de les gehouden wordt door een robuuste rechtsstaat. Niet de democratie is het ‘doel’ (zoals Van den Bergh beweert, zij het in de context van socialisme of democratie als hoogste doel, dus niet rechtsstaat of democratie als hoogste doel; o.c.: 111, noot 87), het doel is de democratische rechtsstaat. Ik zou denken dat daar de actualiteit van de oratie in zit. Het rare is dat ik noch bij Bastiaan Rijpkema (o.c.: 21-119), noch bij Paul Cliteur (o.c.: 155-205) hier enige aandacht voor aantref. Voor hen is een weerbare democratie een democratie die ‘ideologisch verdedigd’ wordt, die niet met een gewone meerderheid mag worden afgeschaft, die ook het pleidooi voor afschaffing bij gewone meerderheid niet toestaat (ibid.: 164).

Behalve een herhaling van de tegenstrijdigheid in het beginsel van de ‘vrijheid van overtuiging’ (sommige overtuigingen moeten verboden worden) is het eerder een terugval achter dan een voortzetting van Van den Bergh. Zo stelt Van den Bergh eisen aan een politieke partij: ‘Er zullen wettelijke regelen moeten worden gesteld, waarbij aan de leden der partij een behoorlijke mate van invloed wordt toegekend op de verkiezing van het partijbestuur en op de samenstelling der candidatenlijsten voor de verkiezing van Kamer en Staten. Tevens zal als moeten worden gesteld: volledige openbaarheid van het financiële beheer der partij, onder contrôle van de Staat. Aan deze bij wet te stellen regelen zal moeten worden voldaan, op straffe van niet-erkenning als politieke partij’ (o.c.: 147).

Over het democratische karakter van de PVV kun je twisten. Maar een partij is het niet en een ‘weerbare democratie’ die dat overslaat is de mijne niet.

15 februari

=0=

 

 

Belangengemeenschap

Partijgenoten, onze verzorgingsstaat is een belangengemeenschap. Onze verzorgingsstaat beschermde de belangen van alle Nederlanders en onze verzorgingsstaat vroeg daarvoor ook een offer van alle Nederlanders. Dat ging een hele tijd goed en daar kunnen we trots op zijn. Maar we zijn er nog niet. Meer nog, we worden bedreigd. Van twee kanten. In de eerste plaats kan een verzorgingsstaat het nooit redden zonder een progressief belastingstelsel en een belastingstelsel waaraan iedereen bijdraagt, of je nu ondernemer bent of zowel ondernemer als werkgever, of je nu werknemer bent of gepensioneerde. We hebben gezien, partijgenoten, dat de progressiviteit in de belastingheffing heeft ingeleverd – we zoeken het sinds decennia liever in de BTW dan in de inkomstenbelasting –, net zoals we hebben gezien dat vermogende Nederlanders wel belasting betalen over hun inkomen, voor zover dat in Nederland terechtkomt natuurlijk, maar amper over hun vermogen. Hun vermogen is aanzienlijk gestegen. Wij weten wel waarom. En we hebben ook gezien dat ondernemend Nederland de nodige sluiproutes heeft gevonden om aan de belastingen te ontkomen. Het is droef maar waar, partijgenoten, maar blijkbaar hebben steeds minder Nederlanders, en dan in het bijzonder de Nederlanders die snel en mobiel en wendbaar en zo zijn, iets op met de belangengemeenschap die onze verzorgingsstaat was. Geen wonder dat we met ons allen steeds rijker worden en dat de staat van de verzorgingsstaat steeds armer wordt. Partijen ter linker- en rechterzijde van ons willen dat ongedaan maken, partijgenoten. Die leven in het verleden. Wij niet, wij leven niet in het verleden, wij leven in de staat der toekomstbestendigheid!

Partijgenoten, ik had het erover dat de bedreiging van de verzorgingsstaat van twee kanten kwam. De eerste hebben we zojuist behandeld en we zijn tot de conclusie gekomen dat we de oplossing niet in het verleden moeten zoeken maar in de wenkende toekomst en dat is, zoals iedereen wel weet, een Europese toekomst. Wij moeten concurrerend blijven in Europa en dat doen we niet door de klok terug te draaien, dat doen we door mee te gaan met onze tijd en dat is de tijd van een Europese belangengemeenschap, de tijd van een Europese verzorgingsstaat. Goed, partijgenoten, maar die Europese dimensie dreigt nu onder de voet te worden gelopen door de oncontroleerbare toestroom van vluchtelingen en migranten van buiten Europa. Die toestroom is de werkelijke bedreiging van onze verzorgingsstaat, partijgenoten.

Die toestroom dient tot stilstand te worden gebracht. In ons aller belang.

14 februari

=0=

 


Prominent

Journalisten zijn onbetrouwbaar. Dat haal ik uit een recent artikel in Trouw (Marc van Dijk, Wanneer spreekt een journalist de waarheid?,11 februari). Of eigenlijk haal ik dat er niet uit maar je zou het eruit kunnen halen. Het artikel is een verzameling meningen over journalistiek en bevestigt het vermoeden dat journalisten gebeurtenissen (die meestal ‘feiten’ worden genoemd) minder interessant vinden dan hun beleving van gebeurtenissen (hun ‘mening’, die ze ons zelden als zodanig opdringen – het zijn beleefde mensen – en die ook niet als mening aan de man wordt gebracht maar als de kunst over gebeurtenissen waar je niet bij was te schrijven alsof niet alleen jij maar ook de lezer zelf er bij is geweest). Of de krant of de uitzending altijd zo werden gecomponeerd weet ik niet. Wel ligt de gedachte voor de hand dat tegenwoordig de houdbaarheidsdatum van elk nieuwtje steeds sneller verstreken is, dat de krant en de uitzending toch vol moeten en dat we daarom de tijd niet meer nemen om de correctheid van de melding te controleren en ons steeds meer bekwamen in de vaardigheid om ons publiek mee te nemen in onze zelf geschapen wereld. Daar heeft het publiek, begrijp ik, steeds minder zin in. Een mening heeft het publiek zelf ook wel, legio meningen zelfs, en het publiek dat zelf bij de gebeurtenis is geweest is beter in staat, acht zichzelf beter in staat, de gebeurtenis in te kleden en aan te kleden dan een journalist dat kan, een journalist die ook maar een mens met een mening is. Wat is een journalist? Een journalist is een appje die meestal aan de late kant aankomt. Tegen die tijd hebben wij al honderden foto’s verstuurd, en duizenden tweets de wereld ingeslingerd.

Wil je als journalist een beetje opvallen dan zit er weinig anders op dan je eigen stempel op het nieuws te drukken. Dat is sneu want zo bevestig je alle vooroordelen over de journalist, en zo spreekt de journalist nooit de waarheid, omdat hij/zij altijd niet meer dan zijn/haar waarheid spreekt, de waarheid die als ‘duiding’ door het leven gaat. Paradoxaal, je wordt verondersteld gebeurtenissen te achterhalen en te verslaan en je komt niet verder dan een duiding van wat misschien het geval is geweest en misschien ook niet. Het lijkt wel politiek. Meer nog, het is ononderscheidbaar van politiek, net zoals politiek ononderscheidbaar is van de altijd hongerige, altijd haastige media. Wat doet een politicus? Precies, een politicus duidt gebeurtenissen door er een stempel op te zetten. Wanneer doe je dat goed? Dat hangt af van de media-aandacht die je weet te genereren. Ze horen bij elkaar, de politicus en de journalist, net zoals de voetballer en de toeschouwer bij elkaar horen. Het zijn concurrenten om aandacht, ze hebben elkaar nodig voor het verkrijgen van aandacht en ze weten het. Het een-tweetje Mark Rutte/Twan Huys is slechts het meest recente voorbeeld. Twee prominenten – prominenten komen alleen in het meervoud voor.

Gebeurtenissen leggen het af tegen belevingen, feiten leggen het af tegen duidingen, het is een wereld waarin ieder ieder ander voortdurend feliciteert, waarin prijzen, diploma’s, medailles en oorkonden de gebeurtenis onder de gebeurtenissen vertegenwoordigen en belangrijker worden dan de gebeurtenis zelf, het is een wereld waarin iedereen prominent is (het prominente Kamerlid Monasch is van mening dat Samsom niet opnieuw lijsttrekker moet worden) dan wel top (zo bezit Nederland een opmerkelijk groot aantal topeconomen – dat kan geen toeval zijn), het is een prominente, zij het doorgedraaide, wereld, het is een wereld van, voor en door prominenten.

Betrouwbaar? Klopt het wat prominente Kamerleden, prominente journalisten, prominente topeconomen zeggen? Dat doet niet ter zake. Betrouwbaarheid is saai. Prominentie – het vermogen zichtbaar te zijn, en als het even kan ook te blijven, in een steeds snellere wereld – is waar het om gaat.

13 februari

=0=

 

 

Mislukt en nog een keer mislukt

Wanneer is er schaarste op de arbeidsmarkt? Dat is wanneer we in de buurt van volledige werkgelegenheid komen. Dan hebben werknemers wat te kiezen en dan leren werkgevers zorgvuldig te kiezen. De ideale wereld. Het beleid daarentegen is erop gericht deze ideale wereld met alle macht te voorkomen. In de jaren zestig leek het er even op dat de doelstelling van volledige werkgelegenheid haalbaar was. Daar heeft het beleid van geleerd. Roerige jaren. Dat nooit weer. De remedie: vergroten van het arbeidsaanbod. Eerst met de gastarbeiders, daarna met de vrouwen, daarna met de migranten uit de EU.

Niet genoeg? Dan gaat de pensioenleeftijd omhoog, worden we weer eens vergast op verhalen over de noodzaak meer uren te werken, scherpen we de sociale zekerheid aan, het kan niet op. Alles wordt in de strijd gegooid om volledige werkgelegenheid tegen te gaan. Om het geld schaars te houden mag de arbeid nooit meer schaars worden. We zijn wel goed maar niet gek.

Dat weten we. Het is al bijna oud nieuws. Het beleid is wel succesvol geweest natuurlijk. Werknemers weten niet meer waar ze aan toe zijn en werklozen en bijstandsafhankelijken worden, bijna letterlijk, van het kastje van een DWI dan wel van het UWV naar de muur van de ondoordringbare banenmarkt gestuurd. Wou je nog wat? Nou, toon dan eens enige ondernemerszin en wordt zzp-er. Schuif door van Asscher naar Wiebes en kijk of dat wel werkt. Werkt het niet? Ga dan terug naar Asscher. En houd er in alle gevallen rekening mee dat je een bedreiging bent, voor de financiering van de sociale zekerheid dan wel voor de belastingopbrengsten van de overheid. En ik geef toe, de overheid is de greep op de arbeidsmarkt dan wel kwijt, de sociale zekerheid en de belastingen zijn er nog wel. Die zijn er niet voor de zekerheid van het arbeidsaanbod, die zijn er voor de disciplinering van dat aanbod, die zijn er voor de overvloed aan arbeidsaanbod.

Dat wordt dan ook de toekomst van de Nederlandse arbeidsmarkt die al lang niet Nederlands meer is: de overheid bespeelt wat hij nog een beetje kan bespelen en dat is niet de wereld van de arbeidsmarkt, het is de wereld van de sociale zekerheid en de belastingen. De arbeidsmarkt is wereldwijd geworden: daarom zijn de pogingen van Asscher om wat in en voor Nederland te regelen eerder potsierlijk dan effectief te noemen. Mislukt dus, en niemand behalve de minister gelooft er nog in. En Wiebes? Die vervangt de VAR door de wet DBA (‘Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties’) en illustreert dat lood om oud ijzer een uitspraak is die nog lang niet versleten is en die de echte kwestie, het behoud of de afbouw van belastingvoordelen, nog niet raakt. Uiterlijk over een jaar zijn er verkiezingen dus daar begin je nu niet aan te morrelen. Deregulering? De naam van de wet is een brutaliteit, en de evaluatie van het effect ervan heeft Wiebes voor zich uit geschoven. De belangenorganisaties van de zzp-ers hebben dat uitstel niet nodig. Ze noemen de wet nu al een mislukking, en daar hebben ze gelijk in.

Met dat al is het wel en wee van het arbeidsaanbod eenzijdig afhankelijk geworden van beslissingen over inkomsten en uitgaven van de overheid. Beïnvloeding van de vraagkant van die markt is afwezig en zelfs de vraag waarom de sociale zekerheid nog altijd wordt opgehangen aan de arbeidsrelatie (heb je een werkgever of niet) wordt niet gesteld. Prettig voor de werkgever, onprettig voor de aanbodskant. De arbeidsmarkt is van een sociaal-economische een financiële kwestie geworden.

Men verwacht geen extra vraag door sociaaleconomisch beleid, men verwacht extra vraag door de sociale zekerheid te ontmantelen. Daarom staat Asscher met lege handen, zwijgt Wiebes nog even over de belastingfaciliteiten van de zzp-er en is het afwachten of de politieke partijen, in elk geval de SP, Groen Links en wie weet ook nog de PvdA, de verkiezingen in durven gaan met een programma dat de sociale zekerheid loskoppelt van de arbeidsrelatie en vastmaakt aan het verrichten van nuttige arbeid voor anderen, in welke relatie dat werk ook is ondergedompeld en door wie dat werk ook wordt uitgevoerd.

Ik denk dat het er niet van gaat komen. Stel je voor, nog even en zelfs de mantelzorg moet (moet!) worden betaald en toegang geven tot sociale zekerheidsrechten. Stel je voor, nog even en zelfs de mensen die nu moeten werken voor een uitkering moeten (moeten!) als rechthebbenden en niet alleen als plichtplegenden worden toegelaten tot de sociale zekerheid, en zullen (weer) pensioen kunnen opbouwen. Stel je voor, nog even en zzp-ers moeten (moeten!) meedoen met arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en pensioenreglingen.
Het moet niet nog gekker worden.

12 februari 

=0=

 


Roosters en lokalen


Het aantal organisaties dat te kennen geeft dat hun ‘mensen’ hun grootste ‘kapitaal’ is, is ontelbaar. Er zullen uitzonderingen zijn maar de regel is dat het hier om leugens gaat. Ik kwam het zelf in het hoger onderwijs tegen en ik lees het nu bij Rinus Otte, rechter. Hij schrijft met enige regelmaat over de organisatie van strafprocessen en verklaart de noodzaak tot centrale sturing van werkprocessen (een sturing die makkelijk in conflict kan komen met het beste gebruik van de diverse vaardigheden die je in een organisatie hebt) als volgt: ‘Schaarse goederen als zittingszalen of zittingsdagen verklaren en billijken de noodzaak tot centrale sturing’ (R. Otte, Organiseren en verantwoorden door de strafrechter. Den Haag, Boom Jurisiche Uitgevers 2010: 32. Ook: R. Otte, Het Proces; Strafrecht in de praktijk. Amsterdam, Boom 2015: 53-68).

Let wel, Otte (zelf rechter en één van de zeer weinige rechters die aan de organisatie van de rechtspraak en de rechtbank aandacht besteedt) is best akkoord met centrale sturing, maar zijn koppeling van centrale sturing aan schaarste is, op z’n minst, opmerkelijk. Op de markt is schaarste identiek aan de oproep vooral af te zien van centrale sturing, in het belang van een optimale allocatie van de schaarse goederen waar Otte het over heeft. Dat je dat in de setting van de rechtelijke macht anders wilt doen en juist wel op centrale sturing wilt aandringen is één zaak. Het beroep op schaarste is een andere zaak en als ik het wel heb heeft Otte het niet echt over schaarste (schaarste kan zoals elk perspectief dat niet alleen een manier van zien inleidt maar dat tevens performatief is, reële effecten heeft dus, niet verwijderd worden: je kunt de effecten ter discussie stellen, maar zienswijzen en hun effecten moet je, in ieders belang, altijd toestaan), hij heeft het over tekorten aan tijd en ruimte. Meer tijd kan je gegund worden, meer ruimte al helemaal.

Dat het zelden gebeurt (ook in de Haagse Hogeschool, mijn laatste werkplek, waren de ondersteunende diensten die de roosters bepaalden en de lokalen verdeelden belangrijker dan welke ‘human resource’, dan welk ‘human capital’ dan ook) en dat men liever tot rantsoenering overgaat (alweer zo’n proces dat met markten weinig en met de manier waarop organisatiecapaciteit wordt verdeeld en ingezet alles te maken heeft) dan de tekorten de wereld uit te helpen, dat komt door de koppeling van schaarste aan strategie. Een soort dubbelslag: er is een tekort aan tijd en ruimte, het opheffen van dat tekort zou een aanslag betekenen op geld (op de reserves van een organisatie bijvoorbeeld) en omdat geld inderdaad de strategische factor bij uitstek is, de factor die je zo weinig mogelijk in de tijd moet binden aan uitgaven waarvan het opnieuw geld zou kosten om er vanaf te komen (vaste arbeidsovereenkomsten, een gebouw dat je koopt in plaats van huurt), richt je de roosters zo in dat je met je personeel wel moet schuiven en richt je de verdeling van de ruimte zo in dat niemand nog een vaste plek heeft.

Tegelijkertijd benut je de ruimte die je toch hebt niet alleen voor de oorspronkelijke functie maar je maakt er ook een congresfaciliteit van, met aangehaakte catering, je brengt er bedrijven en bedrijfjes in onder enzovoort, zodat de tekorten niet alleen niet kleiner worden (eerder groter zou ik denken) en het perspectief van de schaarste (wat is de meest betalende benutting van ons gebouw) steeds verder oprukt: als je het handig inpikt is je ruimte geen kostenpost maar een bron van inkomsten, zelfs als het je eigendom is want dan is de enige spelregel dat de onroerend goedlasten wel op de lasten van personeel, onderwijs en onderzoek (in het geval van het hoger onderwijs) mogen rusten maar niet omgekeerd. Hoe dan ook, wat je overhoudt is een roulerend circus.

Circussen, zoals we de laatste tijd steeds vaker kunnen observeren, doen afstand van de circustent om vooral op heel veel verschillende locaties uit de voeten te kunnen en circussen doen afstand van een vaste ploeg artiesten: ze programmeren een voorstelling en passen daar hun personele selectie op aan. Het circus bloeit, de beroemde circusgezelschappen – vaak generaties lang verbonden met één familienaam – sluiten de tent.

Hoe rijker een land is, hoe meer de schaarste heerst. Dat is geen wet van Meden en Perzen, het is de wet van het neoliberalisme. Neoliberalen hebben het overigens, opvallend en merkwaardig genoeg, niet over schaarste maar over de markt. Ik stel vast: schaarste en markt zijn twee aanduidingen van één en hetzelfde en wel dat de private beslissing voorrang heeft op de collectieve, de publieke, de gemeenschappelijke beslissing. Hoe meer de schaarste heerst, hoe groter de rijkdom (hoe groter het aantal transacties dat in het BNP terechtkomt, inclusief speculatieve transacties en transacties die in gebakken lucht handelen: het telt allemaal) en hoe meer aan de collectiviteit de verdeling van het tekort toevalt: afbouw van publieke voorzieningen in gezondheidszorg en woningbouw zijn de makkelijker voorbeelden. De verzorgingsstaat werd opgebouwd in een periode van collectieve strijd tegen tekorten, in een periode met een BNP dat we nu armzalig zouden noemen, een periode waarin de schaarste nog allerminst de alleenheerser was. Nu moet de verzorgingsstaat zich zien te redden met de toedeling van tekorten. Een defensieve strijd.

Centrale sturing en ‘schaarste’ is een onzinnig koppel en door dat verband toch te leggen slaat Otte de plank behoorlijk mis. Wil hij zijn idee redden dan moet hij twee dingen doen: in de eerste plaats aandacht schenken aan de markt als spiegel; de organisatie die hij beschrijft, de organisatie van de rechtspraak, dient zich (dient hij) te spiegelen aan de prestatiecriteria van de markt. Denk aan een positief saldo aan het einde van een boekingsperiode bijvoorbeeld. En in de tweede plaats een indicatie van hoe elke cent die aan de rechtspraak wordt besteed ook anders had kunnen worden besteed (het principe van de alternatieve kosten, van de ‘opportunity costs’). Door je gebouw open te stellen voor hogere bieders dan het gerecht bijvoorbeeld. Aan het eerste besteedt Otte wel enige aandacht, zij het weinig systematisch. Aan het tweede wordt helemaal geen aandacht besteed en dus zijn gerechtsgebouwen voor hem niet meer dan een kostenpost waarop de realiteit van het tekort (en niet dat van de schaarste) van toepassing is. Dat geldt ook voor de tijdsbesteding van het personeel dat daar rondloopt. We hebben nog geen flexrechters en flexofficieren dus veel verder dan arbeidsdeling en taaksplitsing – in de hoop daar enige flexmogelijkheden in te ontwaren want elke deling en splisting opent nieuwe arbeidsmarkten – komt het niet. Volgens Otte kan dat niet anders want het aantal zaken neemt toe (niet de arbeidsmarktmogelijkheden maar de omvang bepaalt voor hem de noodzaak van ‘centrale sturing’) en wil je daar niet door overspoeld worden dan moet je bureaucratie en standaardisering toestaan aan de ene kant, de uitbesteding van zaken stimuleren aan de andere kant.

Wat dat laatste betreft zijn de ontwikkelingen eenduidig. Steeds meer zaken worden ‘bestuurlijk’ afgehandeld, buiten de rechtbank om. Daar kom ik een ander keer nog over te spreken. Met die bureaucratisering en standaardisering wil het echter niet vlotten. Niet dat het niet bureaucratischer wordt en ook niet dat er niet bij het leven gestandaardiseerd wordt, nee dat is het punt niet, het punt is dat het niet helpt: het aantal aangehouden zaken neemt niet af en daarmee blijft de druk op tijd en ruimte vanzelf bestaan. Want je vandaag van de rol afvoert moet op een ander tijdstip terugkeren en dat is onhandig als je een reizend circus bent want de rechters die de zaak eerst hadden zijn met wat anders bezig en misschien ook nog wel op een andere locatie en dus moeten er nieuwe rechters ingewerkt worden, soms ook nog met nieuwe toelichtingen en uitleg van nieuwe officieren van justitie, met een andere griffier, van alles en nog wat. Ja, zou je zeggen, om daar de negatieve effecten van tegen te gaan hadden we nu net het uniform van de bureacratie voorgeschreven en het gemak van de standaardprocedures maar als het uniform niet past en als de standaarden wel snel maar niet goed werken dan ben je nog verder van huis.

We zijn verder van huis en Otte meent dat dit het gevolg is van tegenstribbelende rechters en griffiers, niet van een slechte organisatie dan wel van een organisatie waarvoor marktalternatieven niet serieus bestaan, of, misschien, werkt de organisatie niet omdat de rechters en de griffiers niet ‘meewerken’? Zou dat het zijn? Is het niet zo dat er ook, nu we het toch binnen de organisatie moeten zoeken, het probleem is van de planning en voorbereiding, van de bewerkingsarchitectuur van de invoer, doorvoer en uitvoer van opdrachten (via een standaardiseerbare ‘lijn’ met voor elke fase een eigen station met eigen behandelingen, zoals bij de bestuurlijke afhandeling van overtredingen, dan wel, het meest gebruikelijk vermoed ik, via een planbare functionele inrichting, met een verdeling van taken over functionele expertises en elke expertise in een eigen afdeling, dan wel via een stroomsgewijze opzet waarbij eerst vergelijke opdrachten worden gegroepeerd in afzonderlijke stromen die vervolgens door een team van experts zelfstandig worden afgehandeld), opdrachten die via de politie en het OM bij het gerecht worden aangemeld en na bewerking in de vorm van een vonnis weer uitstromen, naar gevangenis of gelukkig niet?

Alleen in het eerste geval ontstaan geregeld de tekorten aan tijd en ruimte (wanneer de politie honderd hooligans in een keer oppakt en snel moet afserveren zonder over voldoende celcapaciteit te beschikken, of over voldoende menskracht om snel alle administratieve handelingen te verrichten) waar Otte op doelt.

In het tweede geval zitten de problemen eerder in de beschikbaarheid en de inzetbaarheid van vereiste expertise en mocht dat niet soepel lopen dan krijg je inderdaad de irritaties waar Otte van spreekt maar niet om de reden die hij citeert: dat het met ‘centrale sturing’ beter zou gaan.

En in het derde geval komt het zwaartepunt van de problematiek te liggen bij de kundige groepering van opdrachten of ‘zaken’ die onderling voldoende overeenkomsten bezitten om als een afzonderlijke stroom te kunnen worden afgehandeld en waarvoor je per stroom de optimale expertise en overige voorzieningen moet zien te mobiliseren. Mijn indruk is dat Otte alleen iets kan zeggen over het eerste geval, dat hij dat niet doet maar het heeft over het tweede geval en dat het eigenlijke geval het derde geval is.

Roosters en lokalen, zittingsdagen en zittingszalen – ze zijn niet schaars, althans nog niet. Er kan een tekort aan zijn – dat is een kwestie van onderzoek naar de organisatorische oorzaken ervan en de omgangsvormen ermee en naar de organisatorische mogelijkheden die er zijn om de tekorten minder storend te maken, mogelijkheden die meer of minder, beter of slechter, kunnen worden benut. In alle gevallen zijn de conclusies van Otte te voorbarig, te kort door de bocht en te mager geïnformeerd. Het is bijzonder een rechter te hebben die de organisatiesociologie omhelst, maar in dit geval heeft de omhelzing het zicht van de rechter uitgeschakeld in plaats van gescherpt.

11 februari

=0=


Vlucht

In het Frans gebruik je ‘vol’ zowel voor een vliegreis als voor een diefstal. Ik moest er vannacht aan denken. Ik keek op TV5 Monde naar een Zwitserse documentaire, Vol Spécial, een documentaire over uitgeprocedeerde migranten in het detentiecentrum Frambois, gelegen in het kanton Genève. Het heet detentie, het is gevangenis, zij het een gevangenis met een zeer vriendelijk regiem. De documentaire is al van een paar jaar geleden, inmiddels moet de directeur van Frambois voor het gerecht verschijnen, wegens regelmatige afwezigheid en het ongemak dat daaruit resulteerde. De zaak loopt nog, begrijp ik.

Het centrum heeft een capaciteit voor maximaal achttien gedetineerden. De meesten onder hen zijn Afrikanen, een kleiner gedeelte heeft een Kosovaarse achtergrond. De meesten zijn vluchtelingen die vrezen hun terugkeer niet te zullen overleven (ik ben een Roma, verklaarde een jonge man uit Kosovo die terug moest; dat kun je toch niet aan je zien, was het antwoord van de staf), enkelen zijn migranten die gewoon een beter leven hebben gezocht. Hun verblijf in Zwitserland beslaat al vele jaren, in een enkel geval zelfs twintig jaar. Dat kon je merken, de voertaal Frans was voor niemand een probleem.

Verblijfsduur is geen argument in de uitzettingsprocedure. Je bent en blijft illegaal en je kunt dus altijd gepakt worden, in een uitzettingsprocedure terechtkomen, die procedure verliezen en voorafgaande aan je feitelijke uitzetting in het detentiecentrum worden gezet, voor een duur tot maximaal 18 maanden in het geval van volwassenen, 9 maanden in het geval van jongeren. De gedetineerden gingen tijdens hun verbljif in Frambois gewoon door met hun inspanningen de autoriteiten op andere gedachten te brengen. Meestal vruchteloos, maar één man lukte het. Het tekende de sfeer in het centrum dat iedereen, de andere gedetineerden en de stafleden, blij voor hem was en hem feliciteerde. De anderen hadden minder geluk en verlieten Frambois in het gedetineerdenbusje, op weg naar het vliegveld. Zwitserland, met Italië een staat die illegaliteit als misdaad definieert en daarom tot gevangenneming overgaat, is van plan nog veel meer van dit type detentiecentra op te richten. 

Frambois heeft een kleine staf, en de directeur was daarbinnen belangrijk, voor het voorlichten van de gedetineerden, het aankondigen van gedwongen vertrek, het pogen de vele spanningen in de hand te houden. Misschien is het de directeur te veel geworden (ik zoek naar een verklaring voor zijn verzuim) want voor hem gold wat voor alle stafleden opging: een combinatie van uivoering van orders die ze zelf ook niet bedacht hadden en misschien helemaal niet hadden willen bedenken, een respectvolle bejegening van de gedetineerden, het betrokken raken bij de gedetineerden en hun situatie. Ze deden hun best humaan te zijn maar gingen wel akkoord met een uitgebreide visitatie van kleding en lichaam van de gedetineerden, en met het omdoen van handboeien (die overigens niet door hen maar door de politie werd uitgevoerd), als inleiding van hun vertrek. Daar stopte de humaniteit. Het was voor de veiligheid werd de gedetineerden meegedeeld.

Een holle frase, een moment van gemeenschappelijke schaamte. Eenmaal afgevoerd werd het alleen maar erger. Het kwam voor dat iemand met kettingen vastgebonden aan een stoel in die positie het vliegtuig werd binnen gedragen. Het leidde tot een dode. Dat zagen we niet, we hoorden het van enkele teruggekeerde gedetineerden die voor dezelfde, en door het sterftegeval uiteindelijk afgelaste, vlucht waren ingeboekt en er getuige van waren geweest. Moord, oordeelden de gedetineerden. Een te rigide en een voor verbetering vatbaar protocol, oordeelde de staf. Onoverbrugbare oordelen. Twee werelden, die, hoe dicht op elkaar ook binnen de muren en hekken van Frambois, elkaar niet kunnen bereiken.

Je kon kiezen, werd de gedetineerden uitgelegd. Je kon gewoon vertrekken als je daartoe werd verordonneerd en dan kwam je in een gewoon vliegtuig waar je bij aankomst ook gewoon uit kon stappen om je weg te vervolgen. En je kon dat weigeren – dat kon tot op het vliegveld in het geval van een gewone vlucht – en dan zou je even later op een ‘speciale vlucht’ worden gezet, als gedetineerde, geboeid en als een pakketje afgeleverd aan de autoriteiten in het land van aankomst, dat door de Zwitserse autoriteiten als het land van herkomst wordt gezien. Het feit dat vrijwel niemand (met één uitzondering die dan ook een paar dagen later weer terugkeerde) van de eerste mogelijkheid gebruik wenste te maken tekent het onoplosbare dilemma van de gedetineerde. Voor hen ging aan beide keuzes de diefstal van hun vrijheid vooraf, de diefstal die hen werd aangerekend. Ze weten zich bestolen en toch zijn zij de misdadigers. 

Een indrukwekkende en droefstemmende documentaire.

9 februari

=0=

 

 

Je gaat het pas zien als je het doorhebt

Dat zei Cruyff, dat over het eerst doorhebben en dan pas zien. Meestal zie je daarom zaken die je niet direct kunt plaatsen en die, als je ze toch direct een plek geeft, je de foute kant op kunnen sturen. Als het goed is probeer je eerst op te slaan wat je ziet (de trainer, je medespelers, de camerabeelden kunnen je daarbij helpen), om vervolgens op zoek te gaan naar een interpretatie die hout snijdt, bij voorkeur in gezelschap van dezelfde mensen die het je hebben helpen opslaan. Zodat je het doorkrijgt en als je het doorkrijgt dan heb je het ook door en dan weet je wat je gezien hebt.

De moeilijkheid is dubbel want je hebt niet alleen een interpretatieprobleem maar ook een handelingsprobleem. Handelen kun je soms uitstellen (daar ben ik heel goed in), maar niet altijd. Een voetballer kan het zich in de regel niet permitteren, een agent op straat ook niet. Het kan je in de positie brengen te moeten handelen voordat je precies weet wat er aan de hand is. Vergissingen zijn onvermijdelijk. Het kan je de wedstrijd kosten, het kan levens kosten. En je moet proberen achteraf een verklaring (ik zag het zonder het door te hebben) voor je handelen te vinden, een verklaring die ook altijd een rechtvaardiging is (nu ik het door heb kan ik verklaren waarom het ging zoals het is gegaan) van waarom je dit deed en niet iets anders. Bij voetballers zijn altijd anderen in de buurt die dingen zien die jij niet ziet en die je door handgebaren, roepen en schreeuwen kunnen bijsturen voordat je de fout ingaat. Bij agenten op straat zou dat ook het geval moeten zijn, zowel om fouten tegen te gaan als dat enigszins kan, als om de verklaring van de gebeurtenisser completer te maken. Zo is het niet.

‘Waar mogelijk werken de wijkagent en de agent op straat niet in duo’s, maar solo’. Het is een zinnetje uit een publicatie van de kwartiermaker HRM van de Nationale Politie, De Toekomst begint vandaag! 16 richtingaanwijzers voor de strategische personeelsprognose van de nationale politie (december 2012, z.p., z.u.: 49). Het is dus solo, tenzij. Geen duo, tenzij. Als iedereen zich gedraagt zoals verwacht mag worden dat men zich gedraagt is het prima, maar dat de kans daarop eerder afneemt dan toeneemt is nogal onomstreden, ook bij de politie zelf. De zojuist genoemde publicatie komt regelmatig terug op de omstandigheid dat de agent niet meer vanzelfsprekend op aanvaarding van zijn/haar gezag kan rekenen, dat de agent door de komst van in het bijzonder de sociale media zichtbaar gemaakt wordt op tal van manieren waarop hij/zij geen enkele greep heeft, dat de agressie toeneemt, enz. Ik zou denken dat twee dan meer kunnen dan één en dat twee in elk geval meer zien dan één, dat twee het daarom eerder door kunnen hebben dan één dat kan. Niettemin, ‘waar mogelijk’ moet de agent het alleen doen. Het komt me voor als fout begrepen zuinigheid.

Jaren geleden kwam ik, in verband met een onderzoek naar boventalligheid en kansen op herplaatsing van gevangenenbewakers, met enige regelmaat in een Maastrichtse gevangenis, Overmaze. Als gevangenis wordt Overmaze niet meer gebruikt. In afwachting van verkoop dient het gebouw nu als tijdelijke huisvesting voor asielzoekers. Maar een jaar of tien geleden was het nog in gebruik als gevangenis. De bewakers vreesden voor hun arbeidsplaats. Goedkopere beveiligers werden steeds meer ingeschakeld en verder was de veronderstelling dat je mensen ook kon vervangen door camera’s, want, zo werd vanuit het ministerie en de Dienst (Justitiële Inrichtingen, DJI) beredeneerd, een gevangene zou zich, in de wetenschap dat het panoptisch oog van de camera overal was, wel twee keer bedenken voordat hij iets onregelmatigs zou uithalen. Daar waren de bewakers het niet mee eens.

Een groot deel van de gevangenen had verslavingsproblemen, psychische problemen en was lastig aanspreekbaar, ook vanwege het feit dat lang niet iedereen het Nederlands meester was. En die gevangenen zouden een ‘risicocalculatie’ opstellen voor ze wat deden? Wordt Nederland niet alleen bevolkt door de calculerende burger maar ook door de calculerende gevangene? Zou het echt zo zijn dat de pakkans regeert? Het is wel waar het gebruik van de camera op gebaseerd is, het is niet waar het gedrag van doorgedraaide gevangenen op gebaseerd is. Ik vroeg een keer of ik niet met een tweetal bewakers (ze werkten in duo’s, wanneer dat zou veranderen was niet bekend, dat het stond te veranderen werd door vrijwel iedereen aangenomen) meemocht. Nee, zeiden ze, we hebben elkaar nodig om alles in de gaten te houden en als jij meegaat moeten we ook op jou letten en dat kunnen we er niet bij hebben. Ze maakten zich grote zorgen, over hun baan, over het werken met z’n tweeën, over de aangekondigde maatregel van twee op één cel. Wat heb je, vroegen ze, aan een camera als een gevangene doordraait? Wat heb je aan een beveiliger op afstand die de camerabeelden bekijkt, die moet ingrijpen als er iets niet in de haak is en dan maar moet hopen dat de ingreep op tijd is?

Zou het oog van de camera, niet alleen in de gevangenis maar ook op steeds meer plekken in het straatbeeld opduikend, ook ten grondslag liggen aan het, overigens niet toegelichte en niet beargumenteerde, besluit dat de agent het in principe ‘solo’ moet zien te regelen? De politie werkt met die beelden – achteraf. Je kunt er last mee krijgen. Maar afschrikken doet het niet. Je mag hopen dat politie en politiek ooit door zullen hebben dat een camera je wel dingen laat zien die je anders niet zou zien maar dat een camera nooit de dingen doorheeft, en daar ook geen substituut voor is, net zoals informatie nog geen kennis is en daar ook de plek niet van in kan nemen.

De politie verwacht veel van ‘informatie’ en ICT. Dat is terecht, maar de verwachtingen kunnen snel te hoog gespannen worden. Ook daar geldt dat je het pas ziet als je het doorhebt en dat is geen kwestie van techniek, maar van de kwaliteit van de gebruikers ervan, van hun vermogen en bereidheid niet alleen hun informatie te delen maar ook hun kennis. Diversiteit van kennis is hier het sleutelwoord: twee weten meer dan één, indien ze bereid en in staat zijn hun kennis te delen en daar op verder te gaan, in de richting van een betere opsporing bijvoorbeeld. Bij de opsporing zien we echter ontwikkelingen die niet zozeer de diversiteit van informatie en kennis benadrukken als wel de uniformiteit (sleutelwoord: professionalisering door een hoger opleidingsniveau in het bijzonder) bevorderen. De beweging gaat weg van de directe uitvoering, van de lokale inbedding, van het politiewerk en gaat op weg naar een afstandelijker, grootschaliger, gespecialiseerder, door informatietechnologie ondersteunde, politiewerk (zie J. Terpstra et al, Vernieuwing in de opsporing: een terreinverkenning, Cahiers Politiestudies, 2013-3: 7-20). Voor diverse politietaken is dit voor de hand liggend omdat ook de politie te maken heeft met een ontgrensde en een ontgrenzende wereld maar niet voor alle, in elk geval niet voor de taken van de wijkagent en de buurtagent, de agent op straat, de agent die het solo moet opknappen en in z’n eentje noch de tijd, noch de kennis, noch de middelen kan mobiliseren om zoveel mogelijk te zien om zo snel mogelijk door te krijgen wat hij/zij ziet – en ernaar te handelen.

Eén of twee? Minimaal twee – de rest hangt af van de snelheid waarmee kan worden ‘opgeschaald’. Daar wil het nog wel eens aan schorten: van Hoek van Holland, via Haaren en tot en met Keulen duurde het te lang. Hoeveel vergelijkbare missers moet je zien voorbijkomen voordat je het doorhebt en je zicht, je gezichtsvermogens, en de diversiteit van je gezichtsvermogens, er op instelt?

6 februari

=0=

    


School gemaakt


Het is vast geen toeval dat de plannen van staatssecrearis Dekker om de NPO te versterken en de traditionele omroeporganisaties af te knijpen sterk lijken op de plannen van Opstelten voor een nationale politie.

In beide gevallen neemt de overheid de regie in handen, wordt de lokale autonomie respectievelijk de autonomie van bestaande zendgemachtigden afgeknepen en wordt de openbare ruimte opengesteld voor private partijen.

Liever privaat dan verzuild, denkt de staatssecretaris, liever een publiek/private samenwerking dan een een aantal regionale monopolies met een enkele landelijke dienst er bovenop, als de spreekwoordelijke kers op de taart, dacht de voormalige minister. Concentratie van bestuurlijke macht, ontmanteling van zeggenschap en dus gezag daaronder, en je aanpassen aan het gegeven dat de nationale staat de arena moet delen met de markt, dat is het credo van de VVD. Is het een gegeven?

Voor de VVD wel. De beheersaspecten van omroep en politie, de toewijzing van mensen en middelen (budgetten, zendtijd, politiecapaciteit), worden onderdeel van een door de centrale overheid geregisseerd politiek bestuur – en een tegenwicht in de vorm van een ‘compenserende macht’ wordt overbodig geacht.

Het logische eindpunt van concurrentie is een monopolie, in de markt en in de politiek. Vroeger was dat iets dat je moest vermijden, voor de VVD is het nu iets dat je moet omhelzen, dat je een handje moet helpen. Dat het private monopolie de strijd met het publieke monopolie wel eens zou kunnen winnen, dat hoort erbij, daar moet je niet moeilijk over doen. De overheid moet klein en fijn, dat is het streven, de markt is groot en vilein en dat is zoals het is. Binnenkort hebben we wetgeving die, net als de belastingwetgeving, het eenvoudiger en aantrekkelijker moet maken om in Nederland private politiediensten en private omroepdiensten aan te bieden. Dit, om geen misverstanden te wekken, is een voorspelling, geen zekerheid. En wat zou het, zo lang het ‘product’ waar het ‘publiek’ om vraagt (veiligheid, infotainment en entertainment) wordt geleverd en wat geeft het dan waar het product vandaan komt?

Ja, wat zou het? Voorlopig weten we alleen dat Dekker een goede leerling is van het klasje waarmee Opstelten school wou maken. En kijk, het zou nog kunnen lukken ook. Overal om ons heen zien we dat de regionale dimensie van het publieke domein het aflegt tegen de functionele dimensie van markten. Europa zou een enorme impuls kunnen zijn voor het herstel van een machtige regionale dimensie maar niemand wil Europa en iedereen wil de markt op, overheden wel in de allereerste plaats. Producten, per slot, dienen functies en een regio is een amalgaam van functies die elk afzonderlijk een te kleine schaal hebben om het vol te houden buiten de markt om, laat staan tegen de markt in. Toch?

Verstandig, die VVD. Het is de liberale staatsopvatting bij uitstek: if you can’t beat them, join them. De overige partijen volgen, schoorvoetend, sputterend, mokkend af en toe maar toch. Het is nu aan de Eerste Kamer om de publieke dimensie van de omroep te redden – de Tweede Kamer en de regering hebben die al uit handen gegeven en daarmee een grijze zone geschapen waar publiek niet helemaal publiek en privaat wel degelijk privaat is. Doet dat niet denken aan de Nationale Politie? Nu, dan is de vraag dat zelfs als de Eerste Kamer de voet dwarszet en de NPO van Dekker afstemt, hoe we het zo ver krijgen, met betrekking tot de nationale politie, dat Kamers en regering er eindelijk eens toe over zullen gaan om vast te leggen wat de publieke politiefunctie, zonder bijmenging met private veiligheidsfuncties, wel en niet is?

Dat is de vraag. Wat mij betreft had het schooltje van Opstelten al lang gesloten moeten worden.

5 februari

=0=

 



Verzelfstandigd en doorgesneden


‘De politie – tien regionale eenheden, de Landelijke Eenheid en het Politiedienstencentrum – staat onder leiding van de korpsleiding: korpschef, plaatsvervangend korpschef, twee leden korpsleiding en een Chief Information Officer (CIO). De korpsleiding krijgt ondersteuning van een staf.


Landelijke eenheid
Organogram landelijke eenheid
De politie heeft één operationele Landelijke Eenheid voor regio-overschrijdend en specialistisch politiewerk. De politiechef is verantwoordelijk voor de Landelijke Eenheid en krijgt daarbij ondersteuning van de eenheidsstaf. De medewerkers verrichten zelfstandige en ondersteunde taken. Voorbeelden van zelfstandige taken zijn de aanpak van zware, georganiseerde criminaliteit en terrorisme, het bewaken en beveiligen van leden van het Koninklijk Huis of andere hoogwaardigheidsbekleders en opsporing op de snelwegen, het spoor, het water en in de luchtvaart.
De Landelijke Eenheid ondersteunt de regionale eenheden onder meer met specialisten op het gebied van recherche en forensische opsporing, maar ook met politiehonden, politiepaarden en helikopters. De Landelijke Eenheid bestaat uit zeven diensten’ (licht aangepast overgenomen van de site www.politie.nl). Zit er nog wat onder? Ja, er zitten ‘basisteams’ onder, ondergebracht in districten en districten vormen weer regio’s. De gemeente als eenheid komt niet meer voor. En waar zit de minister van V&J? Die staat ook niet op het plaatje maar hij hoort helemaal bovenaan, boven de (korps)leiding landelijke eenheid.

De diensten waar naar verwezen wordt staan onderaan het plaatje dat hierboven is afgedrukt. Zoals onmiddellijk blijkt is van de agent dichtbij de burger geen sprake. Die siert wel het verdere proza waarmee de nieuwe organisatiestructuur is versierd maar het zijn slechts woorden en als ooit de uitspraak (‘covenants, without the sword, are but words and of no strength to secure a man at all’) van Hobbes accuraat was dan wel hier. Alsof de burger alleen op staatsniveau bestaat en het staatsniveau het gemeentelijke niveau en de burgers van de gemeente overslaat. De politie is, per slot, de zwaardmacht – en die is op het lokale niveau niet op last van datzelfde lokale niveau inzetbaar. De nationale politie is een politie van het boeven vangen, niet van het bijstaan van de burger bij de bestrijding van diens ongemak dan wel bij het corrigeren van de burger voordat het uit de hand loopt. Dat zijn, kennelijk (niet officieel maar wel in de praktijk) ‘oneigenlijke politietaken’, waarvoor geen politicapaciteit beschikbaar komt. Uiteraard vallen die taken nog wel degelijk onder het gezag van de burgemeester maar een burgemeester die dat gezag niet kan staven met capaciteit, een burgemeester die geen beheersfunctie meer heeft in de toewijzing van politiecapaciteit, draagt nog wel de verantwoordelijkheid maar aan de twee andere functies van zijn gezag – het zorgen voor bekwame uitvoering van taken en het zorgen voor een effectieve coördinatie van die taken – komt hij niet toe. Hij kan er niet eens bij komen. Hij moet uitwijken naar ambtenaren (zoals boa’s - bijzondere opsporingsambtenaren) die een politiële functie zo goed en zo kwaad moeten zien waar te nemen zonder zelf politie te zijn. Dat is een probleem.

Beheer en gezag zijn aspecten van elke organisatie. Het beheer zegt met wie en met welke middelen waaraan gewerkt moet worden en het gezag zorgt ervoor dat er verantwoordelijk, bekwaam en gecoördineerd gewerkt kan worden. Je kunt ze heel dicht bij en op elkaar houden en je kunt ervoor kiezen beide relatief autonoom (verzelfstandiging) te maken. Maar, verzelfstandig beheer en gezag ten opzichte van elkaar en je hebt een een mechanisme nodig dat ze op elkaar afstemt. De kunst is dan dat overal daar te doen waar het nodig is. Dat klinkt eenvoudig maar in de meeste hiërarchiën wordt aangenomen dat je ze aan de top bij elkaar moet brengen en dat het dan wel in orde komt. Nee dus. Maar het kan nog erger en dan hebben we het geval van een hiërarchie waarin beheer en gezag niet alleen ten opzichte van elkaar zijn verzelfstandigd maar waarin ook nog eens de band tussen hen is doorgesneden. Dan is het ene aspect nog autonomer dan voorheen en het andere aspect is meer dan voorheen ontregeld. Men heeft dan van de twee aspecten, het beheersaspect en het gezagsaspect, aparte systemen gemaakt en men is het mechanisme dat de systemen weer bij elkaar moet brengen even vergeten. Dan zijn we bij de Nationale Politie, de droom van Opstelten, de nachtmerrie van anderen.

In de Nationale Politie-opzet van Opstelten is het beheer gecentraliseerd bij de minister van V&J en het gezag is versplinterd dan wel ‘gedecentraliseerd’. Het gezag is overal en nergens en het is als de nieuwe kleren van de keizer: een burgemeester die wel gezag heeft en geen mensen en middelen kan mobiliseren en toedelen is een uitgeklede burgemeester, een burgemeester met in naam gezag en in functie niet, een burgemeester die meer geschikt is als pispaal dan als steunbeer voor de imploderende gebouwen van de politie – voor zover de gebouwen al niet zijn opgeheven.

Om het mechanisme dat beheer en gezag bij elkaar brengt te herstellen zou het nodig zijn dat behalve V&J (en behalve de noodzaak de V en de J weer uit elkaar te halen, al was het maar om zodoende het OM en de rechtspraak niet meer te laten interfereren dan in voorkomende gevallen mogelijkerwijs onvermijdelijk is) voor de beheerslijn, ook BZK voor de gezagslijn op het schild wordt gehesen. BZK is, zou je kunnen zeggen, het geëigende platform voor de verzamelde burgemeesters (en de Commissarissen van de Koning) om de gezagsproblematiek onder de aandacht te brengen en in de aandacht te houden. Alleen zo voorkom je dat de beheerslijn die we nu hebben veel van de uitvoerende politietaken ‘oneigenlijk’ noemt en op het bord van de burgemeesters kiepert, die vervolgens, bij ontstentenis van de mogelijkheden zelf over de in te zetten politiële capaciteit te kunnen beslissen, en in arren moede (dus bij gebrek aan beter) maar een schaduwpolitie (boa’s in diverse soorten en maten) naast de officiële politie zet. Het resultaat is een beheersmatig uniform politiebestel en een gezagsmatig versplinterde politiefunctie (het onderscheid bestel/functie ontleen ik aan Lex Cachet. Zie zijn Einde van de Eenheid? Te vinden in de rubriek nieuwsartikelen op de site van de Stichting Maatschappij en Veiligheid, www.maatschappijenveiligheid.nl). 

En in de tweede plaats zouden, indachtig de spelregels van de sociotechniek, en dus uitgaande van en beginnend met het laagste niveau van uitvoering, beheer en gezag moeten worden erkend voor wat ze zijn: aspecten in plaats van verzelfstandigde eenheden. Wat even boven dat niveau gebeurt is geen kwestie van principe maar van pragmatiek: laat het van de aard van de taken afhangen of verzelfstandiging dan wel integratie de boventoon moet voeren, laat het van de aard van de taken afhangen of een kwestie lokaal, regionaal, nationaal, internationaal of supranationaal moet worden afgehandeld. Het kan zijn dat hoe hoger je komt hoe zwaarder de regeltaken, vergeleken met de directe uitvoeringstaken, aantikken maar of dat zo is en of het verstandig is het zo te doen hangt niet af van niveau en plek in een hiërarchie, het hangt af van het werk dat gedaan moet worden (zie ook Anneke Goudswaard et al, De politieorganisatie als flexibele organisatie, in: Directie HRM Nationale Politie, red., De Toekomst begint vandaag!, z.p., z.u. 2012: 155-73, meer specifiek: 161-170). Dat is met de huidige organisatiestructuur niet mogelijk want er is al lang over beslist: het moet op nationaal niveau, ook als dat niet het geëigende niveau is en de rest hangt af van het beetje geluk dat wij niemand misgunnen en van beschikbare tijd, de tijd die niemand heeft en waarvan het gemis pas achteraf wordt betreurd. Zonder beschikbare tijd, ik word niet moe het te benadrukken, wordt elk gezag een lege geste.

Een boa is een fopagent – hoe goed hij/zij het werk ook doet. Een fopagent heeft een gezagsprobleem en mijns inziens is het een afgeleid gezagsprobleem, afgeleid van het gezagsprobleem dat door Opstelten, met instemming van de twee kabinetten Rutte en van de beide Kamers, is gecreëerd, het probleem dat het lokale politiegezag moet roeien met de riemen die het niet meer heeft. Het is een probleem waarmee het lokale niveau is opgezadeld, en het is een probleem dat het lokale niveau in de nieuwe organisatiestructuur niet op kan lossen. Waarom niet? Omdat de lijn tussen een verzelfstandigd beheer en een versnipperd gezag is doorgesneden.

3 februari

=0=

 

Super

Bernie Sanders herinnert ons er nog maar eens aan: hij is de enige presidentskandidaat die het doet zonder Super PAC. Een PAC is een Politiek ActieComité, een club mensen die steun organiseren voor een kandidaat (campagnefondsen in het bijzonder maar uiteraard ook het canvassen van buurten en wijken om potentiële kiezers over de streep te trekken).

Een Super PAC is iets anders, het is de vondst om ongelimiteerde hoeveelheden geld bij elkaar te krijgen, niet voor een bepaalde kandidaat maar, in de praktijk, eerder tegen elke kandidaat die je niet bevalt. In de praktijk: een Super PAC mag ook wel voor een kandidaat zijn, de enige spelregels zijn dat het geld niet direct naar de kandidaat gaat en dat de besteding van het geld niet wordt ‘gecoördineerd’ met een kandidaat. Niet direct, niet gecoördineerd: bepalingen als deze scheppen geen duidelijkheid maar een moeras, en ik vrees dat het aantal zeer rijke moerasliefhebbers veel hoger ligt dan goed is voor eerlijke verkiezingen.

Overigens, de ‘je’ waar ik hierboven aan refereerde (met betrekking tot een kandidaat die je niet aanstaat en per implicatie de kandidaat die je wel aanstaat) is uiteraard zelf geen kandidaat, en meestal ook niet eens een burger, maar belanghebbenden zoals grote ondernemingen, banken en andere financiële instellingen, bedrijven in fossiele energie die de klimaatverandering ontkennen (de gebroeders Koch bijvoorbeeld) enz. Het leidt tot commercials over het bedreigde christendom, over de staatsmoloch in Washington, je verzint het maar. Zo dus: deze kandidaat is de antichrist zelf; stem niet op haar. Of: deze kandidaat wil nog meer macht bij de federale overheid beleggen; steun hem niet. De kandidaat die niet onder de aanklacht valt horen we aan het einde van zo’n antireclameboodschap zeggen: ‘I am mister/mrs so-and-so and I approve this message’.

Bernie Sanders is een ideale schietschijf voor Super PAC’s: hij wil een universele gezondheidszorg, hij wil het minimumuurloon verhogen naar 15$, hij wil gelijke loon voor gelijk werk voor mannen en vrouwen, en hij wil een forse belasting heffen op speculatieve financiële transacties want het moet wel allemaal betaald worden.

Super PAC’s zijn een uniek Amerikaans verschijnsel en ze verpesten het politieke klimaat. Sanders, zoveel is wel duidelijk, wil ervan af, voor hem zijn ze het voorbeeld bij uitstek van onterechte campagnefinanciering, van een onterechte beïnvloeding van verkiezingen, van een ondergraving van de regel van ‘one man, one vote’. Alleen al door zijn verzet tegen de Super PAC’s hoop ik van ganser harte dat Bernie Sanders achtereenvolgens de Democratische nominatie en daarna de Amerikaanse verkiezingen wint. Super. Bernie for president!

2 februari

=0=

 


Bescherming


‘Voorts wordt nog expliciet onder de aandacht van medewerkers gebracht dat zij, in het verlengde van de bestaande klokkenluidersregeling die betrekking heeft op melding van vermoedens van misstanden aan leidinggevenden en vertrouwenspersonen binnen het ministerie, dezelfde bescherming zullen genieten als zij rechtstreeks informatie verstrekken aan de Commissie Oosting.’ (brief minister Van der Steur aan de Tweede Kamer, 29 januari)

Dat is mooi, van de minister. Ambtenaren (de enige werknemerscategorie overigens die kan bogen op een wettelijk verankerde klokkenluidersregeling) kunnen hun leidinggevenden overslaan als ze een ‘misstand’ in hun ministerie aan Oosting willen melden. Nu kunnen we verschillende kanten op. Er zijn ambtenaren die al intern hebben gemeld, hebben moeten constateren dat alles bij het oude is gebleven, niet zo roekeloos zijn om dan maar naar buiten te gaan met hun wetenschap (want: loyaliteit telt meer dan integriteit) en die nu naar Oosting kunnen gaan. Of er zijn ambtenaren die niet hebben gemeld omdat ze toch wel weten dat het niet helpt en die nu bij Oosting te biecht kunnen gaan in de hoop dat er dan wel iets gebeurt. De overeenkomst in beide situaties is dat de klokkenluidersregeling niet werkt. Wat zijn dan de kansen dat het via de omweg Oosting wel zal werken? Dus, hoe mooi is de belofte van de minister?

Dat hangt van de bescherming af. In 2014 publiceerde Berenschot (in opdracht van het kabinet) een rapport met de titel ‘Veilig misstanden melden op het werk’. Daaruit blijkt dat ruim een kwart (29%) van de ambtenaren wel eens een misstand constateert en dat een kleine helft (47%) daar melding van heeft gemaakt, voornamelijk intern en slechts een enkele keer ook extern. Melden ze, dan zijn de gevolgen voor hen voor ruim 20% positief, voor ruim 15%  een mengsel van positief en negatief en voor ruim 30% negatief. De rest (ongeveer 30%) ziet geen gevolgen. Wat wordt gemeld is vaak dat een regel wordt geschonden (in 55% van de gevallen), dat bevoegdheden worden misbruikt (in 44% van de gevallen), dat de gezagsrelatie wordt misbruikt (in 40% van de gevallen) en dat (in 43% van de gevallen) onbehoorlijk gedrag is geconstateerd.

Die kwesties komen vaak in combintie voor (de percentages tellen tot ver boven de 100 op) en dat geldt ook voor het achterhouden van informatie – in de Teeven-deal de steen des aanstoots. Of was het bij de Teeven-deal het nauw verbonden duo van misbruik van gezag en bevoegdheid, van détournement de pouvoir? Nou en of, en dat geeft aan dat wie hier melding van maakt de macht frontaal uitdaagt. Dat zal iemand niet snel doen – is het wonder dat er dan maar gelekt wordt?

Wanneer meldt de meerderheid van de ambtenaren die een misstand hebben geconstateerd die misstand niet? Angst voor repurcussies is hier de voornaamste drijfveer, gevolgd door een gebrek aan vertrouwen in de procedures, het niet beschikken over adequaat bewijs en er niet direct bij betrokken zijn geweest. Gevraagd naar welke negatieve gevolgen ambtenaren zelf hebben ondergaan, en dan hebben we het dus over de ambtenaren die niet alleen een misstand hebben geconstateerd maar die vervolgens ook hebben gemeld, zijn de antwoorden (in volgorde van het percentage ambtenaren die erdoor worden getroffen) gevoelens van frustratie, verslechterd loopbaanperspectief, de gezondheid die eronder lijdt, verlies van zelfvertrouwen en buitengesloten worden. Ontslag wordt slechts één op de twintig keer genoemd.

Het kabinet, bij monde van minister Plasterk, vond de uitkomsten van het Berenschot-onderzoek positief en op punten ook ‘hoopvol’ maar constateerde tevens dat de positie van de ‘melder’ nog wel beter kon. Dat komt, vermoed ik, omdat in de Nederlandse regels en praktijk de melder, de klokkenluider, in het brandpunt staat en niet de melding, het luiden van de klok. Dat laatste is sinds 2013 in Engeland wel het geval – en daar zou het ook om moeten gaan. Ook een onbetrouwbare, rancuneuze, luie ambtenaar kan een correcte melding doen, en dan zou het daar om moeten gaan.

Een klokkenluider is iemand die in naam van een organisatie spreekt zonder daartoe bevoegd te zijn. In die zin spreekt een klokkenluider altijd voor z’n beurt en zolang we niet naar de bel en wel naar de belletjetrekker op zoek gaan zal de premie op lekken blijven bestaan. De commissie Oosting zal, denk ik, anoniem melden moeten aanmoedigen om de kans op juiste en accurate informatie te vergroten en aan de hand daarvan verdere naspeuringen te doen.

De Kamer, lees ik in de kranten van vandaag, wil deze week al in gesprek met Van der Steur over zijn brief over de commissie Oosting. Ik hoop dat de Kamer, gelet op de kansen dat er niet wordt gemeld waar dat wel nodig is en gelet op de frequentie van angst voor détournement de pouvoir – de oorzaak van de ‘doofpot’ – als motief om niet te melden, de mogelijkheid van anonieme melding zal bepleiten.

Dat biedt de beste bescherming en was de minister daar niet net naar op zoek?

1 februari
   

 

Witwassen

Ook ik begeef me steeds vaker in de witte hogere middenklasse. Maar mijn oorspronkelijke stem begint zich juist te verzetten tegen het witwassen. Het put me uit. Ik merk het aan mijn haperende zinnen, aan de stiltes die vallen omdat ik niet meer op het juiste woord kan komen, aan het ontwijken van oogcontact. Ik kan die aangeleerde stem niet meer verdragen, ik haat haar.’
Ik ontleen dit citaat aan een artikel van Nadia Ezzeroili, gisteren in de Volkskrant. De titel van het artikel is ‘Ik ben geen Nederlander’. Ze is wel degelijk Nederlander, ze is hier geboren en getogen en dacht tot voor kort dat ze hier ook begraven wilde worden. Niet meer. ‘Nederland en ik, we gaan uit elkaar’ is de ondertitel van het artikel en de laatste zinnen luiden: ‘Maar ik vrees dat we relatietherapie niet eens meer moeten overwegen. Onze scheiding van tafel en bed is al realiteit.’

Nadia is vermalen in de identiteitenoorlog, de oorlog waar Amartya Sen (Identity and Violence) tien jaar geleden voor waarschuwde. Ze heeft de oorlog niet verloren, ze is er uitgestapt, ze doet niet meer mee, ze is hier nog wel maar ze woont ergens anders: dat is waar een scheiding van tafel en bed per slot op neerkomt. Ze heeft geen zin meer in een relatie met Nederland. Nog even en ze zal er ook geen behoefte meer aan hebben. Ik vermoed dat ze de behoefte nog steeds heeft, ik vermoed zelfs dat ze die behoefte heel sterk ervaart, en dat het af zal hangen van Nederlanders die net als zij zullen zeggen dat ze geen Nederlander meer zijn of ze er weer zin in krijgt. Een, ik gebruik het – vaak misbruikte maar hier volkomen correcte – woord met opzet, kwetsbare opstelling.

Het citaat bovenaan verwijst naar Zadie Smith die in een lezing uit 2008 (Speaking in Tongues) net als Nadia het Pygmalion-thema behandelde: je leert een nieuwe taal door je oude taal af te leren. Je kunt dat koppelen aan sociale stijging, zoals Nadia en Zadie Smith dat doen (en zoals ik dat zelf ook heb gedaan) en het gevolg is dat je op een gegeven moment je oude taal (plat Utrechts in mijn geval) kwijt bent, dat je die oude taal niet meer kunt spreken en als je het al doet bij mensen die die taal nog altijd dagelijks spreken, dan herstelt dat je band met je herkomst niet, het bevestigt hooguit en ten overvloede dat je niet meer één van ons bent, van je oude taalgemeenschap, van je oude sociale milieu, maar dat je één van hen bent geworden. Soms klopt dat, maar in het geval van de herkomst, enige generaties geleden, uit Marokko, zoals bij Nadia, of in het geval van kleur, zoals bij Zadie Snith, zal het je niet lukken één van hen te worden.

Daarom is het beeld van ‘witwassen’ zo goed en exact gekozen. Witgewassen geld is nog altijd geld dat een illegale achtergrond heeft en je weet maar nooit of dat niet vroeger of later aan het licht zal komen. Een witgewassen Marokkaanse journalist, een witgewassen zwarte auteur (een auteur, in het geval van Zadie Smith, met een witte vader, of, zegt ze, een president met een witte moeder), zijn slechts witgewassen zolang de anderen dat toestaan. Die staan dat meestal niet toe en in de identiteitenoorlog is het al bijna verraad als het je wordt toegestaan. Daarom, als je nog beschikt over enige zelftrots dan laat je jezelf registreren als zwart en niet als biraciaal – zoals Zadie Smith doet – of je meldt jezelf aan als Marokkaan, zoals Nadia doet.

Daar kan ik niet bij aansluiten, zelfs al zou ik dat willen. Maar ik kan me wel aansluiten bij de omschrijving ‘geen Nederlander’. Als ik Nadia Ezzeroili goed begrijp hebben we die keus allemaal en als voldoende mensen die keuze maken kunnen we eindelijk Nederlander worden.
Bij deze, mijnerzijds.

31 januari

=0=

 


Stipt


Een bijzonder aspect van het werk van straatagenten is dat ze zich zowel bureaucratisch als idiosyncratisch moeten opstellen. Met bureaucratisch doel ik op de eis van gelijkheid en verdelende rechtvaardigheid die door de wet en door de politie-organisatie worden opgelegd, met idiosyncratisch op de eis in te spelen op elke specifieke situatie. De agent moet in één en dezelfde beweging uniform en niet-uniform zijn. Daarin lijkt de agent op de onderwijzer, de welzijnswerker, de gevangenenbewaarder, de behandelaars in de eerstelijn gezondheidszorg, kortom op alle functionarissen die ‘street-level bureaucrats’ zijn, functionarissen dus die in gelijke gevallen gelijke behandeling moeten toepassen en tegelijkertijd voornamelijk ongelijke gevallen tegenkomen en ook die netjes, met gevoel voor de situatie, moeten afhandelen. Het zijn contactberoepen waar ze in zitten, met publiekscontacten, en hoewel contactberoepen eerder uitvoerend dan leidinggevend zijn en hoewel leidingevenden in de regel meer beleidsvrijheid hebben dan uitvoerenden ligt het bij deze beroepen anders: ze zijn uitvoerend en ze vereisen, hoe dichter we bij de feitelijke uitvoering (het interveniëren op straat, het aanspreken van de leerling) zitten, steeds meer beleidsvrijheid.

Het zijn beroepen waarin een stiptheidsactie bijzonder ingrijpend kan zijn. Natuurlijk, in tal van organisaties zijn er meer regels dan je tijd hebt om ze allemaal in praktijk te brengen en in die organisaties komt alles stil te liggen bij een stiptheidsactie: de regels worden opgevolgd, de dienst of het product komt niet tot stand. Dat kan bij onze straatprofessionals ook maar er komt nog iets bij.

Gesteld dat de actie inhoudt dat de functionaris zich nauwgezet aan de regels houdt, dan is het niet moeilijk te voorspellen, zelfs als er geen tijdsprobleem is bij het opvolgen van de regels, dat alles waar geen regel voor is (en dat is in de praktijk het meeste) niet zal worden uitgevoerd. Er worden nog wel diensten geleverd (aangiftes opgenomen, rapportcijfers en absentielijsten ingevoerd) maar waar het om gaat (rekening houden met de specifieke situatie van de burger, de cliënt, de leerling) komt tot stilstand. Geen maatwerk vandaag, chef. En morgen en overmorgen ook niet, tenzij je bereid bent rekening te houden met de omstandigheden die ons tot onze actie hebben genoopt.

Het zegt veel over dit type functionarissen dat ze liever hun vrije tijd opofferen om aan de admininstratieve verplichtingen van de regels te voldoen dan dat ze hun onvermijdelijke, definiërende, taakidiosyncrasie te grabbel gooien. Althans, voor zover de organisatorische kaders waarbinnen ze hun werk moeten uitvoeren dat toestaan. Ik denk aan ICT die nu eens een keertje niet op afstand van de uitvoering wordt ontworpen en aan een hiërarchie die de complexiteit van de uitvoering niet wegmoffelt achter alleen verticale gezagslijnen. Het eerste is meestal een vrome wens gebleken, het tweede is, bij de politie, met de komst van de nationale politie op het oog wel vereenvoudigd maar zeker niet meer op de eisen van taakidiosyncrasieën toegesneden. Het is alsof Opstelten met zijn nationale politieplan heeft gedacht dat het probleem in het bestaan van diverse verticale gezagslijnen ligt, niet in de richting dus maar in het aantal, en dat daarom het terugbrengen van het aantal lijnen tot één de klus wel zou klaren.

Voeg daar de bezuinigingen aan toe, die de aantrekkelijkheid van weer meer standaardregels en verdere schaalvergroting alleen maar verhogen en elke afwijking als te duur en als niet-efficiënt afserveren. Het is een beheersidee, met de uitvoering in de bijwagen. Alsof indien ‘onder’ maar weet wat ‘boven’ nodig heeft het wel in orde zal komen, in plaats van omgekeerd: dat ‘boven’ moet weten wat ‘onder’ nodig heeft en hoe ‘onder’ feitelijk, in de praktijk, van z’n onmisbare beleidsvrijheid gebruik maakt.  

Straatprofessionals oefenen een beroep uit dat elke keer, per geval, met de spanning tussen bureaucratisch en idiosyncratisch moet afrekenen. Zet daar een organisatie omheen die daar onvoldoende op is ingericht en je krijgt het voorspelbare verschijnsel dat elke keer als het mis gaat (en als het mis gaat kan het ernstig mis gaan) dat niet aan de organisatie maar aan de functionaris wordt toegeschreven. Leuk voor opleiders, trainers, coaches, adviseurs, onderzoekers van werknemerstevredenheid en andere maar al te bereidwillige dienstverleners, minder leuk voor de betreffende functionarissen, die daarvan de verborgen agenda aan de lijve mogen ervaren: het ligt aan u!
In het onderwijs, lees ik, is de werkdruk erg hoog. Hoe zou dat toch komen? Misschien niet alleen door hun taakopvatting, misschien zelfs niet voornamelijk door hun taakopvatting, maar gewoon door hun taak?

Dat ze desondanks stipt hun werk uitvoeren zonder tot een stiptheidsactie over te gaan is bijzonder.

30 januari

=0=

 

 

Roof

Er zijn van die roofdiertitels die ik maar niet uit het hoofd krijg. Ik denk aan ‘the great train robbery’, en ook aan ‘the great training robbery’ van Ivar Berg, het boek uit 1970 waarin de schrijver uitlegt dat investeringen in opleiding en training niet leiden tot een hoger inkomen voor de betrokken deelnemers – tenzij de kwaliteit van de vraag de hogere kwaliteit van het aanbod bijhoudt. Daar is geen enkele garantie voor (je zou de werkgevers iets moeten opleggen en dat is nog erger dan vloeken in de kerk) en het is dan ook vaker niet dan wel zo.

We zouden er vandaag de dag nog wat wel wat titels bij kunnen verzinnen, ik denk aan ‘the great tax robbery’ (in de geest van Mariana Mazzucato) en, natuurlijk, aan ‘the great pension robbery’: het antwoord op de vraag hoe pensioenfondsen steeds rijker kunnen worden en de pensioendeelnemers steeds armer. Zo’n vraag is heel eenvoudig te beantwoorden: je verbiedt pensioenfondsen gewoon tot uitbetaling over te gaan. Dat kan juridisch niet, maar feitelijk wel. Je gebruikt een omweg, of eigenlijk, in het Nederlandse geval, twee omwegen. Je stelt een rekenrente vast die lager is dan die in andere landen met pensioenfondsen en je stelt, daardoor, dekkingseisen die juist hoger zijn dan in andere landen. Daarmee, zegt men, bescherm je de toekomstige pensioenen. Het nadeel is dat noch de huidige pensionado’s noch de toekomstige daar geloof aan hechten. Dat is een klein nadeel dat zonder al te veel plichtplegingen wordt genegeerd.

Er zijn verschillende manieren om de rekenrente te bepalen. Onder die methodieken is degene die de rekenrente koppelt aan de verwachte rendementen op beleggingen in Europa verhoudingsgewijs het meest in gebruik. Zou dat in Nederland ook gebeuren dan zouden de verhalen over te lage dekkingsgraden in één keer verdwijnen – en daarmee ook de aankondigingen over pensioenkortingen die nu weer de ronde doen. Maar Nederland hanteert een andere methodiek, de methodiek van de risicovrije rentevoet, de rentevoet waardoor aan de verplichtingen van de pensioenfondsen zelfs kan worden voldaan als de fondsen worden opgeheven (en bij veronderstelling zullen worden verkocht aan verzekeraars). De risicovrije rente is een even theoretisch construct als een monetaire unie zonder een politieke unie en in beide gevallen maakt men (in Nederland: de Kamers, de staatssecretaris als vertegenwoordiger van het kabinet, DNB) van theorie praktijk, met vervelende gevolgen maar dat is dan jammer voor de praktijk, niet voor de sacrosancte theorie.

Los daarvan, de huidige pensionado’s worden geknipt en geschoren en moeten daarom stil blijven zitten. In ons land doen ze dat ook, zelfs de belanghebbende bonden komen niet verder dan af en toe een klein kuchje. En of de toekomstige pensionado’s daar beter van worden hangt niet van de huidige pensionado’s af maar van een herziening van het pensioenstelsel en wel zo dat iedereen die in welke contractvorm dan ook arbeid verricht een gedeelte van het daarmee verdiende inkomen moet afdragen voor een pensioenvoorziening. Zolang dat niet gebeurt zullen de ouderen beroofd blijven worden en de jongeren zullen beroofd gaan worden.

29 januari

=0=

 

 

Opstaan

Een documentaire, met de titel Zag je het maar,gisteravond op tv. Het begint met een jonge vrouw (Lisanne) van ergens in de twintig die een huis binnengaat. In het huis is een woongroep gevestigd van jongeren met een licht verstandelijke beperking (LVB). Een jongen en een meisje, een paar jaar jonger dan de binnenkomende vrouw maar veel scheelt het niet, bevinden zich in de keuken. Ze zijn kennelijk eigener beweging opgestaan. Het meisje kapittelt de jonge vrouw: zij had hen moeten wekken. Op haar antwoord dat het niet zo veel meer uitmaakt, nu ze toch al op zijn wordt boos gereageerd. Het was haar taak hen te wekken, ze had dat niet gedaan en bovendien sliepen er nog twee, dus die zijn nog altijd niet op.

Het was de misère in een notendop: denk niet dat wij ergens voor verantwoordelijk zijn. En denk dus ook niet dat wij voortaan zelf wel de verantwoordelijkheid zullen nemen voor het op tijd opstaan want als we dat doen dan zijn we vervolgens ook verantwoordelijk voor het maken en nakomen van onze afspraken in de dagbesteding of waar dan ook. Jullie zijn verantwoordelijk, wij niet.

Het is de constante in de documentaire: de jongeren worden aangesproken en aangemoedigd en ze worden gewezen op de noodzaak wat te doen buiten de muren van het huis – als ze dat niet doen zullen ze onzichtbaar blijven voor de wereld waarin ze toch, vroeger of later, een plekje moeten vinden.

De wereld? De jongeren lijken eerder op zoek naar een plek die van hen is, waar niemand hen zal vertellen wat te doen of te laten, dan naar een plek in de wereld. Tegelijk geven ze te kennen dat ze verder geen flauw idee hebben wat ze willen. De vraag wordt hen herhaaldelijk gesteld: wat wil je dan, wat zou jij willen? Een eigen huisje, een gewoon leven, een leven dat net het gewone leven is. Maar het gewone leven is kiezen, is iets willen – en daar verantwoordelijk voor zijn.

Ik vermoed dat ze de wereld hebben leren kennen als een omgeving waarin ze elke keer opnieuw te horen hebben gekregen dat ze niet aan de maat zijn, dat ze het tempo niet kunnen volgen, dat ze de veranderlijkheid van de omgeving niet kunnen bijbenen, dat ze uit zichzelf tot weinig of niets in staat zijn, dat ze geen verantwoordelijkheid kunnen dragen. Dit laatste is, voor de volledigheid, mijn veronderstelling. Ik neem aan dat die jongeren al vaak tegen een muur zijn opgelopen en dat ze bijgevolg ook een muur vermoeden als die er misschien een keertje niet is – in het allerbeste geval maar hoeveel van dat typen gevallen zijn er?

Een autistische jongen volgen we naar zijn stageplek, een garage. Daar zijn ze tevreden over hem. Met de kanttekening dat ze hem wel voortdurend in het vizier moeten houden, dat hij erg veel aandacht en begeleiding opslorpt. Maar voor de rest, een aardige jongen. Die indruk hadden we al eerder opgedaan. Een aardige jongen die niet op zichzelf kan staan.

Hij was één van de twee jongeren die al was opgestaan voor de aankomst van de begeleider, Lisanne. Van de vier jongeren was hij de meest gezeglijke; voor het overige was hij even hulpeloos als de anderen. Er zijn, lees ik in de VPRO-gids, 450.000 jongeren met een licht verstandelijke beperking. De twee documentairemakers, zelf werkzaam in de zorg en beiden in de twintig, vermoeden, zo lees ik in dezelfde gids, ‘dat de zorg niet altijd een goed antwoord heeft op deze groep’. Dat zal ongetwijfeld zo zijn. Alleen is het geen probleem van de zorg alleen.

Het is in de eerste plaats een zorg van een omgeving die zelfstandigheid vraagt, ook waar dat niet serieus verwacht kan worden. De betreffende jongeren hebben dat uitstekend door, hun weigering enige verantwoordelijkheid te nemen voor elk eigen initiatief – al is het maar de verantwoordelijkheid voor het zelf opstaan ook al zijn ze zelf, zonder aansporing, wel degelijk op tijd opgestaan – was een perfecte samenvatting van het probleem. Als we de omgeving voor het gemak even mogen personaliseren dan kunnen we bij de omgeving (noem het de samenleving) ook de klacht van de jongeren deponeren, de klacht, uitgedrukt in de titel van de documentaire, zag je het maar.

27 januari

=0=

 


Twee dingen


Kijk, zei de minister. Ze gaan natuurlijk uit van één van twee mogelijkheden. Aan jullie de opdracht een derde mogelijkheid te verzinnen, waarmee ik weer gekke Henkie kan spelen.

Mogelijkheid één is dat men zal denken dat Teeven en Opstelten een lijk in de kast hebben achtergelaten en mij dat niet hebben verteld. Dan gaat Fred alsnog voor schut en ik sta voor schut. Dat is onprettig. Mogelijkheid twee is dat ze denken dat ik het wel wist, dat ik heb  gegokt dat het niet uit zou komen en dat ik zal moeten toegeven dat ik heb gejokt en nooit meer mag gokken. Ook niet prettig. Mogelijkheid één is beter voor mij dan mogelijkheid twee, maar ik wil ze geen van beide. Ik wil mogelijkheid drie en aan julie de taak dat te regelen.

Een randvoorwaarde is dat Fred en Ivo niet als leugenaars worden weggezet, dat Mark zoals altijd wel wat anders aan zijn hoofd had en dat mijn uitspraak dat de fout bij de ICT-ers lag aannemelijk wordt gemaakt. Daar moet het ook in uitmonden: waar had de fout anders kunnen liggen? De Kamer moet als het ware op het spoor worden gezet van een redenering, een redenering die jullie mij moeten aanreiken, een redenering, een frame, op basis waarvan de Kamerleden, waren ze in mijn positie geweest, wel tot dezelfde conclusie als ik hadden moeten komen.

Test de redenering op Foort van Oosten want die arme jongen zal zich in de Kamer als eerste moeten verweren tegen de hoon van de oppositie. Houd geen rekening met de PvdA, die zijn al blij als ze via hun woordvoerder Jeroen Recourt hun ‘moedeloosheid’ mogen laten varen maar dat is een kwestie van toon en stijl, niet van inhoud en vorm. Los hiervan, degenen onder jullie die de onverlaat opsporen die interne mail heeft gelekt naar Nieuwsuur mogen promotie verwachten. Voorlopig is dat bijzaak, tenzij jullie erin slagen van dat voortdurende gelek een precedent te maken dat de staatsveiligheid, een tweede frame, bedreigt. Dus let daarop, de veiligheid gaat ook hier voor de rechtsstatelijkheid. Ik wil jullie antwoord uiterlijk over twee dagen horen. Dan komen we weer bij elkaar en afhankelijk waar jullie mee komen bepaal ik mijn strategie.

De drie topambtenaren zagen geen technisch probleem, ze zagen wel een integriteitsprobleem. Ze moesten loyaal zijn aan hun minister en ze moesten loyaal zijn aan hun ambt. Geen van hen stond al met één been in hun pensioen en daarom had de minister de juiste afweging gemaakt door juist hen te kiezen. Ze hadden nog een tijdje te gaan en besloten dat hun loyaliteit bij de minister moest liggen want zelfs als deze minister zou sneuvelen zou het niet goed voor hun carrière zijn als bekend werd dat zij een minister hadden getrotseerd.

Het antwoord waar de minister om had gevraagd zou worden dat de I van de ICT in het ministerie op zich wel in orde was maar dat, als gevolg van de ingrijpende reorganisatie van de samenvoeging van twee ministeries in één ministerie van V&J, de C van de ICT was achtergebleven, nog niet volledig op orde was en dat het daardoor wel duidelijk was wie welke opdracht, een opdracht een back-up te maken bijvoorbeeld te laten ‘stopzetten’, aan wie kon geven maar niet wie daarvan en op welke manier en wanneer eveneens op de hoogte moest worden gesteld.

De fout was niet opgetreden indien meer mensen in verantwoordelijke posities van de opdracht hadden geweten en, minister, daarom was het ook geen fout van de ICT-ers maar een fout van nog niet soepel lopende nieuwe gezagslijnen. Daarmee, minister, is inderdaad de staatsveiligheid in het geding want zonder gezag geen effectief veiligheidsbeleid. Geef dat toe, minister, dat van de gebrekkige communicatie en het daardoor haperende gezag en u kunt de Kamerleden ervan overtuigen dat hier geen sprake was van boze opzet van wie dan ook maar van een ongelukkige communicatiestoring, een storing in de gezagslijn. U bent al bezig, en hebt de Kamer daar ook over ingelicht, de gezags- en communicatielijnen te verbeteren en u belooft daar nog eens extra achterheen te zitten.

Dit is uw derde mogelijkheid en zo slaagt u erin van twee dingen drie dingen te maken.

26 januari

=0=

 

 

Desoriëntatie

De oogst van gisteren. Een voorspelbaar interview (Duitsland isoleert zich van Europa) met Paul Scheffer in de Volkskrant, over de verwarring van Duitsland, en over de onontkoombare ontnuchtering van iedereen die de wereld niet ziet zoals hij die ziet. Een mooie column (Humane opvang is meer dan bed, bad en brood) van James Kennedy in Trouw.

Beiden hebben het over vluchtelingen. Voor Scheffer zijn vluchtelingen cultuurproducten die bij ons niet op het menu staan en die daarom hun eigen menu maar meenemen. Voor Kennedy zijn vluchtelingen, ja hoe zeg je dat, nou ja, het zijn individuen, met een eigen geschiedenis en een behoefte aan erkenning van die eigen geschiedenis, die niet de geschiedenis van een opgeplakte cultuur is maar gewoon hun geschiedenis. Voor Scheffer mag je worden wie je bent als je maar wordt zoals wij, de paradoxe formule waarmee we in één beweging onze gekoesterde waarden bevestigen en tegelijk ontkennen (met dank aan de dissertatie van Bram Mellink waarin een en ander uitgebreid wordt toegelicht: Bram Mellink, Worden zoals wij: Onderwijs en de opkomst van de geïndividualiseerde samenleving in Nederland sind 1945. Amsterdam, Universiteit van Amsterdam 2013).

Scheffer bespeurt overigens geen paradox, hij bespeurt een ‘gevoel van desoriëntatie’. Hij ziet niet dat je de waarde van individualisme moet benaderen vanuit jezelf en vanuit de ander en dat je er dan niet mee wegkomt de ander voor te schrijven wat de correcte waarde is – tenzij je je eigen ‘liberale’ waarde opgeeft. Je kunt bij jezelf beginnen en je kunt bij de ander beginnen, want je moet ergens beginnen en enige actie is beter dan geen actie maar daarmee raak je de paradox niet kwijt. Tenzij je, zoals Scheffer, het geduld voor de onoplosbaarheid van een paradox (de paradox lost zichzelf niet op, en ook hier is tijd de enige uitweg – wij hebben geen tijd meer) niet op kunt brengen en je er van af maakt door de waarde die individualisme zou belichamen te vergeten en er een examen van te maken. Geen paradox: waarom zou je jezelf tot deel van het probleem laten maken als je volgens jezelf niet het probleem maar de oplossing bent? Geen paradox, wel verwarring, het gevoel dat je de weg kwijt bent omdat, huiselijk gezegd, de verkeersborden langs de wegen je in verwarring brengen.

Een Amsterdams probleem dus, veel te veel borden met geboden en verboden, met aankondigingen van omleidingen, van tijdelijke wijzigingen die toch knap lang duren, en ze helpen voor geen meter. Maar ook dat is niet het probleem van Scheffer. Het is het probleem van anderen: ‘Er heerst vooral een gevoel van desoriëntatie. Aan de ene kant voelt men de humanitaire verplichting; tegelijkertijd groeit het realiteitsbesef dat er cultuurverschillen zijn, die niet zomaar kunnen worden overbrugd. Dat mensen die onderdrukt zijn of aan een oorlog ontsnappen er niet per se liberale opvattingen op nahouden.’

Houd ik er liberale opvattingen op na? Houdt Rutte er liberale opvattingen op na? Houdt Bolkestein er liberale opvattingen op na? Houdt Scheffer er liberale opvattingen op na en wat zijn, behalve afbraak van de welvaartsstaat en bescherming van orde en eigendom, eigenlijk de liberale opvattingen over wat de staat moet doen, in het geval van vluchtelingen bijvoorbeeld? Als ik Scheffer goed begrijp is een liberale opvatting dat we wel goed zijn maar niet gek en als we gek zijn of gek gemaakt worden, dan worden we opgevreten door de volgelingen van een ‘patriarchale cultuur’ en dat moet dan wel zijn omdat wij, individualisten die we zijn, elk afzonderlijk ons hart laten spreken terwijl zij, collectieve horden en hun eenheidsworstcultuur, ons in de kou zetten. Zoiets? Als het niet zo is, dan ben ik benieuwd wat het wel is.

‘Dat mensen die onderdrukt zijn of aan een oorlog ontsnappen er niet per se liberale opvattingen op nahouden’, dat is het probleem volgens Scheffer. Welke opvattingen houden die mensen er dan wel op na? Patriarchale, zegt Scheffer.

Het lijkt me kort door de bocht (jongelui die zonodig naar het strijdveld willen afreizen doen weinig anders dan hun vaders, en hun moeders, terzijde te schuiven naar de mestvaalt van de geschiedenis), maar als voorbeeld van een redeneertrant van lange halen, snel thuis, mag het volstaan. Niet dat het helpt, want nu weten we nog niet welke opvattingen vluchtelingen er op na houden, we weten alleen dat Scheffer daar alles van meent te weten en we weten dat zijn inzichten de proef van de eerste kritische vraag niet doorstaan.

Maar lees de column van Kennedy. In die column komen diverse vluchtelingen aan het woord (met dank aan mevrouw Kennedy die intensief bij de opvang van vluchtelingen betrokken is, schrijft Kennedy) en wat blijkt? Ze willen niet gezien worden als willekeurig exemplaar in een categorie ‘vluchtelingen’, ze zoeken naar erkenning voor wie zij zelf zijn, het zijn mensen op zoek naar ‘waardigheid’. Gek, erkenning van ieders waardigheid lijkt mij nou net een mooi begin van elk liberalisme.

In het liberalisme van Scheffer ben ik het niet tegengekomen. Toch een geval van desoriëntatie.

24 januari

=0=

 


En statistiek


Leugens, verdomde leugens en statistiek, de uitspraak van Disraeli komt bij gelegenheid in gedachten. Zoals gisterochtend, toen ik in De Correspondent het artikel van Rutger Bregman over het CBS las. Na lezing wist ik weer eens dat staat en statistiek alles met elkaar van doen hebben – en dus heeft de poreuze staat van vandaag andere statistiekbehoeften dan de meer robuuste staat van zo’n vijftig jaar geleden.

In de eerste plaats omdat de staat veel van zijn registratiemonopolie is kwijtgeraakt (net als zijn geweldsmonopolie, zijn monopolie op het trekken en handhaven van grenzen en, onafwendbaar, zijn belastingmonopolie). Het opsporen van data is de internationale sport bij uitstek geworden en de staat speelt daar een rol in maar niet de hoofdrol, en dat laatste noch feitelijk, noch principieel.

In de tweede plaats omdat de staat, na de deregulering en de privatisering/verzelfstandiging, meer dan ooit afhankelijk is van data van derden (private partijen, publieke partijen, andere staten), zonder die data op adequaatheid te kunnen toetsen.

En in de derde plaats omdat ook het CBS, de drager van de statelijke registratiebehoefte, wordt meegenomen in de bezuinigingsdrift (het moet een onsje minder) en hervormingsdrift (meer als een commercieel bedrijf werken, dus zorgen voor eigen inkomsten, ik noem maar wat) van de neoliberale staat.

En dat laatste gaat ver. Het CBS was noodgedwongen altijd al selectief in wat wel en niet werd geregistreerd (inkomens meer dan vermogens, vakbonden meer dan werkgeversverenigingen), zette tijdreeksen op en moest die dan weer afbreken omdat het budget opdroogde maar had wel een zekere onafhankelijkheid ten opzichte van de politiek, en, breder, tegenover elke opdrachtgever.

De onafhankelijkheid krijgt vorm in de CCS, de Centrale Commissie voor de Statistiek, een gezelschap experts dat bepaalt wat het CBS onderzoekt en wat niet. En met welke eisen van nauwkeurigheid, laten we dat vooral niet vergeten: ‘De CCS heeft tot taak het bevorderen van de statistische informatievoorziening van overheidswege en van de nauwkeurigheid en volledigheid van de openbaar te maken statistieken’ (wet op het CBS, artikel 25b).

Die commissie nu gaat worden wegbezuinigd en ook artikel 5.1 over het ‘incidentele’ verrichten van onderzoek voor anderen dan de staat of door de staat aangewezen partijen, staat op de tocht. Er moet verdiend worden en wat het kabinet niet meer fourneert moet dan maar uit de markt komen. Het wetsvoorstel waarin de opheffing van de CCS is opgenomen is, volgens Bregman, al ingediend en dat staat, volgens diezelfde Bregman, niet op zichzelf.

Het gevolg is dat ook het CBS ‘vraaggericht’ moet werken op een opdrachtenmarkt waar, inderdaad, de staat een deel van is, maar ook niet meer dan dat. Het CBS is overigens al druk bezig zich een positie te bevechten op de nieuwsmarkt en doet dat (afgebouwde tijdreeksen of niet) door behalve de registratie ook de ‘duiding’ van de data naar zich toe te halen en zich daar een publiek voor te verschaffen. Het is al een paar jaar aan de gang, een CBS dat data transformeert tot uitslagen op een maatschappelijke, economische en politieke thermometer – en op die manier onze aandacht trekt. Goeiende vermogensongelijkheid (WRR)? Valt wel mee (CBS). Re-integratie werkt niet (de goegemeente van onderzoekers). Re-integratie werkt wel (CBS). Van die dingen.

De CCS stond voor volledigheid en nauwkeurigheid. Met de volledigheid viel het tegen – op een gegeven moment is het geld op en er zit ook een grens aan de administrstieve belastbaarheid van de burgers en organisaties die de gegevens voor het CBS moeten ophoesten. Maar die nauwkeurigheid (conceptuele helderheid, validiteit en betrouwbaarheid), daar stond het CBS voor, met de CCS als waakhond. Dat zijn taken die er, met de poreuzer wordende staat, eerder moeilijker dan eenvoudiger op geworden zijn. Beslissingen over periodiciteit vam metingen, hun aggregatieniveau, over categorieën en categoriseringen, over vergelijkbaarheidseisen aan registratiepunten zijn altijd omstreden beslissingen en vereisen permanent zorg en onderhoud. Ze kosten tijd, dat op z’n minst en wat als de gretigheid om te ‘duiden’ in conflict komt met de nauwkeurigheid?

Precies, daar heb je een commissie zoals de CCS voor nodig. Met duiding heeft dat op zichzelf niets te maken, met het verstrekken van een kwaliteitsoordeel over de data en wat je daar al dan niet mee kunt doen (bewerken bijvoorbeeld en vooruit, ook ‘duiden’) heeft het alles te maken. Het opstellen van zo’n kwaliteitsoordeel kost tijd, de tijd die de zaak waar een faire registratie voor staat nu eenmaal nodig heeft. Ik ben bang dat aan die tijd geknabbeld gaat worden – ook het CBS heeft zo nu en dan zin in een ‘scoop’. Als dat gebeurt lijdt het gezag van het CBS daaronder.

Een verbrokkelende staat krijgt de statistiek die het vraagt. Dat is een veeg teken.

=0=

23 januari

 

 

Demasqué

Ja hoor, ik had ook uit eigen beweging mijn excuses wel aangeboden aan professor Maat. Aldus minister Van der Steur, gisteren in de Tweede Kamer. De Kamer bleek er weinig geloof aan te hechten, met uitzondering van de VVD woordvoerder die zich en passant, net als Van der Steur al eerder deed, met een beroep op ‘emoties’ vergreep aan de nabestaanden van de ramp met de MH17. Dat de minister onbeschaamd aan het liegen was werd overigens niet uitgesproken. Jammer, Van der Steur verdient het.

De SP diende een motie van wantrouwen in. Die het niet haalde want de regeringspartijen en de ‘constructieve oppositie’, met inbegrip van Groen Links en het CDA dit keer, stemden tegen. De tegenstelling regering/oppositie is in ons land vervangen door het continuum regering/nog-niet-regering-maar-wat-niet-is-kan-nog-komen. Daar is Rutte dan toch maar mooi in geslaagd. De ontmanteling van de oppositie. De ontmaskering van de oppositie. Het pragmatisme van de parlementaire leugen. Wij maken ons boos over Wilders en diens nepparlement en worden gedwongen te kijken naar een parlement dat met de volgende verkiezingen bezig is. Hoe moet je zo’n parlement dan wel noemen? Een schijnparlement? Een halte (instappen niet verplicht, uitstappen evenmin, maar niet te lang wachten) op een loopbaantraject? Rechtdoor: naar de regering. Linksaf: naar de EU. Rechtsaf: naar het model voor alles, het bedrijf. Terug: had u maar een goede afspraak moeten maken (raadpleeg zonodig Rick van der Ploeg en Jet Bussemaker).

Het is inmiddels al zo ver gekomen dat als Van der Steur alleen maar had durven toegeven dat hij niet meer in de positie verkeerde om de Kamer te vragen hem op zijn woord te geloven, ik niet elk vertrouwen in hem en in zijn steunpilaren in regering en parlement had hoeven opgeven. Zelfs dat is me niet vergund. In de toekomst zal hij rapporteren en zo en voor de rest moet de Kamer maar afwachten wat er van terecht komt.

Van der Steur is z’n eigen commissie stiekem en, het moet gezegd, hij lekt niet, ook niet na vragen, vragen, nog een keer vragen, nog een keer, en dan doorvragen. De Kamer was bijzonder kritisch, twijfelde aan de oprechtheid van de minister en ging over tot de orde van de dag, de orde van het voorsorteren op een toekomstig kabinet. Het landsbelang is gered, de eer van het land is te grabbel gegooid en ook dat is in uw belang.

21 januari

=0=

 

 

Puur

Was het de voorzitter van de supportersvereniging van ADO die zei dat de mensen die, afgelopen zondag bij ADO tegen Ajax, oerwoudgeluiden maakten elke keer als Bazoer de bal had, daarom nog geen racisten waren? Omdat ze het ‘puur’ hadden gedaan om Bazoer en dus Ajax te ontregelen? Ik gooi een steen naar uw hoofd maar het is geen steen, het is puur iets dat bedoeld is om u even te ontregelen.

Stanley Menzo vertelde dat hij, vijfentwintig jaar geleden, wel eens had gehuild vanwege de racistische smeerlapperij die hij als keeper had moeten incasseren. Vijfentwintig jaar geleden. Het is niet beter geworden. Zo iets, dan is het erger geworden. Het draagvlak voor racisme is gegroeid. En het draagvlak voor het ontkennen van racisme is braaf meegegroeid. Met overdonderend succes. Racisme? Ik heb zorgen meneer, en m’n dochter durft ook al niet meer over straat en ze kan nog geen woning vinden ook. Doe daar eens wat aan en kom me vooral niet op m’n dak met je politiek correcte gezeur.

Draagvlak is de nieuwe apartheid. Naar mijn smaak zou elke politicus die dat idiote woord nog één keer in de mond neemt onmiddellijk moeten worden ontslagen en met pek en veren besmeurd heengezonden worden. Maar zo is het niet. Het is omgekeerd, de politici buitelen over elkaar heen in hun begrip voor de nieuwe apartheid. Wij begrijpen uw zorgen en dan doen we niet moeilijk over uw woordkeus want we delen uw zorgen en we doen er wat aan, we werken aan draagvlak.

Toegegeven, het is flauw om het alleen bij de politici te zoeken. In dit geval, het geval van Bazoer, is het de KNVB die alle blaam treft. Wat heeft de KNVB gedaan, de afgelopen vijfentwintig jaar? Ze hebben daar, hoorde ik, een protocol bedacht, het protocol ‘hoe-om-te-gaan-met-meer-dan-kwetsende-spreekkoren’ (er zijn, mag ik hopen nog meer protocollen, het protocol beledigde scheidsrechter, het protocol fysiek belaagde scheidsrechter, het protocol fysiek belaagde speler, het protocol vechtende supporter – ik streef niet naar volledigheid). Een protocol! Het schijnt dat volgens dit protocol de thuisspelende club kan beslissen de wedstijd te staken als het te gek wordt. Niet de scheidsrechter of de tweede, derde, vierde tot en met n-de ‘official’, nee de thuisspelende, de ontvangende, club. Het is ontroerend, een voetbalclub voorstellen als een gastheer bij wie het welzijn van zijn gasten voor alles gaat. Het is geniaal. Het is onthutsend. Het is beledigend.

‘Den Haag, 23 januari 2029. Van onze verslaggever. De leiding van voetbalclub ADO Den Haag heeft in de 67ste minuut van het duel tegen Ajax besloten de wedstrijd te laten staken vanwege kwetsende spreekkoren, gericht tegen Ajacied Kees Davids, de zoon van Edgar, inderdaad. Op dat moment leidde Ajax met 2-0, en had verreweg het beste van het spel terwijl het befaamde middenveld van ADO, mede door blessureleed, er helemaal niets van bakte. De KNVB deelde korte tijd na het staken van de wedstrijd mee dat ze de twijfels bij Ajax over de zuiverheid van de motieven bij ADO wel kon billijken maar toch van mening was dat de club puur had gereageerd op wat in de persverklaring van ADO als puur racisme werd aangeduid. En dat kan niet, volgens de KNVB, dat kan nooit.

De resterende tijd van de wedstrijd zal op een nader te bepalen tijdstip worden gespeeld, zonder supporters van ADO. De voorzitter van de supportersvereniging van ADO noemde dat puur discriminatie en liet weten dat hij het er niet bij zou laten zitten. Waarom, zo vroeg hij zich af, worden wij weer gestraft en de supporters van FC Utrecht voor hetzelfde vergrijp niet? De KNVB verwijst in dit verband naar het protocol, dat bepaalt dat het de thuisclub is die een wedstrijd kan doen staken en dat de supportersvoorzitter daarom moet aankloppen bij z’n eigen club en niet bij de KNVB’.

19 januari

=0=




Geven


Ontvangen, doen en geven, daar gaat het maar om als we het hebben over het wat van ons doen en laten, over het hoe van ons doen en laten, en over voor wie we doen en laten.

Bij ontvangen moeten we, in het geval van werk, denken aan arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden in de breedste zin van die woorden. Het gaat om het ‘plezier’ van het werk. Arbeidssatisfactie, van die dingen.

Bij het doen zelf moeten we denken aan arbeidsinhoud en arbeidsverhoudingen, ook hier in de breedste zin van die woorden. Het gaat om ‘goed’ werk, werk waarin je sterke punten tot hun recht komen en waarin je niet vast komt te zitten in een routine waar je op een gegeven moment niets meer van leert, het gaat om werk dat jouw talenten aanspreekt. Vul maar in, uitdagend werk, gevarieerd werk, werken in een team met diverse elkaar goed aanvullende kwaliteiten enzovoort. Arbeidsmotivatie, op die fiets.

En bij geven denken we aan het doel van je werk, voorzover dat doel althans boven of buiten de tredmolen van alledag ligt. Dan gaat het om ‘zinvol’ werk, werk dat je voor de ander doet, opdat die ander dan beter tot zijn/haar recht komt, werk dat emancipeert, werk daarom dat in het teken staat van het bevorderen van wat hogers dan je eigen behoeften en belangen. Tussen beroep en roeping, zeg maar. Tel het bij elkaar op, tel het plezierige, het goede en het zinvolle werk bij elkaar op, en je hebt ‘mooi werk’.

Mooi werk is de titel van een essay (in het kader van de maand van de spiritualiteit) van de hand van Ben Tiggelaar. Gistermiddag presenteerde hij het essay, bij Scheltema, aan het Rokin. Ik wilde het essay lezen en ik wilde Tiggelaar horen. Zijn reputatie van een goed en bevlogen spreker was hem vooruitgesneld, dus ik was gewoon nieuwsgierig. En het klopt, Tiggelaar is een goed spreker, een spreker die je niet zozeer toespreekt als wel aanspreekt. Dat is aangenaam.

De inhoud, in contrast, is minder aangenaam en dat komt omdat de inhoud helemaal niet over werk gaat maar over ‘geluk’. En je kunt gelukkig zijn als je plezier hebt, als je iets goed doet of als je anderen iets kunt en ook mag geven. Ik geloof dat dit laatste tegenwoordig ‘delen’ heet, maar, ere wie ere toekomt, daar bezondigt Tiggelaar zich niet aan. Maar dat het niet over werk gaat maar over de beleving van werk, alsof die twee identiek zijn, dat is behoorlijk storend. Het is alsof je belooft iets over ‘zin’ te zeggen en je beperkt tot ‘zingeving’, alsof je alles waar je de zin niet van inziet als ‘zinloos’ mag betitelen en vervolgens meent te kunnen beweren dat het zinloze terzijde kan worden geschoven omdat het toch niet bij ‘zin’ hoort. O nee? Het is alof je het over geluk meent te kunnen hebben door het lijden te verzwijgen. Het is alof je het over werk meent te kunnen hebben en tegelijk van onlust, pijn, er doorheen zitten, kortom: van afzien, te mogen afzien. Het is alsof je meent met alleen ‘positieve psychologie’ (positieve psychologie, in de figuur van Martin Seligman, is de eerste en voornaamste referentie van Tiggelaar) ons allen een hart onder de riem te steken.
Ik geef er niks voor. Werk werkt niet zo. Niets werkt zo.

17 januari

=0=

 

Onderwerp

‘De kunst is nu dat we dit open en eerlijk bespreken, maar wel met nuance en zonder te vervallen in racistische stereotypes’. Deze zin staat aan het einde van een artikel van Brenda Stoter, De vrouwenhaat vlucht mee (Trouw, vandaag). Een goed artikel in de reeks die bij Trouw het ‘dossier vluchtelingen’ heet, en een waardige oproep, zij het een oproep die het ‘hoe’ van het leren beheersen van die ‘kunst’ niet aanreikt. Wat wordt het, een wedstrijdje vrouwenhaat tegen xenofobie? Wat moeten we, spreken over vrouwenhaat en de xenofobie laten voor wat het is? Welke woorden zijn beschikbaar als we weten dat we xenofobie niet durven benoemen en met gezwatel als ‘draagvlak’ aankomen? Wat kunnen we, in een wereld waar elk woord zijn onschuld heeft verloren en er altijd wel iemand is die zich gekwetst zal voelen?

Wat anders dan beseffen dat we, waar we ook over spreken, altijd en onvermijdelijk ook over onszelf spreken? Wij zijn zelf deel van het onderwerp, deel van elk onderwerp dat we aanroeren en dus kunnen we niet anders dan het over onszelf hebben als we het over anderen hebben. Ja, zou ik zeggen, naturlijk, iets anders is er niet. Iets wereldvreemder is er ook niet trouwens.

Dat is het probleem, het beletsel om het gesprek te voeren waar Stoter op aandringt. Het wij/zij denken, het denken dat vanouds het statenstelsel definieert, het denken in klassen en klassenstrijd, het denken in vrienden en vijanden, het denken is seksen en seksenstrijd, het alsmaar uitdijende bereik van het denken in eigen en vreemde herkomst, het is het denken over de ander als de ‘invisible man’ (de weigering enige overeenkomst met de ander te zien), het is het denken dat de enkeling onzichtbaar maakt door hem in een of andere, vaak maar niet per definitie negatief getoonzette, categorie onder te dompelen.

Dat denken is niet in omvang en kracht afgenomen, het is algemener geworden en sterker geworden. Het is een ontkenning van wat Avishai Margalit twintig jaar geleden alweer ‘fatsoen’ noemde en fatsoen is de drempel waar we overheen moeten voordat we aan beschaving (het niet ontkennen van de ander, van de ander in onszelf, van onszelf in de ander) toekomen. Die drempel is alleen maar hoger geworden in het recente verleden en daarmee is het gemak gegroeid om over de ander te spreken zonder over jezelf te spreken. Wie dat laatste toch doet mag hoon verwachten – als het daar al bij blijft.

Het is een waardige oproep, dat wel. Of we nog waardigheidsbekleders hebben die zich ervoor zouden durven inzetten (en dus zichzelf op de korrel durven nemen)? Ze zijn er, ongetwijfeld, maar ik betwijfel of we ze onder actieve politici zullen vinden. Onze politici verstoppen zich liever achter het ‘draagvlak’ van de ‘samenleving’ dan het voortouw te nemen in een debat waar ze zichzelf alleen maar kunnen presenteren als ze de moed hebben dat zij, dat ook zij, deel van het probleem, van het onderwerp, zijn.

16 januari

=0=

 


Emotioneel

Het was stom van me, had de minister kunnen zeggen. Of, ik sprak weer eens ver voor mijn beurt. Het was onbeschoft, onbesuisd, ongepast wat ik deed. Had allemaal gekund. Maar de minister zei wat anders, iets wat niemand kan ontkrachten en evenmin bevestigen. Emotioneel.

Emoties kunnen we niet zien, we kunnen er hooguit een vermoeden over opstellen, aan de hand van het gedrag (gezichtsuitdrukking en -kleur, vuist op de tafel, gebalde vuist, stemverandering, dingen we kunnen zien en horen en waar we dan iets aan kunnen verbinden). Minister Van der Steur had gesproken over ‘buitengewoon onsmakelijk en ongepast’, bewoordingen die hij nu moet inslikken maar ook bewoordingen die eerder uitblinken in afkeuring dan in emotie. Van der Steur wou laten zien dat hij lik op stuk kon geven, dat hij alert en krachtdadig kon reageren. Van der Steur wou een beeld van zichzelf neerzetten en greep de aanleiding – een lezing van professor Maat – dankbaar aan. Maar geëmotioneerd? Nee.

Toen Van der Steur doorkreeg dat hij fout zat met zijn diskwalificaties aan het adres van Maat en dus ook fout zat met diens verwijdering als MH17-onderzoeker deed hij weinig anders dan zijn eigen misslag onder het tapijt te vegen. Dat is kinderachtig. Schuldig zal hij zich niet hebben gevoeld – deze minister vreest geen schuld, deze minister vreest schaamte. En toegegeven, schaamte kan een sterke emotie zijn, sterk genoeg in elk geval om Maat te laten bungelen en de Tweede Kamer te bedotten. Dat blijkt – uit het gedrag van de minister en nu eens een type gedrag dat, hoewel wij het niet konden zijn, zeer wel als emotioneel kan worden omschreven. Maar in dit verband zei de minister het niet.

Dat moet de Kamer dan maar zeggen – en de minister naar huis zenden wegens mondeling en schriftelijk wangedrag dat hij ook nog eens een tijdje heeft proberen te verhullen met geen andere en evenmin een betere reden dan zichzelf uit de wind te houden. Dat is de sterkste emotie van deze minister: puur eigenbelang. Het is pas tegen de achtergrond van die emotie dat het beroep van de minister, gisteren, op zijn emoties in zijn aanvankelijke reactie op Maat begrijpelijk wordt. Het ging niet om Maat, het ging om hem.

De uitkomst van het debat in de Tweede Kamer hierover zal wel worden dat Van der Steur voor de derde keer in korte tijd wegkomt met een miskleun en dat de Kamer daarmee stilzwijgend uitspreekt dat een minister die het publieke belang minder zwaar vindt wegen dan zijn eigenbelang gewoon kan aanblijven.

15 januari

=0=

 

 

Geloof, scepticisme en demonstratie

Eén opdracht aan de politiek is het beteugelen van ‘willeurig geweld in menselijke aangelegenheden’ (Michael Oakeshott, The Politics of Faith & the Politics of Scepticism. New Haven/London, Yale University Press 1996: 18). Dat zou je, het perspectief verbredend van de politiek naar de politie, naar de sterke arm van de politiek dus, bij uitstek ook de opdracht aan de politie, de legitieme drager van het geweldsmonopolie, kunnen noemen. De vraag is dan: lezen we het handelen van de politie in het teken van ‘geloof’, ‘scepticisme’ of, een derde mogelijkheid die we bij Oakeshott overigens niet tegenkomen, van ‘demonstratie’?

Ik had op deze plek ook aan Moïsi en diens ‘culturen van hoop, angst en vernedering’ (Dominique Moïsi, De Geopolitiek van Emotie. Amsterdam, Nieuw Amsterdam Uitgevers 2009) kunnen refereren, of aan Albert Hirschman en zijn ‘rhetoric of reaction’, de retoriek die veranderingen begeleidt en gekleed is in het beschuldigende habijt van respectievelijk perversiteit, futiliteit en rampspoed (Albert Hirschman, The rhetoric of reaction. Cambridge Mass., The Belknap Press of Harvard University Press 1991), maar doe dat niet juist vanwege de insteek van Oakeshoot die het niet zozeer over politieke kampen en overtuigingen heeft maar om ‘extremen’, om extreme (‘ideaaltypische’, vgl. o.c.:21) stijlen die bij elke overtuiging, bij elk ‘kamp’ herkenbaar zijn, van hooligans tot en met jihadstrijders, van burgers die inspraak eisen, draagvlak bestrijden en met inspraak een veto bedoelen tot en met burgers van links tot rechts die het bijltje erbij neer hebben gegooid en soms weer opgraven. Ik zou denken dat we sinds de jaren zestig van de vorige eeuw de politie meer met een sceptische bril hebben leren zien en bejegenen dan daarvoor en dat daar de bril van de demonstratie – in het bijzonder bij het geweld tegen de politie – bij is gekomen, minder algemeen gangbaar dan het scepticisme ongetwijfeld maar wel heftiger, onverzoenlijker en militanter. En de politie zelf? Hoe ziet en behandelt de politie de burger? Is de wetenschap dat ruim de helft van de Franse politiemensen en militairen FN stemt verontrustend? Hoe, trouwens, ziet dat er ten onzent uit?

De politieke stijl van het ‘geloof’ waarvan hierboven sprake is, is een ‘pelagiaans’ geloof: uiteindelijk een geloof dat niet God of Christus maar de mensen mensen zelf hun eigen zaligheid kunnen maken. Religieuze motieven zijn niet uitgesloten maar evenmin beslissend. Beslissend is het geloof in het goede, in het goede van de menselijke natuur. Mensen zijn het product van omstandigheden die ze zelf maken en zelf veranderen. Ook de vervolmaking is mensenwerk en het is een opgave voor de politiek daaraan bij te dragen (o.c.: 23-24). Politiek staat dan in het teken van de hoge opdracht van de vervolmaking en alleen al daarom kunnen gezagsdragers op het nodige krediet rekenen. Het zijn gezagsdragers die bekeken worden in het licht van het traditionele beeld van het gezag, het gezag in dienst van een hogere ‘zaak’. De ‘sceptische’ stijl van politiek bedrijven en beleven gaat er daarentegen van uit dat het ideaal van vervolmaking ofwel niet haalbaar is ofwel niet deugt, in elk geval niet voor de politiek (o.c.: 31).

Politici en de bijbehorende ambten en ambtsdragers zijn in onze dienst, zijn aan ons verantwoording schuldig en hebben net zoveel recht op krediet als ieder ander en niet op meer. De geloofsstijl verwijst naar een leer over de menselijke natuur, de sceptische stijl verwijst eerder naar menselijk gedrag, gedrag dat, tenzij in toom gehouden, tot conflicten zal leiden. Politiek is hier niet ‘goed’, gericht op perfectionering, politiek is hier ‘noodzakelijk’, nodig om te voorkomen dat elke strijd uit de hand loopt, inclusief het risico dat elke strijd een strijd op leven en dood wordt (o.c.: 33). In het eerste geval wordt de beschaving, indien de politiek goed werk aflevert, steeds gepolijster, in het tweede is beschaving niet meer dan een dun laagje, dat zonder bescherming van de politiek zo maar zou kunnen verdwijnen.

De overheid is allereerst een dienaar van de orde – en daartoe volstaat een kleine overheid, al was het maar om tegen te gaan dat de overheid teveel macht verzamelt: ook de overheid, de politici en de ambtenaren, is het conflict niet vreemd en dan is het onverstandig hen voor hun werk meer toe te staan dan strikt nodig. In dezelfde toonsoort hoort de opmerking van Oakeshott dat de regering in de sceptische lijn geen morele goed- of afkeuring kan hebben (o.c.: 35). Kortom (de zin is te fraai om hem niet te citeren): ‘… in the politics of scepticism, government is like good humour and raillery; the one will not get us to heaven and the other does not demonstrate ‘truth’, but the first may save us from hell and the second from folly’ (o.c.: 36).

Oakeshott vergelijkt de twee stijlen met twee polen in een krachtenveld (o.c.: 16). Hij heeft het over een stijl in de zin van activiteiten en van ons begrip van die activiteiten. Een stijl vergelijkt acties met andere acties en verklarende bewoordingen met andere verklarende bewoordingen: een stijl biedt een altijd weer voorlopige oplossing voor de ambiguïteit van elk politiek vertoog en voor de ambivalentie van handelingen in de politiek (o.c.: 17). Het veld is nooit in rust en dus altijd in beweging. Soms is de ene pool sterker en dan beweegt het gehele veld die kant op. Dan oordelen we over politici als, zeg, zakkenvullers en we merken dat politici, zakkenvuller of niet, zich daar niet aan kunnen onttrekken. Elke scheve schaats wordt niet alleen uitvergroot, hij wordt gezien als bewijs van een stelling, en werkt dan als olie op het vuur. De werking is selectief en dat is geen ontkrachting van het verschijnsel, het is er, omgekeerd, een bekrachtiging van: we zien dat binnen de politiek een scheiding wordt aangebracht die weinig met links en rechts en alles met een veronderstelde ‘elite’ te maken heeft: je kunt je binnen de politiek afzetten tegen de ‘elite’ en je daarmee distanciëren van het verwijt van zakkenvuller te zijn. Het is de stijl van GeenStijl. 

En de derde stijl, de stijl die ik ‘demonstratie’ heb genoemd? Ik heb geaarzeld over die naam (ik dacht ook aan twitter, sociale media, de overdrijving en de hyperbool, aan grofheid en woede, aan de rijstebrijberg van peilingen) maar kan voorlopig niets adequaters vinden. Het is een stijl in wording, we merken er voornamelijk wat van in de invloed die hij heeft op de andere stijlen. Toch heb ik het niet slechts over een aspect van de andere stijlen en dat komt omdat ik vermoed dat de stijlen die bij Oakeshott centraal staan hun ontstaan danken aan enerzijds een communicatieve revolutie, waarvoor de boekdrukkunst, de opkomst en zegetocht van het geschreven en gedrukte woord, en de verspreiding van ideëen, op een vergelijkenderwijs grote schaal, in het kielzog daarvan model staan, en anderzijds de komst van de moderne staat, een staat die het product is van de scheiding van staat en maatschappij en niet langer de belichaming ervan.

Nu, ik verbind de ‘demonstratie’ als stijl met een nieuwe, de boekdrukkunst opvolgende, communicatieve revolutie die gepaard gaat aan ‘globalisering’ enerzijds (en dus de relativering van de moderne staat en het moderne statenstelsel) en aan de ‘realtime – online’ communicatie die de hele wereld tot publiek heeft en die de scheiding tussen de productie van ideëen en de afname ervan tot in het onherkenbare heeft doen vervagen – met de social media als de voor de hand liggende illustratie en met als onmiskenbaar gevolg dat niemand zich nog kan verbeelden niet te communiceren. Wij kunnen niet langer niet communiceren – alleen al die overweging bezegelt het lot van ‘privacy’.

Op 16 maart 2007 (zo lang loopt mijn dagboekhouderij al) schreef ik het volgende: ‘Als privacy iets is waarvoor we ons moeten verontschuldigen – u heeft toch niets te verbergen? – is het gedaan met de privacy. Wij zijn van die situatie niet zo ver meer verwijderd. Privacy is het recht op non-communicatie. Als ons dat recht wordt ontzegd houden we alleen de plicht tot communiceren over. U kunt niet niet communiceren: dat is de moderne regel van de moderne samenleving. U zegt niets? U doet niet mee? Wij interpreteren dat als een weigering, een afwijzing. U kunt ontkennen dat het dat is maar wij lezen uw gedrag zo dat u tegen ons zegt dat u zich buiten de orde op wilt stellen die wij nu juist zo op prijs stellen. En die ook voor u de beste zal blijken, zodra u uw koppigheid hebt ingeslikt’. We hadden het toen nog niet over ‘big data’, maar dat laat de strekking onverlet.

Dwingende communicatie meldt zich niet alleen overal en permanent, het eist ook snelle, korte, krachtige interventies, interventies die geen ruimte laten voor de ambiguïteit waarmee elk politiek idioom is behept, en die geen ruimte laten voor de ambivalentie die in de regel kleeft aan politiek handelen. Dat is nieuw. De politieke stijlen van Oakeshott konden daar geen rekening mee houden (het manuscript is vermoedelijk van 1952; o.c.: ix) en vandaar dat de demonstratieve stijl, de stijl gericht op uitdaging, provocatie en confrontatie, de stijl waarbinnen het frame zwaarder telt dan de boodschap, de stijl die twijfel, nuance en aarzeling als even zovele zwaktes ziet, de stijl die aan 140 tekens genoeg heeft, de stijl waarin het oordeel vooraf gaat aan het onderzoek, in zijn verhaal geen plek heeft gekregen.

Kan het zijn dat niet slechts de politiek maar ook de politie zich inspant om effectieve omgangsvormen met de demonstratieve stijl te ontwikkelen, in de wetenschap, misschien, dat het direct ingaan op elke uitdaging hun macht nodeloos snel zal uitputten, dat dat meer aan capaciteit en dus tijd, organisatie en middelen vereist dan beschikbaar is? En zijn, omgekeerd, een overheid die zijn burgers wantrouwt en een politie die de burgers verengt tot risicoprofielen en die op grond daarvan observeren en ingrijpen, nu een antwoord op nieuwe uitdagingen of zelf ook een uiting van een demonstratieve stijl?

En wat betekent dit voor het ‘beteugelen van willekeurig geweld in menselijke aangelegenheden’? 

14 januari

=0=

 


Kam


Rond de jaarwisseling is het meestal raak. Politie en hulpdiensten (brandweer, ambulances) worden gehinderd en soms ook belaagd door omstanders. Bij gelegenheid (en met sociale media en smartphones stijgt het aantal gelegenheden) kan het ook gedurende het jaar raak zijn. De ‘facebookrellen’ in Haren, de strandrellen in Hoek van Holland, de politie (en in Haren ook de burger) werd van ordehandhaver bedreigde diersoort. De burgemeesters hadden de lokale politiecapaciteit moeten ‘opschalen’, en hadden dat nagelaten (net zoals Keulen te laat was). Te laat is te laat – flexibiliteit in de verdeling en herverdeling van politiecapaciteit is meer dan ooit nodig en meer dan ooit opzichtig afwezig; met de nieuwe Politiewet is dat niet verbeterd. De burgemeester van Rotterdam bleef aan, de burgemeester van Haren stapte op.
En het zijn niet alleen politiefunctionarissen, ambulancemedewerkers en brandweerlieden die belaagd (agressie en geweld: verbaal geweld, fysiek geweld, seksuele intimidatie, intimidatie en discriminatie) worden. Ook personeel van het openbaar vervoer, ambtenaren, onderwijzers en leraren, en baliemedewerkers van diverse publieke diensten zijn af en toe, en soms vaker dan af en toe, de klos. En de vele beveiligers die we aantreffen van winkels en winkelcentra tot en met Schiphol. Worden ze met de politie over één kam geschoren?

Die vraag roept twee vervolgvragen op. In de eerste plaats de vraag of het zich gestaag uitbreidende veiligheidscomplex iedereen die daar direct dan wel indirect, zichtbaar of op afstand mee te maken heeft, in de gevarenzone brengt. In de tweede plaats of mijn beperkte waarnemingen kloppen dat het publieke deel (in 2010: 56.000 werknemers) van dit complex veel meer agressie (en in het verlengde daarvan meer slachtoffers) oproept dan het private deel (in 2010: 32.000 werknemers) – en vanzelfsprekend ook de daarbij horende vraag waarom dat dan zo is (aantallen werknemers ontleend aan Sander Flight en Manja Abraham, Veilige Beveiligers; een onderzoek naar agressie en geweld tegen beveiligers. Amsterdam, DSP-Groep 2012: 5, figuur 1.1). Dat vermoeden is ontstaan uit berichten over collectieve agressie tegen, in het bijzonder, politie, brandweer en ambulancepersoneel. Dat kan natuurlijk een vertekening opleveren want hoewel bijvoorbeeld winkelbeveiligers zelden het mikpunt zijn geweest van collectieve agressie hoeft dat niet te betekenen dat ze niet dagelijks belaagd kunnen worden, terwijl hun collega’s bij de beveiliging van evenementen weer wel aan collectief geweld blootgesteld kunnen worden.

Private beveiligers kunnen een publieke taak uitvoeren (denk bijvoorbeeld aan de beveiliging op Schiphol), het probleem is echter dat we in de data niet terug kunnen vinden om hoeveel mensen het hier gaat. Voor het gemak ga ik er maar vanuit dat de beveiligingsbranche private klanten bedient, met een dienstverlening die niet zozeer geografisch (iedereen in een bepaald gebied) als wel functioneel (bescherming van sommige panden en niet van andere, bescherming van winkelpersoneel, niet van het winkelend publiek) is ingericht. Dat klopt niet, maar het is slechts een enkele keer mogelijk om bij de beveiliging publiek en privaat uit elkaar te houden. Dat zal ik dan als zodanig benoemen.

Nu, hoe ziet het er uit? Om te beginnen, als je in het openbaar vervoer werkt heb je de grootste kans op overlast van het publiek (net wat meer dan wanneer je in het gevangeniswezen werkt of gerechtsdeurwaarder bent) en als je gemeenteraadslid bent de kleinste (behoorlijk minder dan de eerstvolgenden, de belastingdienst en de brandweer). Dat geeft aan hoe breed de omschrijving van een ‘veilige publieke taak’ (VPT) is en het geeft tegelijk aan hoe lastig de data te lezen zijn: hoeveel gerechtsdeurwaarders zijn veel minder met hun deurwaardersfunctie bezig dan met hun incassofunctie? Daarom, hoewel de beveiligingsbranche wat vaker in een lastig parket verzeild raakt dan het gemiddelde van de in totaal vijftien onderscheiden VPT beroepen, vraag ik me af wat de data ons precies vertellen (ik kijk hier naar de data in Flight en Abraham o.c.: 11, figuur 2.1). Met mijn vermoeden dat de private sector minder last heeft dan de publieke lijkt vooralsnog het nodige mis te zijn, met mijn andere vermoeden – dat iedereen die ook maar iets met veiligheid te maken heeft over één kam wordt geschoren – kan ik het nog even uithouden. Niettemin, de geciteerde data gaan over de kans gedurende een jaar, niet over het aantal keren overlast per jaar (bij de beveiligers heeft een kwart van de werknemers er één keer per maand last van, voor de overige beroepen zijn de cijfers niet beschikbaar). Om welk type overlast gaat het? Schelden en schreeuwen gaan op kop, intimidatie en fysieke agressie volgen, dan discriminatie  en seksuele intimidatie sluit de rij (hetgeen ongetwijfeld te maken heeft met de omstandigheid dat de beveiliging een mannenberoep is: 79% van de beveiligers is man; o.c.: 8). Of het nu om VPT werknemers gaat of om beveiligers maakt voor het type overlast niet veel uit – behalve bij intimidatie, wat bij de beveiligers anderhalf keer zo vaak voorkomt als bij VPT werknemers (o.c.: 12, figuur 2.2 en 13).

Heeft het soort dienstverlening ermee te maken? Het heeft er alle schijn van. Winkelsurveillance en toezicht en handhaving (straatcoaches, boa’s, parkeerbeheerders en verkeersregelaars) scoren het hoogst (o.c: 13, figuur 2.3 en 14). De politie, echter, wordt hier weer niet genoemd. De publieke en van de politie  afgesplitste beveiligers en de private beveiligers ontlopen elkaar vrijwel niets als het om het incasseren van overlast gaat. Omdat de politie iets, maar niet heel veel, meer voor z’n kiezen krijgt dan het gemiddelde van de andere beroepen in de VPT sfeer (o.c.: 11) zouden we mogen concluderen dat het politieuniform geen extra bescherming oplevert. Het is een voorzichtige conclusie. De data zijn nergens geweldig te noemen (ook niet in de ‘metamonitor veilige publieke taak’; zieJ. Brekelmans, J. van den Tillaart, G. Homburg, Metamonitor Veilige Publieke Taken, Amsterdam, Regioplan 2013, die wel ingaan op de politie, maar weer niet op boa’s enz.) en dan schiet het niet op.
Niettemin, het onderscheid publiek-privaat blijkt er niet heel erg toe te doen.

Voor de politie – voor het gezag van de politie – zou dat een alarmerende conclusie moeten zijn: is het zo dat met de vervagende grenzen tussen wat wel of niet of niet meer of niet steeds politietaken zijn ook de bejegening van de politie niet meer te onderscheiden is van de bejegening van allen die iets met ‘veiligheid’ moeten? Het uniform beschermt niet en of het nu een politieuniform is dan wel een uniform van een private beveiliger: beveiligers worden over één kam geschoren en elk uniform is onder omstandigheden als de spreekwoordelijke rode lap.
Een nieuwe onoverzichtelijkheid.

12 januari

=0=

 


Burgeroorlog


Burgeroorlog is een taboewoord in het debat over vreemdelingen, vluchtelingen en, bij ons, allochtonen tot in het zevende geslacht. Niemand wil ervan beschuldigd worden op een burgeroorlog aan te sturen. Daarom kunnen we de vraag beter omkeren: cui bono? Wie heeft baat bij een burgeroorlog? 
Een burgeroorlog is de ergste oorlog denkbaar. We zien het elke dag opnieuw in Syrië, we zagen het twintig jaar geleden in Joegoslavië, tachtig jaar geleden in Spanje en de vele burgeroorlogen in Afrika halen regelmatig niet eens de krant.

IS heeft er baat bij, zoveel is wel duidelijk. IS roept moslims op de oorlog te verklaren aan iedereen die geen moslim is en aan iedereen die geen goede moslim is. Dat gaat niet zonder burgeroorlog. En verder? Breivik dacht dat Nederland wel een kandidaat was voor een burgeroorlog. Wie zoiets roept droomt van een grote schoonmaak – en beschuldigt de politici van lafheid, beschuldigt hen ervan dat ze voor radicale actie terugschrikken en verbindt daar de conclusie aan dat hun slapheid een burgeroorlog dichterbij brengt.

Wilders nam afstand van het geweld van Breivik, het geweld dat de burgeroorlog diechtebij moest brengen, maar hij was het eens met de conclusie: zolang de politici het gevaar blijven ontkennen van moslims die niets liever dan een burgeroorlog willen en daar met hun acties al aan begonnen zijn, zolang is het wachten op een heuse burgeroorlog een kwestie van tijd.

Wilders heeft altijd gelijk, ook als hij, zoals meestal, ongelijk heeft. Hij is immuun en alleen zij die hem volgen kunnen leren zich te immuniseren. Alle overigen zijn kandidaten voor besmetting met het islamiseringsvirus en daar moet je afstand van houden. Je moet ze isoleren en bij voorkeur uit je gezelschap verwijderen. Het is oorlog, maar Wilders roept voorlopig alleen op tot ‘verzet’.

Wilders overdrijft zijn verschil met anderen. Hollande heeft de oorlog verklaard, Rutte heeft dat ook gedaan. Halfhartig zoals bij alles maar toch. Het is oorlog in naam van onze ‘normen en waarden’, en het is oorlog op kosten van de waarde der waarden: de waarde van pluriformiteit, diversiteit, van het verschil en het recht op verschil. Die waarde wordt verstikt, bedolven onder een homogeniserende en uniformerende cultuur van normen en waarden, een cultuur die pluriformiteit, diversiteit en verschil ten diepste wantrouwt en ten hoogste als folklore durft gedogen.

De door politici van links tot rechts gebezigde mantra van onze normen en waarden begint steeds meer trekjes te vertonen van een nieuw monotheïsme, en wat je ook van monotheïsme kunt zeggen, niet dat het een vriend is van pluriformiteit, diversiteit en verschil.

In naïevere tijden dachten we nog dat het eerste slachtoffer van oorlog de waarheid was. Dat is niet zo en was ook nooit zo. Het eerste slachtoffer van oorlog is het recht op verschil. Dat recht wordt onderdrukt, verstikt, bedolven. Nee, dat hoeft niet uit te monden in een burgeroorlog. Dat deed het destijds in Duitsland ook niet en in Italië evenmin. Maar het is wel altijd een oorlog tegen de burger.

Cui bono? In ons land hebben ‘wij’ er geen baat bij, maar of dat voor ‘zij’ ook opgaat, daar wordt verschillend over gedacht en een onbedoeld gevolg zit in een klein hoekje, in elk klein hoekje als je er even over nadenkt en alleen al daarom moet het recht (inclusief het recht op verschil) een stapje terug zetten en de veiligheid een stapje vooruit. Dat is alvast een overwinning voor de monotheïstische kerk. Cui bono? Geen idee, maar dat het verlies het verlies van de burger is, dat staat vast.

9 januari

=0=
 

 

Voorbij

Soms heb ik geluk en kom een zin tegen die zo goed is dat mijn hart er een sprongetje bij maakt. Ik denk, nu, aan het zinnetje van Bart Ongering (‘meester Bart’) in zijn onderwijscolumn in Trouw, 6 januari. Hij schrijft, naar aanleiding van een leerling waarvan hij wist dat haar moeder een alcoholprobleem had en dat dat het er voor de leerling niet makkelijker op maakte: ‘Misschien kijk ik te veel voorbij de leerling naar het kind’. Het ‘kind’ kwam er ook zonder de ‘meester’ wel uit en de meester wist dat hij om de leerling te zien niet alles moest terugbrengen tot het kind.

Een schot in de roos. De vinger op de zere plek. De spijker op de kop. Woorden schieten niet altijd tekort, dat blijkt. Onderwijzers die door het kind de leerling niet meer zien, die schieten tekort en meester Bart schiet, gelukkig, niet tekort. Hij ziet het gevaar van de verwaarlozing van de leerling in naam van het kind. Chapeau, zeg ik dan. Daar kunnen de media die voorbij de daad van de massale aanrandingen in Keulen kijken en alleen Arabieren, Noord-Afrikanen en, vooruit, Syriërs zien, nog wat van opsteken.

Wat is er gebeurd? Ach, wat kan ons dat nou schelen, wie het hebben gedaan is vele malen interessanter dan wat er is gedaan. Belicht met een aantal trefwoorden de achtergrond van de daders en we weten genoeg. Alsof het trefwoord ‘alcoholische moeder’ genoeg is om het gedrag van de leerling te verklaren en, afhankelijk van de gebeurtenissen, te vergoelijken of te veroordelen. Alsof de trefwoorden ‘arabisch’, ‘noord-afrikaans’, ‘syrisch’, ‘migranten’, ‘vluchtelingen’ volstaan om elke gebeurtenis te verklaren. O, ook nog alcohol? Mogen ze dat? Zijn ze nu echt helemaal losgeslagen? Weten we nu meer over wat er is gebeurd? Nee, maar het profiel van de dader is wel rond, vind je niet? Take your pick!

Jinek (‘ik weet waar ik het over heb, mijn ouders waren zelf vluchteling’) had het gisteravond over de ‘fundamenteel’ andere cultuur van vluchtelingen. Asscher maakte er de ‘heel’ andere cultuur van. Precies, als je aan de vluchtelingen voorbij wil kijken heb je aan ‘cultuur’ genoeg. Ja, dan zie je de vluchtelingen niet meer, je ziet je eigen zelfgenoegzaamheid (‘cultuur’) voorbijkomen en daar spiegel je je aan. Ze hebben onze waarden niet, ze kunnen niet omgaan met onze vrijheden, ze minachten vrouwen en homo’s, ze zijn onverdraagzaam en hebben nooit iets anders geleerd. Lange halen, snel thuis, deuren en ramen dicht. Ja toch?

Het geoudehoer over cultuur is een cultureel product dat aan elk zinnig gesprek over cultuur een einde maakt.

8 januari

=0=

 

 

Politioneel

Met de komst van de Nationale Politie reageert de overheid op ontwikkelingen in de wereld van de misdaad, de misdaad die internationaler is geworden, grootschaliger, geweldddadiger en die steeds vaker gebruik maakt van het internet. Ook het terrorisme dwingt tot centralisering van middelen en capaciteiten. Bij elkaar zijn misdaad- en terrorismebestrijding goed voor de accentverschuiving van justitie naar veiligheid, zowel in de zin van de centralisering van het beleid ervoor in één ministerie, als (tot en met naamgeving aan toe) de voorrang voor veiligheid.

De nationale schaal is wat vreemd. Als misdaad en terrorisme grensoverschrijdend zijn had het voor de hand gelegen om ook de politie grensoverschrijdend (bijvoorbeeld ‘nodaal’, op de knooppunten van informatiestromen die niet territoriaal maar ‘probleemgericht’ verlopen) te organiseren. Dat is ingewikkeld, want op dergelijke knooppunten houdt zich niet alleen de politie op maar ook tal van andere belanghebbenden die allemaal hun eigen informatie verzamelen, hun eigen opsporing kennen en er hun eigen sanctieregiem op nahouden. De informatie zou gedeeld moeten worden en op een vergelijkbare manier gecodeerd en geregistreerd moeten worden om effectief te zijn. Daar ontbreekt het aan (alleen al binnen de politie is delen, coderen en registreren een ratjetoe) en een oplossing is niet in zicht.

Nodaal organiseren heeft in politiekringen wel aandacht gekregen – maar het heeft de Politiewet van Opstelten niet gehaald. En als we toch over grenzen spreken, alom wordt geconstateerd dat de grenzen tussen politie en samenleving, en in datzelfde kader tussen publiek en privé, vervaagd zijn. Ook daar is de organisatie van nationale politie niet op ingericht. Cyrille Fijnaut, groot aanhanger van een nationale politie, heeft het over ‘rafelranden’ die in de wet niet zijn benoemd (aangehaald in Guus Meershoek en Bob Hoogenboom, Drieënvijftig tinten grijs. Justitiële Verkenningen 2012/5:10-11). Het beeld van de rafelranden is niet gelukkig gekozen. Het gaat niet om randen, hoe rafelig dan ook, het gaat om lijnen, om stromen, om informatiestromen die elke grens als een overwinbaar, meer of minder lastig, obstakel zien – niet als een markeringspunt waarvoor je eerst halt moet houden om er na gecontroleerd te zijn langs te mogen.

Politiewetenschappers spreken van de politie als instituut en van de politie als proces. Het instituut politie is een publiek goed: het is er voor iedereen en wie er gebruik van maakt verkleint de gebruiksmogelijkheden van de anderen niet, het gebruik is niet-exclusief (binnen de grenzen van de staat) en niet-rivaliserend. Verbreden we de optiek naar het proces, naar het ‘politionele’, dan zien we dat er van het publieke minder overblijft en er elementen van private (exclusief en rivaliserend), collectieve (exclusief en niet-rivaliserend) en gemeenschappelijke goederen (niet-exclusief binnen de grenzen van de gemeenschap, bijvoorbeeld de buurt, de wijk, en rivaliserend) bijkomen, elementen die ook het publieke niet onberoerd hebben gelaten. Ik noem twee kwesties. In de eerste plaats dat de publieke politie territoriaal werkt, terwijl de andere politionele diensten eerder functioneel zijn ingesteld. Dat leidt tot uitsluitingen die in een zuiver publiek stelsel niet zouden kunnen voorkomen en, zouden ze voorkomen, niet geaccepteerd zouden worden (Marc Schuilenburg en Ronald van Steden, Praktijken van selectieve uitsluiting; Over de bescherming voor en tegen veiligheidsassemblages. Cahiers Politiestudies 2014-1: 51-62). En in de tweede plaats de verantwoording die als gevolg van de vervlechting van publieke en anderssoortige politionele dienstverlening in het gedrang komt (Meershoek en Hoogenboom, o.c.: 20; Jennifer Wood en Clifford Shearing, De nodale politiefunctie. Justitiële Verkenningen 2009/1: 11-28; David Bayley en Clifford Shearing, The Future of Policing. Law & Society Review, 30/3 1996: 585-606).

De overheid, zo wordt her en der opgemerkt, is zelf ook het stuur kwijt. De overheid – de huidige minister en zijn voorganger – politiseert, en verwart dat met sturing. Zo ook de nieuwe Politiewet met zijn ontwerp voor een nationale politie dat aan alle kanten rammelt en toch om het politieke prestige van de verantwoordelijke minister te redden overhaast moest worden ingevoerd. Dat is slecht voor het gezag van de overheid en dat is slecht voor het gezag van de politie. Een overheid en een politie die zich niet kunnen verantwoorden (omdat het hen, deels door eigen schuld, boven het hoofd is gegroeid) komen aan hun gezagsfunctie niet toe.
Dat is ernstig.

7 januari

=0=

 

 

Praten en handhaven

Viervijfde van het politiewerk heeft met criminaliteit niets te maken en met hulpverlening in de breedste zin van het woord alles. De politie is meer welzijnswerker dan wetshandhaver. Dat vreet capaciteit (de schatting is dat de politie alleen al zo’n 13% van de tijd besteed aan mensen met psychiatrische problemen: Manja Abraham en Oberon Nauta, Politie en ‘verwarde personen’. Amsterdam, DSP Groep/WODC 2014: 63) en dat wringt met ministers, staatssecretarissen en parlementariërs die willen scoren op criminaliteitsbestrijding.

Het wringt zelfs twee keer. In de eerste plaats omdat het een verklaring biedt voor het vele ‘blauw’ op straat en het navenant geringere aandeel van de recherche (waarvan het gros van de capaciteit wordt opgesoupeerd door drugszaken) in de politie en in de tweede plaats omdat het de politie niet beloont voor de inspanningen rond welzijn en wel afserveert vanwege lage opsporingspercentages (‘zero tolerance?’, nee: ‘zero pakkans!’).  
Rood (Jurriën Rood, Wat is er mis met gezag? Rotterdam, Lemniscaat 2013) heeft geturfd dat ongeveer driekwart van de aanwijzingen van de politie (de politie op straat) zonder morren door de burger wordt geaccepteerd. Ongeveer eenzesde wordt overgenomen onder kleiner of groter protest en in een op twaalf gevallen onttrekken de mensen zich eraan (o.c.: 57-58). Als we ervan uit mogen gaan dat instemming met het gezag betekent dat je een aanwijzing zonder verdere navraag opvolgt dan weet ik niet of je, zoals Rood doet, van een succes (het straatgezag van de politie functioneert goed; Rood, o.c.: 65) mag spreken als de gezagsdrager in een kwart van de situaties niet op zijn woord wordt geloofd, niet ‘gehoord’ wordt, niet ‘gehoorzaamd’ wordt.

Dat succesvolle straatgezag is in de visie van Rood te danken aan een nieuwe benadering die bij de politie vanaf de jaren negentig in de vorige eeuw opgeld doet. In de jaren zestig mepte de politie er naar hartelust op los (repressie zonder communicatie), daarna werd de politie ‘je beste vriend’ (gedogen en hulpverlenen, eerder dan handhaven of verbieden) en daarna kwam de benadering (een nieuw paradigma volgens Rood) van ‘praten en handhaven’: een politie die de mensen aanspreekt, hen op hun plichten wijst en pas tot harde maatregelen overgaat als de communicatieve aanpak zonder resultaat blijft (o.c.: 63-64). Het is een en/en benadering waarin van beide, praten en handhaven, meer gebruik wordt gemaakt (: 51). Ik vind het een merkwaardige weergave. In de jaren zestig, de jaren van het autoriteitje pesten, was de politie in verwarring en dat ‘meppen’ was het product van verwarring. Het bleek olie op het vuur. Er moest, behalve de inzet van de ME (vaak jongens uit de provincie die de grote stad niet kenden en ook de mensen tegen wie ze moesten optreden niet), nog iets nieuws komen om aan de spiraal van provocatie en er op losslaan een einde te maken. Dat werd, als was het een pendule, de politie die je beste kameraad was. Het uniform veranderde mee, van een tamelijk militair aandoend tenue naar het suffige uniform van de jaren zeventig en later. En nu, met de Nationale Politie in aantocht, verandert het uniform opnieuw, van suf naar sportief.  Maar kijken we wat verder terug dan de jaren zestig van de vorige eeuw (de jaren die voor Rood bepalend zijn en dan bepalend in de zin van dat het niet nog een keer zo moet) dan verandert het beeld aanzienlijk. We zijn niet gegaan van repressie naar communicatie, we waren daar al lang – en bleken het een tijdje vergeten te zijn.

Het ‘waarschuwen, bevelen of handelen’ is al een oud gegeven, het overgaan tot geweld als laatste remedie evenzeer: ‘‘Slechts in geval van noodzakelijkheid en ter voorkoming van verdere ongeregeldheden of ongelukken moet de politieman waarschuwen, bevelen of handelen,’ zo leerde het Handboek voor de dienaren van policie te Amsterdam uit 1879. Vertrouwen was belangrijker: ‘De agent moet dan overgaan tot geweld, waaruit volgt dat de tegenpartij zich verzet en het schandaal, de volksoploop is daar! Dan volgen arrestatiën en andere onaangenaamheden.’’ (bron: Bart de Koning, De Correspondent, 26 juni 2015).

Is de nieuwe benadering van praten en handhaven een succes, zoals Rood beweert? Ik twijfel eraan, aan dat succes en ik doe dat met name omdat, hoewel het geweld van de politie constant en beheerst blijft, het geweld tegen de politie toeneemt (Jaap Timmer, Politiegeweld; geweld van en tegen de politie in Nederland. Alphen aan den Rijn, Kluwer 2005: 105-166, 229-288; Jan Naeyé, Remy Bleijendaal et al, Agressie en geweld tegen politiemensen. Den Haag, Reed Business 2008; Rood, o.c.: 162-163; Mirko Noordegraaf et al, Hoofdrappport Geweld tegen Gezagsdragers. Utrecht, USBO/UU 2009: 25-30). Zet daar de politie tegenover die de greep op de doelen kwijt is en het resultaat is allerminst rooskleurig (Jan Nap, Macht ten goede?! Sterke arm in een complexe samenleving. Apeldoorn, Politieacademie 2014).

Het gebruik van geweld door de politie kan, als ik de deskundigen goed begrijp, de toets der kritiek wel doorstaan. Dat is de les die sinds de jaren zestig is geleerd (Timmer, o.c.: 484). Aan opleiding en training wordt voortdurend gewerkt, ook omdat daar nog het nodige te verbeteren is (ibid.: 493-494). Maar dat geldt niet voor de verantwoording erover, de uitleg die wordt gegeven aan geweld, zeker niet als daar gewonden en doden bij te betreuren zijn (Timmer, o.c.: 494-496; 506-508). Hoe goed is de uitleg over, zeg, het gebruik van de nekklem bij arrestaties, hoe goed is de uitleg over ‘etnisch profileren’, hoe goed is de uitleg over profileren op basis van ‘big data’? In mijn beleving schort er het nodige aan die uitleg – en dat voedt wantrouwen en, los van de invloed van alcohol, drugs en de impact van de groep op de meelopers van de aanstichter(s) – en zou dat niet een voedingsbodem zijn voor agressie tegen de politie?

Het ‘praten’ van de politie is met andere woorden niet onafhankelijk van het ‘handhaven’ door de politie. De handhavingstaak is er niet eenvoudiger op geworden – ik druk me sotto voce uit. Nu, als we weten dat praten en handhaven beide communicatieve acties zijn dan mogen we concluderen dat het succes van de communicatie door de politie getwijfeld moet worden, hetzij omdat de politie zelf onvoldoende communiceert (de ‘uitleg’ waar hierboven sprake van was), hetzij omdat de politie wordt geconfronteerd met dovemansoren, met afwijzing, met vijandigheid, met zoveel wantrouwen dat de politie niet meer zou kunnen handelen als het op alles in zou moeten gaan, hetzij omdat de politie in de wielen wordt gereden door de minister.

Soms, in het laatstgenoemde geval bijvoorbeeld, is er alle reden wantrouwend te zijn en ik weet niet of politie en politici ervan op de hoogte zijn hoe schadelijk voor hun gezag een terecht gebleken wantrouwen is. Gisteren werd bekend dat professor George Maat op basis van zijn lezing van een onderzoeksrapport naar zijn bemoeienissen met de MH17 ramp kon concluderen dat hij onterecht aan de kant was gezet en dat de minister (Van der Steur) over de schreef was gegaan. Maat stelt nu dat het onderzoeksrapport (dat Van der Steur aanvankelijk niet en daarna pas met veel zwartregels aan de Kamer wilde laten zien) dat door de politie is opgesteld aan alle kanten rammelt. Waarom? Omdat de politie schreef wat de minister wilde horen. Zegt Maat. Als hij gelijk heeft is dan heeft de minister voor de zoveelste keer wat uit te leggen, dan wordt voor de zoveelste keer duidelijk dat de politisering van de politie door achtereenvolgende VVD-ministers het gezag van minister en politie ondermijnt, en dan blijkt ook nog dat de politie slappe knieën heeft – wat een verdere bijdrage aan het afkalven van politiegezag is.

Als Maat gelijk heeft.

5 januari

=0=

 

 

Billijken

Dit stukje is een omweg naar Polen.

Gezagsdragers nemen tal van beslissingen waarmee burgers niet gelukkig mee zijn of waar ze tegen zijn, waar ze het niet mee eens zijn omdat het hen tegen de haren instrijkt, het in hun belangen schaadt, het ingaat tegen hun gevoel van rechtvaardigheid omdat ze niet zijn geraadpleegd, omdat het hen is overvallen, omdat het ingaat tegen eerdere beloftes. Redenen te over. Toch schikken de burgers zich meestal in hun lot. We hebben de gezagsdragers zelf aangesteld, we hebben het parlement gekozen, het parlement heeft de regering gekozen die de gezagsdragers heeft aangesteld, we hebben eenvoudigweg de tijd en de middelen niet om elke beslissing na te vlooien op de vraag of het niet beter had gemoeten, we zijn het gewoon om gezagsdragers te vertrouwen en het moet al heel erg zijn willen we dat vertrouwen opgeven, we zijn al eerder tegen een muur aangelopen bij het aantekenen van protest en we willen ons niet twee keer aan dezelfde steen stoten, of we hebben het gezag met recht en reden gevrijwaard van politieke inmenging en politieke benoemingen: er zijn evenveel motieven om vrede te hebben met de onprettige beslissing als motieven om de beslissing, inderdaad, onprettig te vinden. Niettemin is er verschil tussen je in een onaangename beslissing schikken en een onaangename beslissing billijken. In dat verschil zit de kern van het gezag, van het accepteren van gezag.

Schikken kan inhouden dat je buigt voor de macht en als het de staatsmacht betreft tevens voor het geweld dat de staat mag gebruiken. Dan hangt het maar af van hoe dat geweld en op wie dat geweld wordt toegepast of je je neerlegt bij de machtsverhoudingen of daar verzet tegen aantekent. Van Ta-Nehisi Coates (Tussen de wereld en mij. Amsterdam, Amsterdan University Press 2015) lees ik een betoog dat in verschillende varianten terugkeert in tal van verhalen, van hem en van anderen, over het geweld van de politie tegen zwarten: zwarten proberen geen aandacht van de politie te trekken, ze gaan niet in discussie met de politie, ze doen wat hen wordt opgedragen – en ze worden geconfronteerd met moorddadig politiegeweld dat nooit wordt bestraft. Geweld omdat de politie de macht heeft het op je toe te passen, en omdat je weet dat zwart zijn een vrijbrief is voor wetteloos gebruik van politiegeweld: wat kun je anders dan je schikken in je lot? Het resultaat is dat de politie in de zwarte gemeenschap geen enkel gezag heeft. Willekeur is het tegendeel van gezag. Voor zwart Amerika staat de politie gelijk aan willekeur. Behalve in zijn boek schrijft Coates regelmatig in The Atlantic over de willekeur van het onbestrafte politiegeweld. Politiemoorden zijn een constante in de VS en even constant schrijft Coates erover.

De macht die zich overeind moet houden met geweld loopt het gevaar zichzelf uit te putten want geweld is duur en als het probleem de politie zelf is in plaats van de gemeenschap houdt het probleem zich door de willekeur van het geweld zelf in stand, het wordt groter in plaats van kleiner en de kosten nemen alleen maar toe. De politie kan het zich, gegeven de willekeur, niet permitteren ook maar één seconde de teugels te laten vieren want dat zal gezien worden als een teken van zwakte en zwakte in een als gevaarlijk opgevatte omgeving is vragen om problemen. Het is een klassiek geval van projectie: is de politie afwezig (zeg, door capaciteitsproblemen omdat je niet overal tegelijk kunt zijn en je soms overal tegelijk moet zijn) dan breekt de hel uit en de politie ziet dat niet als consequentie van de eigen willekeur maar als eigenschap van de omgeving, van de zwarte omgeving. De politie ontwikkelt een code van een alom aanwezige dreiging. De politie is bang: bang voor een onverwachte beweging van een zwarte, bang voor een bobbel onder een jack, bang voor een speelgoedgeweer, bang voor alles dat niet direct kan worden geplaatst en die angst wordt beantwoord met de hand aan de trekker van pistool en geweer – en met het overhalen van de trekker. Het probleem, schrijft Coates, is niet dat de politie blank is (dat is niet zo), het probleem is dat Amerika blank is.

De politie opereert altijd in de schaduw van geweld. Haal het geweld weg en je haalt de politie weg. De vraag is daarom hoe, wanneer, en op wie dat geweld wordt uitgeoefend. Als dat selectief en willekeurig plaatsvindt boet de politie aan gezag in – en toch moet het af en toe plaatsvinden. Dat levert elke keer als geweld wordt gebruikt een situatie op die om uitleg vraagt. De Amerikaanse praktijk is het zich in dat verband beroepen op angst en dreiging, en op de noodzaak desalniettemin snel te handelen. Wanneer dat ‘desalniettemin’ echter vertaald wordt als een ‘daarom’ – en ook dat is de Amerikaanse praktijk rond politiegeweld – zit de politie fout. De gevraagde uitleg dient erop neer te komen dat burgers die de moeite nemen de uitleg na te lopen op de gebruikte rechtvaardigingsgronden tot de conclusie kunnen komen dat zij, indien zij in een vergelijkbare positie zouden verkeren, hetzelfde gedaan zouden kunnen hebben, hoezeer ze het gebruik van geweld ook betreuren dan wel afkeuren. Daar hoef je niet voor te schieten, je hoeft er niet eens voor te kunnen schieten, je moet alleen achteraf kunnen billijken dat gebeurd is wat gebeurd is en billijken is nu exact de verplaatsing in de situatie van de agent die geweld gebruikt en het volgen van diens redenering. In die zin is het accepteren van gezag, juist bij beslissingen waar je niet gelukkig mee bent, ‘reflexief’. Ik besef dat dit gebruik van ‘reflexief gezag’ afwijkt van dat bij McMahon, de auteur die zweert bij ‘reflexief gezag’, die democratie omschrijft als ‘reflexief gezag’ en daar meer verwarring dan opheldering mee sticht (Christopher McMahon, Authority and Democracy; a general theory of government and management. Princeton, Princeton University Press 1994). McMahon is, dit ter verklaring, meer bezig met de vraag waarom we toestaan dat gezagsdragers inderdaad gezag dragen dan met de vraag wat gezag, gezagsuitoefening en gezagsacceptatie, inhoudt. Zijn vraag is ‘waarom zouden we de wet gehoorzamen?’ (o.c.: 4), in het kader van gezag is de vraag van Friedrich daarentegen preciezer: ‘waarom zou ik het er mee eens zijn?’ (Carl J. Friedrich, Authority, Reason, and Discretion. In idem, ed. Authority; Nomos I, Cambridge Mass., Harvard University Press 1958: 33. Verder, James S. Fishkin, The Dialogue of Justice; toward a self-reflective society. New Haven/London, Yale University Press 1992: 115-129).

Het ermee eens zijn houdt niet per se in – en zelfs meestal niet – dat we er het inhoudelijk mee eens moeten zijn. Wat het wel inhoudt is dat we de redenering die tot een bepaalde beslissing heeft geleid kunnen navolgen, dat we die redenering voor onszelf kunnen beredeneren. Pas dan wordt het mogelijk om de situatie die tot de beslissing heeft geleid het gezag zo en niet anders in te zetten te benaderen vanuit het standpunt van degeen die de beslissing nam, en die beslissing al dan niet te billijken.

Zonder een onafhankelijke pers en zonder een onafhankelijke rechtspraak is de toegang tot het nagaan van de redenen voor gezagsbeslissingen geblokkeerd. Je kunt altijd opgewekt beweren dat elke burger zelf dan maar aan de slag moet om te beredeneren dat iets goed of fout is maar een dergelijk optimisme is hoon. In Polen wordt de onafhankelijkheid van de pers en van de rechtspraak bedreigd. Daarmee wordt ook de mogelijkheid getorpedeerd de redenen waarom beslissingen een bepaalde kant op vallen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen en wordt het gezag ontkracht ten faveure van macht en, zo nodig, geweld.

Dat valt niet te billijken.

3 januari  

=0=