DAGBOEKHOUDER
Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam 2018

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010–2011–
2012–2013–2014–2015–2016–
2017–2018


Om naar het begin van de pagina te gaan: klik op =0=

Augustus

Finale
Ton Korver neemt afscheid
als Dagboekhouder

Nawoord

Juni

Opruimen

Mei

Huisvesting

Wraak

Ich bin ein Terrorist

Vangen

Oorlog

Water en wijn

Landing

April

Inhoud

Schorpioen

Positie

Willekeur of zwendel?

Anticiperend handhaven

Van allen met allen

Rampzalig

Encore

Wat is dan de vraag?

Maart

Emancipatie

Mechanisme

Prijs van de vooruitgang

Vol

Keuzegedrag

Wanneer arbeid?

Eenzaam

Liegen

Februari

Platform

Vakgebied

Januari

Sprakeloos

Vraatzucht

Uitverkoop

Etalage

Geen vrienden

Relativisme

Beetmunt

De Bijl aan de Wortel


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 61
november - december 2017

Dagboekhouder 60
september - oktober 2017

Dagboekhouder 59
juli - augustus 2017

Dagboekhouder 58
mei - juni 2017

Dagboekhouder 57
maart - april 2017

Dagboekhouder 56
januari - februari 2017

Dagboekhouder 55
november - december 2016

Dagboekhouder 54
september - oktober 2016

Dagboekhouder 53
juli - augustus 2016

Dagboekhouder 52
mei - juni 2016

Dagboekhouder 51
maart - april 2016


Dagboekhouder 50
januari - februari 2016

Dagboekhouder 49
november-december 2015

Dagboekhouder 48
september-oktober 2015

Dagboekhouder 47
juli - augustus 2015

Dagboekhouder 46
mei - juni 2015

Dagboekhouder 45
maart - april 2015

Dagboekhouder 44
januari - februari 2015

Dagboekhouder 43
november - december 2014

Dagboekhouder 42
september - oktober 2014

Dagboekhouder 41
juli - augustus 2014

Dagboekhouder 40
mei - juni 2014

Dagboekhouder 39
maart - april 2014

Dagboekhouder 38
januari - februari 2014

Dagboekhouder 37
november - december 2013

Dagboekhouder 36
september - oktober 2013

Dagboekhouder 35
juli - augustus 2013

Dagboekhouder 34
mei - juni 2013

Dagboekhouder 33
maart - april 2013

Dagboekhouder 32
januari - februari 2013

Dagboekhouder 31
november - december 2012

Dagboekhouder 30
september - oktober 2012

Dagboekhouder 29
juli - augustus 2012

Dagboekhouder 28
mei - juni 2012

Dagboekhouder 27
maart - april 2012

Dagboekhouder 26
januari - februari 2012

Dagboekhouder 25
november - december 2011

Dagboekhouder 24
september - oktober 2011

Dagboekhouder 23
juli - augustus 2011

Dagboekhouder 22
mei - juni 2011

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Finale

Beste mensen,

Dit is de laatste entry van uw Dagboekhouder. De puf is eruit, de gezondheid en de vermoeidheid zorgen voor steeds meer en steeds regelmatiger haperingen en eerlijk gezegd, mijn afstand tot de wereld groeit ook. Vandaar, en aangevuld met de laatste entry (een Nawoord bij een boek over Marx dat hiermee qua substantie wel af is) hebben jullie hoop ik vanuit die hoek op jullie begrip te mogen rekenen. Meer nog, ik hoop op weerwoord op dit nawoord, want zonder weerwoord blijft het een slome boel.

En dank voor jullie leesinspanningen en wat daar zo bij komt kijken.

Dat het jullie goed gaat

Ton Korver

 

 

Nawoord

Identitaire bewegingen, van Deense sociaaldemocraten via Pegida tot en met, bij ons, de kruimeltjes van het Identitair Verzet hebben het woord identiteit gekaapt, hebben er een onveranderlijk en kostbaar, met bloed en bodem doordrenkt, relikwie van gemaakt.

Ze hebben zich bereid verklaard hun brouwsel tot de laatste ademtocht met man en macht, te vuur en te zwaard, te verdedigen. In het belang van hun kinderen (over kindermisbruik gesproken!) want ergens moet je toch de verbinding met het maatschappelijk draagvlak zien te leggen – dat verwante brouwsel dat evenmin bestaat maar wel in de lucht wordt gehouden door een kongsi van laffe politici en benarde burgers die menen dat als zij geen rottigheid veroorzaken de consequenties van alle rottigheid in de wereld dan ook niet in hun buurten mogen landen. Vaak zijn het dezelfde burgers die menen dat aanpassing eenrichtingsverkeer is, en die menen dat zij hun richting altijd al goed hadden gekozen, gewoon omdat ze er het eerder waren. Elk ander verkeersgebruik gaat tegen de stroom in en moet verboden worden. De identitaire familie is groot, bedoel ik maar te zeggen. De familie ziet nog altijd groeikansen. Daar zouden ze best eens gelijk in kunnen hebben, al was het maar omdat het aantal gevraagde aanpassingen sneller stijgt dan de ruimte (sociaal, temporeel en geografisch) waarbinnen ze kunnen worden gerealiseerd.

Er is één gemeenschappelijke noemer waaronder we ruimteproblemen en aanpassingsgebreken kunnen scharen. Dat is de noemer van het eigendom. Wie me vraagt – ik vraag het aan mezelf, vandaag, nu ik deze regels schrijf op 7 augustus 2018 – wat het schrijven van dit boek me aan inzicht heeft opgeleverd krijgt dit als antwoord. Eigendom. Met eigendom doel ik op eigendom als een vorm van sluiting en op de oprukkende positionele component in elk eigendom. Met sluiting geef ik aan dat, gegeven eigendom, de manoeuvreerruimte voor aanpassingen moeilijker te benutten is. Moeilijker, maar zeker niet onmogelijk. Het wordt pas echt moeilijk (niet onmogelijk, onmogelijk is niets) bij positioneel eigendom, het eigendom dat ik (de geografische dimensie) heb en jij niet, omdat (de sociale dimensie) en voor zolang (de temporele dimensie) jij het niet hebt. Verdediging van de ruimte door privatisering, vestiging van gebruiksrechten en ‘identiteit’ aan de ene kant en ontzegging van toegang, sluiting van de grenzen en morrelen aan het recht op toegang zijn aan de andere kant, tekenen het treurige gezicht van de dynamiek van deze beweging en tegenbeweging.

Inmiddels breidt de sfeer van het eigendom zich verder uit – de globalisering en het net dat het spant zijn nog lang niet uitgewerkt – en daarmee ook de positionele actie en reactie. Burgers zijn klanten en internetgebruikers en de sporen die ze nalaten heten data die worden opgeslorpt, verpakt en herverpakt (inderdaad, net zoals opgeknipte en verknipte financiële transactiedata) door marketingbureaus, advertentieruimtekopers, adverteerders, politieke partijen, regeringen, geheime diensten en verder door iedereen die er ook iets aan meent te kunnen verdienen. Het verschil tussen burger en klant is geen rolverschil meer (hoewel een rechtsstaat op uitgerekend dat verschil is gebouwd), het is nog slechts een verschil waar derden mee rekenen om voor jou de voordeligste en aantrekkelijkste propositie op te stellen opdat je je die laat aansmeren – want dat die er is, is de overtuiging van deze tijd, en dat die er is, is tegelijk de leugen van deze tijd (Morozov 2013).

Ik begon dit boek met een andere gedachte, een traditionelere. Die was dat het niet het eigendom aan te rekenen is, dat we in de problemen (aarde, klimaat, de vrijheid van bewegen – zeker als de nood ons prest) zijn gekomen maar de kapitalistische productieverhoudingen (waarvan zoals Marx in 1859 opschreef de eigendomsverhoudingen ‘slechts’ de juridische uitdrukking zijn). Ik heb lange tijd in de naïeve overtuiging geleefd dat de productieverhoudingen de eigendomsverhoudingen zo zouden polariseren dat beide – productieverhoudingen zowel als eigendomsverhoudingen – daar aan zouden overlijden. Er wordt overigens nog steeds zo gedacht (Precht 2018). Ik ben bang dat dergelijk denken gebaseerd is op de hoop dat ergens nog een plekje is dat eigendomsvrij gehouden kan worden. Ik wil niet uitsluiten dat er zo’n plekje is, ik wil wel uitsluiten dat zo’n plekje er is voor hen die via onze grotendeels geprivatiseerde openbaarheid ons voor de nefaste aspecten van eigendom waarschuwen.

Ze (ik hoor er bij, ik heb het niet alleen over de anderen, met wie ik me althans in de geest verwant voel) kunnen het gevaar niet ontlopen dat ze met hun kritiek op het eigendom het eigendom een dienst bewijzen. Ik hoop dat dit boek desondanks de nodige kritische brandstof voor een vreugdevuur ter verbranding van de ijdelheden van het eigendom heeft aangedragen en in ieder geval enige brandstof.

Ik gebruik de metafoor van de brandstof met opzet. Het neoliberalisme is verantwoordelijk voor een wereldwijde veenbrand, de positionele backlash dreigt de wereld boven het veen in de fik te steken. Het laatste is de wereld van Donald Trump. Hij denkt daarmee, aangemoedigd en gesteund door zijn identitaire legertjes her en der, de veenbrand te blussen. Hij vergist zich. Een brand blussen, welke dat ook is, is geen kwestie van het sluiten van een ‘deal’ omdat een deal denkt in oplossingen – dat er voor alles een oplossing is – en ons probleem geen probleem van oplossingen is.

Ons probleem is het probleem van vragen met onbekende – en wie weet onkenbare – antwoorden en ons probleem is de erkenning dat we eerst weer moeten leren de tijd te nemen en de expertise te mobiliseren om vragen te stellen zonder voorgebakken antwoorden, en ons probleem vereist de erkenning dat wie met oplossingen begint dat alleen maar kan doen door uitgerekend die vragen en de kunst van het stellen van vragen te onderdrukken of, in de meest vriendelijke variant, ze en het tot sint-juttemis uit te stellen. Laat ik dat de Eric Wiebes variant noemen, de variant die de kool en de geit spaart, tot op het dag dat er noch kolen noch geiten zijn om nog te sparen. Dat is dan ongetwijfeld de dag dat sint-juttemis, de heilige zonder feestdag omdat de heilige zelf niet bestaat, zal worden herdoopt tot eric-wiebes. In ons land en zo passend bij onze identiteit. Tegelijk is daarmee het zeurende probleem van de afwezige heilige ook weer opgelost. Nee, het gaat niet goed met het geloof en ja, het gaat meer dan uitstekend met het bijgeloof. Het gaat niet goed met het nieuws en het gaat uitstekend met het nepnieuws.

De titel van dit boek is ‘Alle Tijd’. Hij drukt uit dat alle economie over tijd gaat en dat onze kapitalistische economie niet zal stoppen voordat het over alle tijd die we hebben beschikt – of die tijd ergens voor gebruikt wordt is niet meer dan één van de vele onzekerheden die ons bij de tijdles van de kapitalistische economie houdt. Nu we zelf het product zijn raakt het kapitalisme aan het einde van zijn missie – en aan het einde van zijn mogelijkheden. Niet iedereen is even somber (ik denk aan Posner en Weyl 2018), maar hun optimisme is het optimisme van Henry George – het optimisme dat bij een juist ontwerp van ‘vooruitgang’ de ‘armoede’ zal worden teruggedrongen, zo niet uit de wereld kan worden gebannen, het optimisme dat hoe sympathiek ook teveel inconsistenties met zich meetorst om het langer dan het enthousiasme van een kleine kring van volgelingen duurt vol te houden. Dat kan nog knap lang zijn overigens. Inderdaad, precies zoals in het geval van Henry George en zijn nog altijd (nu ruim 120 jaar na zijn dood) bestaande aanhangers. Niettemin, het irriteert. Er zijn belangrijker, urgenter, bedreigender problemen.

We leven in een wereld waar reeds talloos veel miljoenen die productmatig oninteressant zijn en over de rand van het nog net leefbare leven worden geduwd (Harari 2017: 257-290). Het is een oude wet dat wat het eigendom niet kan uitsluiten dan maar door de maatschappij (en in het bijzonder het repressieve staatsapparaat van de maatschappij) moet worden uitgesloten. Dat wordt in deze dagen van de democratie van meerderheden politiek nog wel een dingetje. Op een gegeven moment zijn de externe vijanden op en wordt de jacht op interne vijanden geopend, en dat doet eerst de minderheden pijn maar vroeger of later moet de meerderheid bij zichzelf op de koffie. De identitairen waren er altijd al mee bezig. Lopen ze ook een keer voorop, zij het in achterwaartse richting. En, als gezegd, ze zullen zichzelf tegenkomen want losers shall be losers. 

Als alles product is, is productiviteitsverandering alleen nog mogelijk door wat het ene product erbij krijgt weg te halen bij het andere. Dat hebben we gezien, de laatste decennia. Zelfs de definitie van productiviteit is aangepast om de financiële economie in het zonnetje te zetten en de reële het gelag te laten betalen. Het product van de reële economie stagneert en daalt ook her en der, het financiële product veert na elke tegenslag op door het reële product leeg te eten en zo z’n parasitaire groei te financieren. Overheden en centrale banken, de EU, de Eurogroep (ach, die arme Dijsselbloem), de verzamelde statistische machten en de ECB voorop, springen in het parasitaire gelid (Varoufakis 2017) en verergeren de zaak. De macht van het argument wordt overal ontkracht door het argument van de macht en dat is geen argument, dat is macht (Flyvbjerg 1998). De macht om snelle oplossingen te forceren, de macht om het stellen van vragen te vertragen tot de vraag zich aan de macht heeft aangepast. Des te krampachtiger wordt daarom de heilige economische groei opgeroepen en aanbeden, en des te meer blijkt dat het diezelfde heilige graal is die elke oplossing voor wereld, klimaat en bewegingsvrijheid in de weg staat (Raworth 2017). Inderdaad, de missie van het kapitalisme loopt op z’n laatste benen.

De mogelijkheden van het kapitalisme ook en dan denk ik in de allereerste plaats aan de religie van het kapitalisme, de zich noemende economische wetenschap en de daaraan gekoppelde droom van een liberale democratie, de droom die dacht rechtsstatelijkheid en meerderheidsdemocratie in balans te kunnen houden omdat uiteindelijk niemand gelijk had en we dus in eeuwig gesprek met elkaar zouden moeten blijven, niet om ‘de’ oplossing te vinden maar om elke oplossing gelijke kansen te bieden – een permanente veiling van oplossingen, vergelijkbaar met de permanente veiling van eigendommen waar Posner en Weyl (o.c. 2018) hun ziel en zaligheid aan hebben verkocht. De religie is failliet, de droom is hoon geworden. De religie was marktreligie en er zijn geen markten meer en het wonder van de onzichtbare hand van het marktmechanisme wordt opgezogen door het al te zichtbare mechaniek van het platform (Srnicek 2017: 30-59): het advertentieplatform, het cloud platform, het industriële platform, het productplatform en het ‘lean’ platform à la Uber en Airbnb. Prijzen bestaan nog amper, hun functie is ingepikt door prijsvergelijkers, platforms die bijbeunende acteurs en cabaretiers inlijft in de warenkermis van warenhuis Nederland. En daarbuiten, ook daar.

We hadden ooit prijzen om per kwaliteit zelf tot een verstandige afweging te komen. De kwaliteit is al lang bezweken onder de universele fraude van het totale bedrijfsleven – welwillend gadegeslagen door een onmachtige toezichtindustrie. Productinformatie is het veld waarop de leugen absolute heerser is. De prijsvergelijkers bieden de illusie van een prijs/kwaliteitsvergelijking, maar ook niet meer dan dat en hen erop aanspreken lukt al helemaal niet. Er is een dringende behoefte aan een nieuw initiatief: Follow the Fraud. 

Het succes van Amazon is dat dit bedrijf aan vrijwel al deze platformtypetjes een plek in zijn bedrijfsvoering heeft weten te geven en als je ergens bij hen dan nog niet uitkomt, dan heeft het bedrijf altijd nog zijn ‘Mechanische Turk’ in de aanbieding. Het platform is met dit al de status van metafoor ontstegen en heeft de status van realiteit verworven. Wir wissen es nicht aber wir tun es. En nu we er langzaam achterkomen, doen we het nog steeds. Waarom? Platforms zijn datagedreven, wij zijn als gebruikers de dataproducenten, de data worden opgepikt door platforms van allerlei snit. Platforms vertrouwen op het netwerkeffect: als genoeg mensen (als producten) het willen omdat het bijvoorbeeld gratis is, dan willen nog veel meer mensen het en als genoeg mensen erom vragen is het niet moeilijk weer andere mensen (als producten) te vinden die het willen aanbieden – en dan is het niet meer gratis. De aanbieder ontvangt een fooi, het platform het leeuwendeel. Per slot, het is en blijft kapitalisme dus het product (hier: het platform) wint de prijs en de activiteit (de arbeid van de uitvoerder) ontvangt hooguit een troostprijsje – om de moed niet te verliezen. Het oprukkende platform vermorzelt de markt – alleen sektariërs in economenland geloven nog in markten.

Het platform is inherent monopolistisch maar de veelheid van soorten platforms kennen alle hun eigen verdienmodel en concurreren elkaar de tent uit. Er is nog altijd strijd tussen monopolie en concurrentie – de uitkomst staat niet vast (Srnicek 2017: 60-78). Hijzelf denkt dat Amazon betere kaarten heeft dan Facebook en Google, maar dat ook zo weer veranderen. Dat heb je met concurrentie en monopolie, met de concurrentie om het monopolie. Moeten we dan maar afwachten? Srnicek hoopt op wat hij noemt ‘public platforms’ – platforms in bezit en beheer van het publiek. Wat dat ‘publiek’ is, behalve dat het zeker niet de staat is of door de staat wordt gerepresenteerd, blijft een open vraag. Ik beschouw dat maar als een negatieve aanwijzing voor de samenhang van de religie van de economie en de droom van de politieke democratie.

De grootste uitdaging, ook hier deel ik de mening van Srnicek en Morozov, ligt in de herovering van de openbaarheid, de herovering van de publieke zaak. Dat loopt van de al genoemde productinformatie en de daarop parasiterende platforms van adverteerders, en marketeers en prijsvergelijkers, tot en met het beëindigen van de permanente, opdringerige en lawaaiige vervuiling van de openbare ruimte, waaronder de ruimte van de ‘media’. Alle beetjes helpen, de ruimte van de publieke zaak zal ervan opfrissen.

7 augustus 2018

=0=

 

 

Opruimen

In Buitenhof hoorde ik minister Wiebes zeggen dat liberalen van mening zijn dat je zelf je eigen geld moet verdienen en dat je zelf je eigen rommel moet opruimen.

Ik vind het een fascinerende combinatie. In het verband van uitgerekend deze combinatie denk ik aan het Coase-theorema. Economen kunnen het onderling nooit eens worden over wat het Coase-theorema precies impliceert maar dat het over het niet opruimen van je eigen rommel gaat, en dan maar zien hoe lang je daarmee wegkomt, daar zijn ze het weer wel over eens. De onenigheid gaat niet daarover, de onenigheid gaat over hun Panglossiaanse wereldbeeld, het wereldbeeld dat alles altijd op z’n pootjes terecht gaat komen en dat het goed is. Volgens mij is dat de klassieke liberale onverantwoordelijkheid ten voeten uit. Gooi het over de schutting!

En daar zit de pijn, want vind maar eens een oplossing voor het probleem van het theorema die het Panglossiaanse optimisme, in het geval van bijvoorbeeld milieuvervuiling, waarvoor de gemeenschap opdraait en in het geval van andere ongewenste externe effecten waarvan de rekening alweer door de gemeenschap moet worden voldaan, nog bewaarheid laat worden ook. Het lukt je wel om ermee weg te komen, het lukt niet om te doen alsof dat goed is voor iedereen. Je kunt net zo goed proberen aan te tonen dat het kapitalisme goed voor het milieu is.

Dat is nou het aardige van Wiebes. Hij is de man die van onopgeruimde rommel een business case, een verdienmodel, gaat maken. ‘Dirt is matter out of place’, verklaarde de antropologe Mary Douglas – en zo is het ook. Geef vuil de juiste plek en vuil is niet langer vuil. Het is bruikbaar, nuttig, nodig en als we erin slagen het nut te vinden, de nood aan te spreken en het gebruik te reguleren dan zijn we waar we wezen willen. Bij de markt, bij de regelstructuur die nut, nood en gebruik op de meest profijtelijke manier, op de Panglossiaanse manier, aan elkaar weet te knopen.

Wiebes sprak van innovatie, het toverwoord om de publieke knip open te krijgen en vervolgens het publiek nogmaals te laten betalen voor de dingen waar het eerder ook al voor betaald had. Het is de truc van de publieke omroep, die iets wat al lang met behulp van publiek geld gestart is achter een startknop wil verbergen om het publiek dat de publieke omroep betaalt nogmaals te laten betalen als het de startknop in werking wil zetten. Zeg tv en je krijgt reclame. Zeg openbare ruimte en je krijgt reclame. Zeg innovatie en je krijgt publiek geld. Ik noem het een farmaceutisch model. Je kunt het ook een militair-industrieel complexmodel noemen maar dat is voor ons land net een straaljager te ver.

Het publiek twee keer laten betalen, dat is kapitalisme à la Wiebes. En dan moet je nog wel als burger je eigen rommel opruimen en dan moet je ook nog eens als burger/belastingbetaler zoveel geld verdienen dat behalve het opruimen van de huidige rommel ook de innovaties om de toekomstige rommel van het bedrijfsleven op te ruimen uit jouw inkomen kunnen worden gefinancierd. Nee, maak je niet dik, we romen het bedragje gewoon bij je af, je merkt er vrijwel niks van en als er bij jou niets valt af te romen dan betaal je maar met de voorzieningen die je dan niet meer krijgt.

4 juni 2018

=0=

 

 

Huisvesting

Het CPB beweert dat je vluchtelingen moet huisvesten waar het werk is. Dan komen ze sneller aan het werk. Bij het CPB zijn ze niet op hun achterhoofd gevallen. Maar toch, de gedachte dat je vluchtelingen misschien moet huisvesten waar huisvesting is blijft knellen. Evenals de gedachte dat waar werk is de huisvesting kan tegenvallen. Bij huisvesting geldt dat bij hoge vraag niet het aanbod maar de prijs stijgt. Een hoge prijs schrikt sommigen af en lokt anderen, en dat is goed, daar zijn prijzen voor. Toch?

Stijgende prijzen bij niet-stijgend aanbod zijn de opmaat voor verdringing. De huizenmarkt is, met dank aan minister Blok, een verdringingsmarkt. Meer aanbod is, bij toenemende vraag, de marktconforme reactie op schaarste. Meer verdringing is, bij toenemende vraag, de marktconforme reactie op tekorten. Als er een tekort is, aan ziekenhuisbedden bijvoorbeeld, dan krijg je wachtlijsten. Maar beweer je dat er helemaal geen tekort aan ziekenhuisbedden is, dat het tekort slechts schijn is, dan kun je aanbevelen ziekenhuisbedden te gaan beprijzen – en dan zul je zien dat tal van zieken die eerst om een ziekenhuisbed vroegen dat nu niet meer doen. Probleem opgelost. Je moet er gewoon een markt van maken en als het met de markt niet onmiddellijk lukt dan moet je er meer markt van maken en desnoods nog meer, net zo lang tot tegenover elk aanbod de juiste koopkrachtige vraag staat.

Een tekort bestrijd je met meer aanbod en met, gedurende de tijd die het vergt om het aanbod uit te breiden, rantsoeneringsregels zoals wachtlijsten en andere vormen van administratieve toewijzing. In woonland Nederland zorgden de woningcorporaties daarvoor maar die zijn voor elke rechtgeaarde neoliberaal een onoverkomelijk probleem. Corporaties zijn net als pensioenfondsen (‘onderlinges’) noch helemaal privaat noch helemaal publiek. Neoliberalen vinden dat je of aan de kant van de private onderneming moet staan of aan de kant van het staatsbedrijf, maar niet ergens er tussenin.

Als de private onderneming geen belangstelling toont en er toch iets moet gebeuren – denk aan tijd- en geldslurpend onderzoek met onzekere resultaten – dan moet het maar naar de staat. Tot de private onderneming wel belangstelling krijgt natuurlijk. Dan spreken neoliberalen van particulier initiatief en dat moet je de ruimte geven, de ruimte die het eerst afsloeg en nu opeist alsof het zo hoort. Het hoort zo. Het is geen initiatief, het is een reactief, het is bekende patroon van private toe-eigening van publieke middelen. Het initiatief zit ergens anders. Het is het initiatief om de rommel die nu eenmaal bij het maken en verhandelen van dingen hoort over de schutting van de buren te gooien, het is het initiatief dat de opbrengst privatiseert en de overlast en de schade socialiseert. Dat ontkennen neoliberalen overigens ook niet, het valt bij hen onder het leerstuk van de efficiënte markten. Dat is het leerstuk dat zegt dat in de prijs van iets alle beschikbare relevante informatie correct is verwerkt. Dus ook de informatie over de risico’s waarvoor de staat heeft betaald en de informatie over de schade door ongewenste externe effecten, waarvoor opnieuw de staat betaalt. De staat is in dit geval de verzameling burgers, niet de verzameling bedrijven. En toch, gegeven efficiënte markten functioneert alles altijd optimaal in de optimale wereld. Het is de natte droom van dokter Pangloss.

Bovendien, wanneer de efficiënte markt niet werkt komt dat door een te weinig aan markt, niet door een teveel aan markt. We komen nu bij de schoonheid van de tautologie, een schoonheid die velen niet kunnen zien omdat zij meer aan ethiek (van de rechtvaardige verdeling) dan aan esthetiek (van het glanzende systeem) hechten. De tautologie houdt in dat, omdat de enige informatie die altijd juist is de informatie van de markt is (omdat we dat zo gedefinieerd hebben), gebrekkige informatie daarom nooit van de markt kan komen en zo spoedig mogelijk vervangen moet worden door informatie van de markt. Marktinformatie is schaarste-informatie en verdringt tekort-informatie. Schaarste is een veeleisende meester; schaarste is pas tevreden als niet het tekort (waarvoor het blind is) maar de taal van het tekort (die het orkest van de Panglossiaanse harmonie verstoort) is uitgeroeid.

Hoe je dat doet is zo moeilijk niet. In het Parool van vandaag licht de directeur van woningcorporatie De Alliantie toe dat het best kan. Je moet, zegt hij, duurdere huurwoningen, in de Pijp bijvoorbeeld, verkopen en daar meer en goedkopere huurwoningen ergens anders voor terugbouwen. Hij heeft het over sociale huurwoningen die nu nog binnen de Ring staan en in de toekomst alleen nog buiten de Ring gebouwd gaan worden. Hij heeft het over woningen die niet duur zijn omdat ze duur zijn maar die duur zijn geworden omdat waar gedrongen wordt verdringing niet kan uitblijven. Zegt hij. Mensen, noem ze vluchtelingen, die geen dure huurwoning kunnen betalen laat je binnen de ring werken, want daar is het werk, en buiten de ring huisvesten, want daar is de huisvesting. Het CPB kan het zo voor je doorrekenen. Doen ze met liefde want zelf zagen ze ook wel in dat hun geniale intuïtie over werk en huisvesting eigenlijk niet over huisvesting ging.

Je moet de markt gewoon een beetje helpen en dan zie je dat wat het lichtst weegt als eerste naar de bodem zakt en dat wat het zwaarst weegt als eerste komt bovendrijven.

24 mei 2018

=0=

 

 

Wraak

De cliënt heet Wilders. Hij moet terecht staan. Hij vindt dat hij niet terecht moet staan en dat als hij dan toch terecht moet staan Pechtold ook terecht moet staan.

Pechtold heeft de Russen even erg te grazen genomen als hij, Wilders, de Marokkanen. En daarom is het niet eerlijk dat hij wel en Pechtold niet terecht staat. En daarom moeten de rechters worden gewraakt. Het is alsof jij een bon voor doorrijden bij een rood stoplicht krijgt en de fietser naast jou, die ook door rood reed, niet. Dat is willekeur, vooringenomenheid, het is een aanval op de rechtsstaat en daarom hoef je van Wilders niet te betalen, totdat de politie je kan uitleggen waarom jij wel de klos bent en die andere fietser niet. Of zoiets.

Ik hoorde woorden van gelijke strekking uit de monden van de heer en mevrouw Knoops komen. Zij zijn advocaten, zij verdedigen Wilders en net zoals Wilders de rechtsstaat verdedigt doen zij dat ook. Nee, de vooringenomen rechters mogen tijdens de zaak niets op tv zeggen, dat voorrecht is voorbehouden aan de advocaten. Het slachtoffer (Wilders is altijd slachtoffer) mag dat ook maar daar heeft hij geen zin in. Zijn situatie is benard en omdat zijn situatie mede door en trouwens ook volgens zijn voortreffelijke advocaten ons aller situatie zou moeten zijn, zitten wij met de situatie van een parlementariër die het parlement een nepparlement vindt, die de regering in de persoon van de premier op landverraad betrapt, die omdat hij terecht staat alleen al vanwege dat feit zeker weet dat de rechtspraak in Nederland net zo partijdig is als de politieke partij D66, die weet dat elk proces tegen hem een politieke proces is, die de vrijheid van meningsuiting selectief toegepast wil zien, die de het recht op vereniging selectief toegepast wil zien, die het recht op vrijheid van godsdienst selectief toegepast wil zien, die het recht op vrijheid van meningsuiting selectief toegepast wil zien, die van de rechtsstaat een gotspe maakt – nu zitten wij dus met de situatie van een parlementariër die zich op de borst klopt omdat toch maar mooi weer eens bewezen is dat rechters die hem in de rechtszaal krijgen niet deugen en dat het ook niet deugt als niet alleen hij maar ook Pechtold wordt gedaagd omdat als het proces tegen hem politiek is, het proces tegen Pechtold ook politiek zal zijn en politieke processen, dat zijn processen tegen het zere been van de rechtsstaat en hoewel de rechtsstaat dat zelf niet weet, Wilders en zijn advocaten en de rechtbankverslaggever van de Telegraaf weten het wel, en rechtsgeleerden als Ellian en Cliteur weten het ook.

Ik lees dat een politica van het Vlaams Belang een aanklacht tegen de koran in gaat dienen. De koran is tegen de mensenrechten zoals we die in Europa begrijpen en dat kan niet. Het kan ook daarom niet omdat je de koran niet mag interpreteren (hoe die moslims dat toch elke dag weer klaarspelen om iets te lezen zonder een spoor van interpretatie, het is een raadsel, het is wonder – daar heb je een religie voor nodig om dat te snappen en het te kunnen) en de brave lezers ervan daarom niets anders kunnen doen dan uit te voeren wat en zoals het er staat (alweer een wonder) en zij vindt dat deze performatieve koran in onze democratische rechtsstaat niet kan en niet past. Het is alsof ik Geert hoor zeggen: ‘dan gaan we dat regelen’, dat performatieve zinnetje waarmee Geert zichzelf een opdracht gaf die hij als Kamerlid nog uit kan voeren ook, en het is alsof er een tv-belang bij is om dat zinnetje of een zinnetje met vergelijkbare performatieve strekking, te negeren en daarmee het verschil Wilders/Pechtold weg te poetsen. Want daar ging het niet over, in de praatprogramma’s op tv.

Niet getreurd, fascinerende tv genoeg. De studio als vervangende rechtbank zonder rechters maar wel met, precies zoals bij de rechtbank, meneer en mevrouw Knoops netjes naast elkaar. Overigens, of het wel helemaal goed zit tussen meneer en mevrouw Knoops weet ik niet. Is het verdedigen van Wilders, met alle publiciteit van dien, wel goed voor hun relatie?  

Ik heb steeds vaker de indruk dat meneer Knoops van mevrouw Knoops niet in z’n eentje mag aanschuiven bij die gezellige praatprogramma’s. Zij wil mee. Zij gaat mee. Als je mij wilt hebben, heeft meneer Knoops van haar geleerd te zeggen, moet je haar ook uitnodigen. En zo geschiedt. Zitten ze dan aan tafel dan merk je dat zij, als hij weer eens lang en omslachtig aan het woord is, zit te popelen om ook haar duit in het zakje te doen. Het is ongemakkelijk aandoenlijk. Twee advocaten die het beste met hun cliënt voorhebben en menen dat ze op die manier niet alleen hun cliënt maar ook de rechtsstaat dienen en daar op de tv over komen vertellen. Hun cliënt zelf is er niet bij, die heeft gewichtiger zaken te doen en bovendien, die is nog steeds bezig uit te zoeken waarom al die wrakingen zijn behoefte aan wraak maar niet stillen. Jammer voor je, Geert. Alleen echte slachtoffers kun je wreken maar rechters kun je alleen wraken – en dan krijg je nieuwe rechters.

20 mei 2018

=0=

 

 


Ich bin ein Terrorist


Nu iedere gevangene in de Gazastrook (en iedereen in die strook is een gevangene) een terrorist is en nu iedere terrorist mag worden neergeschoten, ook de terrorist die nog maar net geboren is, die nog geen stapje zelf kan zetten maar door moeder is meegenomen omdat moeders ook demonstreren en dan hun kindertjes niet alleen thuislaten, nu verwacht ik buttons en ik verwacht een # met de mededeling ‘Ich bin ein Terrorist’. Nu ja, ik verwacht …

Zelf draag ik nooit buttons (ik ben geen uithangbord) en zelf doe ik niet aan vertwittering van communicatie. Mijn eerbied voor individualiteit en mijn afkeer van intimidatie staan het me niet toe. Maar als ik afval dan blijven er nog meer dan genoeg over. Politici, burgemeesters, het grootste leger van het land (ik bedoel de ‘bekende Nederlanders’), de pratende hoofden die over alles een mening hebben en bij iedereen het meel in de mond feilloos detecteren. Maar nu even niet. Kennelijk. Blijkbaar. Zichtbaar. En nee, niet hoorbaar. Onhoorbaar zelfs, muisstil.

Hou me ten goede, de oorverdovende stilte hier is vergeleken met de onbeschaamdheid van de heersende barbaren in de VS en Israël een geschenk, een godsgeschenk mogen we wel zeggen. Vergeleken met, dat is waar het op aankomt. Vergelijken we het met de commotie over Charlie dan valt in die vergelijking niet alleen het vreemde gezelschap op dat zich over het verdriet van Charlie ontfermde.

Opvallender nog was de ferme toon, de nobele verontwaardiging, het ‘nooit meer’, het ‘wij staan schouder aan schouder’. Te mooi om waar te zijn en het was ook niet waar, het was nooit waar, het is nu ook niet waar want nu, nu is er helemaal niets, niet eens meer de gedachte aan waarheid. Waar de gedachte verdwijnt droogt de hoop op.

Alle Palestijnen in de Gazastrook zijn aanhangers van Hamas, of ze het willen of niet, of ze het zijn of niet. Men zou verwachten dat bij het horen van dergelijke uitspraken door Amerikaanse presidenten, Israëlische premiers, en hun ambassadeurs hun gehoor in hoongelach zou uitbarsten. Er zijn uitspraken die zo alternatief zijn dat ze geen alternatief meer bieden – behalve de hoon, de weerzin, de weigering ze als meer te zien dan brutaliteit.

Ik heb geen hoongelach gehoord. De zege is aan de brutaliteit.
Ich bin ein Terrorist.

16 mei 2018


 Vangen

Dat je dieven met dieven vangt is al een oude regel. Toen ex-premier Kok bij zijn intrede in de rangen van het grootkapitaal verklaarde dat de ‘exorbitante zelfverrijking’ bij de ING een ‘inhaaloperatie’ was wist je hoe laat het was.

Commissaris bij ING worden levert een boel munten op en kost niets, behalve je geloofwaardigheid. Je wou erbij horen Wim? Dat kan jongen. We geven je een stompzinnig en leugenachtig argument in handen en je ziet maar hoe je je redt. Voor wat hoort wat en wat bij ons hoort is dat je ons vertrouwen alleen wint als je je houdt aan onze code van de omerta, de vertrouwelijke zwijnenpan waarvan je het geheim meeneemt in je graf. Er is wel een weg naar ons toe, er is geen weg van ons weg.

Dieven met dieven vangen is de wervings- en selectiemethodiek bij vacatures die geen beroep doen op je competenties en die dat compenseren met een totaal beroep op je loyaliteit. Als je daartoe bereid bent, dan ben je in één klap gekwalificeerd voor tal van aantrekkelijke functies in de toezichtindustrie. Die industrie groeit en bloeit want hoe meer we dereguleren (maar net niet helemaal), privatiseren (maar net niet helemaal) en verzelfstandigen (maar net niet helemaal) hoe meer we nieuwe autoriteiten en nieuwe toezichthouders nodig hebben.

Om de verhoudingen te schetsen: je zou denken dat een toezichthoudende functie bij de DNB of de AFM hoger is dan een functie als commissaris bij de ING of een andere door staatssteun zowel geprivatiseerde als geredde bank, maar dat is niet zo. Je hebt het pas echt gemaakt als je bij de ING mag aanschuiven, of als je ABN-AMRO mag reorganiseren. Shell is ook heel aardig. Wie je daar allemaal tegenkomt, dat wil je niet weten.

Ik bedoel maar, toezichthouders bij de AFM hebben een verleden in het bankwezen of ze zien hun toekomst in het bankwezen en dus moet je ze lokken met de codes en de betalingen van het bankwezen. Hart hebben voor de publieke zaak is een handicap, daar hebben ze alleen maar last van. Loyaliteit aan de club, dat is het enige dat telt en als je goed telt, telt dat op tot een beloning die zich niet stoort aan de benepen normen die sommige politici invoeren om stemmen te winnen en die andere (‘linkse’) politici benutten om stemming te maken.

Paul Rosenmöller was een ‘linkse’ politicus en is van mening dat het salaris van de voorzitter van de AFM, dat enkele tienduizenden euro’s boven de Balkenendenorm ligt, moet blijven zoals het is. Hij acht dat meer ‘marktconform’ dan het salaris te verlagen tot die norm. Marktconform – dat was het woord dat ik zocht. Welke markt ook weer? De markt waar dieven dieven vangen met dieven, de markt van dief en diefjesmaat.

12 mei 2018

=0=

 

 

Oorlog

De moraal laat ik erbuiten. Dat met Trump geen afspraak te maken is omdat hij zich aan geen afspraak wenst te houden is een feit en moet als zodanig worden afgehandeld. Verzuchtingen en ander ongemak hebben met het feit niets van doen.

Er is een tweede feit. De oorlog van een voorganger van Trump, de oorlogsmisdadiger Bush, heeft het gehele Midden-Oosten gedestabiliseerd, het heeft onnoemelijk veel slachtoffers gemaakt, het heeft miljoenen mensen op de vlucht gejaagd – deels Europa in. De Europese medeschuldige aan de oorlog – het Verenigd Koninkrijk – ontkent net als de VS enige verantwoordelijkheid en het zal met de Brexit als aanjager de eigen grenzen verder dichtgooien. De VS en het VK bedrijven politiek als een onderneming – alles wat je niet wilt hebben kieper je over de schutting, op het erf van anderen.

Wat Trump dit keer niet wil hebben zijn de kosten van een oorlog waarvan hij vindt dat Israël die maar moet voeren. Netanyahu is daar best toe bereid, hij rekent op de steun van de VS, de VS zullen hem ook steunen – altijd goedkoper dan zelf de kastanjes uit het vuur halen. Niet iedereen in Israël is het met Netanyahu eens. Wel is iedereen het erover eens dat de kans op een oorlog in het Midden-Oosten groter is geworden. Dat Europa daarvan de weerslag van gaat ondervinden – hogere olieprijzen, verlies Iraanse afzetmarkt, stijgende vluchtelingenstromen, toenemende druk op opvangcapaciteit en opvangbereidheid – is in het geval van oorlog onvermijdelijk. America First is een strategie van een dikke vinger voor Europa. Het zou Europa sieren – niet in esthetische zin maar in de zin van ‘eer’ – als het Trump zou trakteren op een vinger van minstens gelijke dikte. Doet Europa dat niet dan zal Trump elke volgende keer, bij elke volgende gelegenheid, met nog grotere onbeschoftheid tekeergaan. En let wel, Trump beslist over welke gelegenheid hem wanneer uitkomt.

Een macht in verval is zelden een mooi gezicht. Amerika is een macht in verval, ook in het Midden-Oosten. Iran, Turkije en China zijn machten in opkomst en alle drie hebben belangen in het Midden-Oosten. De kans dat die drie landen gemene zaak gaan maken is aanwezig. Ook dat dwingt Europa tot het kiezen van een eigen positie. Daar is het tot dusver nog niet van gekomen. Maar het feit dat afspraken niet meer gelden hoeft niet alleen de VS in de kaart te spelen. Ook Europa zit niet meer vast aan die afspraken en ook Europa kan een Europe First kaart uitspelen. Met betrekking tot de Britten is Europa al een eind die weg op gegaan, met betrekking tot de VS biedt die weg zich aan – als Europa het aanbod durft aan te nemen.

11 mei 2018

=0=





Water en wijn

Dit citaat vond ik op Wikisage: “Met ‘cultuurmarxisme’ bedoel ik dat het marxisme de culturele bovenbouw haatte omdat deze de aristocratische waarden weerspiegelde. Dat hield in: een hiërarchische verhouding tussen werkgever en werknemer, tussen ouder en kind, tussen docent en student, tussen het Westen en de rest van de wereld. Dit waardepatroon stond haaks op het marxistische gelijkheidsstreven en moest daarom worden geperverteerd zodat het ziek werd. Als de bovenbouw eenmaal ziek was kon deze worden ‘geruimd’.” (Sid Lukkassen, Avondland en identiteit. Soesterberg, Uitgeverij Aspekt 2015: 9)

Ik ben het eens met de auteur dat als je het beschrijft zoals hij het beschrijft de beschuldiging van complotdenken nergens op slaat. De auteur is het complotdenken ver voorbij, hij is het denken ver voorbij, hij is zichzelf ver voorbij. Hij verkeert elders, in andere sferen, caleidoscopische sferen, in (in zijn geval) sferen waarbinnen de diverse samenstellende delen als een tang op een varken slaan (bovenstaand citaat is daarvan, neem ik aan, een treffende illustratie).

De gelijkenis met Breitbart is opvallend. Ik citeer uit een artikel over de man van de hand van Rebecca Mead in The New Yorker (24 mei 2010). Breitbart, schrijft ze, “seems a familiar bicoastal type until he starts explaining his conviction that President Barack Obama’s election was the culmination of a plot, set in place in the nineteen-thirties by émigré members of the Frankfurt School, to take over Hollywood, the media, the academy, and the government, with the aim of imposing socialism. “He’s a Marxist,” Breitbart says of Obama. “His life work, his life experience, his life writings, and now his legislative legacy speak to his ideological point of view.”’

Het moet ongeveer in diezelfde periode geweest zijn dat, ergens in 2010, Martin Jay werd opgebeld met het verzoek of hij wat kon vertellen over de Frankfurter Schule. Jay kreeg dat type verzoeken vaak en hij ging er op in. Was het waar dat de Frankfurters het gewicht van hun, op Marx geïnspireerde, analyses verplaatsten van economie naar cultuur? Ja, dat zou je zo kunnen zeggen, was het antwoord van Jay. En zo waren er nog enkele vragen die hij allemaal braaf beantwoordde. Hij stond raar te kijken toen het resultaat van dit gesprek zo werd verwerkt dat het erop leek alsof hij het spook van het cultuurmarxisme op dezelfde manier interpreteerde als Breitbart, als (bij ons) Lukkassen en Baudet en Cliteur. Jay reageerde met een lang artikel in Salmagundi (No.168/9, Fall 2010/Winter 2011) getiteld ‘Dialectic of Counter-Enlightenment: The Frankfurt School as Scapegoat of the Lunatic Fringe’. Ik geloof dat de titel de reactie van de auteur meer dan voortreffelijk weergeeft en ik ben het met hem eens dat welk weerwoord dan ook boter aan de galg is. Eén kanttekening: de ‘krankjorume rand’ klinkt te onschuldig en ook te hoopvol. We hebben te maken met oplichters die beweren water in wijn te kunnen veranderen en die ons, als wij het resultaat uitspugen, voorhouden dat het cultuurmarxisme nu ook al onze wijnsmaak heeft overgenomen. Dat zou ik geen rand meer noemen en het verschijnsel zelf geen randverschijnsel. Eerder is het een soort kleverigheid dat aan alles, en in het bijzonder aan alles dat er graag van gevrijwaard zou blijven, blijft plakken.

10 mei 2018

=0=

 

Landing

Gisteren hoorde ik de voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Verkeervliegers (VNV) zeggen dat je in Frankrijk veel geld kwijt bent aan landingsrechten. Dat is één reden dat Air France, dat die rechten ook moet betalen, niet erg ‘competitief’ is. De Franse staat roomt meer af dan goed is voor de concurrentiepositie van het bedrijf. Daaruit leid ik af dat de Franse minister van Economische Zaken de feiten geweld aandoet als hij beweert dat de vakbonden moeten inbinden om Air France concurrerend te maken. De Franse staat moet inbinden, maar daar hoorde ik hem niet over. Ik hoop maar dat onze minister van Infrastructuur en Waterstaat hem op zijn eenzijdigheid heeft gewezen bij haar bliksembezoek aan Parijs, gisteren. Ik reken er niet op. Haar reisje is voornamelijk overbodig, ze heeft niets te zeggen en niets in te brengen en wat ze zou moeten zeggen en enige burgermoed vereist (‘hou nou eens op met die goedkope truc om alles wat fout gaat af te boeken op kosten van de rechten van de werknemer en alles wat goed gaat op het bord te leggen van de directies en aandeelhouders), heeft ze niet gezegd.

Bovendien, wat is ‘competitief’ in de luchtvaart? Air France maakt winst, KLM maakt meer winst – is het dat wat de tegenwoordige definitie van concurrerend zijn inhoudt? Bepalen de prijsvechters de concurrentie? Of bepalen overheden met hun invloed op de prijs van kerosine, met de toewijzing en beprijzing van landingsrechten, met hun milieu- en geluids- en veiligheidseisen de concurrentie? Beide? Zijn overheden met hun belachelijke luchtvaartbeleid niet bezig de rechten van de werknemers op het hakblok te leggen en zijn ze niet bezig om elk beleid om het milieu te sparen te vermoorden? Staat ‘Parijs’ voor het klimaat of toch voor het bedrijfsleven? Merkwaardig, in de discussie over de stakingen en hun gevolgen in onze media heb ik hier helemaal niets over gehoord. Onze media denken bij economie steevast aan de hand die hen voedt. Ze worden gedreven door een slavenmentaliteit waarbij de slaven altijd schuldig zijn en de meesters het al moeilijk genoeg hebben.

Bepalen de prijsvechters de competitie? Als de prijsvechters bepalen dan verliezen de verkeersvliegers. Die hebben het overigens al verloren bij maatschappijen zoals Ryanair. Mijn indruk is dat het streven in ons land is om van alle verkeersvliegers kopieën van de verkeersvliegers van Ryanair te maken. Braaf, slaafs, schuw, stil, mak en makker en makst. En goedkoop, vergeet dat niet. En die kant moet het op als ik Sven Kockelmann (gisterochtend in gesprek met de voorzitter van de VNV), Mathijs Bouman (econoom van dienst bij Nieuwsuur), het Journaal en andere mediamonden en mediabakkesen moet geloven.

Tja, hoe gaat dat. Het patroon kennen we zo langzamerhand wel. Elke werknemerseis is een kostenpost voor het bedrijf, daarom zijn er geen redelijke werknemerseisen en werknemerseisen zoals die gebruikelijk zijn in Frankrijk zijn zo buitensporig dat zelfs wij er last van kunnen krijgen. Weg ermee!

Ryanair is al sinds jaar en dag de Deliveroo van de vliegwereld. Het is de toekomst en de media zullen er pas achter komen als het zo ver is en als het zo ver is, is het te laat. In ons land heeft alleen de voorzitter van de VNV het door – Sven Kockelmann en Mathijs Bouman ten spijt. Het is droef en het is wat en zoals het is.

8 mei 2018

=0=


Inhoud

Mij gaat het om de inhoud. Dat zei Hans de Boer, werkgeversvoorzitter, gisteravond bij Pauw. De inhoud bestaat volgens hem uit banen en welvaart. Ik had eventjes de hoop dat Jesse Klaver die ook aanwezig was hem zou corrigeren: u bedoelt nog meer discriminatie op de arbeidsmarkt en nog meer ongelijkheid? Klaver deed het niet.

Het ging over de memo’s waarover Rutte en Wiebes hebben gelogen en waarover Segers, Buma en Pechtold doen alsof hun neus bloedt. Zei Klaver dat Rutte een leugenaar was? Hij zei het niet.

In de Nederlandse politiek is liegen deel van het standaardrepertoire. Er is een rechte lijn tussen het liegen van politici en het wijzen naar anderen omdat die nepnieuws verspreiden. Er bestaat een grote voorkeur voor de situatie waarin niemand geloofd wordt boven de situatie waarin alleen de leugenaars niet geloofd worden en hoe dichter je bij de regering zit hoe groter die voorkeur.

De inhoud van De Boer is in één woord samen te vatten. Het woord is geld. Geld voor het bedrijfsleven en nog meer geld voor het bedrijfsleven. Dat geld heet bij hem een goed vestigingsklimaat en dat, voegde hij er dreigend aan toe, is heel belangrijk. Als je daarvoor als werkgeversvoorzitter moet schooien bij de premier dan doet hij dat want daar is hij voor en als de premier daarover moet liegen, dan is dat voor een werkgeversvoorzitter volmaakt onbelangrijk. Daar houdt hij zich niet mee bezig. Zijn bezigheid is de inhoud.

We hebben een labbekakkerige werkgeversboer en we hebben de voormalige personeelsboer van Unilever, Mark Rutte, de man die bij Unilever het landsbelang al diende en nu, in dienst van datzelfde land, land en Unilever dient.

Voor de inhoud. Dat is geruststellend. De premier vergeet van alles en nog wat, de fractievoorzitters kunnen het zich ook niet herinneren, de fractiespecialisten hebben wel wat gezien en dat niet ‘gedeeld’ met hun fractievoorzitters omdat ze niet elk detail delen en de fractievoorzitters ook niet alles kunnen onthouden en ook niet alles even belangrijk vinden. Ze vinden net als de werkgeversvoorzitter het vestigingsklimaat en de banen en de welvaart van het internationale bedrijfsleven belangrijk, zeker als dat bedrijfsleven z’n hoofdvestiging in Nederland heeft. Ook zij gaan voor de inhoud, voor meer arbeidsmarktdiscriminatie en meer ongelijkheid.

Het is ontluisterend.

25 april 2018

=0=

 

Schorpioen

De schorpioen is, volgens de uitleg bij het sterrenbeeld, de meest diepzinnige, intense en krachtige persoonlijkheid van de dierenriem; zelfs als de schorpioen kalm en beheerst overkomt, kolkt er onder de rustige oppervlakte een ziedende emotionele energie.

Op de voorkant van het essay voor de maand van de filosofie van Femke Halsema (Macht en Verbeelding) prijkt een foto van Marina Abramovic, getiteld ‘portret met schorpioen (ogen geopend)’. Er is ook een versie met de ogen gesloten. Halsema noch Abramovic zijn schorpioenen. De foto prikkelt de verbeelding. Waar ik de macht moet zoeken is me daarentegen niet duidelijk. De grijpscharen van de schorpioen zijn machtig, en het gif zit in de staart maar ik vermoed dat ik een beeld van zijn macht moet kunnen hebben voordat ik er zicht op krijg. Met open ogen. Je gaat het pas zien als je het doorhebt (dixit Johan Cruijff).

Ik neem aan dat Femke aanneemt dat zij het doorheeft en dat zij dat graag met ons wil ‘delen’. Ik lees het essay en heb nergens de indruk dat er behalve platitudes iets wordt uitgewisseld. De ‘verbeelding’ ontbreekt (een tamelijke obligate verwijzing naar de ‘kleine utopie’ van het basisinkomen daargelaten), de vraag of het ooit iets anders dan een beeldenstorm was wordt niet gesteld.

Provo (het voornaamste object van de nostalgie van Halsema) was een buitengewoon geslaagde aanval op een gezag dat meende dat als er gezag op stond het dan ook gezag was. Een aanval op de macht werd het niet – de Kabouters die, twee jaar na de opheffing van Provo, de politieke macht op de korrel wilden nemen, zijn wat dat betreft geen serieuze partij geweest. De verbeelding bleef verre van de macht en er lag ook al geen strand onder de stoeptegels. De verbeelding van Halsema blijft eveneens verre van de macht. Ik heb eerlijk gezegd geen idee wat ze onder macht verstaat, ik denk dat het iets in de trant van ‘gevaarlijk maar onvermijdelijk’ is en dat is geen politieke versie van macht, het is er een moraliserende versie van. Het is een gebrek.

Ik denk dat het dit gebrek is dat verklaart waarom Halsema de politiek zelf – in enge zin: de politieke partijen, de instituties van de democratie, de schimmigheid die de omzetting van het stembusresultaat in politieke macht begeleidt – totaal negeert. Er zijn politici waar ze het niet mee eens is, die voor haar een onderdeel van het probleem en niet van de oplossing zijn, er is geen besef dat de politieke partijen dat ook wel eens zouden kunnen zijn, dat de parlementaire democratie zoals we die kennen dat ook wel eens zou kunnen zijn, dat de kaders waarbinnen we ons politiek en parlementair bewegen – nationale kaders – een onderdeel van het probleem zijn en niet van de oplossing. Halsema kan wel uit de voeten met het nationale kader, als iets om trots op te zijn dan, niet als iets waarover je je de vraag moet stellen of die kaders überhaupt nog wel kunnen voldoen in een wereld die bij vrijwel elk probleem bewijst dat nationale kaders te klein bemeten zijn om voor wat dan ook een oplossing te bieden.

Ook het begrip van de natie is bij Halsema gemoraliseerd. Dat is niet de verbeelding aan de macht, het is de onmacht van de verbeelding. Met de ogen geopend.

21 april 2018

=0=


Positie

Twee zinnen. Zin één: ‘Het Centraal Planbureau berekende dat het plan van het kabinet geen extra werkgelegenheid oplevert, terwijl dat juist het centrale doel is van staatssecretaris Van Ark’ (Trouw, vandaag). Zin twee: ‘Het werkgelegenheidseffect van loondispensatie in plaats van loonkostensubsidie is naar verwachting gering’. (CPB Notitie, 17 april 2018, Position paper Hooflijnennotitie Loondispensatie Participatiewet).

Naar verwachting, schrijft het CPB. Dat komt, in het positiepaper, neer op de uitspraak dat het CPB het niet heeft berekend, maar dat het CPB verwacht dat de koene plannen van de staatssecretaris, behalve tot onrust, tot niets zullen leiden. Omdat Trouw verwacht dat alles wat het CPB verlaat het product van berekening is schrijft Trouw dat het CPB ook dit, het werkgelegenheidseffect van de door de staatssecretaris bedachte loondiefstal, berekende. Het zijn twee vergissingen van Trouw. De eerste is dat als het van het CPB komt het wel berekend zal zijn, de tweede is dat als het van het CPB komt het wel betrouwbaar zal zijn. Met de eerste vergissing meegaan verraadt luiheid, met de tweede vergissing meegaan verraadt haast. Ik ben bang dat het meeste nepnieuws het gevolg is van luiheid (de moeite niet nemen het bericht goed te lezen) en van haast (de moeite niet nemen de bron kritisch te beschouwen). Er is meer nepnieuws dan we denken en dat komt niet door trollen, het komt doordat de nieuwswaarde van het nieuws meer van de snelheid van het nieuws dan van de juistheid ervan afhangt. Het komt door, ik blijf het een raar woord vinden, het ‘verdienmodel’ van nieuws. Daar onttrekt ook een goede krant als Trouw zich niet aan.

Het kan zijn dat ook de staatssecretaris (en de Kamercommissie die om de notitie vroeg) een berekening van het CPB verwachtte, maar die hebben ze niet gekregen. We moeten dat niet begrijpen als positie kiezen, schrijft het bureau, want een position paper kiest geen positie en het bureau doet dat ook niet. ‘Het CPB analyseert de effecten van (voorgenomen) beleid en neemt geen positie in’. Dat we het maar weten. Hoewel, het CPB heeft toch nog wel iets weg van Trouw want het analyseert de door de staatssecretaris verhoopte beleidseffecten helemaal niet, het CPB negeert de beleidsvraag daaromtrent en dat doet het omdat het CPB daar niets van verwacht en omdat het CPB van ons verwacht dat wij zijn verwachtingen delen. En houdt vervolgens zijn verwachting over de effecten van het beleidsvoorstel voor die effecten zelf. Het lijkt de MER wel. Zo kan ik het ook.

Pas werkelijk interessant wordt het als het CPB zou uitleggen waarom zijn verwachtingen zijn wat ze zijn. Maar ook dat laat het CPB na. Niettemin, waarom neemt het CPB aan dat het terugdringen van de loonkosten van arbeidsgehandicapten, op de manier die de staatssecretaris voor ogen staat, de werkgelegenheid voor hen niet positief zal beïnvloeden? De staatssecretaris heeft aan de HES te Rotterdam haar propedeuse economie afgelegd en dus heeft ze vast en zeker ooit geleerd dat als je de loonkosten (de prijs van arbeid) verlaagt de werkgelegenheid (de vraag naar arbeid) stijgt. Het zou me niet verbazen als dit stukje zuivere ideologie ook door het CPB wordt uitgedragen en zoals dat gaat bij zuivere ideologie, die geldt altijd. Dat zal de staatssecretaris vast wel geleerd hebben (tenzij het niet geldt maar dan had ze de studie nog even moeten voortzetten en niet moeten kiezen voor bestuurskunde, hoewel bestuurskunde ongetwijfeld heel interessant is – maar het is geen economie) en dus geldt het bij haar ook voor die werkenden van wie de marginale productiviteit te laag is om het minimumloon te verdienen. Dat leer je dan, bij de HES en bij elke andere opleiding waar je een propedeuse economie kunt behalen, en dan weet je dingen die iedereen weet maar die niet iedereen in termen van marginale productiviteit kan vertalen want daar moet je voor gestudeerd hebben. De truc is (het is en blijft ideologie) dat die marginale productiviteit in het vacaturebeleid van het bedrijfsleven geen enkele maar in het aanspreken van de overheid door datzelfde bedrijfsleven een heel belangrijke rol speelt. Marginale productiviteit is een stok om de hond te slaan (de arbeid is te duur) en de staatssecretaris was op zoek naar zo’n stok (want de arbeid is te duur). Meer is het niet.

Waarom was de staatssecretaris op zoek? Omdat je het werk van arbeidsgehandicapten elders nog goedkoper kunt krijgen natuurlijk. Ons minimumloon is niet ‘duurder’ geworden, onze omgeving is goedkoper geworden. Onze omgeving, de omgeving die ik gemakshalve met ‘elders’ aanduid, is de laatste tijd enorm veel groter geworden, en breidt zich nog steeds uit. ‘Elders’ werken ze meer uren onder slechtere arbeidsomstandigheden voor een habbekrats, en daar kan geen minimumloon tegenop. Behalve als je een minimumloon hebt omdat je vindt dat voor minimumlonen overwegingen van arbeidsproductiviteit en voordelige aanbieding even verderop niet gelden, dat we daarvoor nou juist dat minimumloon hebben. En kijk je er zo naar dan kan het minimumloon overal tegenop – omdat het noch met marginale productiviteit noch met ordinaire uitbuiting iets te maken wil hebben. Daarvoor moet je niet bij de VVD zijn en, breder, daarvoor moet je bij niemand zijn die iets prevelt over ‘werk boven inkomen’ en die meent daarmee iets nuttigs te hebben bijgedragen.

De staatssecretaris denkt ongetwijfeld dat economische wetten (werk) juridische wetten (het minimumloon) te boven gaan. Dat is, per slot, de vergissing waarop haar neoliberale partij is gebouwd en die tal van andere partijen ertoe heeft gebracht hun gedachten aan de meest biedende te verpatsen. Maar had het CPB daar niet een kleine kanttekening bij kunnen plaatsen, al was het maar om, als het in het beleid zelf niet mag, in de theorie rond en de ideologie van dat beleid wel ‘positie’ te kiezen?

19 april 2018

=0=

 

 

Is het willekeur? Is het zwendel?

Ons wordt een MER (Milieu-Effect-Rapportage) aangeboden, opgesteld voor de luchthaven Lelystad. De MER is eigenlijk geen MER, het is de actualisering van een eerdere MER die fouten bevatte en die bovendien aannames bevatte die nu niet meer gelden, althans nu niet meer geldig zijn, althans nu misschien nog wel geldig zijn maar toch niet meer gebruikt worden omdat we altijd aan voortschrijdend inzicht werken en voortschrijdend inzicht is zoiets als anticiperende handhaving: het handhaaft niet en het schrijdt evenmin voort, maar in de tussentijd kan de minister van en voor Schiphol haar vliegende gang gaan.

Ik bedoel dat we te maken hebben met een onafhankelijke commissie die geen MER aanbiedt maar wel een onthutsende reeks mitsen en maren waar niets uit blijkt, waar je werkelijk alle kanten mee op kunt, tenzij je natuurlijk een kant op wil die vliegbewegingen uitsluit omdat die slecht voor het milieu zijn. In deze rapportage vind je geen metingen, er wordt ook niets gemeten, er wordt alleen voor gezorgd dat wat ook gemeten wordt er altijd wel ergens een plekje voor is, zodat niemand nog kan beweren dat er iets wordt verdoezeld en er tegelijk voor wordt gezorgd dat niemand waar dan ook iets mee kan. Het mag voor zich spreken dat het rapport, ik zou zeggen: bewust, onleesbaar is gehouden.

En ook dat het rapport een voorschot neemt op het euthanaseren van de voorspelbare negatieve milieu-, geluids- en veiligheidseffecten van laagvliegende vliegtuigen. Want hoewel er hinderlijke geluidspieken zullen komen zijn die slechts tijdelijk. Zegt het rapport. Wat verderop in de tijd breidt het aantal vliegbewegingen van en naar Lelystad immers behoorlijk uit en omdat dat lang niet allemaal lage vliegbewegingen zullen zijn kun je het in tijd en ruimte zo regelen dat verhoudingsgewijs de overlast zal afnemen. Het zou mooi zijn, schrijft de commissie, als die effecten niet alleen verhoudingsgewijs worden gepresenteerd (zoals nu) maar ook absoluut. De commissie heeft zich niet afgevraagd of die verhoudingscijfers misschien iets te maken hebben met de beslissing om nergens een bovengrens aan het aantal vliegbewegingen op te leggen en in plaats daarvan uitsluitend met ‘ruimtes’ te werken waarbinnen alles moet plaatsvinden, rekening houdend met nieuwe technologieën die het vliegen geruislozer, schoner en veiliger zullen maken, hoewel het natuurlijk erg moeilijk kan blijken daar een meetbare overeenstemming over te bereiken. En daarom offert de commissie meetbaarheid op aan ambitie. Van wie? Van de luchtvaartbelangen.

Willekeur? Zwendel? Kreupelhout, zou ik zeggen. Begeef je er niet in.

18 april 2018

=0=

 


Anticiperend handhaven

Vorige week werd ik opgeschrikt door een bericht over anticiperend handhaven. Het ging over geluid en milieu en Schiphol. De afspraken daarover worden niet gehandhaafd, de uitleg was dat er alleen anticiperend zou worden gehandhaafd en dat het met het anticiperen nog niet zo wou lukken. Vergis ik me of is het nieuwe kabinet bezig met een nieuwe aanval taalvervuiling? Anticiperende taalbelemmering en zo?

Of is het de VVD, waar deze aandoening heerst? We hebben natuurlijk klassieke VVD’ers die gewoon ‘waarschijnlijk’ zeggen als de Britten en de Amerikanen, dezelfde partijen die ons destijds buiten de VN om met eerste klas anticiperende oorlogsleugens de oorlog in het Midden Oosten in hebben gerommeld, de meest leugenachtige oorlog ooit met de meest leugenachtige uitkomsten bovendien die ons tot op de dag van vandaag achtervolgen en die de aanstichters van destijds keurig hebben weten af te wentelen op de rest van het Midden Oosten en voor het overblijvende deel op het bordje van de EU hebben weten te deponeren, de klassieke VVD’ers dus die altijd waarschijnlijk zeggen wanneer de opvolgers van die oorlogsmisdadigers van toen weer eens iets met de zekerheid van het aplomb beweren en die dat ‘waarschijnlijk’ moeiteloos uit de bek krijgen omdat ze als de anticiperende dood zijn voor de gefronste wenkbrauwen van de Donald.

Er zijn ook andere VVD’ers. Kamerlid Haga, daar denk ik aan. Heeft z’n laars gelapt met de regels rond verhuurdersplichten en huurdersrechten, beweert nu dat hij in de war is geraakt omdat er plotseling nieuwe regels waren waar hij ook niets aan kon doen en gaat door het stof omdat hij, als Kamerlid met een voorbeeldfunctie, aan die nieuwe regels, die hij niet kende en ook niet had kunnen kennen desondanks en juist vanwege zijn voorbeeldfunctie, niettemin ‘anticiperend’ had moeten voldoen. Waaruit we mogen afleiden dat het Kamerlid Haga altijd heeft voldaan aan de oude regels, dat wil zeggen er zowel anticiperend als ten tijde van als achteraf aan heeft voldaan, dat de beweringen dat hij de oude regels met voeten trad gelogen zijn, dat hem alleen enige blaam treft omdat hij het met de nieuwe regels niet zo nauw nam maar dat dat eigenlijk niet telt omdat hij de nieuwe regels niet kon kennen zo lang ze nieuw en nog niet gewoon waren, dat hij niettemin vindt dat hij hier ‘anticiperend’ eerder aan had moeten voldoen en dat hij van de integriteitscommissie van de VVD, de commissie die een belangrijke anticiperende functie heeft, volkomen terecht en in anticipatie op zijn toekomst die spijtig genoeg ook een beetje de onze is geworden het stempel ‘integer’ heeft meegekregen.

Het komt, wou ik maar zeggen, best in orde met Schiphol, met het milieu, met de veiligheid, met het lawaai, met het aantal vliegbewegingen van Schiphol. Dat kunnen we, anticiperend, nu al zeggen. Net zoals we nu al anticiperend kunnen zeggen dat het t best in orde komt met de VVD-CDA combine die nu voor ons het samengaan van de voorbereidingen op een oorlog met de schijn van een eigen buitenlands beleid in de juiste anticiperende plooien vouwt. Wat zei onze kersverse minister van Defensie ook al weer toe ze aantrad? Ze zei: doen is het nieuwe denken. Wat zegt onze kakelverse minister van Buitenlandse Zaken? Hij zegt: waarschijnlijk. Waarschijnlijk is doen het nieuwe denken en waarschijnlijk komt dit kabinet er mee weg, denk ik zo maar, al anticiperend.

Ik denk dat onze minister van Defensie aan Trump dacht toen ze dat zei van dat doen dat het nieuwe denken was, en wie als minister iets zegt is gehouden het te doen ook. Zeggen is anticiperend doen. Misschien dat de Donald, die al zoveel heeft gezegd dat het elkaar tegenspreekt, wegkomt met het niet doen wat hij zegt – daar moeten we dan maar op hopen. Ons kabinet zal het niet tegen hem zeggen, want ons kabinet weet dat doen anticiperend denken is en wij denken niet, wij volgen. Ons denken is teruggebracht tot de waarschijnlijkheidsrekening van de Donald en waar het denken van de Donald over gaat, daar durf ik niet op anticiperen.

Sneu voor ons is alleen dat wij nooit zelf iets mogen doen en altijd alleen maar mogen meedoen – hoezeer we ons anticiperend ook aanbieden. Ik moet denken aan de kruiperige wanvertoning van Balkenende en De Hoop Scheffer die bij Bush jr. op bezoek waren en niet wisten wat ze moesten doen om hun kunsten in anticiperende slaafsheid onder de aandacht van de president te brengen. Ik moet denken aan Balkenende die van zijn vriend Tony Blair dingen had gehoord die alleen voor zijn oren bestemd waren. Balkenende zijn spartelend de oren gewassen toen het al te laat was en van die vriendschap heb ik nooit meer wat gehoord. En het kon niet uitblijven dat De Hoop Scheffer z’n anticiperende vernuft zou loslaten op de vraag wanneer Trump gaat bombarderen. Binnen enkele dagen en voor het einde van het weekend sprak het orakel. Maar hou hem ten goede, aan een anticiperende uitspraak is niemand gehouden, dus ook hij niet.

Met het ‘ik zal handhaven’ presenteerde de Nederlandse staat zich geruime tijd aan de wereld. Als een leeuw. Daar doen we niet meer aan. We hebben de handhaving en de leeuw vervangen door anticiperen. Der Staat schafft sich ab.

13 april 2018

=0=

 

 

Van allen met allen

Markten verenigen niet, markten verdelen door iedereen en alles het uniform van de verkoopbaarheid voor te schrijven en dan geldt de klassieke regel dat alles kan maar niet alles tegelijk.

Sommige producten worden beter en eerder verkocht dan andere producten en sommige producten worden helemaal niet verkocht. Heb je te lang in de etalage gestaan dan is je houdbaarheidsdatum verlopen en omdat we op mensen geen houdbaarheidsdatum mogen plakken worden daarvoor ruwe indicatoren gebruikt zoals herkomst, opleiding en leeftijd, indicatoren die in de huidige periode van big data in aantal en accuratesse toenemen maar desondanks voorbeelden van statistische discriminatie zijn en blijven.

De algoritme-economie verheft het algoritme tot economische wet en het algoritme is, zoals we weten uit de discussie over etnisch profileren, de in het gewaad van keurige wiskunde verklede statistische discriminatie. Mensen die niets van statistiek weten maar wel ongestraft willen discrimineren zijn er wat blij mee.

Een algoritme verbindt een definitie van succes, van wat gewild is door degene die het algoritme bestelt, met data die zo gekozen, verzameld en bewerkt worden, dat ze discrimineren tussen hen die waarschijnlijk meestal succes zullen hebben, hen die het misschien soms zullen hebben en hen die het zeker niet zullen hebben. Drie lagen, zeg maar. Het ‘industriële reserveleger’ van Marx kende ook drie lagen, de ene nog miserabeler dan de andere, maar vandaag worden met het grootste gemak lagen op aanvraag gegenereerd en de verklaring waarom uitgerekend jij niet in de prijzen valt krijg je er tot twee cijfers achter de komma bijgeleverd.

Als je zelf nergens last van hebt zou je het vooruitgang kunnen noemen: wat begon als onvermijdelijke bijkomende schade van de werking van het stelsel is nu getransformeerd in individuele defecten waar je zelf verantwoordelijk voor bent. Toch, in ons land mag je niet discrimineren maar over statistisch discrimineren bewaren we een beschaafd stilzwijgen. Er moet op markten per slot nog wel geselecteerd kunnen en mogen worden.

Een nis is een beperkte ruimte met een beperkt aantal plekken en met beperkende toelatings- en uittredingsregels. Arbeidsmarkten waren in de twintigste eeuw voornamelijk nationale nissen waarbij de beschikking over een toegelaten bewijs van staatsburgerschap de schapen van de bokken scheidde.

Zo’n bewijs is ook nu nog altijd nodig, zij het dat er een tweetal meer markt-eigen demarcaties aan toegevoegd moeten worden. Dat is in de eerste plaats de demarcatie door marktsegmentatie – op de arbeidsmarkt komen we dat tegen in de vorm van vaste versus tijdelijke aanstellingen (en met een snel groeiende variatie binnen het geheel van tijdelijke aanstellingen, inclusief de zzp-er, de payroller enz.). Segmentatie is het domein van de vrager, van het kapitaal in ons geval. Daarnaast is er, ten tweede, de concurrentie binnen de arbeid zelf, een concurrentie op herkomst en afkomst, taalgemeenschap, culturele identiteit enz., de concurrentie die enerzijds de kwestie van de staatsburger weer centraal stelt (in de vorm van het zich verzetten tegen ‘illegalen’ en ‘vluchtelingen’) en anderzijds een verzet is tegen het openstellen van de nationale arbeidsmarkt voor werknemers uit EU-lidstaten en daarbovenop nog voor een aantal geselecteerde beroepen en diensten waar een ‘tekort’ aan is.

Zodra er een kink in de kabel van het arbeidsaanbod is of zelfs maar dreigt komt de overheid in het geweer. De aow-leeftijd gaat omhoog, de studiefinanciering wordt een leenstelsel zodat studenten zowel de financiële wereld in worden geduwd als ook de markt van de bijbaantjes zullen afstropen, de arbeidsmarkt wordt geopend voor mensen die er eerder geen toegang toe kregen. De toegenomen spanningen op de arbeidsmarkt, de woningmarkt, in buurten en wijken worden op de koop toe genomen – de vraag naar arbeid wordt er vrij van gehouden, het aanbod, en dan in het bijzonder het meest kwetsbare aanbod, krijgt ze er ongevraagd bij en de politieke markt voor, beschermde, beschermende en naar bescherming zoekende ‘identiteiten’ beleeft gouden tijden.

Het neoliberalisme is de concurrentie van allen met allen – niet duidelijk is wanneer het woord en de praktijk van de concurrentie zullen worden vervangen door woord en praktijk van de haat van allen tegen allen en, het is al weer denkbaar aan het worden, van de oorlog van allen met allen.

Van allen met allen. Democratischer kan niet.

12 april 2018

=0=


Rampzalig

Naar men verwacht worden de rijken steeds rijker. Nog even en de rijkste 1% bezit 2/3e van de wereldse rijkdommen. Ik lees dat er mensen zijn die dat moreel onjuist vinden en economisch rampzalig. Ik weet niet in welke volgorde, hoewel ik mijn vermoedens heb.

Van de landen die tot de G20 horen wordt verwacht dat die er iets aan zullen doen. Je kunt net zo goed aan de grootste vervuilers vragen iets te doen aan een schoner milieu. Of wacht, dat gebeurt al. Er is een verdienmodel van gemaakt en Ed Nijpels en Hans Alders gaan erop toezien dat het goed zal komen. Nog even en heel Nederland is bezaaid met tafels waar van alles – van Schiphol tot en met de besteding van vrij besteedbare onderwijsgelden – wordt bedisseld en de markt het laatste woord krijgt. Ik lees dat er mensen zijn die nu al zien aankomen dat de kleine vervuiler veel en de grote vervuiler niets gaat bijdragen aan een schoner milieu. Of iets preciezer verwoord: dat de kosten bij de burger terechtkomen en dat de opbrengsten naar de grote vervuiler gaat. Misschien dat de G20 hier hun led-licht eens over kunnen laten schijnen.

Hoe dat kan, van die rijken die rijker worden, en van die vervuilers die hun vuil bij ons deponeren en daar een mooi verdienmodel van weten te maken? Dat is al wel heel eenvoudig. Het antwoord is: belastingen. Rijken en vervuilers plunderen de belastingen, de burgers zorgen voor het op peil houden van de fondsen waaruit geplunderd wordt. Is al een heel oud foefje. Vorige eeuw leek het er even op dat het allemaal zo schunnig niet zou blijven maar daar is een einde aan gemaakt.

Het plunderen is weer helemaal terug, zozeer terug zelfs dat de plunderaars zich zorgen beginnen te maken over het ‘draagvlak’ van de toekomst van het geplunder. Soms is er wel degelijk iets nieuws onder de zon. De sociale samenhang kan in het gedrang komen als rijken en bedrijven de kas mogen beroven met de wet in de hand en de belastingdienst als uitvoerder. Dan moeten we op gaan letten. De burger kan boos worden, per slot. Is het niet verstandig de burger een paar kruimels toe te werpen – of beter nog: sommige burgers wat toe te werpen en andere juist niet? – voordat de pleuris uitbreekt en de belastingwetten moeten worden aangepast en eindelijk die lastige vragen over belastingmoraal en belastingcultuur moeten worden gesteld en, erger nog, beantwoord?

Aan de nieuwe misstanden heeft de sociaaldemocratie lang meegewerkt. De sociaaldemocratie heeft welwillend toegekeken hoe bedrijven hun fiscale grappen en grollen hier parkeerden en vervolgens beweerden dat daar ‘hoogwaardige werkgelegenheid’ voor terugkwam.

De sociaaldemocratie heeft alle leugens van Schiphol verdedigd en huilt nu mee met de wolven in het bos om een uiterst vervuilende luchtvaartindustrie de hand boven het hoofd te houden en tegelijk de burgers rond Schiphol en Lelystad tegen elkaar uit te spelen.

De sociaaldemocratie heeft een onverantwoordelijke bankensector gered met het ter beschikking stellen van vele miljarden belastinggeld die als het fout was gelopen voor rekening en risico van de burgers waren gekomen.

De sociaaldemocratie heeft zich verkocht aan de hoogste bieder – en dat wordt haar door hen die minder te bieden hebben (gewoon, in geld en vermogen uitgedrukt) niet in dank afgenomen.

De sociaaldemocratie is op weg een betreurenswaardig misverstand te worden.

De sociaaldemocratie ging ooit voor de verheffing van de arbeidersklasse en centraal in die verheffing stond sociale en economische zekerheid. Die zekerheden zijn door de sociaaldemocratie verkwanseld, in naam van de ‘middenklasse’ wordt beweerd.

De sociaaldemocratie zelf noemde dat de ‘derde weg’, was er apetrots op en zwijgt er tegenwoordig over omdat de derde weg de weg van groeiende ongelijkheid bleek te zijn, van een belastingstaat die wordt geplukt door de rijken die er weigeren aan mee te werken en aan mee te betalen, van – voor de ondernemer/werkgever – een flexibiliteit die van elk recht van de werknemer een afgeleide van de markt heeft gemaakt, en – voor de arbeidersklasse – de weg van ‘structurele hervormingen’ (IMF, OECD, EC), van de ‘structurele aanpassingen’ (Wereldbank), van (bij elkaar genomen) de ‘Washington Consensus’. Tot schade en, dat vooral, schande van de sociaaldemocratie.

‘De sociaaldemocratie verliest enorme steun omdat zij geen duidelijk antwoord geeft op een grote zorg van Nederlanders: onze manier van samenleven. Kiezers vragen om morele standpunten over hoe mensen met elkaar moeten omgaan. Om grenzen te stellen in onze samenleving waarmee culturele zekerheid wordt geboden. Wat mag wel en wat mag niet? Daar is meer behoefte aan dan aan economische zekerheid. Sterker nog, een bepaalde culturele cohesie is een noodzakelijke voorwaarde voor onderlinge verbondenheid, wat het draagvlak geeft voor economische solidariteit. Daarbij is zeer belangrijk dat grenzen stellen voor de middenklasse de vrijheid van levenswijze beschermt.’ Was getekend: Wimar Bolhuis, aanstormend PvdA-talent, nu al gepokt en gemazeld in de polder en vastbesloten te redden wat nog te redden is.

Erst die Moral, dann das Fressen. Een nieuwe cultuurgeschiedenis van de arbeidersklasse die, na kennis genomen te hebben van die geschiedenis, ook geen arbeidersklasse meer heten mag en in plaats daarvan de mantel van de ‘middenklasse’ aangeboden krijgt. Echt waar, geen woord van gelogen. Meer nog, het is hoog tijd dat de sociaaldemocratie de lessen van de nieuwe moraal van de middenklasse serieus leert nemen.

Zegt Bolhuis. Lees zijn onthutsende tirade in de Volkskrant van 9 april. We hebben, schrijft hij, behoefte aan culturele zekerheid, meer dan aan economische. Hoe weet hij dat? Hoe weet hij dat de verzwakking van de rechten van werknemers, een verzwakking die onder aanvoering van de sociaaldemocratische Kok, Bos, Dijsselbloem, Samsom en Asscher is uitgemond in het verlies van economische en sociale zekerheid, hoe weet hij dat de neoliberale cultuur waar dat verlies het product van is, dat die cultuur het probleem niet is, en dat die cultuur het probleem ook helemaal niet kan zijn omdat we (de middenklasse van Wilmar) daar veel minder belang aan hechten dan aan de eigen cultuur van de ‘Nederlandse leefwijze’?

En zo ja, wat is die cultuur anders dan, inderdaad, een cultuur vrijheidsrechten, van rechten die de overheid op afstand moeten houden van de grondrechten van de burger, wat is die cultuur anders dan de cultuur van rechtsstatelijkheid? En als het die rechten zijn, zijn het dan de rechten van iedereen of zijn het de rechten van de meerderheid, de meerderheid die in handen van de ‘eigen cultuur eerst’ aanhangers en in handen van Bolhuis en de zijnen alleen bekend is onder de populaire leus van de meerderheid die altijd gelijk heeft en die niet gestoord mag worden door allerlei flauwekul over rechtsstatelijkheid?

Sociale cohesie, culturele cohesie, het is geleuter van een scribent die kennelijk vast van plan de Denen de loef af te steken en die het niet aandurft, en daar zit mijn pijn, om de grens te trekken bij elke verzwakking van rechtsstatelijkheid. Een dergelijke verzwakking is, het zal Bolhuis niet zijn opgevallen maar naar ik hoop vele anderen wel, binnen de EU aan een opmars bezig, de EU zelf is niet bij machte daar een halt aan toe te roepen en in ons land staat de zaak van de rechtsstatelijkheid onder druk van partijen als PVV, FvD, VVD, CDA en, als Wilmar zijn zin krijgt, van de PvdA. Ik zal wel wat over het hoofd hebben gezien, maar er is meer dan genoeg om me zorgen over te maken.

Ik zie, en daar neem ik afscheid van het laffe stuk van Bolhuis, dat dezelfde groepen die te grazen zijn genomen door een eenzijdige en ongerichte globalisering nu door Wilmar over de bol worden geaaid omdat ze zo helemaal gelijk zouden hebben in hun verzet tegen al die vreemden die na hun banen ook hun huizen en na hun huizen ook hun buurten en hun gezelligheid inpikken (vroeger voegden we daar ook onze dochters en vrouwen aan toe maar nu die geëmancipeerd zijn mogen ze zelf beslissen of ze zich in laten pikken en beklagen we hun vrouwen en dochters omdat die helemaal niets mogen) – tenzij we, zegt Wilmar, nu de hakken in het zand zetten. Wilmar laat met liefde hun baan jatten want de arbeidsmarkt is nu eenmaal internationaal, laat in naam van de markt, die geen huizentekorten oplost maar ze in razend tempo weet te creëren, hun huizen onbetaalbaar maken, laat hun buurten veryuppen omdat expats en andere kleurrijke en innovatieve leden van de creatieve klasse toch ook ergens moeten wonen, en hij organiseert elk weekend in naam van onze vrijheid (we doen het omdat het kan) een fantastisch housefeest, nodigt Geer en Goor uit en noemt dat alles bij elkaar de Nederlandse leefwijze en cultuur en schrijft elke onvrede daarover bij op de rekening van uitkeringstrekkers, fraudeurs, migranten, islamieten en Arabieren.

Laat ik het zo zeggen. Als de spanning stijgt neemt de behoefte aan zondebokken toe. In een rechtsstaat zijn zondebokken juridisch een onmogelijke categorie en wanneer de behoefte eraan toeneemt, als er een markt voor is, komen de politici vanzelf wel die de markt willen bedienen, het recht willen aanpassen en de schade voor de rechtsstatelijkheid op de koop toe nemen. Gewoon, maak van alles een merk, plak de leuke labels op je eigen club, plak de lelijke labels op de clubs die je niet mag en liever kwijt dan rijk bent, flikker de hele zooi op sociale media, schrijf een ingezonden stuk en zie – met een beetje geluk slaat jouw merkbenadering aan. Als dat gebeurt moet je er wel aan vasthouden, anders ben je je markt zo weer kwijt. Het is zo ordinair dat het niet eens meer banaal is.

Ondertussen bepalen de onappetijtelijker randen van de islamieten, de Arabieren, de migranten, de fraudeurs en de uitkeringstrekkers ons begrip van alle islamieten, Arabieren, migranten, fraudeurs en uitkeringstrekkers en van hun culturen, niet omdat we iets begrijpen maar omdat we er een beeld van hebben, en van sommige beelden willen we niets weten omdat we er alles al van weten omdat we ze gezien hebben, en omdat we er niets mee te maken willen hebben, hoewel we er dagelijks mee te maken hebben en dat weten we maar al te goed want we kennen onze merken en we kennen hun merken, we kennen alleen nog maar merken en meer hoeven we niet te weten en wat iedereen weet, weet iedereen dus als je het er niet mee eens bent dan gaan wij dat mooi niet horen. Wie gehoord wil worden moet onze taal spreken, wie gezien wil worden moet aan ons beeld voldoen. Zo niet, dan niet.

Rampzalig, schreef de krant, naar aanleiding van de rijken die maar rijker worden, van de armen die maar armer worden en naar aanleiding van de zorg (dat vooral) dat zelfs de armen misschien door beginnen te krijgen dat die twee ontwikkelingen alles met elkaar van doen hebben – een zorg die door Wilmar wordt bestreden door binnen de groep armen tal van subgroepen te ontdekken die het feestje voor iedereen, de overige armen voorop, dreigen te verzieken.

Cultuur, roept Wilmar dan, cultuur moet ons redden en redden, dat is de armen uit elkaar spelen, in naam van de cultuur. We zijn er eerder geweest, zou ik denken. We kennen de vele verhalen over de cultuur van de armoede, van de cultuur van de afhankelijkheid en we kennen het stramien van die verhalen, verhalen die altijd doen denken aan de waanwereld van sommige krakers lang geleden: jullie rechtsstaat is de onze niet, riepen ze (ze dachten dat wet en rechtsstaat hetzelfde waren, de schatten). Wilmar roept: jullie cultuur is de onze niet (en hij denkt dat de cultuur van zijn recht niet alleen zijn cultuur is en niet die van hen, maar dat zijn recht ook van hem is, niet van hen).

Inderdaad, rampzalig.

11 april 2018

=0=


Encore

Klasse beschrijf ik langs twee lijnen. Er is de klassieke, aan Marx ontleende, lijn van de controle over de productievoorwaarden. Let wel, ik vervang eigendom door controle (wie mag op eigen gezag het spul aan- en uitzetten) en productiemiddelen door productievoorwaarden (die zich dezer dagen steeds vaker als beheerst door data ontpoppen). Op het vlak van de controle maken de controleurs zich steeds zenuwachtiger over inbrekers in hun domein van productievoorwaarden – van hun arbeiders hebben ze niets te vrezen, behalve de fameuze ‘lekken’.

En er is de, even structurele maar regelmatig over het hoofd geziene, lijn van de markt, aanvankelijk de arbeidsmarkt in het bijzonder, maar we mogen niet vergeten dat de markten waar jezelf het product bent oprukken. Met je eigen toestemming, zo niet op eigen initiatief. Het is gratis! Facebook is het prototype van die markten en wie zichzelf op de markt wil zetten is geraden zich via facebook met die wens bekend te maken. Dan krijg je volgers en je krijgt mensen die je leuk vinden, die je aanbiedingen leuk vinden, die je aanbiedingen onder de aandacht van anderen brengen, het is een heus vliegwiel en je bent dief van eigen portemonnee als je er geen gebruik van maakt. Je mag het ook zelf betalen maar dan heb je het nadeel van extra kosten en van minder bereik want een plek waar iedereen komt is de plek waar iedereen wil zijn, zeker iedereen die gezien wil worden.

In de organisatiewetenschappen is men er na ruwweg honderd jaar gekrabbel in de marge achter gekomen dat het enige wat telt de aandacht is die je weet te trekken. De rest is geste, leuk als er tijd voor is, overbodig en zelfs irritant als er geen tijd voor is. Er is geen tijd meer, er is tijd minder. De ontwikkelingen van de laatste decennia staan in het teken van het generaliseren van de roep om aandacht. Hoor mij! Zie mij! Koop mij! Prijs mij aan! Je kunt het democratisering noemen, die opmars van de eerste plek voor aandacht uit de organisatie over de grenzen van de organisatie heen naar de markt waar iedereen ‘die wat wil’ een product aan het worden is. Ik noem het geen democratisering, ik noem het ontluistering. Toch, wie verdwijnt achter het product dat je zelf bent is geen individu, is geen persoon, het is een fetisj. De fetisj die jezelf bent, die je van jezelf hebt gemaakt. We zouden het de facebookgebruikers eens voor moeten leggen: ben je je eigen fetisj geworden, en moet je nu maar afwachten of er daarna nog wat overschiet?

De enig juiste lezing van het antwoord is: ze weten het niet maar ze doen het.

10 april 2018

=0=

 

Wat is dan de vraag?

In elke strijd is taal het eerste slachtoffer. Als klasse het antwoord is, wat is dan de vraag? Goede vraag. Hij is van Erik Olin Wright, voor links en rechts één van de meer vooraanstaande onderzoekers van het verschijnsel klasse van ruwweg de laatste veertig jaar. Hij zelf geeft zes, aan de onderzoeksliteratuur ontleende, antwoorden en reconstrueert aan de hand daarvan de bijbehorende vragen.

Ik denk dat als hij zich gewaagd had aan de recente klasse-polemiek van Engelen, Duyvendak en Schinkel/ Van Reekum, hij slechts één antwoord en geen enkele vraag zou hebben gevonden. Het antwoord is dat klasse voor de betrokken schrijvers zo evident is dat je het niet hoeft te omschrijven, en dat derhalve iedereen die met de schrijver van dienst van mening verschilt niet weet wat klasse is (hoewel ieder ander het wel weet), en dat iedereen (behalve de toevallige schrijver of schrijvers van dienst) daarom de klassenstrijd miskent.

Het heeft iets met identiteit en identiteitspolitiek te maken. Met identiteit overigens alleen in die zin dat je, zodra je van identiteit politiek maakt, alleen maar bezig bent met het scheppen van een identitair draagvlak, bedoeld om anderen de weg te versperren. Engelen (De Groene, 4 april 2018) noemt het links ‘narcisme’ (ik denk dat hij ‘masochisme’ bedoelt) en heeft er geen geduld voor, de andere schrijvers zijn naarstig op zoek naar een ezelsbruggetje/geitenpaadje om klasse, draagvlak/identiteit en links zowel bij elkaar als uit elkaar te houden. Spannend, maar onmogelijk. ‘Leidt de nadruk op ‘identiteit’ af van de te voeren antikapitalistische strijd? Dat is de fatale misvatting die bij reëel bestaand links lijkt te overheersen’ (Schinkel/Van Reekum, De Groene, 14 maart 2018). Ik denk dat ‘reëel bestaand links’ hier alleen uit Engelen bestaat en ik denk dat de ‘fatale misvatting’ in dit geval de veronderstelling is – niet van Engelen maar van deze schrijvers – dat klasse een identiteit heeft en dat je wel heel erg hovaardig bent als je meent daaraan voorbij te mogen gaan.

Klasse is en heeft geen ‘identiteit’. Als je vindt dat het zo nodig moet dan kun je zeggen dat elke klasse een heel groot aantal ‘identiteiten’ heeft – en geen enkele ‘identiteit’ exclusief voor zichzelf. Voor dat laatste moet je bij nationalisten zijn, en meer in het algemeen bij mensen en groepen die zich beroepen op eigenschappen die zij wel hebben omdat en voor zover anderen die niet hebben. Ze beroepen zich er niet alleen op, ze organiseren zich er ook op want je weet maar nooit of je afscherming van alles wat niet jou is en vooral ook jou niet mag worden wel honderd procent deugdelijk is en een gewaarschuwd mens telt voor twee. Sire, er zijn geen Belgen en klasse heeft geen identiteit. Klasse heeft ook geen enkelvoud, klasse is ‘relationeel’ en we doen er goed aan te bedenken dat, voordat we het nu heel gezellig gaan maken, het niet zomaar ‘relationeel’ is maar altijd relationeel in het kader van de concurrentie op ‘markten’, de arbeidsmarkt in het bijzonder en de financiële markten niet te vergeten.

Klasse heeft ook geen paspoort – dat zijn we inmiddels aan het ontdekken, dat klasse een wereldmarkt is, een wereldmarkt met concurrentie ook nog, en concurrentie, Sire, verdeelt een klasse, dus een verdeelde klasse is iets wat je moet verwachten en een ongedeelde klasse is niet meer dan een jongensdroom van onze schrijvers. Een hardnekkige droom, dat wel, een droom die ertoe verleidt eenheid te verwachten en bij verdeeldheid niet aan concurrentie (‘markt’) te denken maar aan een strategie van het alwetende en alles bedisselende kapitaal: ‘Met andere woorden: kapitaal moet verschillen tussen arbeiders creëren om arbeid überhaupt te kunnen uitbuiten’ (Schinkel/Van Reekum, o.c.).

Ze zullen wel gedacht hebben dat wat Baudet kan hen niet ontzegd mag worden; en een vilein complot is nooit weg. Een eeuwigdurende schuld ook niet, trouwens, de schuld van de witte man bijvoorbeeld (met wit als de kleur van de macht). Ik geef toe, die schuld wordt door Schinkel en Van Reekum, noch door Engelen aanvaard maar, als was het ter compensatie, speelt bij Duyvendak (De Groene, 14 februari 2018) een prominente rol. Dat gaat zo: ‘[a]lsof identiteitspolitiek pas bestaat als de gediscrimineerde groepen gelijke rechten claimen. Alsof witte, heteroseksuele mannen niet eeuwenlang vanzelfsprekend de baas zijn geweest en dus eindeloos hun eigen identiteitspolitiek hebben gevoerd’. Dat schiet lekker op denk ik dan maar. De baas over wie, de baas waar, de baas waarover? Met klassenanalyse heeft ook dit weer niets te maken – met een opvatting over alle leven als schuldig leven en over een samenleving als een schuldsamenhang, als een schuldige samenhang des te meer. Je weet wel, zo’n samenhang waarin de kindertjes onschuldig zijn tot ze door gezinnen en scholen en clubs en buurten en organisaties bedorven worden en de misère doorgeven waar ze – onschuldig! – uit zijn voortgekomen. Dank, maar dank u.

Gender-neutrale wc’s zijn niet de praalwagens van identiteitspolitiek, het zijn bevestigingen van ons onvermogen om neutrale woorden te vinden voor alles wat afwijkt. Wie dat niet snapt, snapt ook niets van het gehannes in onze taal met nieuwkomers: gastarbeiders, allochtonen, migranten, mensen met een migratie-achtergrond, je kunt het zo gek niet verzinnen en je zou niet moeten hoeven verzinnen dat als we hier al niet uitkomen het met ons begrip van klasse ook niets kan worden.

De identiteit van nieuwkomers staat ter beschikking, niet van hen uiteraard maar van anderen die hun identiteit ontlenen aan de eenvoudige omstandigheid dat zij er eerder waren en die daaruit afleiden dat zij het recht hebben om in geuren en kleuren uit de doeken te doen dat de geuren en kleuren van de nieuwkomers hen voor geen meter bevallen, dat de eigen cultuur de betere cultuur is en dat iedereen die het daar niet mee eens is gewoon moet oplazeren. Ja toch? Onvermogen? Identiteit zal je bedoelen! Engelen heeft het over migratie, Schinkel en Van Reekum hebben het over migratie en geen van hen denkt daarbij aan het elementaire gegeven dat migratie meer is dan een beweging van daar naar hier maar dat het in de allereerste plaats een herschikking hier is, een herschikking die bestaande patronen en organisaties en bewegingen beïnvloedt en de instandhouding en mobilisering ervan bemoeilijkt – zeker als een en ander gepaard gaat met organisatieleden die met de organisatie de stad ontvluchten, mopperend op weg naar het land of een overloopgemeente. De opbouw van de organisaties van de arbeidersklasse kost tijd en vergt stabiliteit. Engelen ziet in migratie alleen het verdeel-en-heers voordeel voor de kapitalist, en slaat de organisatorische weerslag van migratie op de arbeidersbeweging over. Waarom toch? De mobiliteit die we in het kielzog van migratie waarnemen leidt ertoe dat de arbeidersklasse die tijd steeds opnieuw moet uitgeven, terwijl het ontbreekt dan de stabiliteit om precies dat voor elkaar te krijgen. Geen van onze auteurs heeft er enige belangstelling voor getoond.

De teloorgang van links heeft als ideologische reden dat links talig nooit ook maar in de buurt is gekomen van het besef dat wit geen kleur is, dat zwart geen kleur is, dat de benaming autochtoon meer zegt over de allochtoon dan we de allochtoon ooit zullen toevertrouwen zelf over zichzelf te zeggen – en dat we zo lang we dat blijven doen we elk verschil zullen wantrouwen en dat zo lang we elk verschil wantrouwen we nooit zelfs maar in de buurt van de ander zullen komen. De teloorgang van links heeft als economische reden dat markten geglobaliseerd zijn en dat bijvoorbeeld het aanbod van arbeid wereldwijd is geworden en wereldwijd wordt aangesproken – dat heeft de concurrentie binnen de wereld van de arbeid verhevigd en het heeft de in de 20ste eeuw rond arbeid opgetrokken beschermingsconstructies onklaar dan wel irrelevant gemaakt. De teloorgang van links heeft als politieke reden de gewillige medewerking van linkse partijen en bewegingen aan de onderschikking van staat (de verzorgingsstaat in het bijzonder) en recht (het arbeidsrecht en het sociale recht in het bijzonder) aan de markt die – toch iets meer dan een detail – voor ons voornamelijk de markt is die door Brussel en Frankfurt in het leven wordt geroepen. Der Staat schafft sich ab. Wat er van overblijft is het gegraai in de belastingmiljarden en de repressie die tegenwoordig veiligheid wordt genoemd. In elke strijd is taal het eerste slachtoffer.

7 april 2018

=0=

 

 

Emancipatie

Emancipatie viel in het vorige kabinet onder het ministerie van SZW. Nu is het verhuisd naar OCW. Minister Ingrid van Engelshoven van D66 heeft het in haar portefeuille. Over segregatie in het onderwijs heb ik haar in dit verband nog niet gehoord. Over arbeid wel. Over vrouwen die meer uren per week, maand, jaar, loopbaan moeten maken.

Meer uren is meer emancipatie, dat is de samenvatting van haar visie. Ja, de dames moeten er wel voor kiezen, en het moet vrijwillig, maar toch. Als ze het niet doen staan ze straks in de kou en dan hebben ze het aan zichzelf te wijten. Dat zegt de minister niet, ze impliceert het en de goede verstaander heeft aan half woord genoeg. De minister (geciteerd in het AD van vandaag): ‘We gaan niemand dwingen hoor. Maar het geeft je vrijheid om je eigen keuzes te maken en maakt weerbaar voor life events – scheiding, overlijden van je partner, huiselijk geweld – waardoor je er in je eentje voor komt te staan.’

In twintig jaar kan veel gebeuren. Op de drempel van de 20ste en 21ste eeuw was ook een D66 bewindspersoon verantwoordelijk voor de emancipatieportefeuille. Het ging toen om staatssecretaris Annelies Verstand die haar pijlen voornamelijk richtte op de relatie arbeid-zorg (breder: werk-privé) en in dat kader studie liet verrichten naar dagindeling en, in het bijzonder, fasen en gebeurtenissen in de levensloop.

Het was haar opgevallen dat in het bijzonder jonge gezinnen in het ‘spitsuur’ van het leven stonden, en daar bedoelde ze mee dat de betrokkenen meer tijd nodig hadden om te combineren wat gecombineerd moest worden, meer geld nodig hadden omdat kinderen duur zijn en een groter huis ook niet gratis is én dat ze de tijd niet hadden omdat ze die niet konden financieren en ze het risico niet durfden nemen bij de eerstvolgende promotieronde overgeslagen te worden en dat ze dat grotere huis alleen maar konden financieren als ze meer gingen werken, niet minder.

Combinatiestress werd het resultaat genoemd en de staatssecretaris wou er wat aan doen. Dat was moedig van haar want het arbeidsaanbod zelf laten beslissen over aantal uren en dat ook nog eens vergemakkelijken met financiële regelingen zoals de levensloopregeling waarmee je kon sparen om tijd op te nemen wanneer jij dat nodig had, dat was nog niet eerder vertoond.

Het was ook ongehoord en er is in minder dan tien jaar korte metten mee gemaakt. Exit de levensloopregeling. En enter, uiteraard, de glorieuze herrijzenis van de combinatiestress. We hebben met Van Engelshoven nu een minister die, zonder het zo te durven noemen, van combinatiestress een indicator van emancipatie gaat maken. Een geïndividualiseerde indicator bovendien. Verstand had het nog over gezinnen en over belangrijke gebeurtenissen voor en in die gezinnen. Van Engelshoven heeft het daarentegen over vrouwen die het niet over gebeurtenissen maar over life events hebben en die zich moeten voorbereiden op een bestaan zonder gezin. Toch een verschil. De tijd staat niet stil, de vooruitgang is onstuitbaar en de kans je eigen aantal arbeidsuren in eigen hand te nemen is achteloos vernietigd. Veel te bedreigend voor de werkgever en zo.

Minder uren? Zelf beslissen over je uren zodat je soms minder uren maakt en een andere keer meer, daar kunnen we niet aan beginnen want dan weet de werkgever niet op hoeveel uren hij wanneer en van wie kan rekenen. Dat is een slechte zaak voor de economie. Dus nee, dat doen we niet. Tenzij je het kunt betalen natuurlijk, maar een recht, nee mevrouw, van rechten houden we niet. Rechten emanciperen niet, arbeidsparticipatie emancipeert. Het is van een stuitende kortzichtigheid. En het is het zoveelste bewijs dat D66 razendsnel een sociaaleconomisch rechtse partij is geworden.

30 maart 2018

=0=


Mechanisme

De terrorist Anders Breivik werd nogal beïnvloed door Geert Wilders. En door de overige leden van de nationalistische internationale van rechts. Zo ver hebben ze het al gebracht, dat ze een internationale van nationaal eigen gelijk (‘eigen gelijk eerst’) hebben weten te stichten. Hoe het met de verzamelde leden zit (het is niet toevallig een tamelijk losse verzameling) weet ik niet maar Wilders ontkende enige verantwoordelijkheid voor de wandaden en waandenkbeelden van Breivik.

Wel zei hij dat de sociaaldemocraten in Noorwegen de moorddadige exercitie van Breivik door hun gepamper van migranten over zichzelf hadden afgeroepen. Het zou hier ook kunnen gebeuren en de politici die nu niet tegen nog meer migratie optraden beschuldigde hij op voorhand van het hebben van bloed aan hun handen. Dat was geen oproep, en dat was het niet omdat Geert beweerde dat het geen oproep was. Dat de advocaat van Breivik er nog maar kort geleden in een interview (open Democracy, 5 maart 2018) aan herinnerde dat in Noorwegen in de laatste dertig jaar 15 terroristische aanslagen hebben plaatsgevonden, dat die alle van rechtsextremistische huize waren en dat geen van die terreurdaden van moslims of van moslimextremisten afkomstig was, het doet er niet toe, niet in de geest van Breivik, noch in die van Wilders en rotgenoten.

Maar, tot moord, doodslag, geweld en terreur oproepen, daar deed en doet Wilders niet aan. Hij is democraat in hart en nieren en vertrouwt op de parlementaire weg. Dat hij inmiddels het parlement een nepparlement vindt zegt niet zoveel want dat gaat alleen over ons en niet over elk parlement. Het Russische parlement bijvoorbeeld acht Geert zo hoog dat hij er kort geleden een heuse toespraak heeft gehouden. Men zegt dat de glans een beetje van Geert af is. Te vaak met hetzelfde middel poetsen kan dof maken, zo zie je maar weer.

Woorden kunnen mechanismen in werking zetten. In ons land beseffen we dat scherp wanneer de een of andere morsige imam burgemeester Aboutaleb in gevaar brengt, en we betreuren het dat we hem juridisch niet op zijn woorden kunnen pakken. We wijzen op het mechanisme dat de imam kan aanjagen, het mechanisme dat de ware gelovige ertoe kan brengen de volgens imam en ware gelovige nepgelovige Aboutaleb definitief de mond te snoeren. Dat willen we niet hebben en dus moet de minister er maar iets op vinden. Het is aandoenlijk.

De verantwoordelijkheid van Wilders besmuikt wegwuiven, de verantwoordelijkheid van de imam al in rekening brengen voordat de ware gelovige de daad bij het woord heeft gevoegd. Ik denk dat je daar een kerkjurist voor nodig hebt en wat we ook van Grapperhaus kunnen zeggen, een kerkjurist is hij niet en ik vraag me af of er op zijn departement kerkjuristen rondzwerven. En dan heb ik het nog niet eens over de reactie van de Tweede Kamer waar vast nog wel mensen te vinden zijn die iets gaan zeggen over de scheiding van kerk en staat. De imam heeft ons bij de ballen, zeg maar, Wilders kent het trucje ook en Baudet heeft nooit ergens van gehoord, laat staan er iets ongepasts over gezegd.

En toch is de kwestie onontkoombaar en toch is de reactie van de Kamer (wel de imam achterna willen zitten en Wilders z’n gang laten gaan) van de bekende halfhartige en laf-smakende signatuur. Dat wordt niks. Wil het wel wat worden dan is de eerste voorwaarde dat we afstappen van de identitaire gedachte dat het aan de mensen, groepen, gedachten en culturen ligt, dat we de aberraties daarin moeten zoeken en dat we de oplossing zullen vinden door op dat niveau te interveniëren. Mijn stelling is veel eenvoudiger. We moeten het niet daar zoeken, we moeten het bij de mechanismen zoeken. Ik geef een voorbeeld. Een partij als de SGP is vanaf zijn oprichting een belediging aan de democratie, aan de scheiding van kerk en staat, aan een humaan strafrecht zonder doodstraf, aan de gelijkwaardigheid en gelijke rechten van mannen en vrouwen, aan de gelijkwaardigheid en gelijke rechten van allen. Over een kleine maand, op 24 april, viert de partij z’n eerste eeuwfeest. Blijkbaar hebben we zelfs hun meest barre meningen nooit gevaarlijk genoeg gevonden om het hen in te peperen. Waarom niet? Nou, dat is niet zo moeilijk te achterhalen. De SGP is bij zichzelf en op zichzelf gebleven, heeft nooit ook maar een poging gedaan mechanismen te introduceren met het oog op het indoctrineren, werven en mobiliseren van derden om langs die weg door te drijven wat hen op eigen kracht niet ging lukken. Daar, en daar zijn de ‘omstandigheden’, legt de partij zich bij neer. De SGP is de EO niet, en dat is maar goed ook. De gedachte van de ‘eigen kring’ was in de SGP nooit een loze kreet en zo lang dat zo bleef kon de rest van het land er wel mee leven. Heel Nederland bestond uit eigen kringen, in hun begindagen en, hoewel dat steeds minder het geval is geworden, de staatkundig gereformeerden hebben het er, zo goed en zo kwaad als het ging, bij gehouden.

Die dagen zijn voorbij. De offensieve loten van de islam zien de gehele maatschappij als een te bewerken object (je wordt pas subject als je je bij hen voegt) en dat ze daarbij ook de staat, het recht en de politiek tot de maatschappij rekenen is alleen maar consequent. Het rechts-extremisme doet en kijkt en redeneert en profeteert op dezelfde manier. En aan beide kanten beschikt men tegenwoordig over mechanismen die vele malen sterker, effectiever en gevaarlijker zijn dan we tot voor kort voor mogelijk hielden.

Ik heb het natuurlijk over de mechanismen van de moderne media, die in staat stellen gericht en ongericht te vuren en te zenden, op te halen en te mobiliseren, in te sluiten en uit te sluiten, te prijzen en te vervloeken. Die media zijn aan een ongekende zegetocht bezig waar vrijwel iedereen mee te maken heeft en, voor zover niet heeft, krijgt. Wie daarin op inhoud, op persoon of groep selecteert moet maar hopen dat alles wat voorbijkomt volstrekt eenkennig en volstrekt eenduidig toerekenbaar is – anders kraait de haan van de willekeur koning en koning willekeur staat dichterbij de geest van het extremisme dan bij de geest van de rechtstaat.

Dat is het dilemma. De enige manier om te interveniëren is op het niveau van de mechanismen (belemmeren van communicatie door media-interventie, belemmeren van geldstromen door inzicht te eisen in de herkomst van financiering, het versterken of juist ongedaan maken van de koppelingen tussen media en financiering) en de enige manier omdat op een niet-discriminerende manier te doen is door de regel te handhaven van gelijke monniken en gelijke kappen. Het laatste gaat het eerste in de weg zitten.

In ons land, dan, het land dat, met een grondwetsartikel over de vrijheid van onderwijs, van niemand kan eisen een gelijke monnik, of überhaupt een monnik, te zijn of een gelijke kap, of überhaupt een kap, op te zetten. Dat grondwetsartikel dateert van voor de communicatieve revolutie die ons internet, de smartphone, YouTube en wat al niet bracht. Het is een grondwetsartikel dat de mechanismen die ons nu zulke zegeningen hebben gebracht maar ook zulke moeilijk beheersbare parten spelen nog niet kende, er geen rekening mee hield en dat ook niet hoefde en dat nu, in het licht van die mechanismen en de schade die ze kunnen berokkenen, aan ‘herijking’ (bestuurdersspraak) en ‘herbronning’ (ideologenspraak) toe is.

29 maart 2018

=0=

 

 

Prijs van de vooruitgang

Werkgevers mogen mensen met een handicap onder het minimumloon gaan betalen. Ik lees het in de Volkskrant, vandaag. VVD-staatssecretaris van SZW Tamara van Ark heeft het bedacht en het gaat volgend jaar in. Het kost de gehandicapten pensioenrechten, ww-rechten en arbeidsongeschiktheidsrechten want het moet toch ergens vandaan komen, dat minder dan minimumloon dat nog altijd te hoog is in vergelijking met de productiviteit van de gehandicapte. Je zou denken dat een minimum een grens is waar je niet onder kunt maar dan vergis je je. In Nederland kun je best onder het minimum gaan zitten, net zoals je aan de bovenkant van het bedrijfsleven best boven het maximum kunt gaan zitten en ook dat met een beroep op productiviteit. Toch, als je bij loon aan de prijs voor de arbeid denkt en bij prijs aan de vergoeding voor productiviteit, dan moet je wel concluderen dat je terugkrijgt wat je bijdraagt en dat als weinig bijdraagt je jezelf alleen maar uit de markt prijst met een minimumloon dat de werkgever meer kost dan het product van de arbeid hem aan opbrengst oplevert. Toch?

Ik hou het liever bij Marx en dan geldt dat wie bij loon denkt aan de ‘prijs’ van de arbeid en wie bij ruil denkt aan een ruil van gelijke waarden niet kan uitleggen hoe meerwaarde (en dus ook winst) mogelijk is. Om meerwaarde te verklaren moeten we niet over de prijs van arbeid spreken maar over de prijs van de arbeidskracht en ook moeten we bij meerwaarde verdisconteren dat de arbeidskracht een waar is, een waar zoals alle andere waren die geruild worden en die in de ruil de regels van de gelijkheid, van de wederzijdse overdracht van gelijke waarden, respecteren. De combinatie prijs van de arbeid/meerwaarde is onverenigbaar met waardeschepping door arbeid en gelijke ruil, de combinatie prijs van de arbeidskracht/meerwaarde is er wel mee verenigbaar – en daarom moeten we de uitdrukking ‘prijs van de arbeid’ mijden als de pest. Dat hield Marx de klassieke politieke economie voor en vandaag de dag kunnen we het de gelovers in de combi van prijs van de arbeid en marginale productiviteit voorhouden.

Betalen naar productiviteit is, zo leert ons het schoolboek en zo leert ons de staatssecretaresse, betalen naar marginale productiviteit, de productiviteit van de ‘laatste’ werknemer. Dat het de laatste moet zijn is het gevolg van de overweging dat elke nieuwe werknemer de gemiddelde productiviteit van alle werknemers beïnvloedt, dus dat puur formeel gezien de laatst toegevoegde werknemer de productiviteit van allen bepaalt. De zaak, zegt het leerboek, is in evenwicht op het punt waar gemiddelde en marginale productiviteit aan elkaar gelijk zijn. Of de staatssecretaresse dat ook zo heeft geleerd weet ik niet. Ik vermoed het. Maar marginaal, gemiddeld of totaal, de implicatie is dat de werknemer niet meer en niet minder betaald krijgt dan wat hij waard is. En in dat geval is het bestaan van meerwaarde uitgesloten. Er wordt wel winst gemaakt en de winst komt ook ergens vandaan maar waarvandaan is in diepe mist gehuld.

Gelet op de beloningsverhoudingen van de laatste dertig jaar kan het niet anders dan dat de top van het bedrijf voor de winst zorgt, en navenant betaald krijgt. En omdat de beloning van de top omhoog gaat als er werknemers worden ontslagen kan het niet anders dan dat er te veel werknemers zijn, zoveel te veel zelfs dat ze elkaar voor de voeten zijn gaan lopen, dat als gevolg van hun te grote aantallen hun marginale productiviteit en via die weg ook hun gemiddelde productiviteit afnam (en dus een lagere beloning voor hen noodzakelijk maakte), dat hun productiviteit zelfs zoveel afnam dat behalve het loon ook hun aantal moest worden gekortwiekt enzovoorts en zo verder. Sla de kranten open en je verneemt niets over de opbrengst van de arbeid en je leest uitgebreid over de kosten van een arbeidsplaats. In onze wereld subsidiëren de werkgevers de werknemers – gekker moet het niet worden sprak de politicus, zij het over een ander onderwerp (de politicus in kwestie is een leerling van Bolkestein). Niemand die het gelooft, de politici daargelaten die de extra kosten voor ‘beschermde arbeid’ verhalen op het loon en de sociale zekerheid van de gelukkige die met dank aan de goedertierenheid van werkgever en politiek nog net wel dat baantje heeft verworven.

De strijd tussen kapitaal en arbeid gaat, mevrouw Van Ark bewijst het maar weer eens, ook over de kruimels die het kapitaal soms laat vallen om ze even later weer op te eisen. Kruimeltjes zijn ook brood en omdat gehandicapten het brood van het kapitaal eten is het niet onredelijk hun beloning te verminderen met de prijs van het genadebrood.

Laten we het omdraaien: de uitdrukking ‘prijs van de arbeid’ maakt de herkomst van meerwaarde onzichtbaar en dat is geen betreurenswaardige bijkomstigheid van die uitdrukking, het is de functie ervan. De zoveelste aanval op de positie van de zwaksten op de arbeidsmarkt, met behulp van het dogma van het loon als de prijs van de arbeid en met het dogma van de prijs als tegenwaarde van productiviteit, past in een trend, het bevestigt de trend, het versterkt de trend. We leven in een grote, onbeschaamde, brutale leugen.

28 maart 2018

=0=

 

Vol

De Deense sociaaldemocratische partij heeft bedacht dat integratie in Denemarken het eten van varkensvlees inhoudt. Te beginnen op scholen, te beginnen bij de kinderen.

Dat is slecht nieuws voor moslims, joden en vegetariërs. In Nederland zou je er niet mee wegkomen want wij zijn zuinig op onze joden en vegetariërs maar in Denemarken – dat op wraak zint nu ze niet meer de grootste exporteur van varkensvlees in de EU zijn – weegt het boerenindustrieel complex blijkbaar nog zwaarder dan bij ons.

Denmark first is een leuze die nog lang niet is uitgewerkt zullen de Deense sociaaldemocraten wel gedacht hebben. Daar moeten de joden, moslims en vegetariërs maar aan wennen. En ook de ouders die in tegenstelling tot de Deense sociaaldemocraten van mening zijn dat je niet bent wat je eet, die ook niet van mening zijn dat de moraal pas na het vreten komt en die wel van mening zijn dat als je het voedsel aanpakt je de kwaliteit en de omstandigheden waaronder het wordt geproduceerd moet aanpakken – en dat je de rest met een gerust hart aan de mensen zelf kunt overlaten.

Gek, voedselkwaliteit en arbeidsomstandigheden stonden tot niet zo gek lang geleden in hoog aanzien bij de sociaaldemocraten. Blijkbaar zijn ze, sinds ze de kwaliteit en de arbeidsomstandigheden aan de zelfregulering van het bedrijfsleven hebben afgestaan, op zoek naar nieuwe jachtgebieden. Dan bieden de eetgewoonten, van in het bijzonder de moslims, een uitgelezen kans kiezers te mobiliseren door andere kiezers uit te stoten.

In Denemarken worden zij die geen varkensvlees eten door de sociaaldemocraten niet langer niet voor vol aangezien, met ‘vol’ in een geheel nieuwe betekenis. De sociaaldemocraten zijn er vol van, de uitgestotenen hebben er hun buik vol van en de Denen die al langer riepen dat Denemarken vol was hebben gewonnen. Ik voorspel dat als de Deense sociaaldemocraten doorgaan met hun lachwekkende revolutie in de schoolkantine ze misschien enige macht terug zullen veroveren en zeker elk gezag zullen verspelen.

Voedsel is cultuur, zullen ze daar denken, alsof ze dan iets gezegd hebben. Ik zou denken dat arbeidsomstandigheden cultuur zijn en dat sociaaldemocraten er een eer in stelden die cultuur, vooruit dan maar, te cultiveren en dat zo te doen dat die omstandigheden overal en voor iedereen de wet, de regel, de gewoonte, de zede, de norm, kortom de cultuur zouden worden. Voor mij is dat nog altijd volkomen vanzelfsprekend, voor de sociaaldemocratie is het inmiddels geschiedenis.

Goede arbeidsomstandigheden? Te duur, te weinig concurrerend en bovendien, ze werken luiheid in de hand, een lui arbeidsethos, een cultuur van labbekakken – het frame van Hans de Boer, voorzitter van VNO-NCW. Nu weet ik ook wel dat zijn frame het frame van de lafbek is, maar toch. Ik lees in de Groene van afgelopen week (‘In Nederland werken duizenden moderne slaven’) dat Nederland een convenant heeft afgesloten, het Convenant Aziatische Horeca. Een doorslaand succes, duizenden koks zijn van daar naar hier gekomen, worden slecht betaald, werken onder beroerde en regelmatig gevaarlijke omstandigheden, hebben geen rechten en de bazen vieren feest. Met instemming van de Nederlandse overheid.

En wat voor de arbeidscultuur van de wok geldt (het convenant werd ook wel het ‘wokconvenant’ genoemd) gaat net zo hard op voor de cultuur van de au-pair industrie. Ook daar rechteloze mensen, onfrisse uitbuiting en intimidatie en een overheid die welwillend naar de ene en onverschillig naar de andere kant wegkijkt en die, onder aanvoering van VVD en D66, elk voorstel de ergste misstanden te bestrijden weghoont (‘mal’ en ‘bizar’, zegt men bij de VVD en – nog erger in mijn optiek – ‘rare regelzucht’ bij D66). D66 levert nu de minister, de VVD de staatsecretaris van het ministerie van SZW. Dat biedt de ondernemer in ons hoop en met de cultuur komt het vast wel in orde.

Wie de mond vol heeft van cultuur doet er goed aan de culturele erfenis van goede arbeidsomstandigheden niet te verkwanselen – zoals bonden en sociaaldemocraten, overheden en arbeidsinspecties dat met frisse zin de laatste paar decennia hebben gedaan.

De Denen zijn in dit licht bezien een dieptepunt. Ik wacht op een reactie vanuit andere sociaaldemocratische partijen – maar ik reken er al lang niet meer op. Cultuur is, net als recht en wet en net als politiek, een wapen in de concurrentiestrijd geworden. Al het overige aanroepen van cultuur is niet meer dan een rechtse zoektocht naar zondebokken. Om, voor zover het de sociaaldemocratie betreft, de schaamte over het eigen falen te overschreeuwen en toe te dekken. Ja, daar ben ik nou vol van. Zum Kotzen!

26 maart 2018

=0=



Keuzegedrag

Wanneer je onder bedreiging je geld afstaat dan kies je daarvoor. De dreiging heb je niet gekozen, je gedrag wel. Dat is, in het kort, de blik van adviesbureau Falke & Verbaan op ziekte en ziekteverzuim. Ziekte overkomt je, verzuim kies je. Omdat je verzuim gedrag is en gedrag een keuze is, is verzuim jouw keuze en daar ben je zelf verantwoordelijk voor. Het is, zegt het adviesbureau, daarom ook niet meer dan redelijk om over jouw beslissing te verzuimen in overleg te gaan met je baas. Dan kom je er samen wel uit en dan zorg je ervoor dat je elkaar direct al tegenkomt en dat is goed want vervreemding ligt om de hoek.

Alle gedrag is keuzegedrag. Mensen bedreigen met ontslag is keuzegedrag. Mensen kortlopende contracten geven zodat je ze gemakkelijk de laan kunt uitsturen als ze wel eens ziek zijn geweest en dan ook nog de gore moed gehad hebben ervoor te kiezen thuis te blijven, het is keuzegedrag. Ziek, zwak en misselijk zijn en dat inbrengen in het overleg is heel goed. Ziek, zwak en misselijk zijn en dat zwaarder laten wegen dan het belang van je baas is heel fout. Als de baas daar zo tegen aankijkt, uiteraard. Maar als de baas door Falke & Verbaan ingefluisterd wordt dat je ervoor kiest om lekker thuis te blijven en dat je ook heel anders had kunnen kiezen dan is de kans dat de baas er zo tegenaan kijkt heel groot geworden. '

Geen baas die de goedkope woordtrucs van Falke & Verbaan zal geloven, maar heel veel bazen zullen zeer in hun nopjes zijn met dit soort werknemersverlakkerij. Zij zeggen het niet, hun adviseur zegt het. En hun adviseur zegt het niet zomaar, hun adviseur heeft een gedragsmatige benadering van verzuim, omdat hun adviseur zich liever niet brandt aan de stelling dat niet slechts het verzuim maar ook de ziekte zelf gedrag is. En waarom is dat? Omdat, hoewel ziekte uiteraard gedrag is, is het gedrag waar je niet voor kiest. Daaruit had Falke & Verbaan moeten afleiden dat niet elk gedrag keuzegedrag is en dat het daarom niet zo is dat per definitie verzuim keuzegedrag is en dat het erom gaat wanneer verzuim wordt gekozen (zeg, het verzuim van de blauwe maandag) en wanneer niet (zeg, het verzuim waarmee je voorkomt dat je eigen gezondheid of dat van je collega’s in de waagschaal wordt gezet). En in alle gevallen is de vaststelling van wanneer het één dan wel het ander aan de hand is een bevoegdheid van medische expertise en niet van Falke & Verbaan, en ook niet van de opdrachtgever van Falke & Verbaan, die zo graag in overleg wil met de zieke werknemer om die van zijn verzuimgedrag af te helpen. Door de zieke werknemer diens verzuimgedrag tegen te maken met de boodschap dat de verzuimde tijd moet worden ingehaald. Falke & Verbaan zouden alleen al door hun beslissing alle verzuimgedrag keuzegedrag te noemen gediskwalificeerd moeten worden.

Nu ja, zeggen Falke & Verbaan, dat zeggen wij niet hoor, van dat inhalen. Wij gaan niet verder dan gedrag. Laf zijn ze ook nog, naast leugenachtig. Indien de werknemer mag besluiten te verzuimen, ligt het dan niet voor de hand dat dat de werkgever op zijn beurt mag besluiten dat de door dat besluit verloren gegane tijd ingehaald moet worden? Nou dan. Het eerste bedrijf dat zich door een dergelijke logica laat leiden is sinds deze week bekend en Nederland is in rep en roer. In de Tweede Kamer worden vragen gesteld, de minister gaat zich beraden en het CNV dreigt met de rechter. Moeten ze vooral doen, maar wat ze in de allereerste plaats moeten doen is de radicale ontmanteling van de bedrijfsgezondheidszorg, door de uitbesteding ervan aan allerlei charlatans van min of meer psychologische, gedragswetenschappelijke en uiteindelijk ordinair bedrijfseconomische huize, ongedaan te maken.

Aan die ontmanteling hebben bonden en Tweede Kamer, Inspecties en ministers en staatssecretarissen, nu al bijna een kwart eeuw medewerking verleend. Hun verontwaardiging nu is schijnheilig. Het is de laatste tijd steeds duidelijker aan het worden dat de werkgevers het gehele arbeidsrecht en de bijbehorende sociale bescherming (inclusief de bescherming van de gezondheid van werkenden) ongedaan willen maken. Nog geen twee weken geleden berichtten de kranten over de onvrede van VNO-NCW en MKB Nederland over de privacy van zieke werknemers.

Om zieke werknemers goed te kunnen terugleiden naar werk hebben wij, ondernemers en werkgevers, ‘persoonlijke’ gegevens van hen nodig en daar kunnen we nu niet aankomen. Bovendien, beweren ze, heeft een boel verzuim helemaal geen medische oorzaak en daarom is de inzet van dure medische expertise geldverspilling. Verzuim is gedrag, weet je wel, en de werkgevers kennen heel goed het verschil tussen echt en gefingeerd verzuim maar willen ze dat kunnen aantonen dan moeten ze in overleg kunnen met de werknemer en dan moeten ze de persoonlijke gegevens van de werknemer hebben anders gaat het nog nergens over. Kan de Kamer dat even regelen? Kan Wouter Koolmees wat doen?

En nu, met de opwinding over zorgaanbieder Carinova (geadviseerd door Falke & Verbaan) en hun plannetje verzuim te laten inhalen (komt niet van ons, zeggen Falke & Verbaan), ben ik niet verbaasd over dat plannetje. Ik ben verbaasd over die gratuite opwinding. Daar is voor gekozen want zeg nou zelf, sommig gedrag is inderdaad een keuze. Voor de bühne, dat dan weer wel.

25 maart 2018

=0=


Wanneer?

Vorig jaar, in een gesprek met een dierbare vriend, werd ik door hem gewezen op een kort hoofdstuk in het boek van Nelson Goodman, Ways of Worldmaking (Indianapolis, Hackett Publishing Company 1978). Het betreffende hoofdstuk is getiteld When is Art? We moeten, zo Goodman, niet vragen naar wat kunst is (dat is de foute vraag) maar naar wanneer sprake is van kunst: ‘an object may be a work of art at some times and not at others’ (o.c.: 67).

Het is een bevrijdend inzicht en van toepassing op tal van zaken die ertoe doen. Vervang de vraag ‘wat is waarheid’ door ‘wanneer is waarheid’ en een oneindige hoeveelheid gezwets wordt ontmaskerd voor wat het is: gezwets. Denk eens aan politici en stel de vraag: wanneer, onder welke omstandigheden, gaat het bij hen om waarheid? Indien de politici zichzelf die vraag eens zouden stellen zou dat een enorme bijdrage zijn aan de geloofwaardigheid van de politiek. Maar politici zijn helemaal niet op zoek naar geloofwaardigheid, ze zijn op zoek naar stemmen.

Vervang de vraag naar ‘wat is arbeid’ door ‘wanneer is arbeid’ en je komt, als onderzoeker van arbeid, een stuk verder. Het wonderlijke is dat iedereen het verschil kent (een hobby is geen arbeid tenzij je van je hobby je werk weet te maken) en dat hoe wetenschappelijker de mens naar arbeid kijkt des te verfomfaaider het verschil uit de strijd komt. Dat heeft, vermoed ik, te maken met de eerder genoemde kwestie, de kwestie van wat/wanneer sprake van waarheid is. Daar hebben wetenschappers het moeilijk mee, vandaar. Wetenschappers denken dat wanneer je met je uitspraken statistisch geramd zit, dat je dan aan de ‘wanneer’ vraag voldaan hebt. Maar statistiek is als papier, het is geduldig en zegt pas wat als je het tot spreken dwingt. Statistiek is niet het antwoord op de vraag, maar het kan er het begin van zijn. Dat wordt vaak vergeten en in de huidige tijd van statistisch uitstekend doorgerekende algoritmes is het al bijna onbeleefd om de ‘wanneer’ vraag nog te stellen. Profileren? Doelgericht mikken, wat het doel ook is, ook al wordt het doel bepaald door degene die betaalt? Doen (dixit Mark Rutte)!

Wanneer is arbeid? Ik denk aan drie voorwaarden waaraan moet worden tegemoetgekomen om van het wanneer van arbeid te kunnen spreken: arbeid wordt verricht ‘voor anderen’, het ‘voor anderen’ neemt de vorm aan van een verplichting en die verplichting geldt ook voor collega’s in al die gevallen dat je collega’s hebt. Je kunt niet zomaar weglopen, zal ik maar zeggen. Heel eenvoudig allemaal maar voor futuroloog Wim de Ridder (interview in De Telegraaf, vandaag) ziet de wereld er heel anders uit. In de toekomst, orakelt hij, zijn we allemaal eigen baas. Je maakt van jezelf een merk dat je met behulp van een app slijt bij ieder die er maar aan wil, je gebruikt een platform om de dingen die je niet zelf doet te laten doen en klaar zijn we. De technologie maakt het mogelijk en wat begint als mogelijkheid is binnen niet al te lange tijd de norm geworden. De toekomst is aan de producerende consumenten: wat nu nog hobbymatig gebeurt zal door de producerende consument een hoge vlucht nemen. En een inkomen opleveren, dat ook.

Wanneer arbeid? Als andere mensen zin in jou hebben en zolang andere mensen zin in jou hebben. Zolang jij zin in andere mensen hebt, tot je geen zin meer in hen hebt. En in collega’s moet je vooral geen zin hebben, dat vertraagt de boel maar.

Het is jammer dat onze futuroloog niet heeft begrepen dat heel veel arbeid zin heeft ook als, en soms zelfs juist als, de producerende consumenten van hem er geen zin in hebben. Het is jammer dat onze futuroloog niet beseft dat, wanneer we zijn ‘wanneer arbeid’ concept tot leidraad nemen, we ertoe over zullen moeten gaan heel veel arbeid, die uitgerekend onder de vlag van mijn ‘wanneer arbeid’ concept valt en uitgerekend niet onder de zijne, om te zetten in dienstplicht.

De Ridder denkt dat het niet iedereen even goed zal vergaan onder het regiem van de producerende consument. Dat vergaat het nu ook niet iedereen, onder het regiem van de huidige arbeidsmarkt. Die gedachte van De Ridder is even gratuit als zijn vak van ‘future studies’. Met het voortgaan op de zzp-weg van het ‘wanneer arbeid’ gedoe van De Ridder lopen we argeloos een arbeidsmarkt op waar de vrijheid van de één gekocht zal worden met de dwang voor de ander. Inderdaad, we zijn op weg.

22 maart 2018

=0=


Eenzaam : alleen aandeelhouder : rekeninghouder

Die paar laatste dagen voor een verkiezing, het blijft modderen. Politici doen hun best de aandacht te trekken en het lijkt erop dat hoe hoger de politicus in de pikorde staat hoe ongerichter hun uitspraken. In de taal van de politicus is het sleepnet niet ver te zoeken. Dat is ook een wet.

Sommigen bakken ze wel heel bruin. Ik genoot van Klaas Dijkhoff die, om zijnerzijds ook eens een duit in het zakje van de banken te doen, poneerde dat aandeelhouders en rekeninghouders samen mans genoeg geacht mochten worden om bankbeloningen vast te stellen.

Het is de neoliberale leugen ten voeten uit: aandeelhouders en rekeninghouders hebben een gemeenschappelijk belang, net zoals ondernemers en arbeiders een gemeenschappelijk belang hebben en opdrachtgevers en opdrachtnemers en rijken en armen enzovoorts. Ik heb wel een idee van dat gemeenschappelijke belang maar ik vrees dat Klaas daar weer een heel ander idee over heeft. De rekeninghouder heeft belang bij een bank die heel veel stevige buffers aanhoudt, en dat is een bank die voor de aandeelhouder helemaal niet interessant is. De aandeelhouder wil een bank die risico’s durft te nemen en risico’s, dat zijn mogelijke gebeurtenissen waarvan de rekeninghouder meer last heeft dan de aandeelhouder en de belastingbetaler het meeste last van allemaal. Klaas denkt dat een bank zonder buffers de rekeninghouder scherp houdt en dat is goed en de aandeelhouder blij maakt, en dat is ook goed. De schat. Het is alsof elke bank een Rabobank is, dat de Rabobank nog een onvervalste coöperatie is en het is alsof de ledeninspraak in die bank nog iets voorstelt. Klaas denkt te leven in het tijdperk dat fatsoen nog net zo gewoon was als geluk.

Maar goed, ik kan er ook niks aan doen dat politiek en economie in een nek-aan-nekstrijd verwikkeld zijn over waar je de meest effectieve taalvervuiling aantreft. Je zegt wat en moet je eens zien wat er nu weer in je sleepnetje zit.

Neem Hugo de Jong, de minister van opvallende schoenenzaken. Die heeft bedacht dat ouderen vaak eenzaam zijn en dat het daarom hoog tijd is ze af en toe eens te bezoeken – opdat ze niet eenzaam meer zijn. Een geniale gedachte. Koningin Wilhelmina wist beter, die was eenzaam en toch niet alleen. Wat ze daarvan vond weet ik niet, dat ze eenzaam was en bleef wist ze wel, en ze liet het ons weten. Minister Hugo weet het nog altijd niet. Daarin lijkt hij op de SGP en de CU die ook al vinden dat eenzaamheid een verzaken is aan de christelijke plicht om je medemens gevraagd en vooral ook ongevraagd te vervelen. Belletjetrekkers, dat zijn het.

20 maart 2018

=0=

 

Liegen

Dat bewindslieden voortdurend een andere bril opzetten om staande te houden dat zij het goed zien en wij niet, het zij zo. Hoe slechter de argumenten, des te groter het aantal brillen. Het is een politieke wet. Een beginnend politicus moet nog vaak naar een passende bril zoeken, een ervaren politicus is al lang vergeten dat als hij een bril opzet hij een bril opzet. Het is tweede natuur en je raakt er net zo bedreven in als de voetballer die per wedstrijd duizend doden sterft en dat professioneel vindt. Alles went, behalve de zekerheid dat het nooit went. Die zekerheid is essentieel. Zonder die zekerheid zouden we gewoon nergens in geloven en als we nergens in geloven kunnen de politici hun brillen en de voetballers hun schwalbes wel vergeten. Er is wel verschil natuurlijk want voetbal is voor de toeschouwer een kijksport en politiek is voor de toeschouwer een blufsport. De politicus roept altijd dat je hem over vier jaar mag afrekenen op alle gedane beloftes, de voetballer heeft die tijd niet en wil boter bij de vis.

Zonder de zekerheid dat alles went behalve het wennen, zouden we politici en voetballers leugenaars noemen. Gisteravond noemde Arjen Lubach premier Rutte en vicepremier Ollongren leugenaars. Ze hebben gelogen over de sleepwet. D66 Kamerlid Kees Verhoeven die tot enkele maanden geleden zwoer bij de aanduiding sleepwet is sinds zijn fractie een bril draagt die het onmogelijk maakt nog verschil tussen regering en Kamer te zien van mening veranderd en vindt nu dat de sleepwet helemaal geen sleepwet is. Geen leugen, wel slappe knieën. Christen Unie voorman Gert-Jan Segers heeft me voorspeld dat ik binnenkort bloed aan mijn handen heb omdat wie tegen de sleepwet is dat heeft en ik ben tegen de sleepwet. Ook Gert-Jan heeft niet gelogen. Wel heeft hij, net als Kees, sinds enkele maanden een nieuwe bril.

Praatjes voor de vaak, met meel in de mond praten, overdrijven, flauwe kul verkopen, van alles een jij-bak maken, het is allemaal toegestaan, er bestaan voor al deze uitingen die de toets der zindelijkheid niet doorstaan maar weer wel met gemak onder de vrijheid van meningsuiting vallen, er bestaan voor al deze uitingen op maat gemaakte brillen. Maar voor leugenaars hebben we geen brillen. Voor leugenaars hebben we alleen het schaamrood. Rutte heeft daar al een hele verzameling van.

Dat Ollongren al zo spoedig in haar ministerschap, na eerst te hebben gedacht dat een hele grote bril net zo goed is als een hele verzameling speciaalbrillen (wat haar met haar gekluns over nepnieuws lelijk is opgebroken), is overgestapt op de leugen waar alleen het schaamrood tegenover staat is gênant. Misschien is het toch de ambtenaar in haar die hier opspeelt. Rutte kiest ervoor te liegen. Hij noemt dat tegenwoordig ‘doen’. Een ambtenaar kiest er in de regel niet voor te liegen, een ambtenaar liegt als ze liegt in commissie. Ik denk dat Ollongren denkt dat politiek ambtenarij in een net wat hogere versnelling is en als Rutte haar zegt (zoals hij dat in een niet heel ver verleden ongetwijfeld wel vaker heeft gezegd) dat een klein wit leugentje een leugentje om bestwil is waarbij de bestwil telt en de leugen kan worden weggestreept, dan vertelt ze een leugentje. Voor de goede zaak, waar met dank aan de vicepremier en met dank aan de premier niemand nog geloof aan hecht.

19 maart 2018

=0=

 


Platform

De pakketbezorger moet steeds sneller omdat de aanbieder weet dat tempo de aankoopbeslissing bepaalt – als de consument kan kiezen dan kiest hij het goed dat hij wenst en hij kiest de leverancier die het snelst bezorgt dan wel de snelste bezorger inhuurt.

Wie dat zijn (wie het snelst leveren) kan de consument achterhalen via de zogenaamde platformeconomie, de verzameling digitale platforms waar consumenten kunnen zoeken en producenten zich kunnen aanmelden met elk stukje ongebruikte capaciteit dat ze nog in hun huis, hun auto, hun vrije tijd hebben en dat ze kunnen ‘delen’ met derden. Je kunt die ongebruikte capaciteit voor tal van klusjes laten inzetten (de platformeconomie wordt ook wel klusjeseconomie genoemd en bij het gros van die klusjes gaat het om repeterend werk dat makkelijk meetbaar is en geen toezicht, anders dan de beoordeling door de consument, nodig heeft). Dat inzetten gaat zelden direct, vandaar het ‘laten’ in de zin hierboven.

Meestal loopt de inzet via een bemiddelingssite die het aanbod bij elkaar brengt, het aanbod onderling vergelijkt, daar de vragers lopend van op de hoogte stelt en houdt, vaak zelf ook transacties organiseert (dan hebben we niet alleen een bemiddelingssite maar ook een boekingssite) en van de transactieprijs een groter of kleiner deel voor zichzelf afroomt.

Dit type bemiddeling is op zichzelf al heel oud. Zo brengen banken van oudsher aanbod van spaargeld en vraag naar leningen bij elkaar – en verzorgen ook de transactie en daarmee de ‘boeking’. De bank was een platform, en de bankdiensten waren een voorbeeld, van bemiddelende of ‘intermediërende’ technologie. Deze technologie is zoiets als een organisatiereplica van de markt, gericht als hij is op ‘linking of clients or customers, who are or wish to be interdependent’ (JD Thompson, Organizations in Action, 1967: 16).

De komst van het internet heeft het bereik van deze technologie bijna tot in het oneindige uitgedijd. De voordelen zijn groot. Het poolen van het aanbod, het richten van de vraag, het overzicht van vraag en aanbod, de facilitering van transacties: al deze ontwikkelingen hebben aantallen en soorten transacties vermenigvuldigd, en ze hebben daarnaast aantallen en soorten aanbieders van en vragers naar ‘deelbare’ capaciteit doen exploderen.

Markten, zo heb ik beweerd, ‘coördineren’ niet want markten ‘doen’ niets. Platformen, aangedreven door het internet, de digitalisering en de sociale media, coördineren daarentegen wel degelijk – ze doen zelfs weinig anders en nemen regelmatig niet alleen de voorbereidende werkzaamheden van een transactie voor hun rekening maar ook de transactie zelf. Coördinatie is een onbedoeld effect van markttransacties, geen oorzaak ervan (vandaar de ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith). Daarin zit het verschil met een planeconomie waarbinnen de coördinatie niet aan de altijd min of meer toevallige uitkomsten van markttransacties wordt overgelaten maar een uitdrukkelijk deel van het plan is. Daarin zit ook het verschil met kartels dan wel met een monopolie.

De platformeconomie beweegt zich de kant van kartels en monopolies op en de reden daarvoor is dat ze zich van zowel uitvoering als coördinatie van transacties meester maken, dat ze zowel de calculatie als de interdependentie van transacties omvatten. Hun voornaamste grondstof bestaat niet voor niets uit data, en hun productieproces is niets anders dan het bewerken van data tot voor hen bruikbare informaties (over vragers, aanbieders en over andere intermediairs), met elke nieuwe transactie groeit hun databestand en met hun groeiende databestand worden de informaties gerichter en ontstaat steeds meer het zwaan-kleef-aan effect.

Je kunt, zoals Amazon, beginnen met boeken, je merkt dat je, net als Amazon, daarbij een technologie gebruikt die breder inzetbaar is en je zult, net als Amazon, je activiteiten over steeds meer terreinen en steeds diverser transacties uitbreiden. Is het accent verschoven is van de voordelen van schaalgrootte aan de aanbodskant naar schaalgrootte aan de vraagkant? Dat zou best een kunnen. Alleen is het niet de vraag zelf die die grootte realiseert, het is het intermediair, het platform (zie opnieuw Thompson, o.c. 1967: 42).

Een platform heette in 1967 nog geen platform maar het was er wel degelijk. Het verschijnsel is al lang bekend maar met de komst van het internet en de digitalisering is enerzijds de snelheid waarmee het zich verspreidt enorm toegenomen, en anderzijds is de strategische positie en invloed van data over ‘voorheen de markt’ beslissend geworden. Zoals het grapje over gratis dingen al zegt: als het gratis is ben jij het product. Het zwaan-kleef-aan effect is een netwerkeffect, het effect van de vraagvoordelen van de grote schaal. Dat effect kenmerkt de platformeconomie.

De platformeconomie is een directe uitdaging aan de gangbare regels voor concurrentie. Nationaliseren dan maar, zoals Jaap Tielbeke oppert in De Groene van 31 januari? Wie weet. Tot dusver lijkt het er niet op dat de concurrentiewaakhonden heel erg alert zijn en in de VS heeft Trump de netwerkneutraliteit al afgeschaft – waar de groten blij mee zijn en de concurrentie het kind van de rekening is.

5 februari 2018

=0=



Vakgebied

Vorig jaar november schreef Harrie Verbon in een blog in Univers, het blad van de universiteit van Tilburg, dat het hem opviel dat de #metoo opwinding zo vaak ging over wandaden van twintig tot dertig jaar geleden.

De mannen die werden aangeklaagd waren destijds de mannen die in hun kolonie de apenrots hadden bezet, maar vandaag de dag waren ze daar wel vanaf gevallen. Het was hem ook opgevallen dat de meeste aanklachten kwamen van succesvolle actrices die in het begin van hun carrière waren lastig gevallen maar inmiddels niet meer hoefden te vrezen voor hun loopbaankansen. Kortom, uitgerangeerde alpha-mannetjes en gewijzigde machts- en krachtsverhoudingen.

Je zou de indruk over kunnen houden dat Verbon suggereerde dat de wandaad meer dan alleen een uiting was van geile mannetjes en onderdanige vrouwtjes. Het was óók een uiting van carrière-dynamiek, van mannetjes zowel als van vrouwtjes, want dat verklaarde zowel het tijdstip van de wandaad (het alpha-mannetje op zijn apenrots) als het tijdstip van de aanklachten (het aangerande vrouwtje op het toppunt van haar carrière). Onze Harrie stopte er nog wat evolutieleer in (had ook weg gemogen wat mij betreft) en klaar was de blog. Die niet in goede aarde viel, heb ik begrepen. Dat is niet verbazend, opwinding is een vuurtje dat zichzelf een tijdje in stand houdt, maar Harrie was zo goed niet of hij meende het in een volgende blog nog eens dunnetjes over te moeten doen.

Moet kunnen. Het zal de steen des aanstoots niet wegnemen: de omstandigheid dat Harrie als rechtgeaarde utiltaristische econoom in alles een afweging van pijn en plezier, last en lust, onnut en nut ziet. Dat die afweging in het begin van je carrière anders uitvalt dan in het midden of aan het einde ervan, wie zal het betwisten? In de utilitaristische denkwereld van de econoom zijn we allemaal dieren van eenzelfde soort, onderhevig aan dezelfde impulsen, reagerend op dezelfde prikkels en alleen de teleologie van het resultaat telt. Dat is zeer tegen het zere been van de #metoo beweging.

Tot mijn stomme verbazing hoorde ik gisteren universiteitshoogleraar Naomi Ellemers (UU) op de radio verklaren dat zij de column van Verbon niet zozeer vanwege de inhoud niet goed vond, maar omdat Verbon ‘buiten zijn vakgebied’ was getreden. Je kunt veel van het blog van Verbon zeggen, dat het te weinig teruggreep op de utilitaire economie bijvoorbeeld, of dat Verbon er kennelijk vanuit was gegaan dat we dat allemaal wel weten omdat we weten dat hij econoom is, maar dat Verbon zich op een terrein had begeven dat voor zijn vakgebied terra incognita was – dat is wel heel veel domheid en onbegrip. De universiteitshoogleraar is ook niet meer wat ze was toen het instituut werd ingesteld.

Ellemers is hoogleraar sociale psychologie. Sociaal-psychologen staan de laatste jaren in een kwade reuk. Naomi Ellemers doet er blijkbaar het hare aan om die in stand te houden, dit keer niet met malversaties maar met onkunde. Nu is sociale psychologie een vakgebied zonder vak, zonder eigen ‘object’, en dat is enigszins een verontschuldiging maar geenszins voldoende. De utilitaristische uitdaging van Harrie staat nog helemaal overeind.

4 februari 2018

=0=



Sprakeloos

Volgens Adam Smith hebben de mensen een ‘natuurlijke’, laten we zeggen ‘spontane’ neiging tot ruilen. Daar gebruikte hij drie termen voor: ‘truck’, ‘barter’ en ‘exchange’.

Voor ‘truck’ geeft het woordenboek ‘kwanselen’ terug, onhandig ruilen. Denk aan het begin van de ruil: je bood aan wat je over had en je kon terug krijgen wat anderen over hadden. Of het aansloot bij je belangrijkste behoeften moest je maar afwachten. Waarschijnlijk niet. Onhandig dus. Bij ‘barter’ denken we aan ruil in natura. Hetzelfde als ‘truck’, zij het dat de ruil van overschotten hier al regelmatiger plaatsvindt, bijvoorbeeld aan het einde van elke oogstperiode of elke keer wanneer een schip de haven binnenloopt. Dat is al een stuk handiger maar het kan altijd nog beter. De onhandigheid verdwijnt pas echt als de gehele productie omschakelt naar productie voor de ruil (en we naast goederenmarkten ook factormarkten hebben, en we naast een reële economie een financiële economie krijgen). Dan is sprake van ‘exchange’, van ruil in het kader van een markteconomie.

In dat kader moeten we ons de vraag stellen hoe vragers naar en aanbieders van goederen hun verlangens, belangen en verwachtingen articuleren en coördineren. Bij dat hoe verlaten we ons steeds meer op markten. Dat is lang niet altijd dominant geweest. Het hoe is ons lange tijd opgedragen (door kerk en staat, door traditie en overlevering, door zeden en gewoonten, door cultuur en civilisatie). Die krachten en machten hebben we grotendeels – maar nooit totaal – terzijde geschoven; we verlaten ons tegenwoordig voor het hoe steeds meer op markten en dan geldt dat de markt ons niets opdraagt, zelfs metaforisch niet. De markt draagt niets op omdat men markten ook niets op kan dragen.

Markten doen niets anders – en eigenlijk is ‘doen’ een vertekenend woord want markten ‘doen’ niets – dan de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van actoren en voor hun handelingen neer te leggen bij die actoren zelf. Het ‘spontane’ effect van dit type coördinatie kan beter of slechter zijn dan van andere coördinatietypen en het kan voor sommige soorten transacties meer geëigend blijken dan voor andere, maar zeker is dat één effect ervan de premie op rationeel economisch handelen is (zich uitbetalend in winst en/of schaalvergroting). Of beter: de straf (verlies, faillissement) op irrationeel of gebrekkig rationeel handelen.

Dat effect (de thematiek van de protestantse ethiek en de kapitalistische geest getuigt ervan, evenals het onderzoek in de economische antropologie en sociologie) heeft zich doorgezet dwars tegen allerlei bestaande gedragspatronen en gedragslegitimaties in en zijn overwinning is, zelfs in de meest aan het ideaaltype van het kapitalisme beantwoordende landen, nooit onomstreden en daarom ook nooit voltooid.

Mocht onze marktorde ‘spontaan’ zijn, dan alleen in de zin van Smith’s spontane ‘neigingen’, en zeker niet in historische zin. In de handen van Hayek veranderde de betekenis van ‘spontaan’ van ‘natuurlijk’ in ‘organisch’ en ‘evolutionair’ – en in het spontane van de spontane ‘orde’ die marktmaatschappijen kenmerkt en die beter is dan (maar wel altijd bedreigd wordt door) de gereguleerde orde van de verzorgingsstaat en de totalitaire orde van de communistische planstaat. Hayek vertrouwt er op dat de economische actoren, gewapend met hun eigen lokale kennis die hen een voorsprong geeft op anderen om snel en effectief in te spelen op veranderende omstandigheden net zoals de anderen met hun lokale kennis dat zullen doen in hun omstandigheden, hun eigen calculaties zelfstandig kunnen en zullen opstellen en hij vertrouwt erop dat als we hen niets in de weg leggen de resulterende ‘zelforganiserende’ en ‘zelfgeorganiseerde’ orde superieur zal blijken aan elke andere orde. Ook Hayek houdt bij een en ander de utilitaristische ethiek in ere. Die ethiek is ongetwijfeld dominant in het economisch denken en in het economisch beleid van actoren, het neemt niet weg dat ook een deontologische ethiek (zoals verdedigd door bijvoorbeeld John Rawls) recht van spreken heeft, net zoals naast de individualistische bias van de utilitaristen andere en meer op gemeenschappen gerichte denkwijzen en modellen steeds opnieuw hun plek opeisen.

Een markt is een ruimte, een omgeving, waarin economische actoren zelf hun eigen handelingen en zelf hun eigen onderlinge betrekkingen organiseren – en ook dat laatste op eigen gezag en in opdracht van niemand behalve zichzelf. Dat is een opdracht en een beperking. De opdracht is het zelf-doen, de beperking is het verbod op elk type samenwerking (dat al gauw samenspanning heet) dat anderen belemmert van hun vrijheid gebruik te maken. Het bestaan van een markt herkennen we aan het type coördinatie, de bedreiging van een markt herkennen we aan het type samenwerking.

Misschien wel de meest revolutionaire ontwikkeling in de markt is de juridische constructie van de ‘naamloze vennootschap’ geweest en diens erkenning als fictieve rechtspersoon – als gevolg waarvan de scheiding tussen eigendom en beheer tot stand kon komen en de nv, de bv en andere eigendoms- en beheersvormen met beperkte of zelfs uitgesloten aansprakelijkheid een hoge vlucht namen. Dat maakte het samenwerkingsprobleem een stuk minder restrictief – en het opstellen en handhaven van concurrentiewetgeving en –rechtspraak een stuk ingewikkelder. Gigantische ondernemingen kunnen nu handelen als waren het personen.

Het is geen toeval dat de langzame opkomst en formalisering van de naamloze vennootschap niet alleen samenvalt met de opkomst van aandelen en aandelenmarkten maar ook met de opkomst van factormarkten (arbeidsmarkten, grondmarkten, kapitaalmarkten) in de periode van het vroege kapitalisme. Of dat allemaal goed of slecht is, is één kwestie, maar dat het kan is adembenemend. Stel je eens voor dat een onderneming alleen met z’n klanten in contact kan komen met behulp van natuurlijke rechtspersonen die zich niet kunnen beroepen op de scheiding van eigendom en beheer en die persoonlijk aansprakelijk zijn voor alle verplichtingen en alle schade die de onderneming veroorzaakt. Dan zou de grote onderneming juridisch uiteenvallen in een verzameling eenmanszaken waarvan de eigenaar een natuurlijk persoon is en tekent voor eigendom én beheer. We zouden, zal ik maar zeggen, een radicaal andere faillissementswetgeving hebben en we zouden veel minder last hebben van het systemische misbruik dat van de huidige faillissementswetgeving wordt gemaakt.

Ik gebruik het woord ‘systemisch’ met opzet. De markt is geen systeem (want een systeem heeft een omgeving en de markt is een omgeving), het is de omgeving van economische actoren (producenten, consumenten, ondernemingen, banken, vragers, aanbieders), een omgeving die floreert bij bepaalde gedragingen en bij de interdependentie van die gedragingen. Een zo begrepen markt is ook de omgeving van de regels rond aansprakelijkheid, verantwoordelijkheid, faillissement en samenwerking tussen marktactoren.

Waarom de markt geen ‘systeem’ is, is niet moeilijk te raden. Een systeem moet in staat zijn z’n eigen operaties op eigen kracht te openen (en te sluiten) voor de omgevingen van het systeem. Dat zal betekenen dat sommige gebeurtenissen worden buitengesloten en minimaal betekent het dat gebeurtenissen, zo ze al optreden, worden getemporaliseerd (wie een poging doet een klacht te deponeren bij een complexe organisatie zal onmiddellijk het praktisch effect ervan ervaren). Dan wint het systeem de tijd die het nodig heeft om zich aan te passen en de klager verliest tijd – die hij lang niet altijd heeft.

Maar wat is dan een markt die het vermogen bezit zichzelf te sluiten voor z’n omgevingen? Dat is een markt die over z’n eigen toetredings- en uittredingsregels gaat en de beslissing daarover uit handen heeft genomen van de economische actoren die toe dan wel uit willen treden. In plaats ervan dat de economische actoren door zelfstandig hun handelingen te plannen en op elkaar in laten werken de markt definiëren, zouden we de situatie hebben dat de markt de economische actoren definieert. Dat is de omgekeerde wereld.

Wat wij een markt noemen gaat kennelijk over de calculaties van economische actoren en over de interdependentie van dergelijke calculaties. Je calculeert of je instapt en als je dat doet merk je of je de risico’s van instappen correct hebt ingeschat. Of je doel treft hangt immers ook af van de calculaties en besluiten van de andere economische actoren – daar vinden we de interdependentie in terug. Je kunt vooraf nooit weten wat eruit komt – het enige wat je kunt doen is observeren dat wat wij een markt noemen bestaat in de relaties tussen individuele calculatie en wederzijdse interdepentie (het is die relatie die bij Smith de ‘onzichtbare hand’ heet).

De gedachte is dat de theorieën over rationeel handelende economische actoren in een accurate beschrijving van calculaties uitmonden en dat algemene evenwichtsmodellen hun interdependenties uitbeelden. Daarin bestaat de opgave van de economische theorie: het verklaren hoe rationeel handelende economische actoren in onzekerheid beslissen zonder vooraf te weten wat er uit zal komen, en hoe er desondanks orde (‘evenwicht’) ontstaat, hoe het mogelijk is daarom dat het zaakje niet in wanorde en chaos uiteenvalt en hoe het, in tegenstelling daarmee, het zelfs waarschijnlijk is dat het zaakje juist op basis van deze ‘gepersonaliseerde’ en min of meer gedecentraliseerde uitgangspunten zal floreren.

Het gaat zonder uitzondering om vragers en aanbieders. En het gaat om prijzen die de functie hebben dat het aanbod vrijwillig wordt verhandeld (en niet wordt afgepakt en inclusief het risico dat je geen cent voor al je moeite krijgt) en dat de vraag wordt vervuld (en niet door de strot wordt geduwd en inclusief het risico dat waar geen honger is elke vraag wordt beloond en waar honger is de vraag niet eens wordt gehoord). Vraag en aanbod komen echter niet onafhankelijk van prijzen tot stand. Dat zou nog het geval kunnen zijn bij het Smithiaanse kwanselen (‘truck’), het wordt al minder waarschijnlijk bij de geregelde ruil in natura (‘barter’) en het is uitgesloten bij marktruil (‘exchange’).

De in de economische wetenschap en economische leerboeken standaard geventileerde opvatting dat vraag en aanbod onafhankelijk van elkaar zijn is een opvatting die alleen in de omstandigheden en situatie van ‘truck’ kan voorkomen. De gedachte, van diezelfde wetenschap en diezelfde leerboeken, dat je dat als uitgangspunt kunt nemen voor het afbeelden van markten en marktprocessen is bespottelijk. Het enige relevante uitgangspunt is het patroon van verwachtingen over de gebeurtenissen van de dag van morgen en overmorgen, verwachtingen die elke afzonderlijke economische actor om moet zetten in besluiten en handelingen.

Vraag en aanbod worden mede gevormd op grond van verwachtingen over prijzen. Verwacht je een lage prijs dan neemt je enthousiasme om aan te bieden af en je enthousiasme om af te nemen toe. Verwacht je een hoge prijs, dan neemt je enthousiasme aan te bieden toe en je enthousiasme af te nemen neemt af. Daarom, vraag en aanbod bepalen de prijs niet, vraag en aanbod spelen in op verwachte prijzen en daarom bepalen verwachtingen over prijzen de vraag naar en het aanbod van – en ook de prijs van elk verhandelbaar goed en elke verhandelbare ‘factor’.

En omdat verwachtingen altijd gaan over dingen die nog gaan gebeuren, dus altijd een zekere termijn moeten inbouwen, heeft elke markt iets van een termijnmarkt, en bouwen ook de marktactoren een termijn in. Ze hebben een tijdshorizon en de tijdshorizonten van de actoren in hun verschillende rollen (producent of consument bijvoorbeeld) en situaties (vermogend of niet) verschillen. De verschillen in tijdshorizonten worden elke keer opnieuw tijdelijk geïntegreerd in en door elk economisch besluit dat de economische actoren nemen (nu mét hun verschillende tijdshorizonten en let wel, één en dezelfde economische actor kan zelf ook verschillende tijdshorizonten hebben, bijvoorbeeld door de verschillende termijnen voor de betaling van lonen, van toeleveranciers, van de belastingen, van de aandeelhouders, van de banken).

Een groot deel van onze huidige economische activiteiten (van de schuldenindustrie tot en met de om zich heen grijpende ‘platformeconomie’) heeft zich genesteld in de tijdsopeningen die het product zijn van de verschillen in tijdshorizonten. Zo worden we nominaal steeds ‘welvarender’ (in de tellingen van het BBP) en reëel steeds armer (in de ervaringen van de 99%).

De conventionele wijsheid in de economische theorie is dat het niet de actoren zijn die hun handelingen coördineren maar dat het de markten zijn. De conventionele wijsheid in de economische theorie is dat een gegeven vraag en een gegeven aanbod op elkaar inwerken tot er een prijs ontstaat waarmee vragers en aanbieders (al dan niet fluitend, al dan niet grommend) genoegen nemen. De conventionele wijsheid in de economische theorie is dat alle tijd homogeen is, dat tijdsverschillen (je oogst maar één keer per jaar, maar je kunt elke dag brood bakken – en dat maakt alles uit voor het gemak waarmee je transacties aangaat en tussentijds kunt wijzigen) er niet toe doen. Het zijn drie misvattingen en ze dragen er alle drie aan bij dat een serieus debat over markten vrijwel geen kans maakt. Want: probeer eerst maar eens door die muur van de conventionele wijsheid heen te breken en je zult zien dat dat nog zo eenvoudig niet is. En dan nog: wat wou je, een beeldenstorm?

John Kenneth Galbraith heeft die term van de ‘conventional wisdom’ gemunt. Het heeft wel iets, schreef hij, van een religieuze rite. Roep de conventionele wijsheid aan en het is alsof je luidkeels voorleest uit de heilige geschriften.

Een mens zou er sprakeloos van raken.

27 januari 2018

=0=


Vraatzucht

Goederenmarkten zijn al heel oud, factormarkten daarentegen (markten ter verhandeling van ‘productiefactoren’ zoals arbeidsmarkten, grondmarkten, kapitaalmarkten) zijn betrekkelijk nieuw, het zijn producten van het moderne kapitalisme. Of goederenmarkten min of meer automatisch (‘immanent’, ‘wetmatig’) uitgroeien tot factormarkten of dat daarvoor andere oorzaken (geweld, de familieverwantschap van protestantse arbeidsethiek en kapitalistische geest) moeten worden geciteerd is nog altijd een onopgeloste kwestie.

Onopgelost of niet, het is gewoon een slechte probleemstelling. Dat althans leid ik af uit een recent boek van economisch historicus Bas van Bavel (De Onzichtbare Hand; Hoe Markteconomieën Opkomen en Neergaan. Amsterdam, Prometheus 2018). Volgens hem is de start van het moderne kapitalisme in Europa al in de late Middeleeuwen (en niet in de 18e/19e eeuw), zijn er eerdere voorbeelden van het samengaan van goederen- en factormarkten, zijn die voorbeelden niet tot Europa beperkt en – misschien wel zijn belangrijkste stelling – omdat er eerdere bloeiperioden van markteconomieën zijn geweest moeten die economieën ook weer ondergegaan zijn (en daarmee is het lineaire beeld van historische ontwikkelingen toe aan vervanging) en ze zijn ten onder gegaan, niet door externe oorzaken of interventies, maar met name door de vraatzucht van diegenen die in de markteconomieën de beste zaken hebben gedaan en dat nog eventjes dachten te kunnen continueren door de spelregels in hun richting bij te stellen en door de politiek over te nemen. We leven in moderne tijden die zo modern niet zijn en we leven in tijden, en dat vind ik nieuw, waar de aanzegger van naderend onheil niet naar buiten wijst maar een puur endogene, op de consequenties van heb- en vraatzucht wijzende, verklaring aanreikt. Greed is bad.

Pas met het samengaan van goederen- en factormarkten kan zoiets als kapitalisme ontstaan. Niettemin, volgens Van Bavel gaat het bij kapitalisme om de dominantie van factormarkten. De verdere groei van de markteconomie gaat afhangen van de ontplooiing van factormarkten. Bij de opkomst van een kapitalistische markteconomie gaat het dan in het bijzonder om arbeidsmarkten en loonarbeid, in de verdere ontwikkeling treden dan accumulatie (kapitaal- en grondmarkten) en groeiende ongelijkheid naar voren en daarna een door speculatie, monopolievorming en een groeiende verwevenheid van kapitaal en staat getekende fase waarin het financiële kapitaal economie en staat in het gelid schopt (o.c.: 407-409). Nu, daar kunnen we ons vandaag de dag best in herkennen.

Het goede nieuws is dat we het ons zelf aandoen. De Chinezen doen het niet, de rijken en superrijken doen het, de politici die schuldenbergen afdekken doen het, het zich aan de markt onderwerpende recht doet het. Wij doen het.

Wat je ook op dit boek tegen kunt hebben, deze conclusie staat. Wij zijn het zelf, dit boek gaat over onszelf. We kunnen – ook hier is de overeenkomst met Marx opvallend – leren van de geschiedenis. We hoeven ons niet door de rijken op te laten vreten. Dat is een optimistische gevolgtrekking. We kunnen de globalisering reguleren en al doende beschaven en we kunnen, en dat voorop zou ik denken, politici die vermogenden afschermen en on- en minvermogenden te grazen nemen naar huis zenden. In principe. Soms zijn principes best mooi.

23 januari 2018

=0=

 

 

Uitverkoop

De kabinetten Rutte zijn heel succesvol geweest in het commercialiseren van wet en recht. De wet hebben ze uitbesteed aan supranationale arbitrage waarover nogal wat ophef ontstond naar aanleiding van TTIP, het recht aan commerciële partijen waarvan de bekendste het e-Court is (na enkele recente publicaties daarover in de Groene, Trouw en de Volkskrant).

Opstelten en Teeven hebben het e-Court gelanceeerd (Teeven zat in het comité van aanbeveling), met enerzijds nieuwe wetgeving (een nieuwe arbitragewet uit 2014) en anderzijds een forse verhoging van de griffierechten (met de uitdrukkelijke opzet de toegang tot de rechter te beperken), met als voorspelbaar effect dat de mensen wel uitkijken nog naar de burgerlijke rechter te gaan.

En zie, daar kwam de private arbiter met veel lagere heffingen en met een juridische procedure die zo ondoorzichtig is dat de consument vrijwel altijd verliest en niet weet waarom, een procedure bovendien die de consument in de waan brengt dat het hier niet om aanvechtbare arbitrage-uitkomsten gaat maar om heuse rechtspraak. En wie de arbitrage aanvecht krijgt te maken met de rechtbank in Almelo. Daar heeft de consument geen invloed op, dat wordt beslist door e-Court. Waarom Almelo? Omdat ze daar niet moeilijk doen.

Controleren of de opgevoerde feiten kloppen? Dat doen de arbiters niet en dat doet de rechtbank in Almelo evenmin. Vandaar: Almelo, want elders in het land hebben de rechtbanken scrupules en daar niet.

In Almelo is altijd iets te doen. De Raad voor de Rechtspraak is tegen, de meeste rechters zijn tegen – Opstelten en Teeven hebben hun tijd uitstekend gebruikt, kleine slordigheden daargelaten zoals bonnetjes, zoals de nieuwe klassenjustitie van de schikkingen, zoals ingrijpen in het onderzoek van het WODC en zoals het optuigen van een Nationale Politie die moet opassen niet het Nationale Mikpunt te worden. Maar ach, wat doet het ertoe. De schade is voor de openbare zaak, de winst voor de private afhandeling van zaken. Alles is toegestaan om het ‘staatsmonopolie op rechtspraak’ (dixit de bedenker van het e-Court) uit te schakelen. Vertel eens, bestaat er ook een staatsmonopolie op de trias politica?

De legale basis van het e-Court is dun, de juridische basis omstreden, de ontoegankelijkheid van het proces en de ondoorzichtigheid van de procedure zijn strijdig met het recht, en toch laat politiek Nederland het er bij zitten. Er klopt weinig van, het is in strijd met het EU-consumentenrecht, het is strijdig met het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens en in Nederland vegen Rutte, Teeven en Opstelten er hun kont mee af. In een VVD kabinet gebeurt daar niets aan, de VVD ondermijnt met liefde de openbare en controleerbare rechtspraak om het te vervangen door de wijsheid van een algoritme dat, zoals bekend, neutraal is ten aanzien van alle vooroordelen die erin worden gestopt. Het kabinet vindt het best. Het draagt bij aan de door Rutte zo geliefde ‘kleine overheid’. Erger is dat ook het parlement het best vindt.

TTIP-achtige constructies bestonden al voordat het idee van het TTIP opkwam. Na de VS is het Nederland dat de meeste investeringsverdragen heeft afgesloten met private en supranationale arbitrage als afwikkelingsmechanisme voor door bedrijven aangebrachte klachten over overheden. De Nederlandse wetgever staat zowel voor binnenlands als buitelands gebruik toe dat de Nederlandse wet door private belangen terzijde wordt geschoven. En dat in een context waarbij, alweer door de VVD, elke petieterige overheveling van nationale souvereiniteit naar ‘Brussel’ al bijna als landverraad wordt beschouwd. Nee, dan liever de uitverkoop aan de commercie.

Als onderdeel van de genoemde investeringsverdragen moet worden genoemd dat in Nederland elk buitenlands bedrijf dat in Nederland een brievenbusje heeft aangeschaft als investeerder volgens de Nederlandse wet telt – en dus vanuit Nederland landen kan aanklagen, inclusief het land waar het moederbedrijf zetelt (in Trouw van 13 januari dit jaar vond ik een voorbeeld van een Roemeens bedrijf). Ik zou het roofkapitalisme willen noemen, met de Nederlandse staat als bereidwillige helper.

Binnenkort is iedere inwoner van ons land ook de privacy van z’n bancaire transacties kwijt want de Europese Commissie vindt dat die privcay slecht is voor de concurrentie en als het slecht voor de concurrentie is, is het slecht voor ons. Je mag er tegen protesteren, je hoeft er niet mee in te stemmen maar zoiets eenvoudigs als een defaultoptie met de strekking dat het standaardantwoord nee is (nee, je komt niet aan mijn gegevens) en dat als de consument wat anders wil hij daar zelf (en alleen hijzelf en niemand anders) het inititiatief voor moet nemen – die optie gaat er niet komen. Stel je voor, dat de overheid je iets zou opleggen.

De dwingende overheid, we moeten er niet aan denken. Nu we het er toch over hebben, een niet-dwingende overheid is geen overheid. Onze overheid dwingt niet, onze overheid heft belastingen, en wat meer op de haar onwelgevallige zaken en niet of veel minder op de haar welgevallige zaken. Dwang? Welnee, u kiest er zelf voor. Kortom, niet alleen wet en recht, ook de politiek is overgenomen door commerciële belangen. Dan is de cirkel wel rond. De wetgevende macht (regering en parlement), de uitvoerende macht (ministeries en verwante organen) en de controlerende macht (de rechtspraak) zijn alle commerciëler geworden. Concurrerender, zeg maar. Acht jaar Rutte, acht jaar VVD, een falend justitieel apparaat, een falende nationale politie en een uitverkoop van wet en recht – wat een gaaf land hebben we toch.

22 januari 2018

=0=

Etalage

Dat het product zwaarder weegt dan de arbeid die erin is gestopt mag bekend worden verondersteld. Onze producten worden beter en slimmer, onze arbeid niet. Dat is nu eenmaal de eerste wet van het moderne kapitalisme, het kapitalisme van het intellectuele eigendom, het kapitalisme dat zijn tolerantie voor de paradox is kwijtgeraakt – want een paradox is meestal het product van absurde of valse of verhullende veronderstellingen, bijna net zoals nepnieuws het product is van absurde dan wel valse dan wel verhullende informaties.

Onder neoliberale verhoudingen is alles product of moet en zal het worden. En waar een product niet zomaar voor de hand ligt verzinnen we een product. Wat is het product van de universitair docent? Dat hangt af, legt Eelco Runia uit, van de omzet van de docent, dus van het aantal studenten dat komt en het hangt af van het rendement van de docent, dus van de omzet en het aantal verstrekte diploma’s per tijdseenheid. Is dat een product? De vakdocent zal het ontkennen, de marktgedreven universiteit zal het beamen.

Het is een fabriek. Komen er te weinig orders binnen dan is er niet goed gewerkt, en is het aantal foutmeldingen te hoog dan is er gesaboteerd. Om de kans op het eerste te verkleinen moeten de docenten in het Engels les gaan geven (want de pool van aankomende studenten met Nederlands als eerste taal is klein en wordt groter met Engels als voertaal – ook al spreken en verstaan alle niet-Engelstalige docenten en studenten het slecht). Bijkomend voordeel is dat studenten van buiten meer betalen dan studenten van eigen bodem. Om de kans op het tweede te verkleinen moeten de docenten ervoor zorgen dat het slaagpercentage zo hoog mogelijk wordt en in elk geval niet onder een bepaald niveau zakt. Dat niveau wordt door de universiteit bepaald, niet door de docent uiteraard. De docent zou zo maar kunnen beslissen dat voor hem het vak de doorslag geeft in het oordeel over wie wel en wie niet aan de maat is en dat is ontoelaatbaar.

Het slaagpercentage beslist over de vraag of de docent het goed heeft gedaan en tot het juiste oordeel is gekomen, niet het vak en de vakkennis van de docent. Van het vak heeft de docent meer verstand dan de onderwijsmanager en dat kan natuurlijk niet in een organisatie waar de manager het per definitie beter weet. Daarom moet het criterium voor slagen en falen worden weggehaald uit het vak en verplaatst naar de ‘productiviteit’ van de docent. Productiviteit is omzet x rendement. Toch?

Het resultaat is een onderwijsfabriek waar het onderwijs in stukjes (‘modules’) is gehakt die iedereen moet kunnen snappen en die door elke docent moeten kunnen worden gegeven. Een fabriek waar de eerste kwalificatie-eis die aan de betrokken docenten wordt gesteld bestaat in het testen van hun vermogen, en niet te vergeten van hun motivatie, om elke ‘procesindicator’ die het management heeft bedacht nauwgezet te registreren en al even nauwgezet bij te houden. Procesindicatoren bewaken de ‘studeerbaarheid’ van het geboden onderwijs. Wat studeerbaar is hangt niet af van vak of thema, het hangt af van het metabolisme van de gemiddelde student die het onderwijsmenu stapsgewijs in gestandaardiseerde tijdseenheden moet consumeren – en voor wie het diploma net zo belangrijk is als voor de universiteit. De universiteit is een schoolvoorbeeld (pun intended) van een kapitalistisch gerund bedrijf: je doet alles in naam van de afnemer, je wordt er zelf beter van en je verwaarloost de ‘professionals’ van wie je de professie belachelijk maakt.

Eelco Runia is een originele geleerde, een aanwinst, zou ik denken, voor elke letterenfaculteit van elke universiteit die geschiedenis en geschiedsfilosofie in het pakket heeft. Hij heeft er genoeg van, schrijft hij vandaag in NRC-Handelsblad. De motivatie is weg. Waarom? Omdat het product zwaarder weegt dan het vak. Het product staat blinkend in de etalage – en het vak wordt een vak voor vakkenvullers.

20 januari 2018

=0=

 

Geen vrienden

Geen vrienden en geen twijfel. Zou er een samenhang tussen beide bestaan? De gedachte kwam bij me op na het lezen van het inleidende hoofdstuk uit een al wat oudere publicatie van Jordan Peterson, Maps of Meaning; The Architecture of Belief (New York, Routledge 1999). Peterson is vanavond te horen en te zien in een bijeenkomst te Rijswijk, georganiseerd door een stichting met de naam De Nederlandse Leeuw. Nee, ga er niet heen want de kaarten voor de bijeenkomst (à raison van 25 € pp) zijn uitverkocht.

Niet getreurd, de stichting heeft een vijfjaren plan, dus ook de komende jaren mogen we rekenen op een bijeenkomst. De hoofdvraag dit jaar is: ‘[o]p welke manieren moet Nederland de immigratie- en integratie-aanpak vernieuwen om de uitdagingen en risico's binnen onze multiculturele samenleving te kunnen beheersen?’ Tja, hoe doen we dat? Met beter Nederlands, om te beginnen. De Nederlandse Leeuw blinkt uit in krom proza en is daarmee zelf een deel van het probleem van de ‘integratie-aanpak’. Dat zou tot bescheidenheid moeten nopen, het doet het niet.

Ik neem niet aan dat Jordan Peterson op het proza van De Nederlandse Leeuw in zal gaan. Wel zal hij ingaan op de vraag welke moraal ‘leidend’ moet zijn in strijd om het behoud en de versterking van onze identiteit, waarde en waardigheid. Maar wie is die Jordan Peterson die ons hierover voor kan lichten?

Wie is de man die de loonkloof tussen mannen en vrouwen een verzinsel vindt omdat, zegt hij, verpleegsters vrijwillig hebben gekozen voor hun beroep en, zegt hij, ingenieurs voor het hunne en omdat, zegt hij, verschillende keuzes nu eenmaal tot verschillende uitkomsten leiden en omdat, zegt hij, als we dan vervolgens kijken naar loonverschillen binnen één en hetzelfde beroep we pas mogen concluderen dat hier sekse en gender in het spel zijn nadat we ook alle overige denkbare oorzaken van de verschillen in beloningsuitkomsten tussen mannen en vrouwen hebben verwerkt. Wonderlijk is dat Jordan niet dezelfde hoge eisen stelt aan de verklaring van de beloningsvoorsprong van mannen. Waarom niet? Het is een vraag die alleen hij kan beantwoorden. Hij doet het niet, hij stelt de vraag niet eens.

Ik ben bang dat als hem het vuur na aan de schenen gelegd zou worden hij voor de verklaring weer terug zal vallen op zijn betekeniskaarten, zijn maps of meaning. Die kaarten hebben drie bronnen: Jung, Nietszche en het christendom. We kunen van die bronnen zeggen wat we willen, van feminisme kunnen we ze niet beschuldigen. Wat we wel van ze kunnen zeggen is dat ze na WOII lange tijd zijn weggedrukt en dat Jordan van mening is dat ze weer in het volle daglicht moeten verschijnen om ons van onze dwalingen te bevrijden.

Als Peterson zijn zoektocht beschrijft die hem tot de afwijzing van elke (maar in het bijzonder de linkse) ideologie heeft gebracht en die hem overtuigde van van de morele superioriteit van westerse waarden, dan lees ik het verslag van een jongen die in alles wat hij vertelt en beschrijft niemand tegenkwam met wie hij zijn twijfels en vragen bespreekt, dan lees ik het verslag van een jongen die nooit op zoek ging naar wegen om zijn vragen, bedenkingen, onzekerheden en weifelingen beter te leren formuleren, ik lees het verslag van een jongvolwassene die op zoek is naar zekerheden, die voor twijfel geen plek heeft en die zijn tekort aan vrienden en gesprekspartners compenseert met het uitpluizen van teksten waarin alleen de eenvoudigen van geest menen de waarheid te vinden. En zo vond hij de waarheid die hij tegenwoordig onder eigen naam en op eigen titel ventileert.

Geen twijfels, geen vrienden. Een aandoenlijke man die iedereen die twijfel aanmeldt over zijn moraal, die iedereen die twijfel aanmeldt over wat hij als de zin van bestaan ziet – als een gevaar, als een existentiële bedreiging ziet. Hij is een man die dat niet wenst te accepteren, die boos is en tot de aanval overgaat. Er zijn miljoenen zoals ik, dat is zijn claim en daar zit zijn markt. Doet ergens aan denken. Het neemt niet weg dat ik meer fiducie heb in De Nederlandse Leeuwin dan in De Nederlandse Leeuw. Maar een lezing kan altijd.

19 januari 2018

=0=


Relativisme

Cultuurrelativisme schijnt een ernstige zonde te zijn. Niet voor mij – ik heb nooit begrepen wat het contrast van relatief in dit verband moet wezen – maar wel voor mensen die alles zien veranderen en die willen dat sommige zaken (‘cultuur’) nooit veranderen. Een lastig bestaan, zeker. En een raar bestaan.

Ik vind het maar raar dat mensen die onze cultuur verabsoluteren met de geschiedenis weer heel relativerend omspringen. Geschiedsrelativisme, dat is het, de opvatting dat we de geschiedenis altijd in zijn tijd moeten plaatsen. En tijd, dat is ook de tijd van normen en waarden en van opvattingen over zeden en gewoonten, en van gebruiken en misbruiken. Bovendien, begrijp ik, moet je niet alleen met de tijd rekening houden maar ook met de plaats. De Nederlandse geschiedenis heeft zo z’n minpunten en die moet je in hun tijd begrijpen en als je dat begrijpt begrijp je ook dat die minpunten voornamelijk plaats vonden als we buiten de deur gingen spelen.

We behandelden de onzen altijd wat coulanter, wat beschaafder ook, dan de vreemdelingen in hun vreemde landen, die voor hen overigens niet vreemd waren omdat zij tot op de dag van vandaag de opvatting huldigen dat niet hun land vreemd was maar dat wij vreemd waren en ons maar niet als een gast leerden gedragen en in plaats daarvan hun cultuur terugbrachten tot een rubbercultuur, een specerijencultuur, een indigocultuur, het kon niet op. Cultuur? Ja, cultuur als exportproduct, net zoals de mensen daar exportproducten werden.

Slavernij deden we daar, onderdanigheid deden we hier. En nu wij hier onze onderdanigheid hebben afgeschud hebben we besloten dat we over onze slavernijgeschiedenis niet meer willen weten dan dat je die in zijn tijd moet zien – en omdat we die tijd niet meer kunnen zien is het flauw met de kennis van nu te oordelen over de tijd van toen, juist ook als je zelf ook wel weet dat je die zelfs met de kennis van nu niet meer terug kunt halen. Vandaar het geschiedsrelativisme. Hoe had het anders gekund, hoe kan het anders?

Toch zou ik denken dat we vreemdelingen nog altijd – als was de afwijzende blik op de vreemde een historische constante – minder coulant en minder beschaafd bejegenen dan de burgers wier enige prestatie is dat ze hier geboren zijn en dat ze al generaties lang niet zijn verhuisd. Op de keper beschouwd zullen dat er weinigen zijn want onze verwantschappen zijn als een web, ze lijken op netwerken, en ze gedragen zich als netwerken – ik denk aan ketenmigratie, aan migranten die de familie achterna reizen en zo zorgen voor gezins- en familiehereniging.

Dat mag wel zo zijn, zeggen we tegenwoordig, maar wij houden niet van gezins- en familiehereniging, in elk geval niet als dat met nog meer migratie gepaard gaat. En of dat historisch gezien nou tegen de haren van de geschiedenis instrijken is of niet, het zal ons worst wezen. Het gaat niet om geschiedenis, het gaat om cultuur en de constante in de cultuur is dat we, toen en nu, buitenstaanders en nieuwkomers beletten wat we voor de gevestigden en oudkomers heel gewoon vinden. Toegegeven, vroeger zochten wij hen geheel ongevraagd op en we citeren vandaag de dag de geschiedenis om te verduidelijken dat toen toen was en nu nu. Tegenwoordig zoeken zij ons geheel ongevraagd op, komen met historische verhalen aan om aannemelijk te maken dat we geen poot om op te staan hebben om hen de deur te wijzen en begrijpen maar niet dat het niets met de relativiteit van de geschiedenis en alles met het absolutisme van onze cultuur te maken heeft.

En zo hebben wij altijd gelijk.

17 januari 2018

=0=

 

Beetmunt

In lang vervlogen tijden beten de mensen hun tanden op een munt, om te kijken of het ding wel echt was. Beetmunten. Tegenwoordig hebben we geen beetmunten meer. We hebben bitcoins, munten met een gedigitaliseerde beet. Zeg maar. Hoe het werkt weet ik nog altijd niet, maar waar het door wordt gekenmerkt weet ik weer wel en dat is ook niet weg. Elke bitcoin is het prototype van absoluut wantrouwen. Ja, daar kijk ik zelf ook van op.

De moeilijkheid met geld is dat je het accepteert omdat er niet veel anders op zit. Soms heb je daar spijt van en je verlangt naar een alternatief – als er gierende inflatie is, bijvoorbeeld, of als de bank failliet gaat. Je zou een onderpand willen hebben, goud bijvoorbeeld, net zoals de bank bij een lening aan jou een onderpand wil zien, hoewel de bank zelf geld uit het niets weet te scheppen, gewoon omdat je het als bank mag als je een door de overheid verstrekte bankvergunning hebt.

Bovendien, we hebben sinds de grote deregulering van de jaren tachtig en later gezien dat schaduwbankieren ook een leuke manier van bankieren is en dat de instellingen zoals een centrale bank die dat allemaal in de gaten moeten houden de moed daartoe al lang hebben opgegeven en in plaats daarvan zelf de geldpers uitbundiger dan ooit vertoond hebben opengezet. Dat leidt voorspelbaar tot wantrouwen in banken, in de centrale bank, in overheden en het leidt tot initiatieven om een geldstelsel te ontwerpen waarin je niet bij de neus kunt worden genomen door banken en overheden. Daarvan zijn er in het verleden legio geweest. Meestal waren dat lokale initiatieven. Die deden het een tijdje beter dan het offciële stelsel maar zodra dat weer overeind was gekrabbeld – meestal met miljardensteun van de overheid die daar de belastingbetaler voor aansloeg en de belastingen in de officiële munt voldaan wenste te krijgen – verdwenen de lokale stelsels weer naar de achtergrond. Maar niet deze keer – deze keer is anders.

De bitcoin heeft z’n tanden gezet in het officiële geldstelsel. De monetaire autoriteiten waarschuwen voor de bitcoin, en ze vrezen de bitcoin. Gegeven een bruikbare bitcoin is het immers met hun bestaan gedaan – ze worden overbodig, hun bemiddelende functie is niet langer nodig, de technologie van de bitcoin kan zonder hen. De bitcoin zegt het vertrouwen in hen op. Wat biedt het zelf aan? Nu, in elk geval geld waarin elke bitcoin gedekt is. Niet de overheid bepaalt de waarde van de munt nog, die waarde wordt in en door het stelsel zelf vastgelegd. Net zoals goud z’n eigen onderpand is, is de bitcoin dat. De voorraad bitcoins is daarom ook net als de goudvoorraad eindig – op een gegeven moment is het op. Niemand weet wanneer het op is, maar ik neem aan dat de grillige koersbewegingen van de bitcoin de verwachtingen en onzekerheden reflecteren over de voorraad, en over de energierekening om de voorraad op te sporen en te ontginnen. Het kost energie. Elke bitcointransactie kost energie, kost bakken met energie en hoe meer transacties in bitcoins worden afgesloten des te groter het beslag op energie wordt en des te hoger de energierekening oploopt en des te meer milieu en klimaat klappen krijgen. De prijs om overheden en banken niet langer te hoeven wantrouwen is hoog.

En daarom noem ik de bitcoin het prototype van absoluut wantrouwen. Elke transactie in bitcoins, elk beroep op bitcoins, wordt via het verificatie-algoritme van de gehanteerde blockchaintechnologie op waarde en waarheid getest en wat er niet doorkomt komt er niet door en wat er wel doorkomt heeft voldaan aan de grondslag van het algoritme: dat we alles willen weten voordat we toegang verlenen.

Alles willen weten: dat is wantrouwen.

10 januari 2018

=0=



De Bijl aan de Wortel

In Duitsland heeft men nog een vakbond. Ik versta onder een vakbond een organisatie die niet slechts in naam maar ook in eisen en acties de kant van de werknemers kiest en bereid is daarvoor ten strijde te trekken. Kom daar bij ons maar eens om. Hier roept de centrale bank op tot hogere lonen – en nog worden de bonden pas wakker als een actiegroep van leraren de kat de bel aanbindt. Met eisen voor een hoger loon en voor een lagere werkdruk. Dat zulke eisen nodig zijn is op zichzelf al een indicatie van het failliet van de Nederlandse vakbeweging. Men heeft het verder laten komen dan acceptabel is – men heeft het geaccepteerd.

In Duitsland heeft de IG Metall nu een tweetal eisen op tafel gelegd – een eis voor een forse loonsverhoging (6%) en, nog veel belangrijker, een eis voor arbeidstijdaanpassing waarover de werknemers het laatste woord hebben. Dat is revolutionair. Gisteren schreef Walter Hämmerle in een hoofdredactioneel in de Wiener Zeitung dat het vanuit het perspectief van de werkgever niet zo kan zijn dat de werknemers ‘alleen’ over hun arbeidstijd beslissen – en dat ook nog eens zonder inlevering van loon (: [a]us Sicht der Arbeitgeber kann es nicht sein, dass die Arbeitnehmer allein über ihre Arbeitszeit entscheiden - und das auch noch ohne Lohneinbußen.). Dat is de spijker op de kop. Het is de bijl aan de wortel van het kapitalisme. Per slot, wie over de tijd van anderen beslist heeft de macht en wie nog wel eens droomt van een samenleving waarin de mensen zelf beslissen over hun tijd weet dat in een dergelijke samenleving de hulp van gezin en familie en de hulp van je collega’s en bonden welkom is, terwijl in zo’n constellatie de werkgever thuis noch welkom is.

De actuele situatie is dat de arbeidstijden de bedrijfstijden volgen, dat de bedrijfstijden gedurig uitbreiden, dat de bedrijfstijden gedurig wisselvalliger worden en dat in een offensief dat nu al een kleine dertig jaar onder de noemer van flexibilisering voortgaat en dat de werkgevers in de kaart en de werknemers van het veld heeft gespeeld. Het resultaat is dat de werknemers de greep op hun eigen tijd tamelijk volledig kwijt zijn, soms ongewild korter werken dan ze willen, vaak langer en onregelmatiger werken dan ze willen, en niet zelf in staat zijn opvoeding, scholing, zorg, vrije tijd en werk ook maar enigszins fatsoenlijk op elkaar af te stemmen.

IG Metall meent dat het nu wel genoeg is geweest. De bond is begonnen met waarschuwingsstakingen en de werkgevers weten niet goed wat te doen. Over de looneis valt te praten. Over de arbeidstijd niet, in elk geval niet als de beslissingsmacht daarover naar de werknemer verschuift. Ik ben ervan overtuigd dat de werknemers heel rustig en heel beschaafd en vol consideratie met de onderneming van hun nieuw te verwerven recht gebruik zullen maken. Ik ben er ook van overtuigd dat de werkgevers het niet zullen accepteren omdat ze het niet kunnen accepteren. Ze zouden niet weten waar ze aan toe zijn. Ze zouden moeten afwachten, ze zouden zich flexibel moeten schikken in de arbeidstijdwensen van anderen.

Wij hadden in ons land ook ooit een industriebond. Die is ter ziele.

9 januari 2018

=0=