DAGBOEKHOUDER
Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam 2017

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010–2011–
2012–2013–2014–2015–2016-2017


Om naar het begin van de pagina te gaan: klik op =0=


September

Horizontaal

Knoppen

Baas

Normatief

Voorwaar

Hegemonie

Personen en zaken

Spelbreker


Augustus

Uniek

Openbaar

Immigrationist

Het beeld op zwart

Bucketlist

Systeemperversie

Juli

Bekentenis

Buitenbeentje

Gig

Pleinvrees

Babyboomer

Metafora

Representatief

Internationale

Wegens succes gesloten

Lease

NEP: Nieuw Economisch Product



Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 58
mei - juni 2017

Dagboekhouder 57
maart - april 2017

Dagboekhouder 56
januari - februari 2017

Dagboekhouder 55
november - december 2016

Dagboekhouder 54
september - oktober 2016

Dagboekhouder 53
juli - augustus 2016

Dagboekhouder 52
mei - juni 2016

Dagboekhouder 51
maart - april 2016


Dagboekhouder 50
januari - februari 2016

Dagboekhouder 49
november-december 2015

Dagboekhouder 48
september-oktober 2015

Dagboekhouder 47
juli - augustus 2015

Dagboekhouder 46
mei - juni 2015

Dagboekhouder 45
maart - april 2015

Dagboekhouder 44
januari - februari 2015

Dagboekhouder 43
november - december 2014

Dagboekhouder 42
september - oktober 2014

Dagboekhouder 41
juli - augustus 2014

Dagboekhouder 40
mei - juni 2014

Dagboekhouder 39
maart - april 2014

Dagboekhouder 38
januari - februari 2014

Dagboekhouder 37
november - december 2013

Dagboekhouder 36
september - oktober 2013

Dagboekhouder 35
juli - augustus 2013

Dagboekhouder 34
mei - juni 2013

Dagboekhouder 33
maart - april 2013

Dagboekhouder 32
januari - februari 2013

Dagboekhouder 31
november - december 2012

Dagboekhouder 30
september - oktober 2012

Dagboekhouder 29
juli - augustus 2012

Dagboekhouder 28
mei - juni 2012

Dagboekhouder 27
maart - april 2012

Dagboekhouder 26
januari - februari 2012

Dagboekhouder 25
november - december 2011

Dagboekhouder 24
september - oktober 2011

Dagboekhouder 23
juli - augustus 2011

Dagboekhouder 22
mei - juni 2011

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Horizontaal

Ik keek naar een reportage over het toezicht op de veehouderij in Brabant. Er kwam weinig terecht van het toezicht. De eerste actie in het toezicht is aan de gemeenten. De gemeenten oefenen hun toezicht ‘horizontaal’ uit. De belasting kent dat ook, horizontaal toezicht. Horizontaal toezicht is toezicht gebaseerd op vertrouwen en toezicht gebaseerd op vertrouwen vertrouwt erop dat de bedrijven waar toezicht op wordt gehouden in eerste instantie zelf toezicht op zichzelf houden. Dan kan de gemeente daarop vertrouwen en horizontaal gaan en dan kan de provincie, een soort achtervang in het toezichtswezen, naar de gemeenten wijzen als blijkt dat het toezicht niet deugt. Daar kunnen we kort over zijn: het toezicht deugt inderdaad niet. De kans dat milieudoelstellingen in de mest van het falende toezicht en in de mist van de horizontaliteit verdwijnen is aanwezig. Zeer aanwezig, en uiterst voorspelbaar, dat ook nog.

De deregulering heeft van het toezicht – en dus van de kerntaak van de overheid: handhaving – weinig overgelaten. Of het nu gaat om de arbeidsinspectie, de voedsel- en warenautoriteit, het toezicht op de bescherming van de consument in reële en financiële affaires, ja zelfs als het gaat om het toezicht op de uitgaven van de centrale ondernemingsraad van de nationale politie, overal zien we dat de kat op het spek wordt gebonden en overal zien we na enige tijd dat de toezichthouders moeten bekennen dat er ergens onderweg iets fout is gegaan.

Het vak van toezichthouder is meer en meer een vak geworden dat de vaardigheid vereist het houden van toezicht onmogelijk te maken. Dat begint ermee het toezicht overbodig te achten omdat het toch meestal goed gaat en het eindigt ermee dat men naar elkaar wijst als het fout is gegaan.

Het was niet de politie die fout zat maar de minister, zei de vertegenwoordiger van de politiebond. En het was niet alleen de minister maar ook het hele kabinet dat zowel wou reorganiseren als bezuinigen en hoewel iedereen op z’n klompen kan aanvoelen dat die twee niet samengaan beslissen regering en parlement keer op keer dat het best kan, boeken de bezuiniging vooraf al in en beginnen alvast met de voorbereiding van Kamervragen voor de verantwoordelijke bewindspersoon. Dat de politiebond, overigens, zegt dat niet de politie maar de minister fout zat, geeft aan dat de politie de politie altijd gelijk geeft, dat de schuld altijd buiten de politie ligt, zelfs als de politie met groot gemak schulden maakt die niet verantwoord kunnen worden. Jammer, de politie bevestigt daarmee het vooroordeel van tal van burgers over de politie: dat je bij de politie nooit je gelijk kunt halen, zelfs al heb je het grootste gelijk van de wereld.

Niettemin, de zaak van de nationale politie en haar centrale ondernemingsraad is een bijzondere. Hier werd bezuinigd op de nationale politie met behulp van de best bedeelde centrale ondernemingsraad in de geschiedenis van de politie. Het was geen omkoping, vertelt een onderzoeksrapport waarin de wederwaardigheden van de bestedingen van de centrale ondernemingsraad in de context van de op een houtje bijtende nationale politie worden beschreven, een nationale politie die bovendien nog uit de grond moest worden gestampt. Tja, zal de verantwoordelijke korpschef hebben gedacht, dan heb ik de steun van de ondernemingsraad wel nodig.

Dat was fout gedacht. De korpschef had de steun van de politiemensen nodig want alleen zij konden de vaart erin houden. En als je de steun van de mensen hebt heb je ook de steun van de ondernemingsraad. In die volgorde, die de korpschef in het belang van de haast van de zaak met voeten trad, daarin overigens gelegitimeerd door een minister die iedereen z’n gang liet gaan. Ook de minister had haast en bovendien, deze minister vond het prestige van zijn project belangrijker dan de correcte bewerktuiging en uitvoering ervan. Ik geloof niet dat de rapporteurs opgemerkt hebben dat de verwisseling van personeel en centrale ondernemingsraad een leidinggevende blunder van de eerste orde is geweest. De rapporteurs hebben het wel over de gespannen relatie tussen de centrale ondernemingsraad en de politievakorganisaties, maar niet hierover.

Het toezicht van de korpschef op de bestedingen van de centrale ondernemingsraad was horizontaal, als gevolg waarvan de controlerende taak van de ondernemingsraad eveneens in de beste horizontale stijl werd uitgevoerd.

Je zou het ene een tegenprestatie voor het andere kunnen noemen maar daar zijn de rapporteurs het niet mee eens. Er was geen tegenprestatie en de paar mensen die wat monkelden over omkoping en corruptie konden desgevraagd geen bewijzen overleggen. Nou dan. Geen bewijzen. Wel een stelselmatige budgetoverschrijding van een budget dat toch al zeer ruim bemeten was en een korpschef die altijd bereid was bij te springen als het geld even op dreigde te raken. Wel het telkens akkoord gaan met het ontbreken van rekening en verantwoording. Maar geen tegensprestatie, welnee. Het heeft de rapporteurs ertoe verleid om te pleiten voor andere ‘omgangsvormen’ bij de politie. Dat is mooi. Nu alleen nog aangeven hoe dat moet en we kunnen weer jaren vooruit.

13 september 2017

=0=


Knoppen

Als je structureel wilt groeien, zegt Barbara Baarsma (AD, 7 september 2017), heb je maar twee knoppen waar je aan kunt draaien: het arbeidsaanbod en de productiviteit. Met het eerste gaat het beter (in het bijzonder door de verhoging van de AOW-leeftijd, volgens Baarsma) dan met het tweede. Marx zou, anderhalve eeuw na dato, opmerken dat als je arbeidsaanbod vertaalt met absolute en productiviteit met relatieve meerwaarde, je net zo ver bent als hij destijds – en dat als je beweert dat alles verandert en je je daarom voortdurend moet aanpassen, zoals Baarsma doet, je ons nog eens moet uitleggen waarom de economie bij Baarsma nooit verandert. Misschien dat in die uitleg ook enige aandacht kan worden besteed aan de verklaring van het waarom van de hapering in de productiviteitsknop?

Je zou denken dat na bijna vier decennia deregulering en financialisering het kwartje ook bij Baarsma wel zou zijn gevallen. Maar nee, bij haar als voorbeeldeconoom vinden we nog altijd de gedachte dat geld een gemaksartikel is. Leuk, maar niet echt nodig. Die gedachte blokkeert elk begrip van de werking van de economie. Een economie waar geld niet meer dan gemak is, ik mag er graag over dromen. Over denken, zeker ook, bijvoorbeeld aan de hand van de in dat geval wel zeer voor de hand liggende gedachte dat geld als gemak en een basisinkomen intrinsiek met elkaar verbonden zijn. Maar dat staat allemaal nog wel in het teken van het feit dat het in onze economie niet zo is, dat zulk gemak in onze economie in geen velden of wegen te bekennen is. Enig realisme zou hier helpen, al tref ik daarvan niets aan bij Barbara. Waarom lukt het haar toch nooit om te ontsnappen aan banaliteiten dat als meer mensen meer werken er meer gewerkt wordt? Heeft ze, ik noem maar wat, hulp nodig, een handreiking?

Ik doe een handreiking. Neem aan dat door de deregulering het arbeidsaanbod behoorlijk is gegroeid. Neem bovendien aan dat door de financialisering de mensen meer dan ooit afhankelijk zijn van de bancaire wereld (wie geen bankpasje heeft staat er slecht voor) en dat voor de meesten van hen dan weinig anders open staat dan zich te voegen in de rijen van het arbeidsaanbod en je bent waar je wezen moet: bij de ‘knop’ van het gedereguleerde en gefinancialiseerde arbeidsaanbod. Voor Barbara, die de kenniseconomie van de Rabobank in beheer heeft, een gouden kans ons voor te lichten over hoe het in elkaar steekt.

Echter, waar Barbara het ook over heeft, niet over geld. Wel over regulering – ze zou dolgraag arbeidscontracten voor een periode langer dan vijf jaar verbieden. Dat is toch interessant, een verbod op contractvrijheid. Ze bedoelt het natuurlijk goed en zo, maar toch, om mensen aan te leren dat permanente aanpassing geen onmondigheid betekent maar juist moderne mondigheid, ik vind het een raar staaltje redeneren en, bovenal, ik zie niet in wat het met economie te maken heeft – de omstandigheid daargelaten dat haar adviezen de werkgever en opdrachtgever meer in de kaart spelen dan de werknemer en opdrachtnemer. Of zou die omstandigheid nou net haar opvatting van economie weergeven?

Dat in ons land de ‘structurele groei’ achterblijft heeft alles te maken met de financialisering van de economie. En met een Rabo-econoom die dat vergeet te melden. Stel je voor dat Baarsma wel de aandacht zou vestigen op die financialisering, en op de gevolgen van de financialisering voor de productiviteit van de reële economie, wat dan?

Dan zou er een derde knop nodig zijn, een financialiseringsknop. Dan zou het CPB moeten leren de financialisering in te voegen in hun modellenfabriek. Dan zou per beleidsmaatregel bekeken moeten worden hoeveel van de veronderstelde noodzaak van de maatregel te wijten is aan effecten en neveneffecten van financialisering en hoeveel van de veronderstelde opbrengsten van de maatregel zullen weglekken naar de financiële sector. En dan moet Barbara opbiechten dat om ‘structurele groei’ te realiseren allereerst de productiviteit moet worden bevrijd van de loden last van de financialisering.

12 september 2017

=0=

 


Baas

Baas in eigen kring is een oude protestantse traditie in ons land. De traditie hield in dat de overheid in je eigen kring niets te zoeken had. De traditie hield in, met name en met reden en met opzet en met moedwil, dat in kringen waar onvrijheid en ongelijkheid heersten die niet op last van de overheid konden worden afgeschaft. De overheid had in die kringen niets te zoeken, want die kringen waren zelf al soeverein.

De eigen kringen van de protestanten (de katholieken waren daarin net wat minder uitgesproken) waren altijd al een oorlogsverklaring aan de staatssoevereiniteit. Dat de traditie een anti-liberale en anti-democratische vrijbrief voor alles was mocht de pret niet drukken. Meer nog, het was een deel van de pret. En een gedeelde pret, een pret die onze geschiedenis definieert, een pret die het dna van onze identiteit in belangrijke mate beschrijft. En aan ons dna moet je niet komen, zeker niet als je christelijk bent. Daarom, kom je zoals Buma uit een geslacht van bestuurders, dan is het praktisch je geboorterecht zelf ook bestuurder te worden, wat de bestuurden daar ook tegenin zouden willen brengen. In kringen van bestuurders fokt men bestuurders, net zoals men in kringen van Nederlanders Nederlanders fokt en iedereen die van elders komt verstoort het fokprogramma van Buma, die verstoort het evenwicht. Geen wonder dat de mensen daar boos over worden, zegt Buma. Boos is de gewone, de normale reactie op verstoring van de eigen kring.

In het land van Buma leiden bestuurders nieuwe bestuurders op, en schoenlappers nieuwe schoenlappers. Dat van die schoenlappers haal ik uit een artikel van Joost de Vries (in een bijlage bij de Groene van vorige week). De Vries schetst het opvoedingsideaal van Wilhelm von Humboldt, de man van de fameuze Bildung. Wat dat was? Het was in elk geval niet de situatie waarin de schoenlapper de nieuwe schoenlapper opleidde. Het was in elk geval wel de situatie waarin elk individu werd opgevoed tot burger en burger was je pas als je voor jezelf had leren denken.

Noem het eenheid boven verscheidenheid (ooit hadden we daar het ideaal van het openbaar onderwijs voor), dan heeft Buma met zijn eenheid in verscheidenheid ook nog wat (zijn ideaal dat sinds een eeuw en met artikel 23 in de hand zonder extra kosten voor de leden van zijn eigen kring kon worden aangeboden). Maar wat heeft Buma dan precies gekregen? Hij krijgt een herbevestiging van de verscheidenheid zoals weergegeven in het anachronisme van de ‘eigen kring’, van een sfeer die zowel voor- als buitenstatelijk is, van een sfeer die al lang in handen van de markt is gespeeld. Maar over dat laatste zullen we Buma niet over horen want de markt is in de kringen van Buma meer gemeenschap dan staat en dan is het wel in orde.

Buma vreest, denk ik, voor de vrijheid van onderwijs, of eigenlijk alleen voor de vrijheid van zijn onderwijs maar ook dat is al genoeg om op de rem te gaan staan. Zijn HJ Schoo-lezing van vorige week was bedoeld om die boodschap bij de formatietafel te laten landen. Handen af van artikel 23, of er komt geen kabinet. Pechtold moet het maar slikken en waarom ook niet, waarom zou Buma Pechtold niet de maat nemen, gegeven dat Pechtold al zoveel heeft geslikt dat dit er nog wel bij kan. Pechtold slikt alles. Hij heeft zich in het pak laten naaien en het zal hem ingepeperd worden.

Voor de vrijheid van zijn onderwijs is Buma bereid de vrijheid van onderwijs van anderen in te perken: ieder kind en iedere leerkracht moet elke schooldag staande het Wilhelmus zingen en meester Buma zal de maat slaan. Buma is tegen vrijheid en gelijkheid, maar hij is voor de broederschap van zijn nationale erfgoed en hij denkt – ten onrechte, maar dat is een andere kwestie – dat het Wilhelmus de lof van zijn natie zingt.

Ocharme.

11 september 2017

=0=



Normatief

Gisteren las ik in de Groene een uitgebreid profiel over Ton Wilthagen, ook wel aangeduid als ‘mister flexicurity’. Dat ‘mister’ bevalt me niet zo maar dat Ton de intellectuele vader van de ‘flexicurity’ is hoeft niet te worden betwijfeld. Hij zocht, al weer twee decennia geleden, naar verbindingen tussen flexibele arbeidsrelaties en werknemerszekerheid. Voor de werkgevers was de flexibiliteit, voor de werknemers de zekerheid.

Van het begin af aan had ik moeite met flexicurity, omdat me nooit duidelijk werd of met dat slagwoord nu een opgave werd bedoeld of een oplossing. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat aanvankelijk de opgave centraal stond en naderhand meer de oplossing en naderhand, dat is de periode sinds 2007, sinds flexicurity officieel een nieuwe credo van de Europese Unie werd. Daarna begon de crisis en zoals te verwachten ging het vervolgens nog weer beter met de flexibilisering voor de werkgevers dan het toch al deed en het ging daarna nog weer meer achteruit met de zekerheid voor de werknemers dan het toch al deed.

Bij flexicurity horen twee namen, een landennaam en een inspiratornaam. Het land is Denemarken, de inspirator is Günther Schmid. Denemarken wordt genoemd omdat in dat land een soepel ontslagrecht wordt gehanteerd, omdat de werkloosheidsuitkeringen hoog zijn en niet lang duren en omdat de Denen een scholings- en opleidingsaanbod hebben om je vingers bij af te likken.

Denemarken is een goed voorbeeld van een activerend arbeidsmarkt- en sociale zekerheidsbeleid. Het Deense model werkt goed maar niet voor iedereen. Het werkt voor mensen die in staat zijn zich te blijven ontwikkelen en zich te blijven aanpassen aan de veranderlijke eisen van de arbeidsmarkt. Het werkt niet goed voor laag-opgeleiden, voor allochtonen en voor ouderen. Dat had door de schrijfster van het profiel vermeld moeten worden, vind ik. Ton zelf heeft nooit een geheim gemaakt van die zwakke plekken in het Deense model, al was het maar omdat geen enkel model op alle facetten van welk probleem dan ook kan ingaan.

Ook Günther Schmid komt voorbij in het artikel, zij het op een rare en verfomfaaide manier. Veel meer dan dat Schmid iets met dynamiek wil en met sociale cohesie en inclusie, komen we niet te weten en dat is jammer. Schmid is de bedenker van het concept van de transitionele arbeidsmarkt, een arbeidsmarkt die niet wordt benaderd met aantallen en saldi van banen, werkenden, werklozen enzovoorts maar met stromen, met de overgangen van werk naar werkloosheid, van school naar werk en terug, van deeltijdwerk naar voltijdwerk en terug, van betaald werk naar mantelzorg en terug, van werknemerschap naar uitzendkracht naar zzp-schap en vice versa enzovoorts.

Steeds is de opgave: zorg dat iedereen die werk voor anderen verricht, betaald of niet, wordt erkend als lid van de beroepsbevolking, ken daar voor allen, zowel voor hen die werken als voor hen die mantelzorg verrichten en voor de combi’s van werk en mantelzorg, rechten en plichten (het werk legt een plicht op, het werk verschaft ‘sociale trekkingsrechten’) aan toe, maak die overgangen aantrekkelijk en richt daar de sociale zekerheid op in, zorg ervoor dat werkomgeving, sociale zekerheid en capaciteitontwikkeling goed op elkaar zijn afgestemd en, als vierde, schep een institutionele omgeving voor onderhandelingen over flexibiliteit en zekerheid. Die laatste wordt in ons land steeds meer afgebouwd, net zoals de aan het begin van de eeuw even opflakkerende aandacht voor de levensloop (en transitionele arbeidsmarkten staan in het perspectief van de levensloop en de kritische overgangen binnen de levensloop) al lang weer is gedoofd.

Soms komen de dingen bij elkaar. Vanochtend ontving ik van Günther Schmid een artikel van zijn hand over transitionele arbeidsmarkten, geschreven voor The New Palgrave Dictionary of Economics. De vier punten die ik zojuist opsomde stammen uit de conclusie van dat artikel en ze bevestigen eens te meer dat Schmid nog altijd bezig is met zijn project van een empirische geïnformeerde normatieve theorie over arbeidsmarkt en arbeidsmarktbeleid. Ook vanochtend ontving ik een boekvoorstel over een empirisch geïnformeerde normatieve theorie van de democratie. Ik ben nog altijd van mening dat ook ‘flexicurity’ in de geest van een emiprisch geïnformeerde normatieve theorie verder kan worden ontwikkeld – op voorwaarde dat uit het concept in eerste aanleg elke suggestie van een oplossing wordt verwijderd en dat het concept helemaal wordt geformuleerd en uitgewerkt in termen van een opgave. Dat we er dan achter zullen komen dat die opgave zich dicht in de buurt van de opgaven van de transitionele arbeidsmarkt bevindt durf ik wel te voorspellen.

8 september 2017

=0=



Voorwaar

Het waren voorwaar geen geringe kwesties die werkgevers en werknemers te bepolderen hadden. Ontslagrecht, flex, loondoorbetaling bij ziekte, de zzp-er en de verzekering, en nog zo het een en ander.

Voorwaar, een woord dat ik in het redactionele commentaar van dagblad Trouw tegenkwam, gisteren. Het dagblad bleek van mening dat het bepolderen van Nederland voorwaar de moeite nog wel loonde. Het riep werkgevers en werknemers op onze mooie traditie van vruchtbaar overleg niet zo maar te grabbel te gooien. In de hoop dat het zo’n vaart niet zal lopen. Dat zal het ook niet, lees ik vandaag in een column van Peter de Waard in de Volkskrant. Weglopen, steunen en kreunen, dreigen, het zeggen dat je er genoeg van hebt, de ander de wacht aanzeggen, het hoort allemaal bij het spel dat polder heet en dat we al bijna een millenium lang kennen en spelen.

Alleen, de polder is een zaak van lange adem. Het kost tijd de polder aan te leggen, het kost tijd de polder te onderhouden en het kost tijd de interactie tusen polder en omgeving te bewaken. Daarentegen kost het weinig tijd te weigeren nog tijd in de polder te steken en tijd, ja dat is nu eenmaal waar het in de economie om draait en in ons land betekent dat dat als de economie erom vraagt de export het wint van de thuismarkt, de financiële markten alle overige markten mogen overvleugelen en de belastingen voor de burger worden verhoogd om die voor het grootbedrijf te kunnen matigen. Dat laatste heet horizontaal toezicht – dan lijkt het tenminste nog ergens op.

Het bedrijfsleven neemt afstand van de lange adem, want die kan het zich in deze ‘volatiele’ wereld niet meer permitteren. Dat afstand nemen begon in de jaren tachtig van de vorige eeuw, versnelde in de jaren negentig (de jaren waarin als doekje voor het bloeden een poldermuseum, met Kok als conservator, werd opgetuigd dat ze in het buitenland voor echt aanzagen) en sinds de invoering van de euro is de beer pas echt los.

De inzet is het verplaatsen van de geldstromen van de verzorgingsstaat naar de marktstaat. De marktstaat is geen natiestaat, de markt erkent de natiestaat ook niet, de markt gebruikt de natiestaat als het zo uitkomt en gaat er aan voorbij (dat wordt de ‘tucht van de markt’ genoemd) als dat weer beter uitkomt. De verplaatsingsbeweging is heel aardig op streek, maar hij is nog niet afgerond. Zo lang er nog iets van duur zit in de regelingen van de verzorgingsstaat is het werk niet af, en geef toe, er zit nog een beetje duur in het ontslagrecht, in de WW, in de rechten die van flex naar vast kunnen leiden, in de loondoorbetaling bij ziekte. Zo lang die duurrestjes er nog in zitten zal vanuit de EU geroepen worden om ‘structurele hervormingen’ en dat zal bij de formerende partijen in vruchtbare aarde vallen.

De werkgevers zien het helemaal voor zich en hebben zich al enige keren gemeld bij de formerende partijen. Van verzorging naar participatie, is de leus en voor het overige worden onder het mom van innovatie, energietransities en meer van zulk moois de nodige aanslagen voorbereid op de belastingpot. Ja toch, als de verzorgingsstaat is afgeschaft, dan is dat geld toch voor ons, we bedoelen: voor de duurzaamheid? De duurzaamheid van de verzorgingsstaat staat de duurzamheid van milieu en klimaat in de weg. En dat ligt aan de vakbonden die traditiegetrouw weer op de rem zijn gaan staan.

Behalve in het AD (het commentaar van Hans van Soest, afgelopen dinsdag) ben ik nergens tegengekomen dat de werkgevers al geruime tijd en de laatste jaren ook nog eens steeds uitgesprokener volkomen onbetrouwbaar in de polder zijn gebleken. Dat is opmerkelijk.

Het is alsof de media hebben besloten dat alles wat de werkgevers doen welgedaan is en dat iedereen die hen daarbij een strobreed in de weg legt een azijnpisser is. Nou vooruit, als de president van de DNB roept dat de lonen omhoog moeten zijn de media de beroerdste niet en gaan op zoek de redenen waarom dat niet gebeurt. Dat er veel meer werklozen zijn dan officieel geteld, bijvoorbeeld, en dan weten we dat je het ministerie en het CBS wel, maar de markt niet voor de gek kunt houden en als je het over de markt hebt weet je weer dat de werkgevers daar in hun rol als ondernemers dichter op zitten dan de werknemers en hun bonden.

En bovendien, die president van de DNB zegt dat niet uit liefde voor de werknemers, hij zegt het uit liefde voor het monetair beleid van de ECB. want zo lang daar de inflatie maar niet oppikt moeten de werknemers het maar doen. Die geven hun geld wel uit, zeker als je jaren niets erbij hebben gekregen. En daar zijn ze voor, voor de klusjes, ook voor de klusjes van DNB/ECB. Je had ook kunnen aandringen op enig helikoptergeld van de ECB natuurlijk, al was het maar als voorschotje op de rekening van de vele schulden die de banken allemaal dankbaar hebben doorgesluisd naar de ECB (en als er rekeningen betaald moeten worden is de ECB van ieder van ons) en waarvan ongetwijfeld gaat blijken dat die deels volstrekt waardeloos zijn, maar daar beginnen we niet aan.

Gratis is geld is er voor de banken, gratis is geld is er via de staatshuishouding steeds meer voor de bedrijven, maar gratis geld voor de burgers, nee voorwaar, dat kan niet en het kan om dezelfde redenen niet dat een basisinkomen niet kan.

7 september 2017

=0=

 

 

Hegemonie

Dat de ideeën van hen die heersen een grotere kans maken de heersende ideeën te worden dan de ideeën van hen die niet heersen is een idee dat heersenden en niet-heersenden vermoedelijk wel kunnen delen. Marx schreef het al op tamelijk jonge leeftijd op en hij heeft die gedachte nooit losgelaten. Dat was verstandig van hem. Hij wist dat heersende ideeën en goede ideeën mijlenver uiteen konden liggen en van die ruimte maakte hij gebruik om met zijn ideeën de heersende ideeën te bestoken (hij noemde dat zijn ‘kritiek van de politieke economie’) en de niet-heersenden op nieuwe ideeën te brengen. Een meer dan loffelijk streven waar ik tot en met de dag van vandaag alleen maar mijn waardering voor kan uitspreken. Om het dubbelzinnig te verwoorden: dat zouden meer mensen moeten doen!

Het kon niet uitblijven dat de ruime aandacht die Marx voor economie had aan twee soorten behandeling zou worden onderworpen. De eerste behandeling werd de grondslag (ik zou ook basis kunnen zeggen; dat laat ik na want het leidt maar tot misverstanden) voor wat daarna ‘marxisme’ werd genoemd. Toen Marx daar op werd aangesproken zei hij bedaard dat hij geen marxist was maar voor echte adepten is dat geen beletsel. Zo kregen we marxisten en marxisme en marxistisch, een beetje zoals we christenen, christendom en christelijk hebben. Leuk, maar weinig productief omdat het enige waar je het over oneens kunt zijn de lezing van de leer betreft en exegeses ontdekken geen nieuwe werelden, exegeses leggen de bestaande werelden uit en hopen dan dat wij daarop zullen antwoorden: ja verdomd, zo had ik er nog nooit tegen aangekeken, nu valt het kwartje, de schellen zijn me eindelijk van de ogen gevallen, en meer van dat type ontboezemingen. Troostend ongetwijfeld maar van die troost kan ik geen koffie drinken.

Het is het soort troost waar het zich luidruchtig breedmakende betoog over ‘cultuurmarxisme’ het van moet hebben. Dat een dergelijk betoog bij Theodor Adorno als een kenmerkend voorbeeld van ‘Halbbildung’ zou worden opgevat (opvallende voorbeelden van Halbbildung in Nederland zijn Thierry Baudet en de verbazingwekkende, gisteren in Buitenhof te bewonderen, Sid Lukkassen) verklaart de haat tegen Adorno in de kringen die zich afzetten tegen het door henzelf geschapen monster van het cultuurmarxisme. Dat brengt me bij het tweede soort behandeling waar ik het over had.

De tweede behandeling had als vertrekpunt dat al die aandacht voor economie heel goed en juist was (liberalen delen met marxisten de overtuiging dat ook niet veel meer nodig is en dat daarin dan ook de zin respectievelijk onzin van de heersende, tegenwoordig neo-liberale, ideeën gezocht moet worden), maar dat we voor een goed begrip van wat heersende ideeën zijn nog wel wat meer nodig hebben. Toch, die kritiek van de politieke economie van Marx is een ideeënkritiek, een kritiek op heersende economische ideeën. Is vandaag de dag ook nodig, zelfs meer dan ooit nodig. Maar economische ideeën zijn geen politieke ideeën, geen ethische, geen culturele, geen strafrechtelijke, geen pedagogische en didactische, geen religieuze ideeën enzovoorts. Die gaan hun eigen gang, die hebben hun eigen ontwikkeling en hoewel ze elkaar beïnvloeden moet je vooral niet denken dat je ze tot elkaar kunt reduceren, of op één noemer brengen, zelfs niet als het de noemer van het cultuurmarxisme is.

In het zogenaamde austro-marxisme werd de nodige plek ingeruimd voor al die niet-economische ideeën. Hat austro-marxisme ging vooraf aan de stroom van ideeën over cultuur en de strijd om hegemonie van Antonio Gramsci, de Italiaanse communist die veelal door geleerden als Lukkassen en de zijnen als de bron en van het cultuurmarxisme wordt gezien. Daar klopt weinig van.

Lukkassen weet niet heel goed waar hij het over heeft maar mocht hij daarmee worden geconfronteerd dan weet hij daar feilloos de cultuurmarxistische hegemonie in te ontdekken, de hegemonie waar onze monoculturele droom onder wordt verpulverd – tenzij we er als de bliksem in slagen het multiculturele juk af te werpen, het juk dat ons is opgelegd door een groezelig genootschap van homo’s en andere lesbo’s, van linksen (te beginnen die van jaargang 1968), van communisten, van cultuurrelativisten en overige post-modernisten, van zwarten en andere negers, van wegkijkers en andere blinden. Wij, critici van het cultuurmarxisme, eisen de ons ontfutselde hegemonie weer op, goedschiks als het kan, kwaadschiks zoals het vermoedelijk moet gaan. Dat is de toon van de critici van het cultuurmarxisme, het is een schrille toon en de toon die de muziek maakt. En zeg nou zelf, hegemonie is in kwesties van cultuur, religie, filosofie, opvoeding en andere terreinen van ideologische klassenstrijd toch de term die door Gramsci in het spel is gebracht?

Nou dan.

4 september 2017

=0=


Personen en zaken

Afgelopen vrijdag trof ik op de site van De Correspondent een fascinerend interview aan met rechtsfilosoof Britta van Beers. Thema: personen en zaken. Vraag: wanneer is een embryo een persoon, wanneer een zaak (en indien een zaak: wat voor een zaak) en hoe zit het met de afgrenzing van persoon en zaak?

Een embryo was vroeger deel van de aanstaande moeder. Nu is het vrijwel ononderscheidbaar van een product (een ‘halffabrikaat’, zegt Van Beers op een gegeven moment) waar je aan kunt werken en dat je kunt bewaren, dat je kunt onderscheiden in meer of minder wenselijk en waar je vervolgens uit kunt selecteren welk embryo teruggeplaatst wordt en welk niet, nu is het een product waar je in de hybride variant ook nog mens/dier combi’s mee kunt uitproberen, en waarmee je – in de synthetische variant – zelfs uitsluitend voor experimentele doelen kunt knutselen. De laatste twee zijn wettelijk nog ver weg, maar technologisch allerminst. Ze zouden daar in de formatie van een nieuw kabinet wat meer aandacht voor moeten opbrengen, zegt Van Beers die de uitruil van euthanasie en embryo (tussen CU en D66) maar een goedkope koehandel vindt.

Het begin en het einde van een leven zijn te goed voor kleinzielige ruilhandeltjes tussen politici die onmachtig blijken de taken waar ze voor zijn uit te voeren. In dit geval: accepteren dat geen enkel ‘feit’, geen enkel wetenschappelijke ontdekking of geen enkel geslaagd laboratoriumexperiment het probleem van de waarde van het leven gaat oplossen.

Eén van de belangrijkste waarden die we hebben is het onderscheid van feiten en waarden. Dat onderscheid staat voortdurend onder druk, zeker in de politiek, en het aantal stemmen dat het een waardeloos onderscheid vindt neemt toe en het volume van die stemmen zwelt aan. Dat kan, het onderscheid zelf is immers in eerste instantie een waarde, en over waarden kunnen en moeten we twisten. Je kunt het onderscheid uiteraard ook van de feitenkant aanvliegen (bijvoorbeeld door op de enorm gestegen technologische kennis en kunde te wijzen), en dat kan de druk op de complexiteit van de waardenkant vergroten (wanneer is artificieel leven voor ons ‘echt’ leven met alle rechten en plichten vandien, bijvoorbeeld), maar dat zal de noodzaak van een waardendebat eerder onderstrepen dan overbodig maken. Van Beers roept op, terecht zou ik zeggen, tot een breed publiek debat – niet tot de omertà van een viertal met elkaar onderhandelende politiek partijen.

Hoe breed dat debat moet zijn hangt niet alleen af van de deelnemers maar ook van de thema’s want op het vlak van zaken en personen zijn er nog wel meer noten te kraken. Ik denk aan draagmoederschap, en aan de verhandelbaarheid van organen, zowel die uit donatie verkregen als die, die op de één of andere en al dan niet verhulde marktplaats worden gevraagd en aangeboden. Als een embryo als een zaak behandeld kan worden, geldt dat dan in principe voor elk ongeboren kind? Indien ik mijn organen mag verhandelen, geldt dat dan voor alle organen, ook die waarvan ik er maar eentje heb? Is het wachten in dat geval op nog weer nieuwe medische en biologische technologie of wachten we al veel te lang op dat onontbeerlijke publieke debat van Van Beers?

Zij zegt dat juridisch gezien een zaak ‘elk voor de menselijke beheersing vatbaar, stoffelijk object’ is en dat het onderscheid van personen en zaken teruggaat tot aan het Romeinse recht. Met zaken mag je alles doen, met personen daarentegen mag je lang niet alles doen – daarom schrikken we en roepen de wet in als dat wel gebeurt. Vaak was de moraal beter dan het recht: of de slaaf een zaak is roept, ongeacht de juridsiche inbedding ervan, altijd wat verlegenheid op, wat gekuch en geslik, wat gejamaar en wat enerzijds/anderzijds verzuchtingen. Nu, daar gaan we in de toekomst nog veel meer voorbeelden van krijgen, met het embryo-voorbeeld voorop: als een embryo steeds meer een zaak is, als je er in principe handel in kunt drijven terwijl het embryo zich even later als een heus persoon ontpopt dan hebben we twee vragen. De eerste is wanneer uit de zaak van het embryo een persoon wordt in de gedaante van een mens, de tweede is wat is, in het geval van menselijk leven, nog het onderscheid tussen persoon en zaak?

De juridische omschrijving van een zaak is knap stoffig en hoe meer je hem afstoft hoe stoffiger hij oogt. De toepassing van het zaakbegrip op het embryo toont inderdaad aan dat een embryo totaal verzakelijkt kan worden en in plaats van dat we daar een bevestiging in zien van de juistheid van de juridische zaakomschrijving, zien we er de noodzaak in van een nieuw zaakbegrip en een nieuw persoonsbegrip, want ze horen juridisch bij elkaar zoals de klok bij de klepel hoort.

Of, ik suggereer het met enige schuchterheid en tegelijk met grote zekerheid, zoals de arbeidskracht hoort bij de natuurlijke persoon. En de vraag is dan, als dat zo is, wat dat voor een rare constructie is waarin ik als persoon beschik over de zaak van mijn arbeidskracht, waarin ik die zaak echter niet kan losmaken van, of ‘objectiveren’ ten opzichte van, mijn persoon en dat ik, hoe zakelijk ik ook met mijn arbeidskracht omspring, diverse dingen niet mag doen met die zaak (ik mag me niet verkopen want dat is slavernij, ik mag alleen contracten tekenen die ook weer ontbonden kunnen worden).

In het arbeidsrecht wordt, ten aanzien van de werknemer, uitdrukkelijk bepaald dat deze een natuurlijk persoon is – daarom mag de werknemer zich ook niet eigener beweging laten vervangen. Bij zzp-ers ligt dat anders want een zzp-er kan zich wel laten vervangen, althans in principe, hoewel je het aantal opdrachtgevers niet mag uitvlakken dat deze zzp-er wil en niet zijn vervanger en zij het dat het daarom niet mag worden uitgesloten dat het de verzamelde werkgevers/ondernemers en opdrachtgevers, verenigd in VNO-NCW, lukt ook voor zzp-ers vast te laten stellen dat vervanging niet hun beslissing is maar die van de opdrachtgever. Ze hebben hun wensen aan de formerende partijen al voor de verkiezingen kenbaar gemaakt en het zou me niets verbazen als we over niet al te lange tijd een regeerakkoord krijgen aangeboden waarin met leedwezen de euthanasie op de werknemersstatus wordt aangekondigd en met grote blijdschap de geboorte van een zzp-embryo dat voor elke zaak geschikt is.

Ongehoord? Welnee, bij het vermakelijke onderwerp van het intellectueel eigendom kunnen we voldoende aanwijzigingen vinden hoe je objectivering van menselijke vermogens en de onmiddellijke juridische vervreemding ervan zo gecompliceerd kunt maken dat alleen duur betaalde advocaten er nog wijs uit kunnen worden.

Ik schrijf ‘gecompliceerd’, niet ‘complex’ want het heeft met complexiteit even veel te maken als een bankdirecteur met derivaten. Geen complexiteit dus, maar complicering. Complicering is niet te onderscheiden van vertraging en van vergroting van de kans op fouten en onzuiverheden bij elke nieuwe complicatie die zich aanbiedt en geloof me – het aanbod van complicaties is betreurenswaardig groot. Welke van zijn eigendom verloste intellectueel is in staat jarenlange en uiterst kostbare rechtszaken te voeren tegen een onderneming die veel machtiger is dan hij, die hem het leven en de arbeid onmogelijk kan maken? Bovendien, hij is er toch al lang voor betaald en hij had er toch bij het aangaan van het contract voor getekend?

Daarna is het slechts een kwestie van tijd voordat de echte euthanasie en de echte embryo-kwestie het keurslijf van de vervangbare/onvervangbare arbeid krijgen aangemeten.

3 september 2017

=0=

 

 

Spelbreker

In het nieuwste nummer van de VPRO-gids vind ik een column van Arnon Grunberg. Aanbod is het opschrift en de ‘conventionele’ gedachte is volgens Grunberg dat als ergens vraag naar is het met het aanbod wel in orde zal komen. Vervolgens somt hij een aantal situaties op waarin die gedachte niet wordt bewaarheid.

De conventionele economische gedachte waarmee ik een halve eeuw geleden aan de UvA werd opgescheept en opgevoed was precies omgekeerd: het aanbod schept z’n eigen vraag. Dat was een gedachte, een ‘wet’, die werd toegeschreven aan een Franse econoom die hem opstelde aan het begin van de 19de eeuw. De econoom heette Jean-Baptiste Say en de wet de ‘loi des débouchés’, de wet van de afzetgebieden of -mogelijkheden. Volgens die wet was een algemene economische crisis onmogelijk, dus als je per ongeluk met enige regelmaat op een heftige economische crisis werd getracteerd dan lag dat aan je eigen slechte begrip van de wereld, niet aan de theorie. En het lag aan de feiten natuurlijk maar dan gaat de oude regel op dat als de feiten niet stroken met het idee dat des te erger voor de feiten is. En voor hen die met die feiten moeten leven.

Het misverstand van de wet van Say was dat hij het geld even was vergeten. Hij had een argument in termen van een ruil in natura (bijvoorbeeld: om dit te kunnen aanbieden heb ik van jou een beetje tijd en moeite nodig, dus biedt dat aan, en in ruil krijg je van mij een stukje van mijn aanbod, als dat er mede door jouw hulp gereed is gekomen) en zijn stilzwijgende veronderstelling was dat de toevoeging van geld geen verschil zou maken. Over de wet van Say is de huidige wetenschap een beetje stil gevallen (niet helemaal overigens), maar over de overbodigheid van het geld heerst nog altijd een verontrustende eenstemmigheid.

Ook de huidige economische wetenschap onderwijst economie alsof het één grote ruilhandel is waarin het geld niets meer is dan een sluier – trek die er vanaf en je hebt het zuivere plaatje. De economische wetenschap volhardt in de misvatting dat we voor het goede begrip van de economie van de rol van het geld mogen afzien. Het compliceert maar en het is zo eenvoudig. Niettemin, introduceer het geld – en daarmee de mogelijkheid van het sparen en niet-direct uitgeven van je geld – en de wet van Say ligt op z’n gat, want voor je het weet zijn de spullen van de aanbieder bedorven of uit de mode. Net zoals het economie-onderwijs bedorven is en, inderdaad, heftig uit de mode.

Laat elke economie-docent uitleggen waarom het geld een spelbreker is. En vervolgens met de leerlingen aan de slag gaat om een realistisch in plaats van een leugenachtig beeld van de economie te schetsen. Slechter dan het huidige beeld kan het niet worden. Goed, het is een test, een spelbrekertest, en omdat garanties ook in onze nieuwe economie niet worden gegeven kun je ervoor zakken. En slagen, dat kan ook. Wie voor die test slaagt heeft recht op een forse salarisverhoging en een vaste aanstelling. Wie voor die test faalt wordt ontslagen en moet op kosten van het UWV een schriftelijke cursus zindelijk redeneren volgen. De eindtoetsopdracht is simpel: leg uit waarom de wet van Say nonsens is. Ministers en staatssecretarissen, bankiers en ondernemers hoeven de test niet te maken. Van hen wordt niet meer geëist dan dat ze geloven in de economie, en vooral niet dat ze er iets van begrijpen, zeker niet als dat begrip verder zou moeten gaan dan het begrip van de ruilhandel dat ze, hoe treffend, al met de paplepel ingegoten hebben gekregen en dat hen aan de positie heeft geholpen die ze nu hebben.

De eisen aan hen die hen zullen opvolgen zijn nog niet bekend gemaakt.

1 september 2017

=0=


Uniek

Twee elementen zijn uniek voor Rotterdammers, zei burgemeester Aboutaleb gisteren tijdens een lezing voor de leerlingen uit de hoogste klassen van het Emmauscollege ‘met filosofie of maatschappijwetenschap in het pakket’. Uniek is dat Rotterdam door bombardementen fysiek getroffen is in de Tweede Wereldoorlog en uniek is ‘de haven waardoor de stad heel internationaal is’.

Maar goed dat er geen leerlingen met ‘geschiedenis in het pakket’ waren uitgenodigd, denk ik dan, en dat denk ik opnieuw als Aboutaleb zijn bewondering belijdt voor Mandela, na diens vrijlating wel te verstaan, niet de Mandela van Umkhonto we Sizwe (de Speer van de Natie), de gevechtsorganisatie waarmee het ANC de wereld kenbaar maakte dat het apartheidsgeweld van de overheidsmoordenaars van Sharpeville (1960) beantwoord zou worden met tegengeweld. Mandela raakte ruwweg drie decennia van zijn leven kwijt aan gevangenschap als gevolg van zijn arrestatie vanwege zijn leidende rol in Umkhonto we Sizwe en in het ANC, dat bovendien als zodanig illegaal werd verklaard. Ik zou de burgemeester in de toekomst aanraden iets minder lichtzinnig, slordig en a-historisch met de geschiedenis om te springen. Ik bedoel, je kunt van je neiging van geschiedenis voornamelijk moraliserende geschiedenis te maken ook te uitbundig gebruik maken en dat is noch goed voor de geschiedenis, noch voor de moraal.

Ik weet niet waarom, maar mij irriteert dat complexe geschiedenissen op deze manier door Aboutaleb worden teruggebracht tot praatjes voor de vaak. Rot toch op, zeg ik dan maar, de goede man bij het woord nemend.

Daarom, een gratis module ‘vaderlandse geschiedenis’ voor het Emmauscollege, en voor de burgemeester trouwens, om goed te maken wat de burgemeester even was vergeten. Let goed op jonge burgers-in-opleiding en let goed op, altijd leergierige burgervader: uniek aan de joden is het ongelukkige bezit van twee elementen. Uniek in de eerste plaats is dat ze fysiek ongelooflijk zwaar te lijden hebben gehad in de Tweede Wereldoorlog, nog oneindig veel zwaarder dan Rotterdammers en als je bedenkt dat er ook joodse Rotterdammers waren kun je op je vingers natellen hoe zwaar dat wel niet geweest moet zijn en dat niet alleen fysiek maar ook psychisch, en uniek in de tweede plaats is dat ze zelfs in die beroemde internationale havenstad geen eigen haven hadden zodat ze nergens naar toe konden vluchten en ze te grazen konden worden genomen wanneer het de fascisten en anti-semieten, de nazi’s en de NSB-ers en de meelopers maar uitkwam, wanneer die er zin in hadden of er juist de pest in hadden, of wanneer die een uitweg zochten voor hun arbeidsvreugde, arbeidsdiscipline en arbeidsijver onder het motto dat hun uitweg elke uitweg voor de joden blokkeerde, en dat kon allemaal omdat de joden geen haven hadden en ze hadden geen haven omdat ze er toen en nu van verdacht worden dat ze overal en nergens thuishoren, dat ze zo internationaal zijn dat geen enkele natie ze voor vol aanziet en ze volledig accepteert.

Allemaal geschiedenis hoor, het was toen en toen was toen en nu is nu en nu is anders want we weten dat de joden zo verstandig zijn geworden in elk geval één eigen haven te stichten waar ze altijd naar toe kunnen en welkom zijn. Ja, dat roept her en der best wat jaloezie op want hier wonen en daar welkom zijn, dat zouden we allemaal wel willen, en nu we het er toch over hebben wonen er bij ons ook nog tal van andere lieden die behalve hier nog een haven elders hebben en ondertussen zitten wij, Rotterdammers, met een haven waar iedereen mag aanmeren en weer vertrekken en waar wij zelf niet uit wegkomen. Is het wonder dat we af en toe ‘rot toch op’ roepen?

31 augustus 2017

=0=


Openbaar

Naar ik vermoed is het voor VVD-ers onmogelijk te onderscheiden tussen openbaar in de zin van alles wat niet-privé is en openbaar in de zin van alles wat publiek gefinancierd is.

In het eerste geval is een school op religieuze grondslag, ongeacht de financiering, zo openbaar als maar kan, in het tweede geval is diezelfde school, indien privaat gefinancierd, niet openbaar maar privé. Het zal niet verbazen dat een beetje VVD-er voor openbaar in de tweede betekenis, die van de publieke financiering, kiest. Dat levert grote problemen van rechtsongelijkheid op want iets wat verboden is op plek V en toegestaan op plek D is een recept voor ellende. Dan heb je al snel nog een V nodig, die van het Volk, om wat krom is recht te praten en ja hoor, ook in die V voorziet de VVD.

Ik doel op een ingezonden stuk van Amsterdams VVD-raadslid Samira Bouchibti in het Parool van gisteren (De wet kan salafisme strenger bestrijden). Ze is geen vriendin van het salafisme en ze is vast van plan om het de salafisten moeilijk te maken. Dat verdient ondersteuning, geen twijfel aan. De vraag is alleen hoe en precies bij die vraag moet de VVD zich in ongeloofwaardige bochten wringen.

Hoe definieer en benader je ‘openbaar’ en hoe ga je om met financieringspraktijken die het onderwijs aan de openbaarheid onttrekken? Nu, aan wat publiek gefinancierd is kun je in elk geval publieke eisen stellen en, zo schrijft ons raadslid: ‘[d]us mag in het openbaar onderwijs geen onderscheid gemaakt worden tussen meisjes en jongens.’ Daar klopt natuurlijk niets van want het gros van het religieus geïnspireerde onderwijs is ook publiek gefinancierd en dus mag ook daar geen onderscheid gemaakt worden tussen jongens en meisjes.

Ik heb in mijn jonge jaren uitsluiteind openbare scholen bezocht en geloof me, die stonden stijf van het onderscheid tussen jongen en meisjes. In niet-openbare scholen (die in mijn versie van het verhaal wel degelijk openbare scholen zijn wat ze er zelf ook van mogen vinden, want het onderscheid openbaar/privé is een publiek onderscheid, is een door de openbaarheid gedefinieerd en gehandhaafd onderscheid) was het niet anders. Dat leidt tot de volgende vraag die voor mij heel moeilijk is maar die voor Samira niet eens een vraag is: hoe maak je geen onderscheid als je het onderscheid nodig hebt om geen onderscheid te maken?

Hoe doe je dat, Samira? Ik ben bang dat het voor Samira geen probleem is omdat zij het alleen gemunt heeft op scholen die gewoon zeggen en uitvoeren dat ze dat onderscheid maken en niet op scholen die daar liever Sire voor inschakelen zodat ze het onderscheid kunnen herstellen en toch beweren dat ze het onderscheid respecteren door het niet te maken.

In dit land is veel mogelijk als je er geduld voor hebt. Samira en de VVD hebben geen geduld. Maar toch wringt het en het gaat zelfs stinken als we weten dat we een mantel der liefde hebben waaronder we veel, maar niet alles, kunnen wegstoppen, zodat je moet kiezen wat je wegstopt – en kiezen is politiek, zeker met een Grondwet die onderwijsvrijheid en godsdienstvrijheid belooft, en dat juist van wege de kans op conflicten tussen de diverse aanhangers van de vrijheden die elkaar onder omstandigheden te vuur en te zwaard bestrijden en dat in het verleden niet alleen metaforisch maar ook letterlijk deden. Dan is een Grondwet als het nieuwe ‘letterlijk’ zo slecht nog niet. Dat er, daarnaast, privé-onderwijs bestaat en er ook nog privé-scholen zijn die elk onderscheid mogen opkopen en opknopen leidt opnieuw naar politici die moeten kiezen en dan niet de Grondwet maar naar zichzelf moeten wijzen. Of bedoelt onze Samira dat er een artikel in de Grondwet moet komen dat privé-onderwijs en privé-scholen verbiedt? Nee toch?

Samira wil van de Grondwet een instrument en zonodig een wapen maken, in plaats van een oproep tot gesprek. Daarvoor brengt ze artikel 6, dat twee leden kent, in stelling: ‘1. ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet; 2. de wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.’ Haar lezing van het tweede lid van artikel 6 is opmerkelijk en geeft blijk van een wetsbegrip waarin niet de wet de praktijk richt maar de praktijk de wet. Ik noem dat de neoliberale wetsuitleg en wetsopvatting. Dat gaat zo, bij haar: ‘[h]andhaven van het tweede deel van artikel 6 van onze Grondwet betekent concreet dat buitenlandse financiering van Nederlandse moskeeën verboden moet worden. En dat moskeeën die niet meewerken aan onderzoek en (financiële) jaarverslagen gesloten worden.’ Als het niet ter zake doende is dan moet het maar afdoende zijn, zal Samira gedacht hebben.

Moeten we om de verschrikkelijke Saoedi’s buiten de deur te houden nu ook al de Grondwet inleveren door elk onderscheid tussen binnen en buiten aan de willekeur van Samira uit te leveren? Is enige politieke moed van een VVD-premier bijvoorbeeld dan niet veel voor de hand liggender? Is een verbod op zakelijke transacties met Saoedi-Arabië niet de eerst aangewezen weg die we moeten bewandelen? Of zijn we dan bij de sector privé aangeland waarvan de VVD vindt dat je daar je handen thuis moet houden en als het erop aankomt liever het recht van de Grondwet dan de wet van de handel verkwanselt? Samira? Mark? En jij Frits, jij die altijd alles weet en alles op de maat van de markt, het contract, het individu, het private wil snijden en de sterke publieke arm van wet en orde daarop wil aanpassen, wat vind jij?

Ik zie het stuk van Samira Bouchibti als symptomatisch voor een al langer bestaande tendens om de openbaarheid te privatiseren, te beginnen met het definiëren van wat openbaar is en wat niet. Soms, ik denk aan de gretigheid waarmee gemeentebesturen elk stukje stoep en plein verpatsen aan horeca-uitbaters en ik denk aan bezoekers van het Vondelpark die hun eigen feestje hebben op een door henzelf afgebakend stukje gras, soms loopt de praktijk voor op de bepaling maar dat kan alleen maar, denk ik, omdat de overheid de openbaarheid met opmerkelijke gelatenheid laat verkommeren. Om er beter van te worden. En om ervan te schrikken als de dreiging van terreurdaden opduikt. Zoals de schrik van Samira illustreert en zoals ik weer schrik van de schrik van Samira vanwege haar bereidheid een loopje te nemen met de Grondwet en zijn betekenis.

Waarschijnlijk krijgen we binnenkort een kabinet dat elke openbaarheid zal privatiseren (VVD en D66) dan wel aan het ‘maatschappelijk middenveld’ zal overdragen (CDA en CU). Dan kan Samira haar plannen om de salafisten dwars te zitten tot uitvoering proberen te brengen, dan kan de handel met Saoedi-Arabië ongestoord doorgaan en dan kan de onderwijsvrijheid à la Néerlandaise gehandhaafd blijven. Ik zie er nu al naar uit.

30 augustus 2017

=0=

 


Immigrationist

Toen ik het woord ‘immigrationist’ las moest ik denken aan een immigrant die in het land waar hij terecht kwam zo goed uit de verf is gekomen dat hij meende iedereen die ongelukkig is op zijn huidige plek aan te moeten raden te doen wat hij deed: de stap naar immigrationist zetten. Doe als ik! Blijf niet zitten waar je zit, alleen omdat je er zit. Kom in beweging, migreer, wordt immigrationist!

Maar als ik Sylvain Ephimenco (De paus is een immigrationist die een onbeperkt toelatingsbeleid wil, Trouw 29 augustus 2017) lees begrijp ik dat zijn verhaal – het verhaal van een man die hier kwam, die goed gebekt is, en goed geboerd heeft – precies de andere kant op wijst. Een immigrationist is geen tevreden immigrant, het is de welgedane kosmopoliet die, verzekerd van eigen huis en haard, huis en haard van anderen te grabbel gooit, die van traditie, normen en waarden, zeden en gewoonten niet wil weten, die alle grenzen wil openen omdat grenzen beperkingen opleggen en de kosmopoliet geen beperkingen erkent, en om te beginnen geen beperkingen aan zichzelf oplegt. De paus, zo begrijp ik, is een immigrationist, Ephimenco een anti-immigrationist.

Ephimenco, die zijn klassieken kent, houdt de paus de woorden van Jezus voor: geef Caesar terug wat van Caesar is, en geef aan God wat van God is. Ephimenco leest in die uitspraak, onbekommerd anachronistisch, een prelude op de scheiding van kerk en staat.

Ik geloof meer in de lezing dat de uitspraak de beslissing van Jezus weergeeft om zich niet voor het karretje van provocateurs te laten spannen (de vraag aan Jezus was of je wel of geen belasting moet betalen aan de keizer).

Ephimenco klaagt de paus aan omdat deze de deur zelfs dan open wil zetten als het huis al overvol is. Dat is een provocatieve lezing van de stellingen van de paus. De paus stelt dat bestaande belangen niet altijd voorrang hebben op individuele nood. Dat is hetzelfde als de oude regel dat bij verdrinkingsgevaar hulp verplicht is voor iedereen die kan zwemmen. Ephimenco kan best zwemmen, het gros van de bevolking kan zwemmen, en dat degenen die niet kunnen zwemmen altijd degenen zijn aan wie gevraagd wordt in het water te duiken als er een probleem is – dat is het schandaal, en niet de reddingsregel. Het is zo lui, zo reactionair en zo gemakkelijk en goedkoop dat te vergeten en je te verschuilen achter de belangen van de ‘autochtone bevolking’ zoals Ephimenco doet. Een steeds relleriger man, onze Ephimenco.

Ephimenco houdt graag wat van hem is en voor de anderen heeft hij niets over.

29 augustus 2017

=0=

 

 

Het beeld op zwart

Onpartijdigheid is een deugd die in de politiek niets te zoeken heeft. Politiek is partij kiezen en onpartijdig partij kiezen is een vaardigheid die we de rechter toevertrouwen, en onze ouders als we geluk hebben gehad. In de politiek moet je niet liegen en niet bewust de zaken verdraaien, maar dat heeft met onpartijdigheid alleen in zoverre iets te maken dat je gemakkelijker liegt en draait als je partijganger bent. Wanneer Fleur Agema en Thierry Baudet beiden van mening zijn dat zij onpartijdig oordelen over een door hen partijdig bevonden documentaire dan houden ze zichzelf en ons voor de gek. Nu is het leggen van een partijdige claim op onpartijdigheid Baudet al vanaf zijn volstrekt partijdige proefschrift goed afgegaan en daarom mogen we in alle onpartijdigheid beweren dat Baudet alles kan roepen, alles ook al heeft geroepen en alles zal blijven roepen (daarin meestal bijgestaan door zijn promotor van weleer, Paul Cliteur) en tegelijk van mening kan blijven dat wat hij roept onpartijdig is. Ook hier wordt hij regelmatig begeleid door Cliteur. Met de partijdige onpartijdigheid van Agema ligt het anders. Haar onpartijdigheid is niet van haar maar van Wilders – en dat maakt de zaak van haar onpartijdigheid er niet beter op. Ik druk me beleefd uit.

De steen des aanstoots is een documentaire over Jesse Klaver, gemaakt door Joey Boink, tot voor enkele maanden ‘beeldvoerder’ van Klaver, en een goeie ook want alom wordt de verkiezingswinst van Groen Links mede op het conto van Boink geschreven.

Je zou denken dat Boink, die maanden heeft meegedraaid in het campagneteam van GL, beter dan wie ook in staat zou zijn een documentaire over Klaver te maken. Nee dus, juist omdat Boink eerder samenwerkte met Klaver en omdat het filmmateriaal ook stamt uit de periode van die samenwerking, die behalve zakelijke ook steeds meer sociale (samen sporten) en zelfs persoonlijke (op de drempel van vriendschap staan) kleuren aannam, is de documentaire niets dan verkapte propaganda voor Groen Links. Agitprop, maar dan zo lief dat het wel geniepig moet zijn. Is het zo? We mogen niet uitsluiten dat het zo is. We mogen er echter zeker niet van uitgaan dat het zo is, zoals de Telegraaf, Baudet en Agema op grond van beweringen en aantijgingen wel doen. Ik zou denken dat ik, gelet op dit weinig verheffende gezelschap, eerder tot de conclusie zou neigen dat zich hier een nieuw kartel aan het vormen is, het kartel dat ik voorlopig het smurriekartel noem en dat ik zeker niet het voordeel van de twijfel zou gunnen. Dat voordeel zou in mijn geval altijd naar Joey Boink uitgaan, de regisseur die er zelf nooit een geheim van heeft gemaakt dat dit project een soort ‘embedded’ journalistiek is, een soort participerende observatie waarvan de risico’s beheersbaar werden geacht door aan de opdrachtgever (BNNVara) al het ruwe materiaal af te staan, door Groen Links volledig buiten de montage te houden en door de opdrachtgever de volledige eindredactionele verantwoordelijkheid te geven. De opdrachtgever zag, gegeven deze afspraken, dat een risico niet alleen een bedreiging is maar ook een kans op een bijzondere documentaire, juist door de betrokkenheid van de maker bij de film bij Klaver. Of dat zo is zullen we voorlopig niet te weten komen want BNNVara hebben alle mogelijkheden om de film uit te zenden nu geblokkeerd. En waarom? Omdat het lafbekken zijn.

‘BNNVara had scherpe afspraken gemaakt met documentairemaker Joey Boink over zijn film ‘Jesse’. Maar die kende omroepdirecteur Gerard Timmer niet tot in detail, zei hij zondag op Radio 1. Nu er ‘onbedoelde twijfel’ is ontstaan over de integriteit van de documentaire, vindt hij het beter om de film niet uit te zenden. Want “die twijfel moeten we met z’n allen niet willen als het over onze eigen betrouwbaarheid en onafhankelijke journalistieke positie gaat.”. Ik lees het en verbaas me. Ik lees ook dat omroepdirecteur Gerard Timmer zegt: ‘Maar we kunnen niet controleren op welke momenten hij de camera heeft uitgezet’.

Dit land geeft me een vieze smaak in de mond. Die had ik al door Telegraaf, Baudet, Agema en consorten en die heb ik nu ook door de lafheid van BNNVara en van scribenten als Hans Wansink in de Volkskrant. Grote woorden als objectiviteit, onafhankelijkheid en zelfs oprechtheid zijn gevallen – dat laatste uit de pen van Wansink. De Wouter tapes (door Wansink in alle objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid geheel oprecht in 2010 geplaatst – wat niet klopt maar voor accuratesse hebben we geen tijd meer bij de krant), dat was oprechte tv, echt iets voor de publieke omroep. Waarom? Omdat, zegt Hans, ze door ‘buitenstaanders’ waren gemaakt en dan is het goed. Ik verwacht binnenkort in de Volkskrant een serie met daarin een aanklacht tegen elke vorm van embedded journalistiek en tegen elke vorm van journalistiek waarin een journalist eerst contacten legt bij de groep, de gebeurtenissen en de verschijnselen waarover hij verslag wil doen. Laten we het de formule van Joris Luyendijk noemen, die volgens Wansink op de brandstapel moet. Ja, oprechtheid heeft een prijs.

In ons land wordt het publieke van het publieke bestel vernietigd door zendgemachtigden en pers. Recent is een school het werken onmogelijk gemaakt door een verzameling Pegida-aanhangers, nu wordt een documentaire afgevoerd omdat een aantal rechtse leugenaars is begonnen te schreeuwen en omdat de opdrachtgever BBNVara weerzinwekkend laf blijkt.

28 augustus 2017

=0=

 

 

Dwerg

Van de benaming ‘dwerg’ houden we niet en ook lilliputter ervaren we als denigrerend. Zeggen de mensen die wij als dwerg of lilliputter betitelen. Zelf noemen ze zich ‘kleine mensen’, zij het met die kanttekening dat je mensen hebt die klein zijn en kleine mensen die behalve klein nog een eigenschap hebben en wel dat ze de figuur van hun kleinheid te danken hebben aan een groeistoornis.

In Canada worden dezer dagen de wereldkampioenschappen voor ‘dwarfs’ georganiseerd; in ons land spreken we van het wereldkampioenschap voor kleine mensen. We lopen graag voorop, hoewel zelfs bij ons niet alle kleine mensen mogen meedoen. In andere landen ook niet, maar ik weet niet of die het ook over kleine mensen hebben of toch maar over dwergen. Hoe dan ook, Schotlands voormalige voetbaltrots Jimmy ‘de vlo’ Johnstone voldeed bijvoorbeeld om en nabij wel aan de lengte-eisen maar hij had geen groeistoornis. Hij was als iedereen maar dan klein uitgevallen. Hij was gewoon een klein opdondertje, net zoals Elinkwijks van Robin Hood overgenomen wondervoetballertje Charlie Marbach (die bij Elinkwijk van 1956-1959 speelde). Is er al een boek over Charlie? Een ongelooflijke balgoochelaar. En een tragische jongen. En klein, nog kleiner dan Frank Mijnals (ook al van Robin Hood) die in dezelfde tijd bij Elinkwijk speelde (met zijn beroemde broer Humphrey Mijnals, de eerste voetballer die van Robin Hood naar Utrecht toog).

Kleine sportmensen met grote sportprestaties genoeg. En aparte wereldkampioenschappen voor weer andere kleine sportmensen. Verschil moet er zijn. De moeilijkheid is dat we niet altijd even goed opletten en daarom soms verschillen wegpoetsen (noem ons maar ‘kleine mensen’) om ze even later en met veel omhaal van woorden weer in te voeren (nee, niet iedereen die klein is mag meedoen). We hebben taal om verschil te maken; het wordt niet altijd op prijs gesteld als je in de taal verschil maakt. Non-binaire personen houden niet van binaire verschillen zoals man/vrouw. Je hoeft er ook niet van te houden, je moet er talig iets mee doen. Hun oplossing bestaat er voorlopig in om met het oog op genderneutrale taal het sekseverschil talig onherkenbaar te maken, er talig niets mee te doen dus. Dat is armoe. Dat valt niet bij ieder binair persoon in even vruchtbare aarde. Ik hoop dat het ook bij de nodige non-binaire personen niet in vruchtbare aarde valt. Ik vraag me overigens af of ‘vruchtbaar’ wel een genderneutraal woord is. Dat zouden we eens aan de muilezels onder ons moeten vragen.

Om de aanzienlijke variëteit onder mensen te vieren hebben we steeds meer benamingen nodig, niet steeds minder. Er is veel te zeggen voor paraplu-termen waar we iedereen onder kunnen scharen. Zoals burger, reiziger, aanwezige, kijker, luisteraar, lezer, laat ik de lezer niet vergeten. Al die termen zijn er al. Maar onder die paraplu moeten vooral de verschillen aanwezig blijven en je bewijst de verschillen geen dienst door ze onder te dompelen in een moraliserende non-binaire saus waar niemand aanstoot aan zal nemen omdat de saus toch nergens naar smaakt en die desondanks en precies daarom aanstootgevend is.

Een dwerg is een klein persoon en niet elke kleine persoon is een dwerg. Ze zeggen het zelf, de dwergen en de andere kleine personen.

Overigens zijn unisex toiletten best een goed idee. Thuis weten we dat al lang, dus als ze die nu overwegen voor publieke ruimtes zijn ze aan de late kant – maar beter laat dan nooit.

3 augustus 2017

=0=



Bucketlist

‘Maak jij je nou voorlopig maar geen zorgen over je pensioen’ is de begeleidende tekst bij een cartoon van Peter van Straaten. We zien een vrouw die, gezeten op een bank naast een opengeslagen krant, haar arm beschermend om de schouder legt van een voor de bank staand jongetje van een jaar of tien. Tegen de hoek van de bank ligt, om de jeugd van het jongmens extra te onderstrepen, een knuffelbeer. Een moeder en haar zoontje, denk je dan, met een krant om de opdringerige wereld aan te duiden die ook de jongsten onder ons steeds vroeger en steeds explicieter bereikt.

De moeder heeft het bij het verkeerde eind. Wil je in de toekomst nog ergens op kunnen rekenen dan moet je zo vroeg mogelijk zelf aan het rekenen slaan. Zegt hoogleraar financieel management Dirk Brounen (NRC Handelsblad, 29 juli 2017). Je moet eens een begroting maken voor je geluk, zegt hij.

Hij is zelf het gelukkige voorbeeld van zulk geluk. Al op z’n tiende hield hij een boekje bij waarin hij noteerde wat hij had en wat hij uitgaf, ‘met grafieken en al’. Hij doet het nog en hij vergast zijn gezin eens per jaar op een uiteenzetting over hun financiële situatie. Als je droomt van een tuinhuis moet je weten wat een tuinhuis kost, leert hij zijn kinderen. Of je ook van mantelzorg kunt dromen en rekenen, en of je van persoonlijke en gezinsdrama’s kunt dromen en rekenen, dat staat er niet bij.

Toch jammer, want het zijn bij uitstek deze kwesties waarvoor de mensen ooit op de verzorgingsstaat dachten te mogen vertrouwen, niet om daar gelukkig van te worden maar om er niet nog ongelukkiger van te worden dan je al kunt worden door ziekte en pech en tegenslag. Brounen houdt ons een spiegel voor: de overheid, zegt hij in navolging van Rutte, is geen geluksmachine. Dat was behalve Rutte en tot Brounen ook niemands mening, maar waar het Rutte en Brounen om gaat is ook helemaal niet het geluk of ongeluk, het gaat hen om het principe van eigen schuld, dikke bult. Je hebt het aan jezelf te danken, suffie. Had je maar beter en eerder en vaker moeten rekenen in plaats van bij je moeder te gaan sippen.

In de verzorgingsstaat dachten de mensen slapend rijk te worden, in de tegenwoordige participatiemaatschappij moet je er zelf voor zorgen ‘nooit meer slapend arm’ (de titel van het financiële receptenboek boek van Brounen) te worden.

Het geval wil dat Brounen niet alleen als hoogleraar financieel management door het leven gaat maar ook als hoogleraar vastgoedeconomie, de sector bij uitstek waarvan elke vastgoedbezitter weet dat je daar in goede tijden hartstikke slapend rijk van wordt. En in slechte tijden? Dat hangt er van af maar wees ervan verzekerd dat het vastgoed een financiële managementstak heeft (met ook hoogleraren vastgoedeconomie annex financieel management op die tak) die ervoor zorgt dat de door de overheid geschraagde verzorgingsarrangementen voor financiën en financiering van vastgoed overeind zullen blijven. Door op het belang voor de economie te wijzen, door op het belang van de financiële sector te wijzen, door op de verwevenheid van private en openbare financiën te wijzen. De verzorgingsstaat is niet afgeschaft, alleen het publiek ervan is ingrijpend van samenstelling veranderd. Ik denk dat de arme studenten van Brounen dat niet te horen zullen krijgen, althans niet van hem.

Trouwens, de participatiemaatschappij heeft ook voordelen, zoals bijvoorbeeld dat je daarin je bucketlist beter kunt afwerken. Zegt Brounen. Toch, nu is het zo dat je vermogen mede door fiscale regelingen vaker wel dan niet vastzit (want belegd in je huis, belegd in je pensioenvoorziening). Dat moet anders denkt de financiële sector en dus Brounen. Het kan beter, en wat is nou beter dan al dat vermogen steeds opnieuw in circulatie te brengen, het (het zijn economen als Brounen die het beeld gebruiken) voor jou ‘aan het werk’ te zetten?

Stel je voor, je hebt én je huis én je overwaarde én dus je tweede huis en je tuinhuis én je gebruikt je pensioen al voordat je pensioen hebt en zo heb je het nu leuker of je belegt het bedragje en krijgt het iets later leuker en je krijgt ook nog een mooier pensioen. Kunnen we allemaal voor je regelen, maar dan moet je wel een beetje met ons meedenken want anders geef je ons nog de schuld als je van een koude kermis thuiskomt en dat willen we niet, wat we willen is dat als je van een koude kermis thuiskomt je hebt geleerd het aan jezelf te wijten. Het was je eigen participatie die de zaak in beweging bracht en daarom moet je niet zeuren als het zaakje mede door jouw bewegingen uit de bocht is gevlogen.

Hadden we niet nog maar kort geleden een financiële crisis die juist was veroorzaakt door al die schitterende producten die elk snippertje vermogen wisten los te weken uit hun huidige gebruik, het een ‘nieuwe bestemming’ gaven en toen het toch eenmaal bewoog het wisten in te zetten voor steeds nieuwere en veelbelovender soorten gebruik, net zo lang tot het een keer fout ging en de mensen die zich hadden laten verleiden tot al die schitterende producten uit de slaap begonnen te houden – zonder dat hen dat hielp in het tegengaan van hun verliezen?

Ja, dat was nog maar kort geleden en misschien moeten we met de kans op terugkeer daarvan meer rekenen dan met het gelukkige tuinhuis van Dirk. Had Dirk dat er niet bij moeten zeggen? Nu, laat ik dat eens zo zeggen. Laat ik zeggen dat het heel rationeel is dat Dirk z’n boek pas in 2017 uitbrengt en niet in 2007. Het is niet redelijk, het is zelfs uiterst onredelijk maar het is wel rationeel. Vanuit Dirk bezien dan en Dirk is econoom en hij kan het weten. Ik heb het wel eens meer beweerd, rationaliteit is iets heel anders dan redelijkheid en Dirk’s publicatiegedrag en, in het bijzonder, publicatietiming is er het treffende bewijs van.

Peter van Straaten kunnen we niet meer op onze bucketlist zetten. Dat zegt alles over de overbodigheid van bucketlists en niets over de onmisbaarheid van Peter van Straaten. Maar leg dat maar eens uit aan Dirk Brounen en the likes. Bij dit laatste, de likes, zal Dirk wel denken aan facebook maar nee, Dirk, het gaat nu even niet over facebook, het gaat over onvervangbaar verlies waarmee je wel rekening moet leren houden en dat je toch niet kunt berekenen om het vervolgens een plaatsje op je bucketlist te geven.

2 augustus 2017

=0=




Systeemperversie

Volgens Amsterdams burgemeester Van der Laan is het politieke systeem pervers. Hij leidt dat af uit het gedrag van politici die elkaar liever vliegen afvangen dan gezamenlijk te zoeken naar oplossingen voor lastige problemen. Daar heeft de burger niks mee, weet Van der Laan, met dat vliegen afvangen. Ik zou graag weten hoe hij dat weet (ik ben allergisch voor mensen die zeggen te weten wat anderen weten), maar ik zou nog veel liever weten wat hij verstaat onder dat politieke ‘systeem’ van hem.

Kennelijk dwingt dat systeem politici tot perverse handelingen of tot handelingen met perverse effecten op de burgers en wie weet ook op politici zelf, maar wat hier de wat is blijft raden. En omdat hij het op tv zei ben ik ook wel nieuwsgierig naar de invloed van de media op zijn systeem. Zijn de media waarnemers, verslaggevers, producenten, versterkers van de perversie? Zijn de media een deel van de omgeving van het systeem of zijn ze al opgerukt tot binnen het systeem zelf? Enzovoorts. Vragen die niet werden gesteld en die Van der Laan ook zichzelf niet stelde.

Het is met systemen als met elites. Spreek de woorden uit en je wenkbrauwen staan al in de frons-stand nog voordat je hebt kunnen bedenken waarom het niet deugt. Je hoort de politici fulmineren tegen de elite en je hoort ze afgeven op de dwingelandij van het systeem. Voor Trump-stemmers, PVV-ers en Brexiteers zijn, zalig zijn de cynici van geest, elites en systemen hetzelfde. Het deugt niet en alles wat niet deugt is hetzelfde. Dat komt goed uit voor Trump, Wilders en oom Boris want zo denken ze verkiezingen te winnen en, in het enkele geval dat ze die winnen, dan hebben ze nog eventjes een voorsprong op het volk dat hen koos. Tot de kiezer erachter komt dat het verwijderen van de elite helemaal niet hetzelfde is als het verwijderen van het systeem. Het systeem blijft even oneerlijk als het was en omdat in dit systeem, net als in de economie, niets even gelijk of ongelijk, even eerlijk of oneerlijk kan blijven spuugt het systeem resultaten uit die nog oneerlijker dan voorheen zijn en die de ongelijkheid nog groter maken.

In dat geval heb je geen ‘systeem’ nodig, je hebt een rechtsstaat nodig, de onzichtbare handdruk (dixit Ewald Engelen, maar over deze parafrase mijnerzijds een ander keer) van de agenturen en agenten van de trias politica, de stilzwijgende praktijk dat wat er ook gebeurt de regels van het zelfcorrigerende vermogen van de politieke, bestuurlijke en juridische instituties in ere worden gehouden. En nee, dat is bij Trump, Wilders en Boris Johnson niet in goede handen en ja, de rijen van hun gezelschap groeien snel aan en zeker, dat is linke soep. Voor je het weet hebben ze van het politieke bedrijf een systeem gemaakt dat geheel conform de verwachtingen van Van der Laan gedragingen oplegt, en dan zijn de poppen pas echt aan het dansen.

De rechtgeaarde populist zet zich, ten onrechte maar toch, af tegen de politieke klasse waar hij desondanks zelf bijhoort. Maar er is verschil want de andere leden van de politieke klasse zullen het politieke falen nooit in de politieke klasse zoeken. Ze zoeken het falen bij andere partijen en dat leidt dan weer tot het gekissebis waar Van der Laan zich zo over beklaagt en dat hij aan het systeem toeschrijft. Gisteren schreef ik al dat hij zich beter kan opwinden over de politieke klasse en vandaag doe ik het weer. De politieke klasse is niet het systeem waar Van der Laan zich tegen afzet, het is het milieu dat hem even natuurlijk is als de lucht die hij inademt.

Zijn spaarzame opmerkingen over het perverse politieke systeem waren fout geadresseerd. Ze waren een slag in de lucht, en ze zijn een illustratie van de onmacht van de politiek-bestuurlijke klasse van Nederland om zichzelf de maat te nemen. Dát is de enige echte systeemperversie.

1 augustus 2017

=0=

 

Bekentenis

Toen Hanina Ajarai anderhalve week geleden in een column in het Algemeen Dagblad bekende dat de misère rond de MH17 haar niet veel deed en de misère rond Abdelhak Nouri wel, toen was het land te klein. Tot en met de redactieraad nam iedereen afstand van haar – de raad nog zonder schelden, de rest was voornamelijk bagger.

Mensen die op die manier de doden van de MH17 in ere houden zijn sneue mensen die behalve leeglopen weinig kunnen en nog minder in huis hebben, en een redactieraad die een columniste afvalt die in haar column geen onvertogen woord heeft geuit is geen knip voor de neus waard. Wie in haar column een ‘trap na’ las, zoals de paar nabestaanden die namens de nabestaanden dachten te moeten reageren, kan niet lezen en wil slechts horen wat het grote koor der reaguurders ook wil horen: gij zult meedoen met waar wij allen aan meedoen, op het moment dat we allen meedoen.

Op zo’n moment verlang ik naar een cabaretier. Er zijn tijden geweest dat we cabaretiers hadden maar nu zelfs de ombudsman van het NRC van mening is dat een cabaretier van nar tot clown is gedegradeerd hebben we geen cabaretiers meer. Nu ja, Claudia de Breij, maar dat is cabaret ter morele verheffing van het volk en dat is geen cabaret, zeg nou zelf. Overigens liet de arme Ajarai weten dat ze helemaal niet had willen natrappen. Dom, je moet het er niet in wrijven. Het is alsof ze met haar hoofddoekje, voordat ze de kassa zelfs maar heeft bereikt, uit de rij wordt gepikt om de inhoud van haar tas te laten controleren en in plaats van zich te verzetten uitlegt dat ze echt niet van plan was zich iets wederrechtelijk toe te eigenen. Maar ja, wat wil je, als je door je eigen redactieraad in de beklaagdenbank wordt geplaatst.

Rouw over de MH17 is verplicht, wenen voor Appie is verplicht en je bent pas geïntegreerd als je bereid bent voor beide fatale gebeurtenissen je tranen te trekken. Voor minder doen we het niet. Als het ter sprake komt of als je het ter sprake brengt en daar zal niemand je toe verplichten maar komt het/breng je het ter sprake dan hoeft de traan niet per se te vallen, we eisen niets, maar we stellen het toch wel op prijs als we die traan op z’n minst mogen vermoeden, bijvoorbeeld door het haperen van de stem of door een snik in de stem. Het is de ongeschreven regel van de mediacratie. Over de doden moet je niet slechts met respect maar ook met warmte en emotie spreken en over de bijna-doden met misschien nog wel meer respect, warmte en emotie. Dat is de regel. Wie zich er niet aan houdt is de klos. Wie zich er niet aan houdt verdient het om verrot te worden gescholden.

Dat zal Eberhard van der Laan niet gebeuren na zijn tv-optreden in Zomergasten. De recensies zijn zeer positief, om de verkeerde redenen die ik zojuist uitlegde en niet zal herhalen. Maar er was nog wat anders. Van der Laan deed in de uitzending ook aan geschiedschrijving, over de houding van de niet-joodse Nederlanders ten opzichte van de bezetter en ten opzichte van de joodse Nederlanders. Of het allemaal klopte wat hij daarover te berde bracht kan ik niet overzien. Hij bracht het rustig en met de nodige overtuigingskracht (waar het hem bij elk onderwerp niet aan ontbreekt). Daar staat tegenover dat hij geen woord wijdde aan de omstandigheid dat de oorzaak dat Nederland een politiek nazi-regiem kreeg en geen militair zoals in België gezocht moet worden in de vlucht naar Engeland van de Nederlandse politieke klasse, aangevoerd door de koningin.

De reden dat in Nederland verhoudingsgewijs veel meer joden zijn weggevoerd en vernietigd heeft het nodige te maken met het wegkijken van regering en vorstin, een wegkijken dat begon met het pakken van hun biezen voordat zelfs maar bekend was wat een bezetting zou meebrengen voor hen en voor de door hen vertegenwoordigden, en een wegkijken dat gedurende de oorlog werd voortgezet. Bijn tachtig jaar na dato is Nederland nog altijd niet in staat uit te spreken dat de verantwoordelijke politieke klasse zijn verantwoordelijkheid letterlijk heeft ontlopen in die dagen. En niet alleen Nederland is daar niet toe in staat, Van der Laan is dat evenmin, zoals we na de uitzending van gisteren weten.

Ik vraag me dan altijd af of het verzwijgen van deze politieke context van de jodenvervolging in ons land nodig is om het koninklijk huis uit de wind te houden, of dat het nodig is om de merkwaardige absences van onze politieke klasse in tijden van crisis te verdoezelen, of allebei. Maar hoe dan ook begint het met verzwijgen. Onopzettelijk, daar ben ik best van te overtuigen, zeker in het geval van Van der Laan. Maar het is precies dat onopzettelijke, dat vrijwel automatische, dat pijnlijk is. Ja, de staking was goed, zei (in een door Van der Laan aangedragen documentaire-fragment) een overlevende over de Februaristaking, maar waarom bleef het gedurende het verdere verloop van die moorddadige oorlog zo stil? Van der Laan wist het niet. Maar wat als hij de vraag had geherfomuleerd: waarom bleef de politieke klasse dier dagen, de klasse die hoog en droog in Londen verbleef, waarom bleef de politieke klasse van Wilhelmina zo stil?

Het verdriet van Nederland is een nog altijd ongeschreven verhaal. Zolang dat verhaal er niet is geef ik mijn afkeer van nationaal emotiebetoon niet op. Ook een bekentenis.

31 juli 2017

=0=


Buitenbeentje

Op refo-scholen wordt ermee gerekend dat de opvoeding van kinderen wordt gemarkeerd door een driehoek, de driehoek school-gezin-kerk. Het gaat uitstekend met die opvoeding, las ik gisteren in Trouw, en dat komt omdat de leerlingen ‘uit gezinnen komen die allemaal bekend zijn met begrippen als zonde en genade’. Wat de kinderen te horen krijgen, krijgen ze altijd in drievoud te horen. Bij de tweede keer denken de kinderen dat het hen bekend voorkomt, bij de derde keer vinden ze het al vertrouwd klinken. Elk geluid is bijgevolg, lees ik, een vertrouwd geluid. ‘Er bestaat voor hen geen andere waarheid’.

Beter pleidooi voor openbaar onderwijs heb ik in tijden niet gehoord. Met openbaar onderwijs bedoel ik uiteraard niet dat zulk onderwijs zijn openbaring aan de openbaarheid ontleent, ik bedoel dat zulk onderwijs op kennis is gebaseerd, op de openbaring van kennis en de openbaring van openbare kennis, en niet op geloof. Nou vooruit, het is gebaseerd op het geloof in kennis, kennis van de beste soort, kennis waarvoor de portemonnee moet worden getrokken en dan natuurlijk de openbare portemonnee, niet de portemonnee van afzonderlijke burgers want die bevat in veel gevallen niet genoeg rijkdom om op de best denkbare manier bij de best denkbare kennis te komen.

Refo-scholen zijn, als ik de kop in het artikel van Trouw mag geloven, ‘buitenbeentjes’. Ze zijn dat overigens niet door het geloof, ze zijn dat door de driehoek van kerk-school-gezin. Denk ik. Daarom zijn ook islamitische scholen ‘buitenbeentjes’, want daar speelt dezelfde driehoek. Of spelen, spelen is te onschuldig; opspelen is beter. Of zulke scholen goed onderwijs geven is een open vraag, maar dat zulke scholen via de kinderen de ouders opvoeden door de ouders bij de les te houden, dat lijkt me geen vraag, dat lijkt me een inzet. Het gaat niet alleen om onderwijs, het gaat om onderwijs als deel van de opvoeding en daar heeft de kerk een rol. Voor velen.

Achtereenvolgende Nederlandse kabinetten hebben dat geweten en toch nooit begrepen. Bij Ernst Hirsch Ballin is het kwartje pas gevallen nadat hij al jaren geen minister meer is. Gelukkig weet hij het nu. In een in de Volkskrant van vandaag gepubliceerd dubbelinterview (met hem en Beatrice de Graaf) zegt hij: ‘[i]ntegratie heeft ongeveer op alle ministeries gezeten waar politici het wenselijk achtten, maar op het enige departement waar het thuishoort, het ministerie van Onderwijs, zat het nooit.’

De commotie over een islamitische school in Amsterdam is een schoolvoorbeeld van het zojuist gesignaleerde gat tussen weten en begrijpen. We hebben een staatssecretaris van onderwijs die net als zijn premier vindt dat Achmed maar een beetje beter zijn best moet doen als dat nodig is voor zijn integratie, we hebben een wethouder onderwijs in Amsterdam die erg voor goed islamitisch onderwijs is en erg tegen slecht islamitisch onderwijs en die meent daar iets mee gezegd te hebben. Dat heeft ze ook, zij het niet over het onderwijs en wel over de integratie waarvoor ze opgewekte onderwijsexperimenten ongetwijfeld meer geschikt acht dan een grootscheeps offensief om zwarte scholen zo aantrekkelijk te maken dat het onderwijsbudget voornamelijk daaraan besteed zal moeten worden.

Maak de school aantrekkelijker dan de straat, daar komt het op neer. Zorg ervoor dat de straat de school niet kan binnenkomen en neem daarom (in navolging van de suggestie van Beatrice de Graaf, in het vermelde dubbelinterview) alle mobieltjes en andere technologische wonderen in zodra de leerling de school betreedt en geef ze pas weer terug als de leerling het pand verlaat, en zorg ervoor dat de beslissingen die je moet nemen om dat te realiseren door de politiek worden genomen en niet door schimmige schoolbesturen die menen dat onderwijsvrijheid hun vrijheid is, die alle problemen de klas in kieperen en pas als het uit de hand loopt een protocol verzinnen dat hen zal vrijpleiten en verder geen enkel probleem zal oplossen. De schoolbesturen hebben een wanvertoning gemaakt van hun onderwijsvrijheid. Het moet hen uit handen worden genomen.

Er is veel te zeggen voor het standpunt van Hirsch Ballin, buitenbeentje van de politiek. De moeilijkheid is dat de politici waar hij het over heeft niet toevallig de bestuurlijke link tussen onderwijs (weten) en integratie (begrijpen) hebben laten verslonzen. De moeilijkheid is ook dat met de huidige formerende partijen de verslonzing eerder zal verergeren dan afnemen. De Graaf is lid van de CU, Hirsch Ballin van het CDA en dan hebben we het over twee partijen die in de weg staan van de hoognodige opknapbeurt van de onderwijsvrijheid en die zich tot het uiterste in zullen spannen om de onderwijsvrijheid van refoscholen en -schooltjes te bevechten en om de onderwijsvrijheid van islamitische scholen en schooltjes tegen te werken, bijvoorbeeld en zo nodig door gemene zaak te maken met een VVD staatssecretaris van onderwijs en een Amsterdamse D66 wethouder van onderwijs.

Zonde en genade? In de islmatische opvoeding wordt daar ruimschoots in voorzien, in de liberale en pragmatische opvoedingsstijlen van VVD en D66 niet. Daar gaat het dus niet om, om die zonde en genade, en juist daarom is het zo treurig dat de cultuuroorlog tegen de islam onder het mom van de onderwijsvrijheid gewoon wordt voortgezet en tegelijk wordt weggemoffeld.

Ik vind dat De Graaf en Hirsch Ballin dat er, in het belang van de integratie, eerlijkheidshalve bij hadden moeten zeggen.

29 juli 2017

=0=

 


Gig

Een gig is een live muziekoptreden. Vroeger had je een gig ook als een voertuig op twee wielen, voortgetrokken door een paard. In de moderne economie, de platformeconomie, komen beide betekenissen bij elkaar: een gig is een klus verricht door een menselijk paard met een beloning die uiteenloopt van gratis eten en drinken, via een paar tientjes vergoeding tot en met een vorstelijk bedrag. Net zoals in de muziekwereld, de wereld van hen die optreden, de wereld waarvan Adam Smith al wist dat de rijkdom van weinigen werd betaald met de armoede van velen.

En toch ook weer niet. Iemand die optreedt biedt z’n eigen show aan. Iemand die door een platform aan een gig wordt geholpen biedt behalve z’n beperkte paardenkracht helemaal niets aan. Hij is gewoon iemand die opdrachten uitvoert waar hij geen zeggenschap over heeft. Er zijn tijden geweest dat we zo iemand een werknemer noemden maar in de huidige tijden waarin feiten hebben afgedaan kun je met een redelijke kans op succes over alles twisten, dus ook over de vraag of een een gig-werker een artiest is, een zelfstandig ondernemer, een zelfstandige zonder personeel, of een werknemer. Staatssecretaris Wiebes en minister Asscher zijn altijd bereid een luisterend oor te verlenen en ondertussen, zeggen ze, wordt gewerkt aan een herziening van het arbeidsrecht.

Dat is in het parlement geen controversiële kwestie, en het is het ook niet voor de formerende partijen, die met smart wachten op een SER-advies ter zake. Dat advies zal niet helpen, want van de SER kun je niet verwachten dat waar politici hun vingers niet aan durven branden door hen wel even zal worden opgelost. Maar goed, je kunt altijd hopen op een toverformule (‘deeleconomie’ bijvoorbeeld en ‘crowdworker’) om onder die noemer het nodige te regelen (het arbeidsrecht te moderniseren, ik noem maar wat) en dat zo te doen dat we er pas achter komen als het te laat is. De steen des aanstoots is ook hier, precies zoals bij de discussie over de zzp-er, wie moet luisteren naar de aanwijzingen van wie.

De betreffende werkers weten het wel: zij hebben niets te zeggen, nergens over. De betreffende opdrachtgevers weten het ook wel: het zijn zelfstandige aannemers die op hun aanbod ingaan en aannemers zijn dienstverleners en geen werknemers. Ik vertrouw het D66 toe om, met een beroep op de mondigheid die ons allen deelachtig is geworden, in het regeerakkoord te laten opnemen dat crowdworkers, zoals het woord al zegt, met velen (een crowd!) zijn om zo nodig hun spierballen te tonen. Dat kom dus best in orde, en dat met de festivallisering van alles ook de platformisering van alles oprukt, wie zal het verbazen?

25 juli 2017

=0=


Pleinvrees

Sjef Drummen is een man van meningen. Hij heeft een school, Agora, opgericht en hij vindt leraren mensen met mayonaise als hersens. Rutger Bregman (die een interview met Drummen heeft verwerkt in een artikel voor De Correspondent van 20 juli) is het misschien niet met die mayonaise maar wel met de filosofie van Drummen’s Agora eens. Nu is Bregman het ook eens met de filosofie van de Buurtzorg van Jos de Blok en omdat in die filosofie het vertrouwen in de professional central staat en bij Drummen de minachting voor de professional is voor mij de filosofie van Bregman niet erg helder – maar dat is een ander thema. Nu is het thema de filosofie van Drummen, en uiteraard hoe en waar die afwijkt van de filosofie van alle mayonaisehoofden.

Het ‘waar’ van het afwijkende is eenvoudig. Drummen gelooft namelijk niet in organiseren zoals anderen organiseren en wel in organiseren zoals er nog nooit georganiseerd is. De lat ligt, kortom, hoog, te hoog voor mij in elk geval want ik begrijp er niets van. Althans, hier begrijp ik niets van: ‘Leren is namelijk een procesmatig gebeuren en dat kun je niet organiseren. Of althans, wij proberen de onzekerheid te organiseren. Het niet weten is belangrijker dan het weten. In het gewone onderwijs gaat het om het weten. Om kennis en kennisoverdracht. Dat is een denkfout.’ Dat je processen niet kunt organiseren is onzin, dat je niet alle processen kunt organiseren is geen onzin maar waar het verschil in zit en wat de consequenties daarvan zijn voor het organiseren is dan nog een te beantwoorden vraag. Tenzij je net als Sjef vindt dat er niets te organiseren is en dat hij daarom Agora maar heeft georganiseerd. Mayonaise? Gebakken lucht komt meer in de buurt.

Goed, zegt Sjef, zo heet eten we de soep ook bij ons niet. Wat wij doen is ‘onzekerheid organiseren’. En dat doen we omdat het ‘niet weten’ belangrijker is dan het ‘weten’. Zelf denk ik altijd dat je wat moet weten om een idee te krijgen wat je niet weet en dat meer weten beter inzicht geeft in wat je niet weet dan minder weten, en dat het daarbij om twee verschillende typen ‘weten’ gaat, waarvan de één niet belangrijker is dan de ander omdat de één eenvoudigweg ‘anders’ is dan de ander. De rest is slechte metafysica. Ik denk ook dat wie daar, zoals Sjef, een hiërarchie in vermoedt, iemand is die kortaangebondenheid verwart met overtuigingskracht. Trouwens, welke ‘onzekerheid’ wordt hiermee door wie en voor wie ‘georganiseerd’? Uit het citaat maak ik op dat voor Drummen onzekerheid en proces inwisselbare termen zijn, en onzekerheid en ‘niet weten’ evenzeer. In dat geval zegt hij twee keer hetzelfde en doet alsof hij twee keer iets nieuws debiteert.

In het gewone onderwijs gaat het, dixit Sjef, om ‘weten’. Dat klopt, ik heb dat gewone onderwijs ook mogen genieten en ik herinner me van sommige leraren dat ze erop wezen dat betweterigheid de vijand van elk weten is. Daarmee waren wij nog niet genezen, natuurlijk, het verslaan van die vijand is de Sisyphus-arbeid van elk weten dat steeds beter weet dat het nooit af is. Je zou er zo een essay over kunnen schrijven, Sjef, er zijn voorbeelden waarvan je kunt leren en als je eenmaal bereid bent te leren – dat wil zeggen, Sjef, te accepteren dat jezelf niet de bron bent van alles wat je leert - kun je jezelf een heleboel leren. Maar, van Sjef pik ik op dat ik hier een denkfout bega en met Rutger vraag ik dan: waarom is dat een denkfout?

Met de vraag naar de denkfout betreden we het gebied van het ‘hoe’ van de afwijking van Sjef. Hij zegt er dit over: ‘Wij zeggen nu tegen de kinderen: wij leren je niets, jij moet zelf leren. Maar je mag ons misbruiken in je eigen zoektocht. En dan begrijpen ze meteen dat het geen zin heeft om in opstand te komen tegen ons. Daar zouden ze alleen maar zichzelf mee hebben.’ Het staat er, ik kan er ook niks aan doen. Sjef zegt dat de jongelui het zelf moeten doen maar dat ze al doende de docenten verrot mogen schelden, hen het vuur na aan de schenen mogen leggen, hen het werken onmogelijk mogen maken – en waar het ophoudt wordt door Sjef niet vermeld. Erg kan het niet zijn want de leerlingen ‘begrijpen meteen dat het geen zin heeft in opstand te komen tegen ons’. Ik zou eerder denken dat je de mogelijkheid niet moet uitvlakken dat het allemaal geen zin heeft en dat ze er daarom net zo goed een klerezooi van kunnen maken. Maar voor Sjef geldt dat niet want hij weet (!) dat elk kind en elk mens de behoefte heeft te groeien, dat kinderen en mensen ‘autonoom opbloeien’, en omdat groeien en leren hetzelfde zijn kan en zal het niet fout gaan. Ik ben benieuwd wat Sjef doet als de leerlingen besluiten hem eens publiek, over de grenzen van de beslotenheid van de school heen, te grazen te nemen door hem via social media te betichten van alles wat God ons heeft verboden.

Kinderen? Stop er niets in, haal er daarentegen van alles uit: ‘Het woord lesgeven is eigenlijk al een contradictio in terminis. Je kunt namelijk niks in kinderen stoppen. Je kunt er alleen maar iets uithalen. We zeggen tegen leraren: hier heb je honderd leerlingen, hier heb je een groot lokaal met alles erop en erin, nu moeten jullie als team samenwerken om deze kinderen - die autonoom opbloeien - te begeleiden.’ Kun je een les geven? Ja, toch. Nee hoor, zegt Sjef, die denkt dat lesgeven hetzelfde is als ‘overdracht’ en daarom verdacht want overdracht, dat is verdacht.

Ik ben geen vriend van de psychoanalyse maar de gedachte dat de in dat métier gebruikelijke zinswendingen over ‘overdracht’ en ‘tegenoverdracht’ iets te maken zouden hebben met ‘erin stoppen’ en ‘eruit halen’ is potsierlijk. Nee Sjef, als nu ergens dat fameuze ‘proces’ van jou opspeelt (een terechte metafoor in dit verband, vind ik) dan daar, in die spreekkamer waar de patiënt de analyticus voor rotte vis mag uitmaken en de analyticus dat niet alleen begrijpt als een kinderlijke poging in opstand te komen maar ook als de inleiding voor een liefdesverklaring even later.

Dat elke leerling iets moet doen met de les die wordt ‘gegeven’ is niet hetzelfde als de stelling dat elke leerling alles doet bij het leren (stop er niets in!) en dat de leraren niets anders en vooral niets meer hoeven te doen dan die leerlingen te ‘begeleiden’ (ze halen er kennelijk wat uit, maar wat dat dan mag zijn is, vermoed ik, alleen bij Sjef bekend).

Van deze Agora, van dit Leerplein, krijg ik pleinvrees.

23 juli 2017

=0=


Babyboomer

Veel overeenkomsten tussen Annabel Nanninga en Ewald Engelen zie ik niet, de voorliefde voor de overdrijving en de afkeer van babyboomers daargelaten. Engelen deelde ooit mee een ‘petshekel’ te hebben aan babyboomers en Nanninga doet dat vandaag nog eens dunnetjes over, in een tweegesprek met Jan Terlouw dat door de Volkskrant is opgetekend.

Voor Nanninga is Terlouw helemaal een babyboomer. Of eigenlijk nog erger, hij is een kwartiermaker voor de babyboomers geweest. Terlouw is bijna zesentachtig jaar. Voor Nanninga doet leeftijd er niet toe – als je zesentachtig bent ben je babyboomer of hulpje van babyboomers. Voor Nanninga doet leeftijd er toch toe – de babyboomers hebben het land met de hulp van Terlouw en diens ‘silent generation’ (?) kapot gemaakt. Met Nanninga kun je alle kanten op. In haar geval houdt dat in dat ze iedereen aanspreekt, nergens voor aansprakelijk is en ook nergens op wil worden aangesproken. Nanninga is nog net geen veertig en dan ben je volgens de wetten der generatiekunde niet verantwoordelijk. Annabel is GeenStijl en ThePostOnline in één persoon verenigd. Jullie zijn verantwoordelijk, ik niet, wij niet. Terlouw is verantwoordelijk, Nanninga niet, GeenStijl niet, TPO niet.

Voor Nanninga is Terlouw een ‘seniele’ oude man en zijn ‘touwtjeverhaal’ was ‘schofterig’. Nu ja, per tweet natuurlijk, zoals de groten der aarde dat doen en zoals seniele oude mannen dat niet doen. De Donald twittert, onze Jan twittert niet. Nanninga kiest voor Trump en voor verdachtmaken en beschuldigen. In het gesprek zegt ze dat het niet ‘persoonlijk’ was. Trumpiaanser kan niet. Je speelt op de persoon en je zegt dat het niet persoonlijk is. Zou iemand het wel persoonlijk nemen – dat is natuurlijk de bedoeling maar Nanninga is te laf om dat in een tweegesprek toe te durven geven – dan liggen de volgende beledigingen en schimpscheuten al klaar, per tweet dan want in een gesprek klimt ze nog liever op de schoot van, zeg, Maarten van Rossem dan hem te bejegenen zoals ze hem en zijn rotgenoten per tweet bejegent. Een gesprek, of slechts de fysieke aanwezigheid van de ander, transformeert Annabel in de slome nitwit die ze is en waar ze ongetwijfeld onder lijdt. Wanneer leeft Annabel? Als ze mag twitteren. Wanneer wordt Annabel een meisje dat aardig gevonden wil worden? Als ze Maarten van Rossem tegenkomt, of Jan Terlouw en dan voor het oog van de camera, of in de context van een krant voor en van linkse Gutmenschen. Voor Terlouw heeft ze nog een cadeautje meegebracht: een bericht over een heuse asielzoeker die ze zes maanden in huis heeft genomen! Rechtse Gutmenschen, ze bestaan. Hoe ze dat heeft klaargespeeld is een wonder, want waar haalde ze de ruimte vandaan om die man te herbergen? Die ruimte is er helemaal niet, volgens haar, want die ruimte is ingepikt, ingepikt door de babyboomers. Van schoolkinderen weten we dat als hun gedrag thuis en hun gedrag op school erg uiteenloopt ze een probleem hebben waar ze zelf niet uit zullen komen. Bij Annabel ben ik er tamelijk zeker van dat ze dat probleem nog steeds heeft. Dat is sneu.

Ik denk dat Ewald Engelen zich moet afvragen wat het geraaskal van Nanninga met haar Stijl te maken heeft en hij moet zich met name afvragen of ook zijn Stijl in de weg staat van datgene dat hij wil bereiken.
Ich bin ein Babyboomer.

22 juli 2017

=0=

 

Metafora

Het eerste metaforum is goddelijk. Lange tijd dachten ze bij de SGP dat ze daar wel mee uitkwamen maar sinds andere media god steeds meer naar de kroon zijn gaan steken is de SGP tot inkeer gekomen. De SGP is, zogezegd, om. Zonder beeld dringt het geluid niet meer door, die waarheid is de partij deelachtig geworden.

Het beeld is het tweede metaforum, het forum waar het woord wordt gezalfd naar het beeld dat de meeste indruk op de kijker maakt. Het is al bijna de terugkeer in de katholieke moederschoot, hoewel het in het echie veel banaler is. If you can’t beat them, join them en dus zien we Van der Staaij en kornuiten hun uiterste best doen hun steentje bij te dragen aan de beeldreligie die ze ooit tot het werk van de duivel rekenden. God beelden ze niet af, er zijn grenzen, maar verder zijn ze voor de duvel niet bang – en om dat te tonen beelden ze de duivel gedurig af in al zijn hemeltergende werken. Tegenwoordig zijn dat de werken van mevrouw Pia Dijkstra, Kamerlid van D66, de partij die de mens opvat als rechter over eigen lot en daartoe de wetten van het land wil aanpassen om de mens nog hovaardiger te maken dan hij toch al is.

Volgens Kees van der Staaij hebben artsen in Nederland het recht mensen te doden. Want dat staat zo in de Euthanasiewet en die is nog maar het begin. Hij heeft er de Wall Street Journal mee gehaald. De strijd wordt niet alleen in Nederland gevoerd, hij wordt wereldwijd gevoerd en Kees is er de boodschapper van. Dat Kees daarvoor moet jokken is in zijn beleving geen jokken. Elke euthanasie is moord en als de moordenaar een dokter is kan die dokter wel wijzen naar de wetten die hem vrijpleiten, in de ogen van god en van Kees is een moord een moord, wat D66 en mevrouw Pia Dijkstra daar ook van vinden. Als het gaat om het recht je leven te leiden op de manier die jou goeddunkt geeft de SGP niet thuis voor vrouwen en een beetje thuis voor mannen maar als het gaat om het recht je leven te beëindigen op de manier die jou goeddunkt geeft de SGP voor iedereen niet thuis. In het leven zijn mannen en vrouwen niet gelijk en wel gelijkwaardig en in het oog van de dood zijn mannen en vrouwen totaal en radicaal aan elkaar gelijk.

Het geeft aan die heerlijke gereformeerde uitspraak dat een gereformeerde wel ‘in’ maar niet ‘van’ de wereld is een nieuwe wending. Ze moeten er wel mee oppassen, vind ik, want voor ze het weten hebben ze van de wereld van het beeld, de wereld van het simulacrum, de hyperrealiteit bij uitstek gemaakt, het metaforum waarin alle andere fora verdwijnen.

21 juli 2017

=0=

 

Representatief

‘Wij zijn voor de overlegeconomie, maar tegen de huidige polderpartners, omdat zij niet representatief zijn voor de werkenden in het Nederland van nu.’ Was getekend: Hans Biesheuvel, Mei-Li Vos, Martin Pikaart. Biesheuvel is van Ondernemend Nederland (ONL), Vos en Pikaart van Alternatief voor Vakbond (AvV).

Beide clubs lijden onder een gebrek aan leden. Het AvV telt om en nabij de 2500 leden en dat is, na meer dan tien jaar belletje trekken, niet heel erg veel. Bij het AvV verdedigen ze hun gebrek als een kracht: de andere vakbonden zijn niet representatief en bij het AvV telt iedereen mee, ook de niet-leden, juist de niet-leden, de flexibele, slecht verzekerde niet-leden, en al die niet-leden zijn niet het product van de flexibiliseringsgekte van de grote ondernemers en de kostenfixatie van de kleine ondernemers, ze zijn het product van de grote vakbonden met hun vergrijsde leden, met hun leden met vaste banen, met hun leden met vette banen, met hun leden die hun vaste en vette banen met hand en tand verdedigen tegen kapers op de kust en die dat nog eens lukt ook.

Mij is onbekend wat de vakbeweging het afgelopen decennium allemaal is gelukt, ik denk dat het heel weinig is en dat de vakbeweging eerder achter de gebeurtenissen aanloopt dan ze zelf regisseert maar dat maakt voor het AvV geen verschil. Het was nodig in 2005, toen de club werd opgericht en het is vandaag nog even nodig en om exact dezelfde redenen. Ik zou dat uitleggen als een schrikbarende nederlaag. Je zet je voor van alles in en ruim tien jaar later heb je niets anders bereikt dan onder de duiven schieten van de grotere bonden. Omdat die niet respresentatief zijn met hun leden en het AvV wel met hun niet-leden. Nog even en het AvV vertegenwoordigt het volk.

ONL dan? Dat is voortgekomen uit MKB Nederland, bestaat sinds 2013 en is erop gericht een brug te slaan vanuit het ondernemerschap naar de politiek. Leden? Ze zijn er, ze zijn, voor zover ik kan nagaan, met weinigen en ze verzetten bergen. Het veel grotere en invloedrijkere MKB Nederland is daar kennelijk allemaal niet in geslaagd en Hans Biesheuvel, de voorzitter van ONL, kan het weten want hij was van 2011 tot 2013 voorzitter van MKB Nederland.

Of in Nederland ondernemers niet worden gehoord in de politiek of dat de politiek moet worden gemodelleerd op het ondernemerschap is mij nooit duidelijk geworden. Misschien wel allebei. Een opmerkelijk verschil met het AvV is dat ONL niet afgeeft op MKB Nederland en VNO-NCW, terwijl het AvV voornamelijk bestaat uit het toedichten van kwalijke motieven en praktijken aan de gevestigde bonden.

Beide, ONL en AvV, zijn kleine spelers, op zoek naar een achterban – en van dat gebrek maken ze hun kracht, ik wees er met betrekking tot het AvV hierboven al op. Wij doen wat iedereen laat liggen en daarom mogen wij zeggen dat we iedereen vertegenwoordigen. Daarin lijken ze op de talloze kleine partijtjes die ook uit naam van iedereen spreken en bijdragen aan nog meer versplintering en trots zijn als ze er een keer in slagen een splinter in de vinger van anderen te frommelen.

ONL en AvV hebben twee dagen geleden een Sociaal Akkoord 2017 gepresenteerd, een werkstuk van 20 kantjes vol met voorstellen die het akkoord van 2013 nog een dunnetjes over moeten doen. Mei-Li Vos vond het akkoord van 2013 wel goed, toen, maar omdat het anders heeft uitgewerkt dan ze toen dacht onderneemt ze een nieuwe poging – die ongetwijfeld ook anders zal uitwerken als er iets van terechtkomt maar dat zien we dan wel weer. In het nieuwe akkoord wordt 1 pagina besteed aan de positie van de zzp-er.

Mei-Li Vos was PvdA-woordvoerder over het zzp-gebeuren in de Tweede Kamer. Het kabinet had, met de wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) eindelijk iets fatsoenlijks gedaan met betrekking tot de zzp-er en dat leidde, voorspelbaar, tot boosheid bij de opdrachtgevers omdat die nu eindelijk ook eens enige verantwoordelijkheid werd aangerekend in plaats van de eenzijdige afrekening op kosten van de opdrachtnemer, de zzp-er, onder een vorige regeling, die van de VAR (Verklaring ArbeidsRelatie). Er kwam een opstand van de opdrachtgevers, VNO-NCW sprak er zijn steun voor uit, en Mei-Li Vos heb ik er niet over gehoord. Til het maar over de verkiezingen heen was de gedachte. Zo gebeurde en nu komen we de zzp-er bij haar weer tegen op pagina 12 van het kakelverse Sociaal Akkoord 2017.

Wat is een zzp-er? Niemand die het weet (anders hadden we wel een juridisch werkbare en sluitende omschrijving gehad) en daarom is het een opluchting dat ONL/AvV het samen en met elkaar wel weten: ‘Wij willen de motieven (mijn curs.) om zzp'er of werknemer te worden of blijven zuiver houden, en niet louter fiscaal of financieel gedreven laten zijn. Je kiest voor een bepaalde vorm van werken omdat dat bij jou of de levensfase waarin je zit past’.

Het is een geniale formulering die in één klap verduidelijkt waarom deze clubs niet thuishoren in de wereld van de arbeidsverhoudingen. Ook niet in de wereld van de opdrachtgevers en andere ondernemers overigens. Ook niet in die van de schijnzelfstandigen en evenmin in die van de zelfstandigen die willen ondernemen om financiële en, vooruit, fiscale redenen of ‘motieven’. Daarom, vinden ONL/AvV, moeten zzp-ers niks en mogen ze alles: verzekeren, scholen, you name it. Omdat het bij jou past, of bij je levensfase past. Of niet. Of soms wel en soms niet.

ONL/AvV streven een zuiver motief na dat zo zuiver is dat het door niets dan zichzelf kan worden gerepresenteerd – en dat sluit representatie uit. Iedereen weet het. Zij niet.

20 juli 2017

=0=

 


Internationale

Tony Blair denkt dat de Brexit niet hoeft door te gaan. Dat komt, zegt hij, omdat de Brexit voornamelijk neerkomt op een afkeer van buitenlanders en omdat die afkeer Europa-breed wordt gedeeld is niet meer nodig dan de afschaffing van het vrije verkeer van personen in de EU. Zo eenvoudig is het.

Blair behoorde, met zijn New Labour, volgens Thatcher tot haar ‘greatest achievements’. Wij hebben Neelie Kroes, zij hebben Margaret Thatcher en beide dames begrepen beter dan de sociaaldemocraten dat de Derde Weg een door spindokters en andere alchemisten bekokstoofde ideologie zonder idee zou zijn, goed om de sociaaldemocraten te paaien en voor het overige even vergankelijk als de hoogstaande sociaaldemocratische idealen die merkwaardig genoeg zelfs door Bill Clinton bleken te worden aangehangen. Niet van het echte neoliberalisme te onderscheiden. Stel je voor: Tony New Labour Blair, Wim Werk-werk-werk Kok, en Bill Workfare Clinton. De globaliseringsinternationale van de nieuwe sociaaldemocratie. Het poldermodel als exportproduct.

Een tiental jaar later bleek wat het echte exportproduct was: de arbeidsdiensten van Bolkestein die met zijn dienstenrichtlijn bewerkstelligde wat voor goederen al eerder was bewerkstelligd: het principe van het land van oorsprong, het principe dat als iets in één lidstaat van de EU mag, dat het dan in alle lidstaten van de EU net zo mag.

De arbeidsmarkt is in neoliberale ogen niet verschillend van de dienstenmarkt en de dienstenmarkt is niet verschillend van de goederenmarkt en als de Bulgaren hun diensten voor een schijntje in Bulgarije aanbieden dan mogen ze die overal in de EU voor een schijntje aanbieden. De sociaaldemocratische internationale is een marktinternationale geworden, een internationale waarin de arbeiders hun zelf bevochten en zelf betaalde kettingen verliezen: hun arbeidsvoorwaarden, hun arbeidsomstandigheden, hun arbeidsverhoudingen, hun arbeid zelf en hun sociale zekerheden.

Dat de Bolkestein-richtlijn tot ongehoord misbruik zou leiden was duidelijk voor iedereen die wilde zien. Daar hoorden de sociaaldemocraten niet bij, net zo min als het Europarlement en de Europese Commissie. Af en toe wordt een sigaar uit eigen doos verstrekt, met als enig effect dat ook die doos leegraakt.

Weer een tiental jaren later zagen we het resultaat van de inspanningen van Bolkestein. De woede over de oneigenlijke arbeidsconcurrentie slaat om in ressentiment, xenofobie, en anti-immigratiepartijen. De boze blanke man wordt ontdekt, zelfs door Tony Blair die dan maar voorstelt hem tegemoet te komen door weer baas over eigen grenzen te worden. Het is de typische oplossing van het slappe compromis. Beperk de bewegingsvrijheid van de arbeid, maximaliseer de bewegingsvrijheid van het kapitaal. Het omgekeerde zou beter en sociaaldemocratischer zijn – het is aan Blair niet besteed, het is aan de sociaaldemocratie van vandaag niet besteed.

Men moet de bewegingsvrijheid van de arbeid helemaal niet beperken – althans niet zolang de sociaaldemocratie er nog een emancipatie-ideaal op nahoudt. Men moet het oorsprongslandbeginsel uitbannen, Bolkestein bij het oud vuil zetten, en erop staan dat in Europees verband arbeid geen goed als alle andere is, dat de inherente traagheid van arbeid, vergeleken met kapitaal, niet moet leiden naar het land van oorsprong maar naar het land waar de dienst wordt verricht en de daar geldende voorwaarden. Als dat zo is, is iedereen welkom, en pas als iedereen welkom is, is de missie van de sociaaldemocratie vervuld.

Lodewijk Asscher heeft het tegenwoordig over progressief patriottisme en hij verstaat daaronder dat iedereen die onze waarden onderschrijft welkom is in zijn en ons vaderland. Onze waarden onderschrijven als voorwaarde om welkom te zijn is strijdig met onze waarden, die immers niet per voorschrift worden verstrekt, en inconsistenties gaan niet werken. Maar Asscher zou de sociaaldemocratie een dienst (!) kunnen bewijzen door niet het onderschrijven van onze waarden te eisen maar het onderschrijven van onze arbeidsvoorwaarden. Als hij dat zou doen wordt het misschien nog wel wat met die Internationale.

18 juli 2017

=0=



Wegens succes gesloten

Midden jaren negentig kwamen de geluiden op over een PvdA die zo ongeveer wel bereikt had wat bereikt moest worden. De geluiden kwamen van mensen die niet politiek maar bestuurlijk dachten en die dachten dat elk toekomstig probleem rond arbeid en emancipatie met de juiste overheidsmaatregelen wel op te lossen was.

De PvdA was een partij geworden die geen mensen nodig had, het was een partij die beleid nodig had en niets anders dan dat. Nou goed, ook het verhaal dat het beleid zou versieren en aan de man brengen. Het was de tijd waarin Neelie Kroes Bram Peper influisterde dat het weer eens tijd was enige ideologische veren af te schudden (moest, volgens Neelie, moest om de paar jaar), een suggestie die Peper maar al te graag overnam en verwerkte in de tekst van de Den Uyl-lezing van 1995, die door Wim Kok werd uitgesproken.

De VVD pronkte als nooit tevoren met zijn ideologische veren, de PvdA schudde ze op instigatie van de VVD juist af. De VVD heeft wel wat beters te doen dan veren afschudden, wat tante Neelie daar ook van vindt. De VVD vindt steeds minder van tante Neelie en van wat tante Neelie vindt. Ik heb lang gezocht naar een bondige karakterisering van paars, ik geloof hem hierin te hebben gevonden: de ideologie van de VVD gecombineerd met het ideaal van de PvdA. De PvdA vindt een politieke partij uit met idealen en zonder ideologie, de VVD vindt zichzelf meer dan ooit een partij met ideologische veren en voelt zich daar uitstekend bij (en D66 kiest zonder mankeren het pragmatische middenpad dat als altijd naar rechts afbuigt).

Waarom kon de PvdA het zonder ideologische veren? Inderdaad, omdat de partij had verwezenlijkt wat nodig was. Zo had de partij, zei Kok in 1995, de invloed van het ‘lot’ teruggedrongen en vervangen door de invloed van ‘bijstand’ door de overheid. In dezelfde lezing beweerde Kok dat armoede alleen niet genoeg is om mensen in beweging te brengen. Profetische woorden: de zowel ideologische als ideële armoede van zijn ‘lot’ en ‘bijstand’ bracht inderdaad alleen mensen in beweging die de uitgang zochten. Hij wou ze ook helemaal niet in beweging brengen, hij wou ze beschermen. Met een heuse ‘gemoderniseerde verzorgingsstaat’. Waarom moest die verzorgingsstaat worden ‘gemoderniseerd’? Omdat die te bureaucratisch was en met name: te duur. De bureaucratie (publiek én privaat) tiert weliger dan ooit als gevolg van de ‘modernisering’ en de kosten ervan worden meer en meer bij de burger gelegd.

Dan, is de hoop, wordt de verzorgingsstaat duurder voor de burger en dat is goed want het dwingt de burger tot prudent gebruik en het wordt minder duur voor de staat en dat is ook goed want de modernisering brengt organisatorische vernieuwing en onvermijdelijke eigen kosten met zich mee en die moeten per slot ergens (uit eigen bijdragen en eigen risico) worden afgeboekt. Linksom of rechtsom, tegenwoordig: linksom én rechtsom, is de verzorgingsstaat een bedreiging van de economie en de ideologie van de markt en daarom moet het goedkoop en met de afvink-efficiency van de markt. Dat niet beseft te hebben en dus te zijn meegegaan in de neoliberale ideologie van de jaren tachtig en later, dat is de crisis van de sociaaldemocratie, is mede verzonnen door sociaaldemocraten, is als een overwinning (de overwinning van het schrale en verschaalde maatwerk) gevierd door sociaaldemocraten.

Voor Kok is sociaal precies hetzelfde als voor de VVD: sociaal is een meelijwekkende categorie waarvoor we over ons hart moeten strijken omdat de mensen die het betreft niet voor zichzelf op kunnen komen. Dat is een ontkenning van de sociaaldemocratie die er ooit een eer in zag de mensen die niet voor zichzelf konden opkomen te organiseren – en daar zijn bestaansgrond aan ontleende. Mensen niet als slachtoffers te zien, mensen wel als handelingsbekwame actoren te zien. Niet de rommel van de globalisering wegpoetsen maar anders globaliseren. In het geval van Kok was die tijd wel voorbij. Hij heeft mensen en veren afgeschud. En het is voor de huidige sociaaldemocratie niet anders. Wat zou Neelie er van vinden?

Wie van de sociaaldemocratie het ‘sociaal’ verwijdert houdt alleen nog de democratie over. Daar kom ik nog op: wie is de demos van de sociaaldemocratie?

17 juli 2017

=0=

 

Lease

Eén van de eerste bedrijven die in 2008 mocht profiteren van de ruimhartig aan het bank- en verzkeringswezen verleende staatssteun was LeasePlan. LeasePlan deed in autoverhuur, was geen bank, maar had wel een onlesbare finnacieringsbehoefte en was daarom zo verstandig geweest ooit een bankvergunning aan te vragen want als je leent en uitleent, dan ben je een bank, ook al doe je in auto’s. En waarom ook niet, ook woningbouwverenigingen zijn banken geworden toen ze dat mochten en dachten te kunnen, zij het dat aan hen nooit een bankvergunning is verstrekt. In het benauwde jaar 2008 vroeg LeasePlan om toegang tot de garantieregeling van de overheid. Het bedrijf had een bankvergunning, Wouter Bos zag als toenmalig minister van Financiën dat het goed was en de regeling kwam af.

De vraag waarom aan autoleasebedrijven, en a fortiori aan autoleasebedrijven die volledig in buitenlandse handen zijn zoals in het geval LeasePlan, een bankvergunning is verstrekt bleek niet aan de orde. Toen niet en ook daarna niet. Toch is het niet overbodig om je af te vragen of we behalve krakkemikkige huizenfinancieringen ook krakkemikkige autofinancieringen (leaseconstructies en leningen) moeten aanmoedigen. Dergelijke vragen werden en worden door ons ministerie van Financiën niet gesteld en ook niet aangemoedigd. De helft van LeasePlan is in handen van Volkswagen, het bedrijf dat we kennen van de sjoemelsoftware. Laat ik het zo zeggen: sjoemelsoftware is een zeer generiek woord, een auto is een duur ding, de rente is vrijwel nul en een onderpand wordt niet gevraagd. Is dat niet een uitnodiging wat meer financiële risico’s te nemen dan verantwoord is, zeker als je als autohandelaar behalve over auto’s die je kwijt wilt ook nog over een bankvergunning en een garantieregeling beschikt?

In het Algemeen Dagblad van vandaag wordt gewezen op het financiële gevaar dat de enorme autoschuldenberg is geworden, in het bijzonder in de VS en het VK. Men maakt zich daar zorgen over subprime autofinancieringen, net zoals tien jaar geleden over subprime hypotheken. Met de huidige lage rentestand is het wel verklaarbaar dat een deel van de economische groei in die landen te danken is aan op krediet aangeschafte of via een leaseconstructie gehuurde spullen, zoals auto’s. Lease is tegenwoordig ook voor particulieren gemakkelijk geworden.

Wil je in een nieuwe auto rijden en heb je geen eigen geld dan is leasen een oplossing. Tot je de maandlasten niet meer kunt ophoesten, je van je contract af moet, je daar grote boetes op moet betalen, je in handen komt van de private schuldhulpverlening (waar zowel de Groene als de Correspondent de laatste tijd veel aandacht aan schenken) en het leven plotseling een stuk minder aardig is geworden. Ook voor de bedrijven aan de andere kant van de vergelijking is het niet prettig geconfronteerd te worden met wanbetalende klanten. Hun schuld doorverkopen is een manier om ze te lozen maar ook dan heb je verlies en mocht het wat langer tegenzitten (als door stijgende inflatie de rente omhoog moet bijvoorbeeld) dan kan het best weer heel lelijk weer worden.

Bij ons, lees ik in het AD, loopt het zo’n vaart niet. Daar staat tegenover dat wij nog altijd het hypothekenmirakel van de wereld zijn en dat zal ongetwijfeld het aan kunnen gaan van autoschulden bovenop een hypotheekschuld dempen. Maar je weet maar nooit – we weten inderdaad niet hoeveel miljarden leasekapitaal in ons land rondzwervenen en we weten al helemaal niet of dat kapitaal van even goede schokdempers is voorzien als de auto’s die ze aanprijzen. Een geruststelling is het niet, alles bij elkaar.

Bij het Ministerie zullen ze wel weer zeggen dat er geen reden tot ongerustheid is. En vermoedelijk zeggen ze niks want slapende burgers en slapende parlementariërs moet je niet wakker willen maken en LeasePlan blijft uit zichzelf wel wakker.

11 juli 2017

=0=

 

NEP: Nieuw Economisch Product

Nou goed dan, ik vertrouw het niet. Zojuist lees ik in dagblad Trouw een berichtje over de verklaring van het waarom van de lage inflatie in Europa en de VS. Wat de monetaire autoriteiten ook doen, schrijven ze zelf, de inflatie pikt maar niet op en hoe komt dat?

Dat komt doordat de werkloosheid eigenlijk veel hoger is dan de officiële percentages ons voorspiegelen. Ons, dat zijn wij, en dat zijn de monetaire autoriteiten en dat zijn de politieke gezagsdragers. Bij de percentages moet je de ontmoedigden optellen en een deel van de deeltijdwerkers en zzp-ers die graag meer zouden willen werken (dat is beleidsjargon voor mensen die misschien wel helemaal niet meer willen werken maar gewoon niet rond kunnen komen). Tel die mee en het percentage ligt in één keer drie keer zo hoog.

Neppercentages kortom en ook nepmotieven want de meeste ontmoedigden zijn niet zozeer ontmoedigd als wel genegeerd en overgeslagen en uitgespuugd en de meesten die meer willen werken willen misschien niet zozeer meer als wel voorspelbaarder, zekerder, verzekerder, kortom ze willen zoiets als een sociale zekerheid die er ooit geweest moet zijn maar die tegenwoordig voor steeds meer mensen onvindbaar is. Structureel hervormd, dat wel, en daarom onvindbaar.

Wat ik vooral niet vertrouw is de herkomst van de berichten uit de kringen van de monetaire autoriteiten. Die herverpakken (het zijn bankiers tenslotte) oud nieuws over de moeizame relaties tussen werkloosheid en inflatie en brengen het als nieuw nieuws. Dat is nep, maar verneukeratiever is dat diezelfde monetaire autoriteiten niet durven toegeven dat net zoals zij de greep op het aanbod van geld kwijt zijn (en daarmee op de ‘prijs’ ervan, de rente) de nationale autoriteiten de greep op het aanbod van arbeid kwijt zijn (en daarmee op de ‘prijs’ ervan, het loon). En als je de greep op het geldaanbod verliest, en je verliest de greep op het arbeidsaanbod dan is het de hoogste tijd na te gaan wat dat (de deregulering van het geldaanbod, de deregulering van het arbeidsaanbod) bij elkaar betekent voor de centrale referentie van al die hoeveelheden en percentages: het BNP.

Mijn vraag is: waarom verwijzen de monetaire autoriteiten niet naar de groeiende onbetrouwbaarheid van het BNP als indicator van bedrijvigheid en winstgevendheid, werkgelegenheid en arbeidsinkomensquote, en van de relatie daartussen? Waarom hebben wij nu een president DNB die in plaats van monetair beleid te voeren het vakbondsbeleid aan het opporren is? Die blijkbaar meent dat de vraag naar arbeid zal stijgen als gevolg van meer koopkracht als gevolg van hoger loon – en andere aangename mechanismen uit de tijd dat de reële economie en het BNP eruit de toon zetten? Die tijd is vervlogen, net als de tijd van ‘Klaas komt’. Ons BNP is al enkele decennia geen BNP meer; in plaats daarvan is het NEP geworden: Nieuw Economisch Product. Nieuw? Ja, nieuw en het nieuwe schuilt in de financialisering van de ooit overweldigend reële grootheid van het BNP.

Een paar dagen geleden kwam ik bij Paul de Grauwe een verwijzing tegen naar een paper uit 2016 (The Financialization of GDP and its Implications for Macroeconomic Debates) van een Amerikaanse econoom, Jacob Assa. De stelling van Assa is simpel: sinds we de financiële diensten als productie zijn gaan beschouwen en daarom meenemen in de bepaling van de omvang van het BNP is het nut van het BNP voor de bepaling van de relatie tussen bedrijvigheid, werkgelegenheid en inflatie achteruitgehold. Dat is ook niet zo vreemd. Als je de verkoop van slechte leningen als ‘productie’ opvat hoef je je niet te verbazen dat als het gif van de lening zich verspreidt het aanvankelijk positieve (want officieel zo gedefinieerde) effect van de lening omslaat in een negatief effect. En terugslaat op de reële economie uiteraard en dus op zulke reële zaken als reeële bedrijvigheid en reële werkgelegenheid. Mochten we willen weten wat het effect is dan hebben we meer aan betrouwbare informatie over de mate van giftigheid van leningen dan over de ‘productiviteit’ van de financiële sector.

Die betrouwbare informatie is er niet. De monetaire autoriteiten zouden ervoor moeten zorgen maar die hebben wel wat anders aan hun hoofd. Het is hun taak niet te wijzen op de verwoestende invloed van het behandelen van financiële producten als gewone producten op de betrouwbaarheid van het BNP, de verwoestende invloed ervan op de mogelijkheid en effectiviteit van beleid om werkgelegenheid en inflatie te sturen. Het is hun taak natuurlijk wel maar zij denken daar anders over. Kennelijk.

7 juli 2017

=0=