DAGBOEKHOUDER
Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam 2018

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010–2011–
2012–2013–2014–2015–2016–
2017–2018


Om naar het begin van de pagina te gaan: klik op =0=

 

November

Uw aanwezigheid hier spreekt niet vanzelf

Oktober

Collectief

Negatief

Juli

Over mimesis gesproken …

Juni

In de week/0


 


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 64
mei - augustus 2018

Dagboekhouder 63
maart - april 2018

Dagboekhouder 62
januari - februari 2018

Dagboekhouder 61
november - december 2017

Dagboekhouder 60
september - oktober 2017

Dagboekhouder 59
juli - augustus 2017

Dagboekhouder 58
mei - juni 2017

Dagboekhouder 57
maart - april 2017

Dagboekhouder 56
januari - februari 2017

Dagboekhouder 55
november - december 2016

Dagboekhouder 54
september - oktober 2016

Dagboekhouder 53
juli - augustus 2016

Dagboekhouder 52
mei - juni 2016

Dagboekhouder 51
maart - april 2016


Dagboekhouder 50
januari - februari 2016

Dagboekhouder 49
november-december 2015

Dagboekhouder 48
september-oktober 2015

Dagboekhouder 47
juli - augustus 2015

Dagboekhouder 46
mei - juni 2015

Dagboekhouder 45
maart - april 2015

Dagboekhouder 44
januari - februari 2015

Dagboekhouder 43
november - december 2014

Dagboekhouder 42
september - oktober 2014

Dagboekhouder 41
juli - augustus 2014

Dagboekhouder 40
mei - juni 2014

Dagboekhouder 39
maart - april 2014

Dagboekhouder 38
januari - februari 2014

Dagboekhouder 37
november - december 2013

Dagboekhouder 36
september - oktober 2013

Dagboekhouder 35
juli - augustus 2013

Dagboekhouder 34
mei - juni 2013

Dagboekhouder 33
maart - april 2013

Dagboekhouder 32
januari - februari 2013

Dagboekhouder 31
november - december 2012

Dagboekhouder 30
september - oktober 2012

Dagboekhouder 29
juli - augustus 2012

Dagboekhouder 28
mei - juni 2012

Dagboekhouder 27
maart - april 2012

Dagboekhouder 26
januari - februari 2012

Dagboekhouder 25
november - december 2011

Dagboekhouder 24
september - oktober 2011

Dagboekhouder 23
juli - augustus 2011

Dagboekhouder 22
mei - juni 2011

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Uw aanwezigheid hier spreekt niet vanzelf.

Dat mijn aanwezigheid lang niet overal en altijd vanzelf spreekt, hoort bij mijn eerste herinneringen. Als kind mocht ik vaak niet meedoen – kinderen die scheel kijken worden door andere kinderen nogal eens buitengesloten. Hun aanwezigheid wordt niet op prijs gesteld. ‘Die schele mag niet meedoen’. Teksten waar kinderen feilloos een wond mee openhalen. En niet alleen kinderen, ook volwassenen. ‘Die ogen!’ Ik hoor het nog, die woorden om een ruzie te beslechten, of op z’n minst op een spoor te zetten waar de rede niets en de verkettering alles te zoeken heeft. Eindelijk is het hoge woord eruit; hoge woorden die als veroordelingen klinken en een voortzetting onmogelijk maken. Of dat bij een later treffen, mocht dat zich voordoen, als onbedoeld wordt neergezet (‘nevenschade’ is het moderne toverwoord, begrijp ik van onze minister van Defensie), geeft slechts aan dat de veroordelende partij er nog altijd niets van heeft begrepen. Het persoonlijke is politiek, de persoonlijke en de politieke ontkenning liggen dichter bij elkaar dan je soms zou denken.

Scheelzijn is de schaduwkant van een ongewild en ongekozen gegeven, dat bij gelegenheid – die je ook kunt fabriceren als dat zo uitkomt – wordt omgezet in een aan de ander toegeschreven identiteit. Twintig jaar geleden heb ik de stand van mijn ogen laten corrigeren in het OLVG. De aanleiding was een bijzonder onaangenaam incident in een door mij geleide werkgroep (onderdeel van een re-integratieproject voor werkloze academici die in hun vak geen emplooi meer konden vinden). Ik was tot dan toe in mijn vak altijd gespaard gebleven voor pesterijen vanwege mijn ogen. Nee dus. De oogcorrectie was een poging tot verdere schadebeperking. De correctie is redelijk gelukt. Voor de ervaring dat mijn aanwezigheid in gezelschappen niet vanzelf spreekt heeft het overigens weinig verschil gemaakt. Vanaf een gegeven moment vervalt het gemak van oorzaak en gevolg (haal de oorzaak weg en het gevolg zal verdwijnen) en is het zoals het is. Ik plaats dat moment al in mijn vroege jeugd. De latere oogcorrectie kon dat (uiteraard, zeg ik met de kennis van nu) niet meer ongedaan maken.

Het zijn niet alleen mijn ogen. Inderdaad, talloze keren ging het over mijn ogen, maar één keer ging het over mijn geslacht, en één ander keer over mijn huidskleur. Ik was in boekhandel Xantippe, het jaar is me ontschoten. Ergens in de jaren tachtig, vermoed ik. In elk geval was de winkel al verhuisd van de Westerstraat naar de Prinsengracht. Ik vroeg naar een boek. Dat bleek er niet te zijn. Ik vroeg of het besteld kon worden. De verkoopster zei toen: ‘uw aanwezigheid hier spreekt niet vanzelf, meneer’. Ik was met stomheid geslagen. Wist ik veel dat er een raar tekstje bestond van het ‘collectief’ dat de boekhandel dreef, met daarin onder meer de volgende zinsnede: ‘Wij zijn vrouwen die in een vrouwenboekwinkel voor vrouwen werken en niet voor mannen. Voor vrouwen willen we ons uit de naad werken, niet voor mannen. Dus laat je man/vriend/vader thuis’? (mijn cursivering, TK) Tja, je zult maar een moeder zijn die van haar twee kinderen er eentje, haar zoontje, op de stoep moet achterlaten als ze een boek bij Xantippe wil kopen of inzien. Of hem gewoon thuis moet laten natuurlijk. Dat kan ook en soms zijn vaders dan toch ergens goed voor. Xantippe bestaat overigens nog altijd, zij het sinds een jaar of twintig onder de wervende naam Xantippe Unlimited. De ‘vrouwvriendelijkheid’ is gebleven. Of dat inhoudt dat de ‘man-aversie’ ook is gebleven staat er niet bij. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat de commercie het gewonnen heeft van de identiteit. Identiteit, immers is een markt, een markt is een nis en als de nis gaat knellen pas je je aan. Van limited naar unlimited, ik noem maar wat.

Ergens in de tweede helft van de jaren zestig van de vorige eeuw, ‘deed’ ik met mijn broer B. een dagje Amsterdam. Ik denk dat het in 1967 was, het jaar dat ik mijn kamer in Amsterdam had opgezegd om tijdelijk spoorstudent te worden. Begin 1968 verhuisde ik opnieuw naar Amsterdam om er sindsdien te blijven. We kregen dorst, we liepen in de Nieuwe Amstelstraat en tegenover ons zagen we een café, café Nieuw Amsterdam. We gingen naar binnen, betraden een niet heel grote en tamelijk donkere ruimte. Aan de bar zat een aantal mannen, allen met een zwarte huidskleur. Ze keken ons aan, niet vijandig en ook niet nieuwsgierig, en evenmin uitnodigend. Onze aanwezigheid sprak niet vanzelf, zal ik maar zeggen. Het was alsof we iets uit te leggen hadden, maar dan zonder er de juiste woorden voor te hebben.

Café Nieuw Amsterdam was één van de vier Surinaamse cafés die Amsterdam toen nog rijk was. Het bestaat niet meer en of de andere drie nog wel bestaan (maar dan, gegeven de onafhankelijkheid van Suriname, als Surinaams-Nederlandse cafés) weet ik niet. Kort geleden vroeg ik mijn broer of hij zich het voorval in Nieuw Amsterdam nog herinnerde. Dat bleek niet het geval. De reden dat ik het hem vroeg was dat ik op zijn aanbeveling het boek Witte schuld van Elma Drayer had gelezen en daar de indruk aan had over gehouden dat zij van een dergelijke verlegenheid niet wist en, vermoed ik, ook niet zou willen weten. Ik wilde mijn broer voorleggen of hij zich in die inschatting kon vinden. Meer nog, dit is de aanleiding voor het schrijven van dit stukje.

Nu moet ik bekennen dat ik enigszins allergisch voor Drayer ben. Zelfs als ze gelijk heeft is het een gelijkhebberig gelijk, dat is mijn probleem met haar. Het begint in dit geval al met de titel van haar boek, een variatie op de titel van een publicatie van Gloria Wekker, Witte onschuld. De titel van Wekker is een vergissing; Drayer doet niet anders dan het teken voor de vergissing veranderen en herhaalt bijgevolg de vergissing. De vergissing zit 'm niet in het woord ‘wit’, het zit 'm in het woord onschuld respectievelijk schuld. Het gaat niet om schuld en onschuld (dat is een kennelijk onuitroeibare Nederlandse hebbelijkheid, een staaltje onvervalste Nederlandse ‘cultuur’ dat voor- en tegenstanders van diverse kwesties hanteren, van Zwarte Piet bijvoorbeeld, en van het vraagstuk van de verantwoordelijkheid voor het Nederlandse slavernijverleden en het koloniale verleden, van de erkenning van het ignoreren van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor het wegkijken van het wegvoeren en vernietigen van de Nederlandse Joden), het gaat met zoveel woorden om ignoreren in plaats van schuld hebben aan en het gaat om onwetendheid in plaats van onschuld. White ignorance is het woord dat James Baldwin past, de auteur op wiens gezag Wekker zich onterecht beroept. Wekker stelt (in haar inleiding bij de vertaling van Niet door water maar door vuur van Baldwin) dat zij ‘ignorance’ wenst te vertalen met ‘innocence’ omdat, zo schrijft ze naar aanleiding van de door haar geconstateerde overeenkomsten tussen Baldwin en haar eigen boek Witte onschuld: ‘[i]k (…) helemaal niet aan Baldwin [dacht] toen ik die titel koos. Maar nu was ik getroffen door de vele malen dat hij het woord ‘innocence’ met betrekking tot witte mensen gebruikt (...)’. In een verklarende voetnoot legt ze uit dat Baldwin het niet over innocence maar over ignorance heeft. Dat zij dat niet wil overnemen en ignorance vervangt door innocence komt doordat volgens haar in ignorance de ‘vergeving’ al ‘heeft plaatsgevonden’. Het is van een vergelijkbare arrogantie als die van de Nederlandse uitgever die het woord ‘neger’ (‘negro’) in de tekst van Baldwin, het woord dat in 1963 toen Baldwin de tekst schreef doodgewoon was, net zo doodgewoon als ‘blanke’ in plaats van ‘witte’ toen was, overal heeft vervangen door ‘zwarte’ respectievelijk ‘witte’. Wat nu heerst had altijd al moeten heersen en geschiedenis is overbodig.

Wekker (en in haar voetspoor Drayer) negeert het voordeel van de tweeledigheid van de betekenis van het woord ‘ignorance’, het woord dat het spectrum omvat dat loopt van de blinde vlek (‘onwetendheid’) tot en met de loochening (‘ontkenning’). Om elkaars aanwezigheid over en weer te erkennen als een noodzakelijke voorwaarde voor welk zinnig gesprek dan ook moeten we niet beginnen met het duo van schuld en onschuld (want dat leidt slecht tot de ‘agressieve onwetendheid’ waar Wekker een enkele keer aan refereert), we moeten beginnen met het aanpakken van onwetendheid (de opgave van onderwijs en opvoeding) en ontkenning (de opgave van politiek en recht). Ik beweer niet dan het dan wel in orde zal komen, ik beweer wel dat indien we de gevangene blijven van het schuld/onschuld spel van Drayer en Wekker, het nooit wat kan worden.

Schele mensen hebben nooit een groep gevormd, zwarte mensen, vrouwen, en in het algemeen ‘minderheden’ hebben dat wel gedaan. Zonder collectieve emancipatie geen individuele. Maar ook dan blijft de manier waarop we dat doen beslissend. Twee opvattingen ter zake die, tot slot, de burger moed geven: ‘Zitten we liever aan tafel met een ons bekende rechts-extremist en doen we alsof alles normaal is, of stellen we hem en dus ook onszelf ter discussie door op te komen voor diegenen die ons vreemd zijn?’ (Daniel Schulz, We waren als broers; 30 jaar val van de Muur: Jongeren in Oost-Duitsland De Groene 30 oktober 2019). En Géraldine Schwarz: “Kennis van het verleden zadelt ons niet op met schuldgevoel en zelfkwelling. Het maakt ons verantwoordelijk voor het heden.” (aangehaald door Stevo Akkerman, Het populisme gebruikt de geschiedenis als voorraadkast, Trouw, 4 november 2019)

7 november 2019

=0=


Collectief

Als uit de pensioenfondsen de collectiviteit wordt weggehaald, ten faveure van de pensioenverzekeraar, is het dan met de ontmanteling van de Nederlandse collectieve traditie gedaan? Dat suggereerde ik wel, in de aflevering ‘Negatief’. Dat was voorbarig. Van vrijwel even eerbiedwaardige leeftijd als de collectieve pensioenfondsen is het instituut van de collectieve arbeidsovereenkomst, de CAO. En ook die gaat eraan.

De pensioenfondsen zijn mede in gevaar door de afbouw van het regiem van de CAO. De concurrent in dit geval is niet de verzekeraar, het is de zzp-er, vergezeld door de afwezige werkgever. De verzekeraar hoeft zich niet te houden aan de regels van de rekenrente; het zou een rare vertoning zijn als de verzekeraar plotseling meedeelt dat hij minder gaat uitbetalen omdat de rente tegenzit. Meer nog, dat legt de bijl aan de wortel van het verzekeren. Dat zal niet gebeuren. Aan de andere kant, het regelvoordeel van de verzekeraar wordt gekocht met het toegangsverbod tot de omkeerregel van de belastingen. Wie uit zijn inkomen premie betaalt aan een pensioenfonds betaalt over dat deel van het inkomen voorlopig geen belasting; de belasting wordt pas geïnd als het pensioen wordt uitgekeerd en omdat het inkomen dan in de regel lager is dan het inkomen van vóór het pensioen scheelt dat in de belastingdruk. Dat voordeel hebben de verzekeraars dan weer niet in de aanbieding.

Mutatis mutandis speelt hetzelfde bij de vergelijking werknemer/zzp-er. Aan de kant van de belastingen heeft de zzp-er recht op de zelfstandigenaftrek (en in de beginperiode ook nog op de startersaftrek). Dat zorgt voor een lagere belastbare omzet en dus voor lagere belastingen. Daar komt bij dat ook diverse zakelijke kosten (computer enz.) van de omzet kunnen worden afgeschreven, in een door de zzp-er zelf te bepalen tempo (de zogenaamde willekeurige afschrijving). Met uiteraard opnieuw een belastingvoordeeltje, dat ooit ook aan de werknemer werd gegund maar dat hem inmiddels is afgenomen. Verder draagt de zzp-er per definitie geen sociale (: collectieve) premies af, waardoor het inkomensvoordeel ten opzichte van de werknemer opnieuw groter wordt. En ook hier is er een andere kant. Een zzp-er heeft geen recht op vervangend inkomen bij ziekte, bij invaliditeit en bij gebrek aan opdrachten. En, naar mijn mening belangrijker, het relatieve voordeel van de zzp-er wordt voor een niet onaanzienlijk deel gekaapt door opdrachtgevers die ook wel weten dat het gros van de zzp-ers kwetsbaar is bij elke conjuncturele tegenslag, dat velen de structurele onzekerheid over hun inkomsten best willen inwisselen voor wat meer zekerheid, gekocht met een lager tarief, en, bovenal, dat de zzp-er zich niet collectief mag organiseren – strijdig met de regel van vrije concurrentie, zegt de ACM. Om het niet al te bont te maken wordt in 2021 een minimumtarief ingevoerd dat zzp-ers in onderlinge prijsafspraken hard mogen maken. Alles boven dit minimale tarief (16 euro bruto per uur) valt buiten de afspraak en mag niet collectief worden nagestreefd. Nodig is wel dat de zzp-er een echte zelfstandige en geen schijnzelfstandige is. De ACM heeft over een en ander een werkelijk fascinerende document opgesteld (Consultatiedocument leidraad Tariefafspraken zzp-ers, juli 2019), fascinerend vooral omdat de ACM angstvallig zich in alle mogelijke bochten wringt om toch vooral maar geen juridische omschrijving van de zzp-er te hoeven geven, De ACM zich beperkt zich tot ‘feitelijke’ situaties en verhoudingen. Dat wordt nog wat. Overigens kan ik de ACM de juridische omissie niet echt kwalijk nemen. Dat is zaak voor de minister die, geheel in de stijl van dit kabinet, beter is in het voor zich uitschuiven dan in het nemen van beslissingen. Geen wonder dat de beslissingen die dan nog wel worden genomen nergens op lijken.

Hoe moeilijk is het? Zelf denk ik dat juridisch al veel gewonnen wordt door van een zzp-er te eisen dat deze zich als rechtspersoon registreert. Een werknemer is immers als werknemer altijd een natuurlijk persoon en geen rechtspersoon, een zzp-er zou, vergelijkbaar met het eenmansbedrijf waar één persoon verantwoordelijk is voor de gehele gang van zaken van het bedrijf, altijd rechtspersoon moeten zijn. Met andere woorden, als we niet terecht willen komen in een eindeloos gehakketak over wat ‘feitelijk’ is in alle verhoudingen waar we de zzp-er terugvinden dan hebben we een vraag- dan wel probleemstelling nodig waarvan het antwoord respectievelijk de oplossing mede afhankelijk is van de juridische status van de zzp-er. Is deze onbepaald, dan houden we geen feiten maar alleen de uitkomst van machtsverhoudingen over. Dat is de huidige situatie. Is deze bepaald, dan kunnen we elke situatie en elke gebeurtenis (de ‘feiten’) in elke casus toewijzen aan de verantwoordelijke partij/partijen. Dat is een betere situatie. Ik heb er een hard hoofd in of die situatie een kans van leven zal worden vergund. Ik sluit het niet, maar van dit kabinet zie ik het niet komen.

Desondanks, het is de hoogste tijd de juridische betekenis van de zzp-er vast te stellen. Dat is mede nodig omdat aan werknemerszijde de duidelijkheid over een arbeidsrelatie ook al onder grote druk staat. We kunnen in datzelfde verband waarnemen dat ook de juridische betekenis van de CAO, evenals het bereik van de CAO, achteruit gaat. Wat dat betreft beleven we, vergeleken met de pensioenen, een herhaling van zetten. Niemand die ooit wist wat de pensioenbelofte waard was – en nu zitten we in de situatie dat geen pensioenfonds nog aan de voormalige belofte gehouden wil worden, laat staan dat er een nieuwe belofte voor in de plaats komt. Die kant gaat het ook op met de CAO, onder meer omdat een CAO een collectieve overeenkomst is die voor de werknemer pas concreet gestalte krijgt wanneer hij uitmondt in een contractuele individuele arbeidsrelatie. En ook aan laatstgenoemde relatie wordt aan alle kanten getrokken. De wet laat het steeds meer afweten, de werkgevers zien er, vergelijkbaar opnieuw met de pensioenen, de lol niet meer van in, en de ondernemer beroemt zich op zijn lef risico’s te nemen – en schuift die vervolgens door naar de werknemers, de uitzendkrachten, de payrollers, de nuluren- en andere oproepcontractanten, en naar de zzp-ers. De laatstgenoemde categorie is een vreemde eend in de bijt: zzp-ers horen in de ondernemersbijt, niet in die van de werknemers. Ook hier zou het helpen als duidelijk wordt afgesproken welke juridische status de zzp-er heeft. Tegelijk wordt hiermee duidelijk dat de werkgevers en de opdrachtgevers wel kunnen leven met de huidige situatie. Hun ideaal is dat van de zzp-er die zij als een werknemer kunnen ringeloren en vervangen, terwijl de zzp-er zelf verstoken is van collectieve rechten. Hun inzet is niet juridisch, hun inzet is politiek. Zij vinden de zzp-ers helemaal geen ondernemers en willen hen ook niet in hun kamp. Zij vinden dat de zzp-ers het maar met de werknemers moeten uitvechten. Werkgevers en opdrachtgevers willen geen recht waaraan zij zich moeten aanpassen, zij willen recht dat zich voegt naar hun wensen. Dan zijn ze bij D66 en bij dit kabinet, en dus bij minister Koolmees, aan het goede adres, alleen moet de goede man dan wel eens opschieten. Zoveel tijd heeft het huidige kabinet ook niet meer. Het vorige kabinet heeft het laten lopen, in de fraaie tandem van Asscher en Wiebes, daarbij in de Tweede Kamer geassisteerd door onder ander Mei Li Vos van de PvdA (de inbreng van de voor dit ‘dossier’ verantwoordelijke VVD-parlementariër was zo mogelijk nog droeviger), dezelfde Mei Li Vos die tegenwoordig de Eerste Kamer met haar aanwezigheid opsiert en zelfs de fractievoorzitter van de PvdA ter plekke is. Ik bedoel maar, ook Mei Li Vos liet het lopen. Kan het zijn dat het fractievoorzitterschap haar beloning is geweest voor wat gratuit gesol met de zzp-er? Raar is het overigens wel, voor een oprichter en eerste voorzitter van het AVV, het Alternatief voor Vakbond. En het is weer al te begrijpelijk als je bedenkt dat het AVV niet opdrachtgevers, werkgevers en ondernemers als tegenstanders ziet maar alleen en uitsluitend de Nederlandse vakbonden. Op het vlak van de pensioenen, waarvan de misère door AAV bestuurder geheel en al op het conto van de vakbeweging wordt bijgeschreven, op het vlak van de CAO, waar het AVV, als het al eens wordt opgemerkt door de werkgevers, onder de duiven van de grotere bonden, in het bijzonder die van het FNV, mag schieten.

Onder iemands duiven schieten is synoniem met oneerlijke concurrentie. De arbeidsmarkt is ervan vergeven, de arbeidsverhoudingen worden erdoor vergiftigd en het collectief is het haasje.

20 oktober 2019

=0=

 

Negatief

Om de een of andere reden wordt in economenland met scheve ogen gekeken naar het verschijnsel van de negatieve rente. Waarom dat zo is, is me niet duidelijk. Sinds de invoering, ruwweg 25 jaar geleden, van de curieuze regel dat banken productief zijn en dat de productiviteit van een bank wordt bepaald door het verschil tussen de rente die de bank ontvangt voor wat hij uitleent en de rente die hij betaalt voor deposito’s (van klanten bij hem tot en met z’n eigen deposito’s bij de ECB) doet de hoogte en doet ook het teken (plus of min) van de nominale rente er niet toe, zolang er maar een voor de banken positief renteverschil is tussen uit- en inleen. Het productiviteitsbegrip staat het toe. Je kunt het een vreemde consequentie van een raar productiviteitsbegrip vinden maar dat is een andere discussie. In economenland heeft men er een kwart eeuw naar mogen kijken – daarom doet de verbazing over een negatieve nominale rente lichtelijk oneigenlijk aan. Bovendien, als de inflatie hoger is dan de nominale rente (in de jaren zeventig van de vorige eeuw was dat tijdelijk het geval) krijgen we te maken met een negatieve reële rente. Je sloot een hypotheek af op een huis, voor tien jaar bijvoorbeeld, en de rente daarop was zeven procent. Het kon dan voor komen dat de inflatie gedurende die tien jaar naar tien procent opliep. Dan had je een negatieve reële rente van -3%. Niemand die dat toen onbegrijpelijk vond. Het was niet prettig voor de banken die voor zeven procent hadden verkocht en het was niet prettig voor huizenkopers die op een gegeven moment onderweg alleen maar konden instappen voor, zeg, twaalf procent, maar we kunnen het niet iedereen naar de zin maken. Nu ja, de banken kun je beter niet tegen je in het harnas jagen, en dus werd voor hen, en en passant ook voor andere ondernemers, de inflatie aangepakt. Om de zaak in evenwicht te brengen raakten de werknemers hun inflatiecorrectie kwijt. Over de rente maakte men zich in die dagen minder zorgen. Het rentepercentage was in de jaren zeventig nog tamelijk stevig, niet slechts in naam maar ook in feite, in handen van de centrale banken. Dat het zo was en niet anders was een gevolg van het feit dat de centrale bank toen nog een behoorlijke, zij het snel verzwakkende, greep had op het geldaanbod. En dát de greep zwakker werd was weer het gevolg van het vrijwel ongedaan maken van de invloed van overheidsfinanciering (want: ‘inflatoir’ omdat overheden en hun publieke sectoren in de geldende dogmatiek per definitie niet productief zijn) ten faveure van private financiering en, in het bijzonder, van ‘financiële markten’. Daarmee verloren de centrale banken hun greep op het geldaanbod – dat nu vrijwel totaal uit private geldschepping bestaat. In dezelfde beweging werd bankieren van een prudente activiteit omgetoverd in een durfkapitalistische activiteit (het nieuwe bankieren is het casino bezoeken om te spelen met het geld van anderen) en, uiteraard, kon dan de beloning voor dit type activiteit, in de vorm van een aan het nieuwe bankieren aangepast begrip van productiviteit, niet uitblijven.

Zo kon het gebeuren dat na 2008 de productiviteit van de reële economie inzakte als gevolg van het in een gigantische crisis uitmondende roekeloze gedrag op financiële markten (waar per dag nieuwe ‘producten’ bedacht werden, aangeprezen als even zovele vormen van risicospreiding). Het resultaat was dat de banken, representanten bij uitstek van het casinokapitalisme, uitstaande leningen niet verlengden, en nieuwe leningen afwezen, tenzij tegen zeer opgeschroefde rentetarieven. Talloze kleinere ondernemingen gingen hier aan onderdoor. De grote onderneming had er minder last van want net zoals faillerende banken het totale economische systeem in hun val konden meeslepen, konden grote ondernemingen in hun val hun bankiers meeslepen – en dat kon de bedoeling niet zijn. Niettemin, de reële sector boette in aan productiviteit en compenseerde dat door de lonen op achterstand te zetten, de overheden betaalden de rekening van door het ijs zakkende banken, en de productiviteit van de financiële sector bereikte niet eerder vertoonde toppen. Hoe dat kon? Door definitiezwendel en door een aanzienlijke herverdeling van de rijkdommen uit de reële naar de financiële sector, gewillig ondersteund door overheden die (in het Nederlandse geval) liever collectief gefinancierde pensioenfondsen en de individuele uitkeringen van gepensioneerden te lijf gaan dan de misstappen van het private bankierswezen aanpakken. Er wordt voor de lage rente gewezen naar de ECB, maar de politici kunnen beter zichzelf, ter verklaring van de lage rekenrente, een spiegel voorhouden..

Het voorspelbare gevolg is dat pensioenverzekeraars (die niet aan diezelfde rekenrente gebonden zijn) aantrekkelijker worden en pensioenfondsen onaantrekkelijker. Zo bezien zijn de pensioenfondsen de laatste te nemen horde in de strijd om de volledige privatisering van de gehele collectieve sector, van de volkswoningbouw via de openbare nutsbedrijven tot en met de collectieve pensioenfondsen. Ik kan me vergissen maar ik dacht niet dat de commissie Dijsselbloem hierop is ingegaan. Verder wachten we nog altijd op de uitleg waarom bij de premieheffing voor de pensioenen met een veronderstelde rente van zo’n 2½% wordt gewerkt terwijl de verplichtingenkant een verondersteld rentepercentage van 0% krijgt opgelegd. Waarom niet aan beide zijden hetzelfde rekenpercentage? In de eurozone is dat gebruikelijk – behalve bij ons. We moeten maar hopen dat het antwoord, omdat het naar alle waarschijnlijk niet van onze politici komt, misschien wel door de Europese rechter gegeven zal worden, van wie we mogen verwachten dat diens begrip voor regels die voor de gehele eurozone gelden tot de slotsom voeren dat diezelfde regels overal op een redelijk vergelijkbare manier worden gehandhaafd – en dat Nederland zich dus nader moet verklaren. Overigens, dat private verzekeraars goed garen spinnen bij de heersende rente-anomalie ligt voor de hand, en dat de Tweede Kamer in 2006, bij de invoering van de huidige rekenrenteregels, niet uit liefde voor de collectiviteit heeft gehandeld ligt evenzeer voor de hand, nog afgezien van het achteraf gezien wel buitengewoon ongelukkig gekozen tijdstip. Ik ben benieuwd wat de heren en dames politici gaan bedenken wanneer ook de rekenrente negatief wordt. Iets opzij leggen voor je pensioen en je genoopt zien nog wat meer opzij te leggen omdat wat je inlegt anders wordt leeggevreten door een negatieve rente, zelfs in ons land kom je daar als politicus bij de stembus niet mee weg. Het probleem van zich afschuiven is in dat geval het meest waarschijnlijk. Per slot, een Tweede Kamer die zijn eigen incompetentie erkent is in ons land waar iedereen boter op z’n hoofd heeft, wel heel erg veel gevraagd. Dat gaat niet gebeuren. Tenzij, natuurlijk, de pensioenfondsen hun verzamelde vermogens gaan uitgeven aan de aankoop van tractoren en daarmee de totale Nederlandse economie vastzetten. Misschien, heel misschien, dat dan de Tweede Kamer iets zal monkelen over een iets te snel genomen besluit en nog dezelfde dag op z’n schreden terugkeert. De wonderen zijn de wereld niet uit, zij het dat we in meerderheid niet meer in wonderen geloven. Zou het daar aan liggen? Laten we het eens aan Carola van de CU vragen of aan die andere financiële specialist Wouter van D66, of baas boven baas, aan varkenshouder annex rekenmeester Jeroen van de PvdA. Als die dan beloven dat ze hun resultaat zullen voorleggen aan Wopke van het CDA en diens zetbaas, de nog kleurloze Klaas, dan moet het in orde komen. We hoeven niet te drammen, dat doen zij al voor ons.

Macro-economisch geldt de algemene regel dat aan het eind van een boekjaar de balans van de totale economie op nul moet sluiten. Het is te doen gebruikelijk in de balans drie sectoren te onderscheiden, de sector privaat (gezinnen en ondernemingen), de sector publiek (overheden en publieke bedrijven), de sector buitenland (export en import). De consequentie van de algemene regel is dat als op de balans in de ene sector (de buitenlandsector bijvoorbeeld) steeds een overschot opduikt (de waarde van de export overtreft die van de import) dat overschot met een tekort zal moeten worden uitgevlakt in één of in allebei van de twee andere sectoren (dus een tekort op de balans van de private sector, blijkend uit een toenemende schuldenberg bij achterblijvende inkomens en/of een tekort op de balans van de publieke sector, blijkend uit toenemende overheidsbestedingen bij achterblijvende belastinginkomsten). Nederland heeft sinds jaar en dag een overschot in de buitenlandsector, en een tekort in de private sector, met dank aan de torenhoge schuldenberg in ons land. Het beeld wordt alleen verstoord door de publieke sector waar, onder invloed van het denken in termen van ‘soberheid’ (‘austerity’), elk tekort vloeken in de kerk is en moet worden uitgebannen, óók als dat de private schuldenberg vergroot en/of het overschot in de buitenlandsector verder verhoogt, ten koste van een evenwichtige aanpassing hier en ten koste van buitenlandtekorten wereldwijd, in het bijzonder in de EU. Ook nu schiet me de naam van Jeroen Dijsselbloem te binnen, de politicus die als geen ander het intellectuele bankroet van de sociaaldemocratie belichaamt. Europees gezien zouden Nederland en Duitsland hun exportoverschot moeten verkleinen en hun begrotingstekort moeten vergroten. Ze zullen het niet doen. Liever nog hebben ze een negatieve rente. Though this be madness, yet there is method in 't. Welke methode ook weer?

Dat is niet zo moeilijk te achterhalen. De waanzin van de negatieve rente is het product van denken in causaliteiten, terwijl wat we nodig hebben een denken in termen van gelijkheden is, zoals bij, inderdaad, een balans. Als we het zoeken in oorzaken dan zou het redelijk zijn het dogma van de soberheid als de schuldige aan de kaak te stellen, maar als we de dogma’s de dogma’s laten zien we dat de effecten van de soberheid op zich niet beter of erger zijn dan de effecten van een te hoge private schuldenberg of de effecten van een te hoog exportoverschot. De rest is, niet meer en niet minder, politiek en als we iets weten van politiek, althans van politiek in Nederland, dan wel dat de politiek aan de ene kant zich nergens voor verantwoordelijk acht en aan de andere kant ieders vriend wil zijn. Dat kan niet allebei tegelijk en alleen al daarom is denken in termen van een balans nuttig. Het bevrijdt ons van de dwang overal een keten van oorzaken en gevolgen in te zien. In plaats van het schema van oorzaak en gevolg kunnen we ons beter tevreden stellen met het schema van actie en reactie (elke debetpositie vereist een creditpositie, elke debetmutatie vereist een creditmutatie, en omgekeerd).

Hoewel nuttig, is het denken in balansen in hun huidige vorm te beperkt. Immers, als er één sector is die de laatste decennia de teugels heeft overgenomen is het de financiële sector en uitgerekend die sector ontbreekt in het sectorale balansdenken en in de nationale rekeningen die er de weerslag van zijn. De financiële sector in de nationale rekeningen keert niet terug in de zogenaamde ‘economische kerncijfers’. Geldstromen van en naar sectoren verschijnen alleen als een afgeleide van sectoren, niet als een zelfstandige sector op zichzelf. Dat leek verdedigbaar in de periode dat banken meer op nutsinstellingen leken (en zich daarnaar gedroegen) dan op, zoals sinds de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, zelfstandige verdienmodellen die hen in staat stelden meer over te houden aan de handel in financiële producten voor eigen rekening (de bank als zakenbank) dan aan de dienstverlening aan derden, in het bijzonder aan overheden, aan de publieke sector, en aan gezinnen en ondernemingen, aan de private sector dus (de bank als nutsbank).

Hoewel, we mogen ook hier niet vergeten dat we onze nationale rekeningen te danken hebben aan de grote crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw. Een ook die crisis was het product van een verzelfstandigde en volstrekt uit de hand gelopen bancaire sector. Kennelijk, en tot ons aller schade, werd dat na WOII als een eenmalige uitzondering gezien, die er alleen in de VS enkele decennia lang voor zorgde dat nuts- en zakenbanken institutioneel werden gescheiden, net zo lang tot de nutsbanken er genoeg van kregen en dezelfde privileges opeisten als de zakenbanken al hadden (met dank aan Jimmy Carter). De privileges waren nog niet verleend of de eerste crisis diende zich aan (de zogenaamde ‘savings & loans’ crisis). Niet toevallig waren het te gemakkelijk verleende hypothecaire leningen en hun ‘derivaten’ en hun derivaten van derivaten, die de lont in het kruitvat staken. Het was een tegenslag, het resulteerde in iets meer prudentie en in de omstandigheid dat de zakenbanken het hen even ontfutselde initiatief terugwonnen. Sindsdien is de financiële sector een veelkoppig monster geworden, te beginnen in de VS (met dank aan Reagan, met dank aan Clinton) en het VK (met dank aan Thatcher) en zich daarna over de hele wereld uitbreidend (in ons land: met dank aan Lubbers, met dank aan Kok). Het heeft gezorgd voor de ontzagwekkende chaos van 2008 en later, en, met behulp van andere politici van dezelfde signatuur, voor het parasiteren op de publieke sector zodat daar de bancaire schulden en verliezen konden worden gedeponeerd en de winsten even privaat (en onbelast, dat ook) konden blijven als weleer. Het monster onttrekt zich grotendeels aan publieke regulering, het zorgt voor een vervaging van de grenzen met de reële economie (in de reële economie is investeren uit de mode en beleggen de waan van de dag), het maakt het opsporen van illegale transacties met zwart geld en witwasoperaties extreem moeilijk, het bevordert belastingontwijking en -ontduiking op een niet eerder vertoonde schaal. Hoe dat nou weer kan? Omdat het land van het geld niet op de kaart staat, nergens naw gegevens achterlaat en alleen bereikbaar is met de juiste connecties (zie Oliver Bullough, Moneyland; why thieves and crooks now rule the world, 2018). Het land van geld ontbreekt ook in de nationale rekeningen en in de economische modellen van het CPB komt het evenmin voor. Het bedrijfsleven maalt er kennelijk niet om en overheid heeft wel wat beters te doen – hoewel ik er maar niet achter kom wat dat dan wel mag zijn.

Intussen blijft de ECB miljarden in de economie pompen, met als verhoopt maar niet ingetreden gevolg meer bestedingen en een hogere inflatie, en met als voorspelbaar zij het niet door iedereen toegejuicht gevolg dat tal van kluizen voller en voller raken – tot ze overvol zijn en uit elkaar barsten. Pas dan, zo neem ik aan, verdwijnt de negatieve rente en pas dan mogen we weer rekenen met aanzienlijke inflatie.

Dit laatste scenario, we kennen het van Marten Toonder die in het jaar van de stormachtige opkomst van de oliedollar (zoiets als een DM-Euro vergeleken met een Drachme-Euro, of, in die dagen, de dollar zonder gouddekking), in 1973 dus, het verhaal van de bovenbazen schreef, bovenbazen die wat er ook gebeurt niet zullen verliezen, gewoon omdat bovenbazen nooit verliezen. Ook niet wanneer de kluis waar zij hun vermogens in hebben opgeslagen explodeert en het geld op straat komt te liggen – alsof het uit een helikopter is gegooid:

‘Toen ze in de verwoeste kluis kwamen, bleek daar nog heel wat te zijn achtergebleven. “Ongeveer net zoveel als ik had”, zei Heer Ollie tevreden. “Zo zie je, Tom Poes; geld speelt geen rol. En kijk, hier heb je de duit terug van die ongelukkige weddenschap, je weet wel. Nu is alles weer in orde!”

“In orde?” riep een dunne stem in de deuropening. “Het is een janboel! Er is niets in orde! Een chaos, dàt is het!”

Heer Bommel keek verrast op en toen zag hij daar de kassier van de bank staan, die wanhopig de handen wrong.

“Kom, kom”, hernam de gewezen bovenbaas minzaam. “Niet zo somber. Alles is nu toch betaald – en iedereen is tevreden. Is het nu nòg niet goed?”

“Nee,” zei de kassier met trillende stem. “Er is nu veel te veel geld in omloop. De gevolgen zullen vreselijk zijn. Vooral voor ons, minvermogenden.” (Marten Toonder, De bovenbazen. Amsterdam, De Bezige Bij 1973: 131)


18 oktober 2019

 

=0=

 

 

Over mimesis gesproken …

Er zijn conservatieve denkers die ik niet zou willen missen. Gelet op het recente verleden denk ik dan aan Hayek en, in het bijzonder, aan Oakeshott. Roger Scruton hoort niet in dit illustere rijtje. Hij is geen conservatief, hij is een eilandbewoner. In zijn geval zou ik menen dat de drievoudige mislukking die door de retoriek van de conservatie reactie aan elk vooruitstrevend voorstel wordt toegeschreven terugslaat op de reactie zelf – en aantoont dat er bij hem tussen retoriek en holle retoriek geen licht zit. De vele retorische banvloeken van Scruton zijn even zovele spreekwoordelijke boemerangs.

De retoriek van de reactie van Scruton zal ik typeren met behulp van de, aan Hirschman ontleende, drieslag van perversiteit, futiliteit en ondermijning.i De drieslag verwijst naar het mislukken van elk voorstel de gevestigde orde te veranderen om er iets beters voor in de plaats te stellen. Zulke voorstellen en de denkbeelden waar ze zich op beroepen komen altijd uit progressieve hoek, ze komen van links en ze gaan ten onder aan een of ander onbedoeld gevolg. Het gros van de linkse denkbeelden kan, beweert Scruton, nog geen deuk in een pakje boter slaan (het onbedoelde gevolg ‘futiliteit’). Bovendien, als die denkbeelden al enig effect sorteren dan alleen in de vorm van het tegendeel van wat ze beweren na te streven (het onbedoelde gevolg ‘perversiteit’). En, om het af te ronden, het gevaar bestaat dat ze, zelfs als ze enig succes boeken, belangrijke waarden van de samenleving ondergraven (het onbedoelde gevolg ‘ondermijning’).

Hirschman illustreert de genoemde onbedoelde gevolgen met de conservatieve reacties op een aantal ontwikkelingen die samenhangen met alweer een drieslag, van de hand van Marshall deze keer: de drieslag van de komst van achtereenvolgens burgerlijke (in de 18e eeuw), politieke (in de 18e eeuw) en sociale grondrechten (in de 20ste eeuw).ii Noem het een programma voor gelijke rechten en de consequentie laat zich raden: het gelijke recht van allen is een oorlog tegen het voorrecht van wie dan ook. Nog niet eens zo heel lang geleden leek het erop dat de keuze tussen rechten en voorrechten simpel was – natuurlijk zijn we voor rechten en tegen voorrechten. Kiezen? Is kiezen een recht van allen of een voorrecht van sommigen? Ik geef een voorbeeld. Betekenen gelijke rechten voor allen niet ook dat iedereen dezelfde rechten op bewegingsvrijheid heeft? Dat iedereen zich, gegeven ruimte, in principe overal zou mogen vestigen?iii De reactie daartegen schuilt, dat is mijn stelling op deze plek, in ons allen. Niet iedereen heeft het recht zich in principe overal te vestigen. Dat is de reactie. De begeleidende retoriek laat zich nog raden maar dat in de retorische reactie het begrip van een ‘thuis’ onmisbaar is lijkt me niet eenvoudig weerlegbaar. Zou dat bewegings-/vestigingsrecht wel bestaan dan is niemand, opnieuw: ‘in principe’, ooit nog zeker van een ‘thuis’. Thuis hoeft geen huis te zijn. Voor Scruton is zijn gebrexiteerde eiland zijn ‘thuis’. Thuis is overal waar we ons veilig en geborgen weten. Het is je erf, erf als in erfgoed, als in heem, onze variant van ‘heim’, het heem/heim dat als het er niet, als het er niet meer is en als het er nog niet is, tot ontheemding en heimwee kan leiden.iv

Heem is iets ‘prepolitieks’, althans als we onder politiek ‘la politique’ verstaan, de politiek, het geheel van handelingen en instituties dat wij als een als zodanig kenbaar en functionerend politiek stelsel of ‘systeem’ beschrijven. Het is allerminst ‘prepolitiek’ als we onder politiek ‘le politique’ begrijpen, het politieke, de constitutie van de macht, die onder sommige omstandigheden alleen als gedeelde macht kan worden gezien (zoals in leer en leven van de trias politica) en in andere omstandigheden alleen als één en ongedeeld (zoals in leer en leven van het totalitarisme). Bij machtsdeling hoort het beeld van een verdeelde maatschappij, van een verdeeld volk (dat dan ook beter als ‘bevolking’ kan worden gelezen dan als ‘volk’), bij de ongedeelde macht hoort het beeld van het volk als eenheid, waartoe de ‘ander’ (op straffe van de ondergang van de eenheid) geen toegang mag worden verschaft.v Bij beide, de politiek en het politieke, horen beelden, bij beelden horen symbolen, bij beelden en symbolen hoort – retoriek. Bij een ‘volk’ hoort de conservatieve retoriek van een prepolitieke eenheid, en van de loyaliteit aan die eenheid.vi Wie zich aan een dergelijke loyaliteit onttrekt ‘verloochent’ zijn volk.vii De kenmerkende gemoedstoestand hierbij is de ‘oikofobie’, de angst voor en de afkeer van het eigene en bekende en de idolatrie van het vreemde en het andere.viii Bij een ‘bevolking’ hoort de progressieve retoriek van een prepolitieke verscheidenheid, en van de stem van de verscheidenheid. Een volk kent uiteraard een uitgang, een ‘exit’. Dat is de weinig benijdenswaardige uitgang van de verbanning, van het ballingschap. Ook een bevolking heeft een uitgang, een exit: de emigratie en het eventueel adopteren van een nieuwe nationaliteit, naast of in plaats van de eerste.

Progressieve politiek tovert ons een ideale, zij het imaginaire, toekomst voor; conservatieve politiek een ideaal, zij het imaginair, verleden. Daar valt mee te leven, op voorwaarde dat we ons er bewust van zijn, dat we het beseffen. Daar ontbreekt het nogal eens aan, aan dat besef. Bij Scruton manifesteert het gebrek zich al direct aan het begin, bij de taal. Taal heeft volgens hem als ‘eerste bedoeling’ de ‘werkelijkheid te beschrijven’.ix Daarom is nieuw-linkse taal geen taal want die taal beschrijft geen werkelijkheid, correspondeert niet met werkelijkheid. Die taal vervormt, verdoezelt en, uiteindelijk, vernietigt die taal de werkelijkheid. Het is de taal van de newspeak.x Werkelijk? Is het niet de ‘eerste bedoeling’ van taal iets uit te drukken, wat dat ook mag zijn, en dat die uitdrukking de ‘bedoeling’ kan hebben iets te beschrijven, of te bekladden, of te dromen, of te omhelzen, of te ontkennen, of het onuitspreekbare uit te spreken, of – om het hier even bij te laten – op te hemelen? Retoriek is taal, de hyperbool is taal en over alles waar we geen woorden voor hebben hoeven we niet te zwijgen. Zwijgen kan veelzeggend zijn en ook de taal van het onvermogen is taal, misschien wel juist omdat het uitdrukt wat zich niet laat beschrijven. Woordspelletjes daargelaten, ook newspeak is wel degelijk taal, betreurenswaardige taal ongetwijfeld, maar toch: taal.

Scruton ergert zich eraan omdat hij een hekel heeft aan linkse propagandataal. Ik erger me eraan omdat ik newspeak beschouw als een uitdrukking van reclametaal – met politieke propaganda als niet meer dan een voorbeeld onder andere. Voor Scruton beschrijft newspeak de naargeestige werkelijkheid van en volgens links. Van de onophoudelijke en luidruchtige taalaanranding die wij reclame noemen heeft de goede man nooit gehoord. Voor mij is newspeak geen beschrijving maar een uitdrukking van een taal die met alles in oorlog is, zichzelf inbegrepen. Als onbedoeld gevolg? Het zou zo maar kunnen.

Niet elk onbedoeld gevolg is even naargeestig. Ontelbare loftuitingen zijn uitgestrooid over de ‘onzichtbare hand’, de koning van het conservatieve onbedoelde gevolg, de koning die een ‘spontane orde’ in de schoot geworpen krijgt, een orde die als een zelfregulerend mechanisme garant staat voor z’n eigen reproductie en vereeuwiging – zolang we ervan afblijven.xi Als we allen ons eigen belang volgen en ons daarbij aan de spelregels houden dienen we tegelijkertijd en onbedoeld het algemeen belang.

De implicatie is helder: knutselen aan het eigen belang en de spelregels dient geen enkel belang en doet afbreuk aan het algemeen belang. Micro-economie (de triomfantelijke economie van het triomferende eigen belang) is algemene economie, macro-economie (de economie met de ondankbare taak de compositiefout van de als algemene economie begrepen micro-economie te herstellen) bestaat niet en mocht het toch bestaan dan alleen als parasiterend op het eigen belang. Van Bolkestein tot en met Hayek, van Thatcher tot en met Scruton is dit het refrein. Het is het refrein dat schraapzucht voorschrijft als er gespendeerd moet worden en dat op het gaspedaal drukt als we heuvelaf gaan. Het is het refrein dat zich met het dominante monopolieverschijnsel geen raad weet – niet best, horen we dan, dat monopolie, maar wat doe je eraan, wat kun je er aan doen als je wilt voorkomen dat je het kind met het badwater weggooit? Niet veel, toch?xii Wie niet van de macro-economie van de nationale rekeningen houdt heeft ook niets te melden over de meso-economie van het oligopolie en het monopolie.

Het onbedoelde gevolg heeft in het conservatieve kamp een slechte pers – met uitzondering van het onbedoelde gevolg van de onzichtbare hand. Aan de andere kant is voor Scruton de onzichtbare hand helemaal geen onbedoeld gevolg. Het is immanent, het zit besloten in de logica van de Westerse ontwikkeling, en in het bijzonder in het besef van het christendom dat, als enige monotheïstische godsdienst, van de zondebok een geuzennaam en een perspectief op de wereld heeft gemaakt.xiii Het christendom is de unieke religie die het beest van de mimetische woede en afgunst heeft getemd – Christus aan het kruis is er het lichaam, het beeld, het symbool en de retoriek van.

Voor minder doen we het niet, zal Scruton gedacht hebben en met hem zijn trouwe paladijn Thierry Baudet die immers elke gedachte van Scruton herkauwt en opdient als de zijne. Over mimesis gesproken …

4 juli 2019


ii Zie Albert O. Hirschman, The Rhetoric of Reaction; Perversity, Futility, Jeopardy. Cambridge Mass., Harvard University Press 1991

ii Zie Thomas H. Marshall, Citizenship and Social Class. In idem, Citizenship and Social Class and other essays. Cambridge, Cambridge University Press 1950: 1-85

iii Het eerste thema dit jaar (23 juni) van het tv-programma ‘het filosofisch kwintet’ luidde ‘vrijheid’. Tot mijn stomme verbazing viel het woord ‘bewegingsvrijheid’ in de aan het thema gewijde uitzending niet één keer. Dat was niet alleen ‘filosofisch’ een misser van de eerste orde, het leidde ook tot een zouteloos debat. Kennelijk is voor ‘ons’ bewegingsvrijheid’ zo gewoon dat we er, behalve bij een spaarzame obligate ‘herdenking’, niet eens meer aan denken. Dat scheelt want dan hoeven we er ook niet aan te denken dat onze bewegingsvrijheid een voorrecht is, op kosten van het ontzeggen van het recht op rechten van anderen.

iv Zie Oskar Negt, Onteigend worden en zich opnieuw toeëigenen. In idem, Cultuur als akkerbouw der zinnen. Hilversum, Uitgeverij De Meerval 1993: 35-51. Negt (o.c.: 44-45) wijst erop dat heem/heim een toekomstbegrip is, en, in de zin van Ernst Bloch, nog gerealiseerd moet worden: ‘Die wirkliche Genesis ist nicht am Anfang, sondern am Ende, und sie beginnt erst anzufangen, wenn Gesellschaft und Dasein radikal werden, das heisst sich an der Wurzel fassen. Die Wurzel der Geschichte aber ist der arbeitende, schaffende, die Gegebenheiten umbildende und überholende Mensch. Hat er sich erfasst und das seine ohne Entäusserung und Entfremdung in realer Demokratie begründet, so entsteht in der Welt etwas, das allen in die Kindheit scheint und worin noch niemand war: Heimat.’ (Ernst Bloch, Das Prinzip Hoffnung. Frankfurt am Main, Suhrkamp Taschenbuch Wissenschaft 554, 1985: 1628)

v Zie de diverse opstellen in Claude Lefort, Wat is politiek? Amsterdam, Boom 2016

vi ‘Burgerschap hangt daarom af van prepolitieke loyaliteiten van een territoriale soort – loyaliteiten die geworteld zijn in een besef van een gemeenschappelijk thuis en van een lokaal verankerde samenleving die generaties omspant. Kort gezegd, het burgerschap zoals wij dat kennen is afhankelijk van de natie en de natie is een zelfvernieuwend organisme gehuld in de mantel van een staat die door het recht bestuurd wordt’ (Roger Scruton, Het Westen en de Islam. Over Globalisering en Terrorisme. Antwerpen | Amsterdam, Houtekiet 2003: 76

vii Idem, o.c. 2003: 83-99

viii ‘This repudiation is the result of a peculiar frame of mind that has arisen throughout the Western world since the second world war, and which is particularly prevalent among the intellectual and political élites. No adequate word exists for this attitude, though its symptoms are instantly recognised: namely, the disposition, in any conflict, to side with ‘them’ against ‘us’, and the felt need to denigrate the customs, culture and institutions that are identifiably ‘ours’. Being the opposite of xenophobia I propose to call this state of mind ‘oikophobia’ (…). Roger Scruton, England and the Need for Nations. London, The Institute for the Study of Civil Society 20062: 36

ix Roger Scruton, Fools, Frauds and Firebrands. Thinkers of the New Left. London, Bloomsbury 2015: 9

x Idem, o.c. 2015: 8-12, 15-16, passim

xi Ibid.: 11

xii Idem, o.c. 2015: 41-50; 278-280. Voor Scruton is ook de naamloze vennootschap een ‘persoon’ en in de kern niet verschillend van een natuurlijk persoon. Dito voor de staat. Zie idem, o.c. 2015: 284. Friedrich A. Hayek, Law, Legislation and Liberty; a new statement of the liberal principles of justice and political economy. Volume 3: The Political Order of a Free People. London, Routledge & Kegan Paul 1982: 77-88. Het verschijnsel van de multinationale onderneming wordt door beide auteurs genegeerd – toch jammer als je al je kaarten, van de onzichtbare hand van de vrije markt tot en met zichtbare hand van de onderneming op aandelen, op recht en staat hebt gezet.

xiii Scruton (o.c. 2003: 50-53) verwijst in dit verband naar René Girard en diens Le bouc émissaire (Paris, Bernard Grasset 1982)


=0=

 

In de week/0

Mijn dierbare vriend Luuk Wijmans schreef me vorig jaar al dat stoppen niet hetzelfde is als voor altijd stoppen. Bij deze bewijs ik zijn gelijk.

Dit is aflevering 0 van een nieuwe serie, getiteld ‘in de week’. De titel drukt uit dat ik hoop me ten minste één keer per week ergens druk over te maken én dat als zelfs dat niet lukt (ik kan het me niet indenken maar je weet maar nooit) er altijd wel iets in de week zal liggen. Zo is er nooit iets aan de hand terwijl er altijd wel wat aan de hand is.

Ik zou, in de stijl van de Dagboekhouder, iets kunnen schrijven over Rutte die het grootbedrijf meer loon wil laten betalen en daarbij vergeet dat hij, als premier van bv Nederland, zelf de grootste werkgever is. Ik zou daar dan aan toe kunnen voegen dat media noch politici (quizvraag: zoek de verschillen) de overheid als werkgever hebben opgemerkt, en dat media noch politici hebben bedacht dat een forse loonstijging bij de overheid de aantrekkelijkheid van de overheid als werkgever vergroot, en de aantrekkelijkheid van de private sector als werkgever vermindert. In economisch opzicht is Nederland een vrijwel absolute monocultuur. Ik bedoel maar. Ik zou, in dezelfde stijl, de president van DNB kunnen opvoeren die maar wat blij is dat de rente laag blijft, de president die ook wel ziet dat daardoor de druk op de pensioenen weer wat wordt opgevoerd en die niet ziet (niet wil zien) dat de schuldenindustrie, dat de financiële economie dus, alleen al bij de aankondiging van renteverlaging opveert omdat daarmee hun productiviteit, gedefinieerd als renteverschil, stijgt zonder dat enige actie hunnerzijds wordt gevraagd. Goedkoop en nog goedkoper lenen en duur en nog duurder uitlenen, dat is de formule van de financiële uitbuitingseconomie en dat moet voor minister Hoekstra (die vindt dat geldschepping op basis van deze windhandel vooral het prerogatief van de private sector moet blijven) en voor Klaas Knot als DNB-president vooral zo blijven. De president is overigens erg voor loonstijging. Loonstijging is goed voor de rust in het land (als de werknemers gemene zaak gaan maken met de pensionado’s is dat volgens de bovenbazen nergens goed voor) en het is goed voor het evenwicht in de EU omdat de concurrentieverhoudingen in de eurozone uit elkaar worden getrokken door het mede door loonmatiging tot stand gekomen exorbitante exportoverschot van landen als Duitsland en Nederland. Omhoog met die lonen daarom.

Ik wou in ‘in de week’ een ander deuntje zingen. Een deuntje op net wat meer afstand van de graaiers, de profiteurs en de leugenaars van alledag. Een deuntje dat met meer rust wordt gecomponeerd. Volgende week komt ‘in de week/1’. Onderwerp: het sneue conservatisme van Roger Scruton.

20 juni 2019

 

=0=